Is in andere landen de nagedachtenis van beroemde kunstenaren vaak
vereeuwigd door standbeelden, te hunner eere opgericht, dan moet
het verwondering baren, dat er geen van metaal of steen oprijst ter
eere van een kunstheld als Joan Pietersz. Swelinck, (musicus et
organista toto orbe celeberrimus, gelijk onder zijn door Muller in
staal gegraveerd portret te lezen staat), noch in zijn geboorteplaats
Deventer (1540), noch te Amsterdam, waar hy leefde en werkte. Het
kolossale beeld van Orlandus de Lassus prijkt wel binnen Bergen
in Henegouwen, waar deze 't eerste levenslicht aanschouwde, en een
prachtige medalje werd te zijner vereeuwiging geslagen; maar aan het
brengen eener hem waardige hulde aan onzen waereldberoemden Swelinck
werd tot hiertoe niet gedacht. En toch, welk een groot en te recht
hoog vermaard man was hy! Weten wy van zijn vroegste jeugd slechts dit,
dat hy reeds toen een buitengewone vlugheid op klavier en orgel bezat
en op die speeltuigen uitmuntte, zijn latere levensjaren getuigen
van wat hy als kontrapuntist en organist verrichtte, en hoe hy om
zijn voortreffelijke begaafdheden en leerwijze alom geächt en geroemd
werd. Vermoedelijk had hy het eerste onderwijs in de gronden der muzyk
genoten by zijn vader, mede, als wy straks zullen zien, organist te
Amsterdam. In de kennis der kompozitie zich verder wenschende bekwaam
te maken, reisde hy in den jare 1557 naar Italiën, waar hy zich, te
Venetiën, onder Josef Zerlino, leerling van den Nederlander Willaert,
zoo zeer in de kunst volmaakte, dat hy, by zijn terugkomst in zijn
vaderland, zich reeds den naam had verworven een der treffelijkste
organisten te zijn, en, by het openvallen van de betrekking als
zoodanig in de Oude Kerk te Amsterdam door den dood zijns vaders,
tot diens opvolger werd aangesteld. Den roemvollen naam, die van
hem was uitgegaan, mogen wy dan ook als een gewichtige oorzaak
beschouwen, waarom vooral Duitschers, die tot kundige organisten
wenschten te worden opgeleid, zich naar Amsterdam begaven, om van
onzen Swelinck lessen in het orgelspel en kontrapunt te ontfangen,
en zich naar zijn voorbeeld te vormen. In Hamburg werd hy niet anders
dan de organistmaker genoemd, en werkelijk riep hy een orgelschool in
't leven, waaruit de kundigste mannen van dien tijd te voorschijn
kwamen, als de beroemde Melchior Schildt van Hanover, Paul Seiffert
van Dantzig, Samuel Scheidt van Halle, Jacob Schultz of Praetorius
en Heinrich Scheidemann, beiden van Hamburg, welke stichters werden
van de zoo beroemde Noord-Duitsche orgelschool.
Zijn leerlingen achtten hem niet alleen hoog als kunstenaar, maar
vereerden hem ook als een vader, inzonderheid Schultz en Scheidemann,
die 's mans beeltenis uit Holland met zich voerden, welke tot het
einde huns levens hunne kamer moest vercieren, opdat zy den zoo
beminden meester steeds voor oogen zouden hebben: voorwaar een bewijs,
dat Swelinck niet alleen als voortreffelijk kunstenaar schitterde,
maar ook als mensch door een beminnelijk karakter en voorbeeldige
zielshoedanigheden uitmuntte, waarin wy bevestigd worden, wanneer wy
mede onder zyn reeds genoemde afbeelding lezen: Vir singulari modestia
ac pietate, cum in vita tum in morte omnibus suspiciendus. En hoe
men dien Nederlandschen kunstenaar hier beminde, getuigt de edele
handelwijze van eenige muzykliefhebbers, handelaren te Amsterdam,
die, zijn tijdelijke omstandigheden wenschende te verbeteren, hem
voorstelden, hun een som van 200 guldens af te staan, waarmede zy tot
zijn voordeel zouden werken, en wel zoo, dat zy daarvan alleen het
verlies zouden dragen, en hy de winst. En met welke uitkomsten werd
dit contractus leoninus van een gands ongewonen aart bekroond? Na
verloop van eenige jaren deed men rekening en verantwoording, en
werd meester Jan Pietersz. in het bezit gesteld van de (voor dien
tijd vooral) aanzienlijke som van f 40,000, waardoor hem, tot aan
zijn dood, een onbezorgd leven ten deel viel.
