Had de zestiende Eeuw de wedergeboorte der letteren aanschouwd,
in de zeventiende mocht het nieuw ontgonnen veld geheel in staat
geächt worden, de noeste vlijt der arbeiders met rijken overvloed
van voedzame vruchten te loonen. Maar toch lag er nog hier en ginds
een akker onbebouwd, nog was op menige plaats onkruid onder de
tarwe gebleven, en, hetgeen de voorgangers verricht hadden, toonde
gedurig meer en meer aan, hoeveel er nog voor hen, die later kwamen,
te verrichten overbleef.
De verkregen uitkomsten, naarmate zy heerlijker waren, wekten te meer
het verlangen op naar nieuwere en nog betere, en met onafgebroken
yver werd de taak der Erasmussen, der Scaligers, der Casaubonussen,
voortgezet. Vond de klassieke oudheid overal in Europa tolken en
vereerders, Nederland inzonderheid was de plaats, waar zy beoefend
werd en van waar het licht uitging, dat, aan haar fakkel ontstoken,
zijn stralen over Europa verspreidde: en onder hen, die in Nederland
gedurende het tijdvak van Frederik Hendrik hun leven aan de bevordering
der echte wetenschap toewijdden, was er niet een, wiens verdiensten
meer algemeen erkend en gewaardeerd werden, wiens invloed op de studie
der Grieksche en Latijnsche talen en al wat daarmede in verband staat,
gewichtiger en duurzamer was, dan Gerardus Johannes Vossius.
In 1577, te Heidelberg, doch uit ouders van Geldersche afkomst,
geboren, en reeds in zijn eerste levensjaar met hen in Holland
gekomen, had hy beiden als kind verloren, en was door de zorg van
trouwe verwanten verpleegd. Aan de Latijnsche schole te Dordrecht
opgekweekt, had hy zich spoedig met de eigenschappen en den zwier der
oude talen gemeenzaam gemaakt, en dien smaak voor welsprekendheid
en dichtkunst aan den dag gelegd, die door oefening gezuiverd,
maar niet verkregen wordt. Later te Leyden het meesterschap in de
vrije kunsten en in de wijsbegeerte verworven hebbende, gaf hy, op
naauwlijks een-en-twintig-jaren ouderdom, aldaar, zoo in 't openbaar
als in 't byzonder, lessen over de werken van Aristoteles, toen hy
naar de Schole, die hy te Dordrecht verlaten had, werd teruggeroepen,
maar thands om er het opengevallen Rektoraat te aanvaarden, welke
betrekking hy vijftien jaar bekleedde. Niet minder steeg zijn roem,
na dat hy, in 1606, zes boeken over de Redekunst had uitgegeven,
een werk, waarvan Casaubonus en Scaliger getuigden, dat zelfs de
ouden niets keurigers geschreven hadden.
