Gevangen Hazen worden licht tam en nemen zonder bezwaar alle soorten

van voedsel aan, dat men aan de Konijnen geeft; zij zijn echter teer

en aan groote sterfte onderhevig. Als men ze alleen hooi, brood,

haver en water, maar nooit groen voer geeft, blijven zij langer

in leven. Jonge Hazen, die in 't hok van de oude gebracht zijn,

worden in den regel doodgebeten. Hetzelfde lot ondergaan de meeste

andere zwakke dieren; in mijn hazenperk vond ik eens een doode, half

opgevreten Rat. Met Guineesche Biggetjes leven de Hazen in vrede; met

Konijnen en Sneeuwhazen paren zij, waardoor bastaardvormen ontstaan--de

zoogenaamde _Haaskonijnen_ of _Leporiden_--, die zoowel bij paring

onderling, als met dieren van de vaderlijke of moederlijke soort een

vruchtbare nakomelingschap opleveren. Verreweg de meeste van deze

bastaarden hebben een Haas tot vader en een Konijn tot moeder. De

jongen, welke ontstaan, wanneer de wijfjes van dezen bastaardvorm met

een Haas paren, zijn het voordeeligst. Van deze dieren heeft men reeds

in vele opeenvolgende geslachten de uitkomsten van de voortplanting

nagegaan, en opgemerkt, dat hun vruchtbaarheid niet afnam. Het wijfje

brengt zesmaal per jaar telkens vijf à zes jongen ter wereld. Of zij,

die zich met het fokken van deze dieren bezig houden, door dit bedrijf

voordeel behalen, moeten wij in 't midden laten. Hij, die al het voer,

dat deze dieren krijgen, koopen moet en toch nog winst verwacht van

de leporiden-teelt, zal waarschijnlijk bedrogen uitkomen; terwijl

dit bedrijf daarentegen in inrichtingen, waar een groote hoeveelheid

voor voedsel geschikt afval, wordt verkregen, waarschijnlijk winst kan

opleveren. "Het zou kunnen zijn," zegt Ritzema Bos, "dat mettertijd de

leporidenteelt van eenig belang werd. Het vleesch toch van het tamme

Konijn, dat om den geringen prijs, waarvoor het verkrijgbaar kan worden

gesteld, voor min gegoede menschen een geschikt voedsel zou kunnen

zijn, valt in ons land niet algemeen in den smaak. De witte kleur en

de eenigszins zoetachtige smaak van 't vleesch schijnen daarvan de

oorzaak te zijn. Het vleesch van Leporiden nu schijnt veel van dat van

Konijnen te verschillen, en meer tot dat van Hazen te naderen, waarom

het misschien meer kans zou kunnen hebben, eens onder de volksspijzen

een plaats te erlangen. Het mist den eigenaardigen zoetachtigen smaak

van konijnenvleesch; bij sommige Leporiden is het wit van kleur; bij

andere in rauwen toestand roodachtig, gekookt donkergrijs."--In sommige

opzichten bestaat er verschil tusschen de Leporiden ouderling. Dikwijls

vindt men in één worp behalve jongen van den gewonen vorm ook zulke,

die een eigenaardig zachte beharing vertoonen, afwijkend van de

beharing der beide ouders. Deze "langharige Leporiden," hoewel

verschillend in kleur, kwamen niet alleen overeen door de zachtheid

en lengte der afzonderlijke haren, maar bovenal ook door de kleur van

den ondergrond der beharing, die bij alle wit was, terwijl zij bij de

gewone Leporiden een blauwgrijze tint vertoont. Bij gene kwam zij meer

met die van Hazen, bij deze met die van Konijnen overeen. Individuën

van den eerstgenoemden vorm met elkander gepaard, brachten jongen

voort, waarop steeds de eigenschappen der vacht waren overgeërfd,

terwijl, zooals reeds gezegd werd, door paring van gewone Leporiden,

zoowel haaskleurige als konijnharige jongen (de laatste echter het

meest) ontstonden. "Ledematen en staart van de gewone Leporide zijn

langer dan die van het Konijn, korter dan die van den Haas. Het oog

is niet donkerbruin, zooals dat van 't Konijn, en evenmin bruingeel,

zooals dat van den Haas: het heeft een lichtbruine kleur, als die

van afgevallen bladeren. De jongen openen sneller de oogen dan jonge

Konijntjes, terwijl zij ook eerder hun nest verlaten, en in 't hok

rondloopen." Vooral de ooren en de achterpooten zijn meer haasachtig.