Hoe rijk en onuitputtelijk zijn fantazy was, hoe weinig hy, in een
vriendenkring voor het klavier gezeten, en daaraan heerlijke toonen
ontlokkende, zich om tijd of uur bekommerde, vinden wy by Baudartius
opgeteekend: "Deze Apollo," zegt hy, "heeft gehat ten deele van meest
alle musicanten, daarvan een Latijnsche poët aldus spreekt:
Omnibus hoc vitium est cantoribus inter amicos,
Ut numquam inducant animum cantare rogati,
Jnjussi numquam desinant,
"dat is te zeggen: dat men de liefelyke musiciens niet lichtelyck
aen het singen of spelen en kan brenghen, maer als men se daeran
gebracht heeft, so kunnen sy qualyck ophouden. My gedenckt dat ik
eens met eenige goede vrienden by meyster Jan Peter Swelinck, mynen
goeden vriend, gegaen zynde, met noch andere goede vrienden, in de
maend Mey, ende hy aen het spelen op zyn clave-cymbel gecomen zynde,
hetzelfde continueerde tot omtrent middernacht, spelende onder anderen
het liedeken: "Den lustelicken Mey is nu in zynen tydt," dewelcke hy,
sal ick goede memorie daervan hebbe, wel op vyf ende twintigerley
weysen speelde, dan sus, dan soo. Als wy opstonden, ende ons afscheyt
wilden nemen, so badt hy ons wy souden toch dit stuck noch hooren,
dan dat stuck niet kunnende ophouden, also hy in een zeer soet humeur
was, vermaeckende ons, syne vrienden, vermaeckende ook hemselven."
Omtrent den juisten tijd van 's mans dood zijn de opgaven eenigzins
uiteenloopend, minder betreffende het jaar en de maand, dan wel den dag
zijns overlijdens. Die alle hier aan te voeren achten wy overtollig,
maar de opgave onder Swelincks beeltenis, door Muller gegraveerd:
"obiit MDCXXI. XVI Octobris Aet. LX." zeer aannemelijk.
Moge er op dit punt onder zijn tijdgenooten verschil van meening
zijn ontstaan, omtrent Swelincks grootheid als kunstenaar, organist
en komponist, stemmen allen overeen. Hooren wy, in de eerste plaats,
wat Hooft en Vondel van hem getuigen. De eerste schreef op hem het
navolgende grafschrift:
Hier leit, die stelde wyz' den koninklyken woorde,
En Sion galmen deed, dat men 't in Holland hoorde.
Vondel vervaardigde op zijn beeltenis het navolgende byschrift:
Op meester Johan Pieterszoon Zweling
Fenix der Muzycke en Orgelist van Amsterdam.
Dit 's Zwelings sterflyk deel, ten troost ons nagebleven.
't Onsterflyk hout de maet by Godt in eeuwig leven.
Daar streckt hy, meer dan hier kan vatten ons gehoor,
Een goddelycke galm in aller Englen oor.
Hooren wy nu Baudartius: "Mr. Joan Peters Swelinck, seer constich en
vermaert organist, ja beroemd voor den allercloeksten en constichsten
organist deser eeuw. Welcken lof de constrycke Organist ende Musicien
Pedro Philippi, Organist binnen Brussel, en alle andere hem geern
gheven, hem eerende als eenen Phoebus ofte Apollo. De treffelijcke
musyckstucken welke hy aen den dach gegeven heeft, zoo als die in de
Gereformeerde kerken gesongen worden, gheven getuychenissen van den
musikalen geest, daermede hy is begaeft gheweest, ghelyck oock doen
alle andere Musyckstucken by hem gecomponeert en aen den dach gegeven."
Nog meer bepaald zijn de narichten, ons door Sweertius over
's mans arbeid gegeven, en welke wy, uit het latijn vertaald,
hier laten volgen, "Joan Pietersz. Swelinck, een Nederlander,
met my zeer bevriend, was het wonder der toonkunstenaars en
organisten. Verwonderlijk was te Amsterdam de dagelijksche toeloop om
hem het orgel te hooren bespelen. Niemand, die er geen roem in stelde,
den man gekend, gezien en gehoord te hebben. Hy schreef drie-, vijf-,
zes- en achtstemmige muzyk van gewijde en waereldsche zangen en voor
al de Psalmen Davids."
Ook Wassenaer spreekt in zijn historisch verhaal van "den wijdberoemden
organist Jan Pieterszoon Swelingh, die door syn uitnemende konsten voor
een Prince der Musiciens mach geacht werden, ghelyck aan de wercken
blyckt, die by syn leven zyn uitghegaen, en die nog niet uitghegaen
zyn. Hy was een uytghenomen konstenaer in 't orghelspelen, so dat
men syns ghelyck niet veel en vondt, waerdoor hy van de liefhebbers
der Musycke, maer bysonders van syne medeborgers in groote waerden
ghehouden wiert."
Hoe zijn werken gezocht waren, kan men opmaken uit de spoedige
verschijning van een tweeden druk, vooral uit de voorrede van zyn
beroemde Psalmen, (livre des Pseaumes de David, nouvellement mis en
musique, a 4, 5, 6, 7, 8 parties) waarin hem de hoogste lof toegezwaaid
en hy nu eens "l' Amphion divin et doux sonnant Harpeur," dan "l'unique
Phoenix de nostre Pays" genoemd wordt, terwijl in hetzelfde werk
(Livre troisième) het volgende klinkdicht op Swelincks muzyk der
psalmen Davids gedrukt staat.