Werd Vossius als Rhetor, niet minder werd hy als Godgeleerde
geroemd, en hem in 1615 een leerstoel als zoodanig te Steinfurt
opgedragen. Wellicht had hy aan die roepstem gehoor gegeven; maar
De Groot wenschte hem aan het hoofd van het Theologisch kollegie te
Leyden, en Vossius begaf zich in die hoedanigheid derwaarts, hierin
meer der aansporing van anderen gehoor gevende dan zijner eigen
begeerte. Vier moeilijke jaren bracht hy in zijn nieuwe betrekking
door, en moest in die dagen van Staats- en Kerkelijke twisten,
het gevaar ondervinden, dat er in gelegen was, de hartelijke vriend
van De Groot te zijn. De geschiedenis der Pelagianen, op raad van
dezen geschreven, verwierf hem, ja, toejuiching van de eene, maar
haat en vervolging van de andere, nu bovendrijvende, zijde, en de
omstandigheden noopten hem, in 1619, zijn bediening neder te leggen
en gedurende twee jaren een ambteloos leven te leiden. Een man van
zijne begaafdheden kon echter moeilijk ontbeerd worden, en nu, onder de
bestaande omstandigheden, de baan der godgeleerdheid voor hem gesloten
scheen, werd hem het Hoogleeraarsambt in de welsprekendheid door de
verzorgers der Leydsche Hooge Schole opgedragen. Hoe hoog inmiddels
zijn roem ook buiten 's Lands gestegen was, bleek daaruit, dat, in
1626, van de zijde der Engelschen alle pogingen in 't werk gesteld
werden, om hem aan de Hooge-school van Kantelberg te verbinden. Maar
ook de schoonste aanbiedingen konden hem niet bewegen, zijn Vaderland
te verlaten. In weêrwil hy aldus de hem gedane voorstellen afsloeg,
was de achting, welke men hem in Engeland toedroeg, zoo algemeen, dat,
toen hy in 1629 dat Rijk bezocht, koning Karel I. hem het Kanonikaat by
de Kantelbergsche abdy liet opdragen en daarby het zeldzame voorrecht,
om de inkomsten, daaraan verbonden, te genieten, zonder dat hy er
Holland voor behoefde te verlaten.
Het was gedurende zijn verblijf te Leyden, dat Vossius zijn Kort
Begrip der Rhetorica en zijn Latijnsche en Grieksche Spraakkunst
uitgaf, werken, aan wier herziening en verbetering hy tot aan zijn
dood arbeidde, en waaruit, gedurende meer dan twee eeuwen, de jeugd,
zoo hier als elders, haar eerste kennis dier vakken heeft opgedaan. Nog
gedurende hetzelfde tijdvak zond hy zeven boeken over de Grieksche en
Latijnsche Historieschrijvers in het licht en Rhetorische Kommentariën,
die hy opdroeg aan de Staten van Holland.
Eerlang, en wel in 1632, werd hy tot een nieuwen werkkring geroepen,
en wel om het Professoraat in de geschiedenis te bekleeden aan het
onlangs opgerichte Atheneum, te Amsterdam. Hy begaf zich derwaarts,
en niet minder schitterend dan te voren was ook hier de roem, die van
hem uitging, en die nog grootere uitbreiding ontfing, toen eerlang zijn
kinderen dien achtereenvolgens met hem deelden, ja sommigen daarvan
hem dreigden naar de kroon te steken. Zeldzamer en tevens schooner
verschijnsel kon er wel niet worden ontmoet, dan zich voordeed in
de woning van Vossius, waar de vader des huisgezins als een licht
van Europa werd beschouwd, en er onder acht kinderen niet een was,
die niet door ongewone gaven des geestes uitblonk, terwijl velen
reeds als wonderen van hun tijd werden aangemerkt. Men oordeele.
Johannes, de oudste, in 1605 geboren, behoorde tot die vernuften,
die zich door veelzijdigheid onderscheiden, en wat zy by de hand nemen
met snelheid meester worden. In wis-, kruid- en ontleedkunde bedreven,
had hy die studiën laten varen, om zich op de godgeleerdheid toe te
leggen; doch zich vervolgens tot de rechten gewend hebbende was hy
in 1634 als Advokaat Fiskaal naar de Indiën vertrokken.
De tweede zoon, Franciskus, drie jaren later, en, gelijk de volgenden,
uit een andere moeder geboren, had te 's Gravenhage met ongewonen
lof het beroep van pleitbezorger uitgeoefend, doch daarom de letteren
niet verwaarloosd, zoo als uit de Latijnsche gedichten, die hy naliet,
blijkt.
Op hen volgde Mattheus, in 1610 geboren. Na schitterende studiën te
Leyden volbracht te hebben, was zijn smaak inzonderheid gevallen op
de beoefening der geschiedenis. In 1635 gaf hy het Eerste Deel uit
der Jaarboeken van Holland en Zeeland, geschreven in Liviaansch
Latijn. Hoogen lof droeg deze arbeid weg by de Staten der beide
Gewesten, die hem met een rijk geschenk beloonden, en hem, toen
het Tweede Deel, mede, als het vorige, uit vijf boeken bestaande,
zes jaren later uitkwam, tot hun historieschrijver benoemden.