Jong gevangen Hazen geraken zoo aan den mensch gewoon, dat zij tot hem

komen, als hij hen roept, uit zijn hand eten en ondanks hun domheid

kunstjes kunnen leeren verrichten. De oude Hazen daarentegen blijven

altijd dom en geraken ternauwernood aan hun verzorger gewend. De

gevangene zijn vlug en vroolijk, maar blijven vreesachtig.

Over het nut en de schadelijkheid van den Haas heerschen verschillende

meeningen, al naar deze zaak door den bril van den econoom, of door

dien van den jager wordt bekeken. Een onbevooroordeeld rechter zal

de Haas echter, zonder voorbehoud, schadelijk moeten noemen, daar

het voedsel, dat hij noodig heeft, minstens tweemaal zooveel waarde

vertegenwoordigt, als het dier zelf. In de meeste streken van ons

vaderland, waar het aantal Hazen betrekkelijk gering is, wordt dit

verlies niet duidelijk merkbaar, omdat de Haas zelden lang op één

plaats blijft eten, maar gewoon is overal een weinig te snoepen;

zoo wordt de door hem aangerichte schade over een groot gebied

verdeeld, hoewel zij er niet geringer om is. Bovendien is de Haas

zeer kieschkeurig, zoolang hem nog eenige keuze wordt gelaten:

hij neemt alleen het middenscheutje van de kool-, koolraap- en

koolzaadplanten, de stengelspits van de granen, de knoppen en jonge

loten van vruchtboomen, en ander houtgewas. Voor de houtteelt is

hij in den winter, als een dikke sneeuwlaag de kruiden bedekt,

niet alleen door het afbijten van de knoppen, maar ook door het

ontschorsen der boomen, nadeelig; het meest hebben de acacia's en de

gouden regens op deze wijze van hem te lijden. Bij heide-ontginningen

kan de Haas de oorzaak van groote teleurstelling zijn, daar hij van

het te velde staand gewas, dat dikwijls toch al schraal is, niet

veel overlaat, als hij een bezoek aan de akkers brengt. Indirect

is de Haas schadelijk, doordat zij, die middelen beramen om het

wild in stand te houden, verklaarde vijanden zijn van Roofdieren,

die als ijverige muizenverdelgers gespaard behoorden te blijven,

zooals de Vossen, Bunzingen, Wezels, enz.

Maar, al beschouwt men de schadelijkheid van den Haas als een

uitgemaakte zaak, dan vloeit hieruit nog niet voort, dat deze

diersoort uitgeroeid moet worden. Er wordt toch al genoeg gedaan voor

de vermindering van het aantal harer leden; zij, die door deze dieren

schade lijden, beschikken over afdoende middelen om hunne vermeerdering

te beperken; aan de voorstanders van het onvoorwaardelijk uitroeien

der Hazen zou men bovendien nog kunnen doen opmerken, dat ook de

liefhebbers van het jachtvermaak en van smakelijk wildbraad in deze

kwestie een woordje in 't midden hebben te brengen.

De Haas is ook nuttig door zijn vel. In Rusland worden zeer veel

hazenvellen gebruikt, en in Bohemen, waar reeds van oudsher veel werk

gemaakt wordt van de fabricatie van vilten hoeden, zijn voor dezen tak

van nijverheid ieder jaar omstreeks 40.000 hazenvellen noodig. Van

de onthaarde en gelooide huid worden schoenen gemaakt; de van haar

bevrijde huid dient ook voor de bereiding van perkament en van lijm.