"Tout ravi hors de moy, ars d'une douce flamme,
Espris d'un sainct amour par ces divins accords,
Se rallumer je sens au millieu de mon asme
Un Esprit tout nouveau, qui desdaigne ce corps.
Esprit, tu est bien prompt: et cependant se pasme
Le corps, que tu devois mouvoir par tes ressorts.
Ne suyvant, ce dit-il, celuy que je reclame,
Je ne suis plus vivant, ains au nombre des morts.
Swelinck, en mariant les sons avec les sens,
Fait si bien, que le corps, par sa douce harmonie,
Suit et vit en suyvant l'esprit tout en un temps,
Dont David par ses mots tenant l'ame ravie,
Et puis Swelinck tirant le corps par ses accents,
A l'esprit et au corps ravis rendent la vie."
Het is hier de plaats niet, al zijn werken op te sommen, veel min
hun waarde aan de kritiek te toetsen. Wy meenen genoeg te hebben
aangevoerd, waaruit des grooten Swelincks hooge verdiensten als
organist en komponist kunnen blijken.
En nu zijn zoon, Diederik Swelinck? Over hem bewaren de buitenlandsche
schrijvers het stilzwijgen: vermoedelijk omdat, al was hy als
kunstenaar in zijn eigen vaderland vermaard, zijn naam, by gemis van
gedrukte muzykale compositiën van zijne hand, niet tot in den vreemde,
althands niet tot by den nazaat aldaar is doorgedrongen. Doch moge
hy al minder beroemd zijn geweest als komponist, niet minder dan het
spel zijns vaders werd het zijne op prijs gesteld. Hy was gewoon,
na het eindigen van den avondgodsdienst in de Oude Kerk, waar hy
zijn vader in die betrekking was opgevolgd, zijn stadgenooten op
een heerlijk orgelmuzyk te vergasten, wanneer gewoonlijk stoelen en
banken met een overgroote menigte luisterende en verrukte toehoorders
waren opgevuld. Zijn beeltenis door Jan Lievensz., welke het ons
niet gelukt is onder de oogen te krijgen, werd door Vondel met dit
byschrift vereerd, waaruit wy althands de byzonderheid leeren, dat
de post van organist der meergenoemde kerk gedurende een eeuw in het
geslacht van Swelinck erfelijk was gebleven.
"Aldus heeft Livius ons Zweling afgebeeldt,
Maar niet zyn' fenixgalm, uit 's Vaders asch geteelt.
De Neef, de Grootvaêr, en de Fenix Vader zongen
Een eeuw den Aemstel toe met hemelsche orgeltongen.
Zoo Thebe door een lier tot zulck een' wasdom quam;
Wat zou men dichten van het orgel t' Amsterdam?
Daar David en Orlande om stryt zich laten hooren,
Als Didryck zielen vangt, en ophangt by heur ooren."
Hoe hoog de Drossaart 's mans kunsttalent waardeerde, kan blijken, uit
een brief van hem, waarin hy, aan Van Baerle zijn gevoelen mededeelende
aangaande de vermakelijkheden, waarop men Maria de Medicis, gedurende
haar verblijf te Amsterdam, in 1638, onthalen zoû, zijn meening uit,
dat "eene der onthaalingen, die meest by haar zoude geacht worden,
een treflijke muzijk zoude zijn", waaromtrent, zoo als Hooft verder
schreef, het verkieslijk ware "te volgen den raadt van den Orgelist
meester Dirk Sweeling, wiens gelyk ik meene dat zy nooit gehoort
heeft."
Dirk Swelinck overleed in 1652, en rust in een en hetzelfde graf met
zijn vader en zijn grootvader, gelijk wy leeren uit het grafschrift,
dat Vondel op hem dichtte:
Gy Zanggodinnen, valt aen 't schreien,
Aen 't jammeren met heele reien;
De zoon van Orfeus is verscheien.
Nu zwijght de galm der orgeltongen,
Die door de pijpen quam gedrongen,
Daar hemelsche Engelen op zongen.
Hoe kout en kil zijn deze handen,
Daer Jesses snaer mêe komt te stranden,
Met zijn Marenssen, en Orlanden.
Hoe juichte 't hart van oude en jongen,
Wanneer zijn vingers ongedwongen,
Op noten en op steeken sprongen!
Men kon, door Kerckgewelf en Kooren,
Den Vader in den Zoone hooren,
Nu zal een zerck die stemme smooren.
Gestoelten noch gepropte bancken
Niet langer Zwelings kunst bedancken
Voor zijn verquickende avontklancken.
Gy die mijn ziel hebt opgeheven
Uit dit moerasch in 't eeuwigh leven,
Wat zweep heeft u naer 't graf gedreven ?
Ten minste kus, o koor der Zingeren!
Met uwen mont dit ijs der vingeren,
Daar ieders ooren op verslingeren.
Ten minste draegh hem, naer zijn waerde
Die zijn vermaeck voor niemant spaerde,
Noch met dit grafgeschrift ter aerde:
"Hier rusten Grootvaer, Zoon en Vader
Zy volgen Davids harp te gader,
Een eeuw van voore, om hoogh noch nader."