Met schitterenden glans blonk boven zijn oudere broeders de vierde,
Dionys, die in 1612 geboren was. Reeds als kind in 't Latijn en
Grieksch bedreven, had hy op zijn veertiende jaar de Hebreeuwsche,
Kaldeeuwsche, Arameesche en Arabische talen geleerd, op zijn zestiende
het Lexicon van Rafelengius vermeerderd, vervolgens zich op 't
Armenisch en Ethiopisch toegelegd, en de Talmudische en Rabbijnsche
schriften doorwroet; terwijl hy eerlang, onder andere werken, een
Latijnsche vertaling uitgaf van Maimonides. De Regeering van Amsterdam
had hem, die bovendien in byna geen nieuwe taal onkundig was, aan
't hoofd der stads-boekery gesteld, en heel Europa weêrklonk van
zijn roem.
Niet minder belezen, niet minder werkzaam, waren Izaak en Gerard,
gene in 1618, deze in 1619 geboren, en terwijl de eerstgenoemde zich
reeds vroeg als vlijtig navorscher van handschriften onderscheidde,
leverde Gerard nog vóór zijn twintigste jaar een keurige uitgave van
Vellejus Paterculus en vervaardigde aanteekeningen op Valerius Flakkus
en Censorinus. Hoe anderen, hoe b. v. Vondel, over Izaak dachten,
zullen wy straks vermelden; van Gerard getuigde de dichter:
Verstant, in honighraat gedoopt,
Geleertheid, daar al 't huis op hoopt,
Hadt Geeraert, die zoo vroegh
Zijn broeders overwoegh
En dreighde alreê des Vaders faem
En vlught te volgen, als zijn naem.
Niet minder dan de zonen, onderscheidden zich de dochteren. Zoo wel
Kornelia, die in 1613, als Johanna, die in 1622 geboren was, blonken
uit door bevallige schoonheid, vroomheid van inborst, reinheid van
zeden en innemend vernuft. Wisten beiden met pen en borduurnaald
op kunstige wijze om te gaan, meer dan gewoonlijk was Kornelia
in de muzijk, Johanna in de schilderkunst bedreven. Met gemak en
bevalligheid spraken zy de Fransche, Italiaansche en Spaansche talen,
en waren met de Latijnsche gemeenzaam; terwijl nog bovendien de oudste
der meisjens met ongemeene wakkerheid het huisbestier bleef voeren.
Kan er schooner, kan er gelukkiger toestand worden uitgedacht, dan
waarin Vossius en zijn huisvrouw, de dochter der Juniussen, zich
bevonden?--Voorspoed, gezondheid, roem, huislijk heil, glansrijke
uitzichten in de toekomst, niets ontbrak hun: maar--onbestendigheid
der aardsche dingen!--hoe weinige jaren verliepen er, en niets
dan puinhoopen waren er gebleven van het gebouw, dat zoo duurzaam
gegrondvest scheen.
De eerste slag was niet de minst treffende. Dionys, wiens naam zoo
vroeg reeds geheel Europa doorklonken had, die door den vermaarden
Poolschen reiziger Kristoffel Slupeski was uitgenoodigd geworden,
hem als tolk op een reis naar Konstantinopel en Klein-Aziën te
vergezellen--een aanbod 'twelk alleen om den te jeugdigen leeftijd des
jongelings niet was aangenomen--die vervolgens, zoo naar Engeland als
naar Zweden als hoogleeraar, en, toen hy hier geen gehoor aan gaf, als
geschiedschrijver van Gustaaf Adolf naar 't Noorden geroepen was, werd,
toen hy op het punt stond, deze laatste betrekking te gaan vervullen,
op een-en-twintigjarigen leeftijd door de kinderziekte aangetast,
die hem den 25 November 1633 van deze aarde rukte.--Men weet, in
hoe aandoenlijk schoone vaerzen Vondel den wreeden slag bezong,
die Vossius trof. "Wat," schreef hy aan Van Baerle,
Wat gaat het sterflot over,
Dat het de beste lover
Van Febus lauwer schent!