Nog is het niet uitgemaakt, of de _Sneeuwhaas_ van de Alpen en die

van het hooge Noorden, een en dezelfde soort vormen. Over 't algemeen

zijn beide trouwe kinderen van hun vaderland. Hun kleed is zooveel

mogelijk in overeenstemming met den bodem, hoewel het eigenaardige

afwijkingen vertoont. De Alpen-sneeuwhazen zijn in den winter zuiver

wit, alleen aan de spits van de ooren zwart, in den zomer grijsbruin

en wel volkomen effen, niet gesprenkeld, zooals de Gewone Hazen. De in

Ierland levende, veel met den Alpen-sneeuwhaas overeenkomende Hazen,

worden, naar men zegt, nooit wit; eenige geleerden beschouwen ze

deswege als een afzonderlijke soort (_Lepus hibernicus_).

Daarentegen hebben de Hazen in 't hooge Noorden van 't Europeesche

vasteland en in Groenland des zomers geen andere kleur dan 's

winters; ook zij worden om deze reden door sommige dierkundigen

als een afzonderlijke soort aangemerkt (_Lepus glacialis_). Onder

de Skandinavische Hazen, die alle Sneeuwhazen zijn, komen beide

gevallen voor: sommige worden bij 't naderen van den winter op de

zwarte oorspitsen na, wit, andere veranderen niet van kleur. Volgens

Blasius moeten al deze Sneeuwhazen voor verscheidenheden van één soort

(_Lepus variabilis_) gehouden worden.

De _Alpenhaas_ of _Sneeuwhaas_ (_Lepus timidus, L. variabilis_)

verschilt door lichaamsbouw en voorkomen duidelijk van den Gewonen

Haas. "Hij is," zegt Tschudi, "opgewekter, levendiger, driester,

heeft een korteren, ronderen, meer gewelfden kop, een korteren neus,

kleinere ooren (die, tegen den kop aangedrukt, niet tot aan de spits

van den snuit reiken), breedere wangen; de achterpooten zijn langer,

de zolen sterker behaard, de teenen zijn dieper vaneengescheiden,

kunnen verder uitgestrekt worden, en zijn met lange, spitse, kromme,

gemakkelijk terugtrekbare nagels gewapend. De oogen zijn niet, zooals

die van de witte Konijnen, witte Eekhoorns, witte Muizen enz., rood

van kleur, maar donkerder bruin dan die van den Gewonen Haas.

"Wanneer in December de Alpen onder de sneeuw begraven liggen, is deze

Haas zoo zuiver wit als de sneeuw; alleen de spitsen van de ooren

blijven zwart. De lentezon brengt, te beginnen in Maart, een zeer

merkwaardige kleurverandering teweeg. Het eerst wordt de rug grijs;

de grijze haren vertoonen zich ook aan de zijden in steeds toenemend

aantal tusschen de witte. In April heeft het dier een zonderling,

onregelmatig gevlekt of gesprenkeld voorkomen. Van dag tot dag breidt

de donkerbruine kleur zich verder uit; eerst in Mei eindelijk komt

de verandering tot stilstand; de Alpenhaas is dan geheel eenkleurig

geworden en heeft geen gesprenkelde vacht zooals de Gewone Haas, die

bovendien een grover haarkleed heeft. In den herfst begint hij reeds

met het vallen van de eerste sneeuw enkele witte haren te krijgen;

daar echter in de Alpen de strijd tusschen den winter en den herfst

spoediger beslecht wordt dan die tusschen de lente en den winter,

heeft de kleurverandering in 't najaar schielijker plaats dan die in

't voorjaar: zij duurt van 't begin van October tot in 't midden van

November. Als de Gems zwart wordt, krijgt haar buurman, de Alpenhaas,

een witte vacht. Men kan er zeker van zijn, in de hoog gelegen gewesten

van alle Alpenkantons de Sneeuwhaas te ontmoeten; in den regel is hij

hier even talrijk als de Gewone Haas in lagere streken. Het liefst

houdt hij zich op tusschen de grens der dennen en de eeuwigdurende

sneeuw, ongeveer op gelijke hoogte met het Sneeuwhoen en de Marmot,

tusschen 1600 en 2600 M. boven den zeespiegel; zijne zwerftochten

strekken zich echter dikwijls nog veel hooger uit.