Of trof hem 't heiloos weder,
Omdat de Zweedsche veder
Zijn hant was toebetrouwt,
Die, zwanger van history,
Gustaefs verdiende glory
Beschrijven woû met gout?
Of kon de nijd niet lijen
Dat hem de Teems quam vrijen,
Of dat hy docht te treên
In onze Fredrix laerzen
Met zoete vredevaerzen
Als in triomf voorheen?
enz.
En wie kent de heerlijke koepletten niet, die hy den troostloozen
vader ter vertroosting toezond:
Wat treurt ge, hooghgeleerde Vos
En fronst het voorhooft van verdriet?
Beny uw zoon den hemel niet,
De hemel trekt: ay, laet hem los.
Ay, staeck dees ydle tranen wat,
En offer, welgetroost en bly,
Den allerbesten vader vry
Het puick van uwen aertschen schat.
Men klaeght, indien de kiele strant,
Maer niet, wanneer ze, rijck gelaen,
Uit den verbolgen Oceaen
In een behoude haven lant.
Men klaeght, wanneer de balssem stort
Om 't spillen van den dieren reuck,
Maar niet, zoo 't glas bekomt een breuck
Als 't edel nat geborgen wort.
enz.
Naauwlijks was wel niet de wonde des harten geheeld, maar toch de
uiterlijke rouw over 's jongelings dood voorby, toen een treurmaar
het ouderhart op nieuw deed bloeden. Johannes, voor wien zich op Java
de glansrijkste uitzichten openden, was, in 1635, een jaar na zijn
komst aldaar, bezweken.
Mocht het gemis van den afwezige minder gevoeld worden, te treffender
zoû alras het verlies zijn van haar, die de vreugd, de lust, de ziel
was van geheel het huisgezin. Op den 28 January 1638, waren de beide
dochters van Vossius, met haar broeder Mattheus, haar oom Junius,
een zoon van den Poolschen gezant en diens leermeester, naar Leyden
gereden. By 't overtrekken van het bevroren Leydsche meer, dat sterk
genoeg was om de zwaarste wagens te dragen, geraakte hun voertuig,
door de onvoorzichtigheid van den voerman, van de baan op een min
veilige plek, en zakte door het ijs: allen kwamen er met den schrik af;
alleen Kornelia werd niet dan levenloos uit het kille water opgehaald.
"Een oogenblik," zong Vondel haar, in een droeve weeklacht toe,
Een oogenblick heeft zoo veel gaven,
Gedaelt van 't hemelsch paradijs,
Op u verslingert, in het ijs
En sneeuw, op 't onverzienst begraven:
Een waterslang verbeet die bloem
Van onze jeught, der maegden roem.
Nu zwijgen al uw schelle snaren,
d'Yvoire fluit, de zoete keel,
Daer 's vryers goddelijkste deel,
De ziele om hoogh op plagh te varen,
Toen zy ten ooren uitgelockt,
Gy haer tot in den hemel trockt.
Uw onvolwrochte beelden treuren
En roepen al: ick sterf, ick sterf!
Papier, panneel verschiet zijn verf,
Men ziet geen leven in de kleuren
Van uw tapijten, met de naelt
En zijde naer de kunst gemaelt.
Nu zult ge geest noch wijsheit zoecken
In 't Neêrduitsch, Fransch of in Toskaensch,
Noch u vermaeken in het Spaensch
En lezen 't keurighst uit de boecken;
Of 't antwoort geven op 't Latijn
In Duitsch als u gevraeght zal zijn.
enz.
Maar nog was met deze offers, aan het ouderhart ontscheurd, de
onverbidlijke dood niet te vrede. Twee jaren waren wederom verloopen,
toen de pest in 't huis van Vossius kwam woeden, en, weinige dagen
achter elkander, Johanna en Gerard ten grave sleepte.
Franciskus had der praktijk vaarwel gezegd, en te Amsterdam
in het thands byna ontvolkte ouderlijke huis zijn oude plaats
weder ingenomen. Hy scheen er enkel gekomen, om den rouw nog te
vermeerderen. Door een kwijnende ziekte aangetast, bezweek hy in
December 1645.
Drie maanden later werd Mattheus, die nu het Derde Deel zijner
Jaarboeken uitgegeven, en het Vierde omtrent voltooid had, door een
plotslinge ongesteldheid overvallen, en op 22 Maart aan de zijnen
ontrukt. Van de acht kinderen, waar Vossius op boogde, was er, toen
hy in 1649 uit de waereld scheidde, slechts één meer in leven: en
die eene, Izaak, kon niet aan zijns vaders sterfbed staan, om hem de
oogen te sluiten. Rusteloos en zwerfziek van aart, had hy overal in
't beschaafd Europa de voornaamste boekeryen bezocht, om merkwaardige
handschriften op te sporen en onderling of met de uitgaven te
vergelijken. In 1645 in 't vaderland teruggekeerd, om Mattheus als
stadsbibliothecaris en geschiedschrijver der Staten op te volgen,
had hy zich in 1648 naar Zweden begeven, waar koningin Kristina hem
ontbood. "O Izak!" riep, na zijns vaders dood, hem Vondel toe,
O Izak! eenigh pant
Van Vossius, gy die zoo verre
Om 't licht der koninklijke sterre
Verliet uw vaderlant;
Verlaet om ons de kroon van Zweden!
Gy kunt uws vaders stoel herkleden,
Zijn doorgeleert gebouw
Van schriften voort in top voltrecken
En moeders hart ten balsem strecken
Die anders smilt van rouw.
Izaak voldeed aan die uitnoodiging niet: hy toog naar Engeland, waar
hy zijn verdere dagen sleet. Maar al was het aan hem-alleen onder
de kinderen van Vossius beschoren, tot in hoog gevorderden leeftijd,
door tal van schriften, van den omvang zijner kennis te doen blijken,
de glans blijft daarom onverminderd, die in het tijdvak, dat wy
voorstellen, het huis van Vossius omstraalde, en schaars zullen de
jaarboeken der waereld een tweede voorbeeld geven van een gezin,
waarvan de leden in zulk een aantal en zoo treflijk uitblonken op
het veld der wetenschap. Stierven de meesten jong, niet een daalde
onberoemd ten grave, en, wanneer wy nagaan, hoeveel zy ongetwijfeld
aan het voorbeeld en de opleiding van hun vader te danken hadden
gehad, dan mogen wy daar eenigzins uit opmaken, hoe voortreflijk in
't algemeen het onderwijs van Vossius en hoe weldadig zijn invloed
op zijn talrijke leerlingen geweest moet zijn, ja, op de geheele
wetenschaplijke ontwikkeling in Frederik Hendriks eeuw.
Wy besluiten met de bekende, doch altijd even lezenswaardige regels,
welke Vondel schreef onder het afbeeldsel zijns grijzen vriends,
vervaardigd door Sandrart:
Laat sestigh winters vry dat Vossenhooft besneeuwen;
Noch grijzer is het brein dan 't grijze hair op 't hooft:
Dat brein draeght heugenis van meer dan vijftigh eeuwen
En al heur wetenschap, in boeken afgeslooft.
Sandrart, beschans hem niet met boeken, en met blaeren;
Al wat in boeken steekt, is in dat hooft gevaeren.