"Zijn leger bevindt zich tusschen steenen, in een grot of tusschen

de neerliggende dennen (_Pinus mughus_) en dwerg-pijnboomen (_Pinus

pumilio_). Des morgens vroeg of dikwijls reeds in den nacht verlaat

hij dit leger en graast dan op de met gras begroeide plekjes grond,

die over dag aan 't zonlicht blootgesteld zijn. Zijn liefste voedsel

bestaat uit de talrijke, hier groeiende soorten van klaver, uit

ganzebloemen (_Chrysanthemum parthenium_), duizendblad (_Achillea

millefolium_) en violen; ook knaagt hij de dwerg-wilgen en de schors

van het peperboompje (_Daphne muzereum_) af. De monnikskap (_Aconitum_)

en de ooievaarsbekken (_Geranium_), die ook voor hem vergiftig schijnen

te zijn, laat hij zelfs in winters, waarin groot gebrek aan voedsel

heerscht, onaangeroerd. Des avonds gaat hij opnieuw voedsel zoeken,

en maakt dan ook wel een wandeling langs de rotsen en door de wilgen,

waarbij hij zich dikwijls op de achterpooten opricht. Vervolgens

keert hij naar zijn leger terug. Des nachts staat hij bloot aan de

vervolgingen van den Vos, den Bunsing en de Marters. De Ooruil,

die hem gemakkelijk zou kunnen overmeesteren, komt nooit op deze

hoogten. Menige Sneeuwhaas valt echter ten buit aan andere groote

Roofvogels der Alpen. Onlangs ving een Steenarend in de Appenzeller

bergen, die op eenden had zitten loeren, een vluchtenden Alpenhaas

voor de oogen van de jagers weg en voerde hem door de lucht mede.

"In den winter is het voedsel van den Alpenhaas dikwijls schaarsch. Als

de sneeuw hem verrast, voordat hij zijn dikker winterkleed aangetrokken

heeft, gaat hij dikwijls verscheidene dagen achtereen niet van onder

de steenen of struiken weg; hij heeft dan veel te lijden van honger

en koude. Ook blijft hij in 't veld liggen, wanneer een hevige

sneeuwbui hem overvalt. Hij laat zich dan geheel onder de sneeuw

begraven, dikwijls wel 60 cM. diep en komt eerst te voorschijn, als

de vorst de sneeuw zoo hard heeft gemaakt, dat zij hem draagt. Tot

zoolang graaft hij zich daaronder een vrije ruimte en beknabbelt de

bladen en de wortels van de Alpenplanten. Als het winter geworden is,

zoekt hij in de ijle Alpenbosschen naar gras en boomschors. Zoodra

de wind de dieper gelegen plaatsen, die met sneeuw gevuld zijn,

weer blootgelegd heeft, keert de Haas naar de hooge Alpen terug.

"De moerhaas brengt bij elken worp 2 à 5 jongen ter wereld, die niet

grooter zijn dan Muizen en een witte vlek aan 't voorhoofd hebben. De

eerste worp heeft gewoonlijk plaats in April of Mei, de tweede in Juli

of Augustus; of deze nog door een derden worp gevolgd wordt, en of er

een aan de reeds genoemde voorafgaat, wordt dikwijls betwijfeld. Het is

bijna onmogelijk het familieleven van de Alpenhazen te bespieden, daar

deze dieren een zeer fijnen neus hebben en de jongen zich buitengewoon

goed in alle spleten en gaten van gesteente weten te verbergen.

"De jacht op den Alpenhaas heeft hare lasten en hare lusten. Daar

zij eerst kan plaats hebben, als de sneeuw de Alpenketen bedekt,

levert zij niet weinig bezwaren op; hier staat echter tegenover, dat

het niet moeielijk is de verblijfplaats van het wild te ontdekken;

daar het versche spoor in de sneeuw duidelijk aantoont, waar het zich

bevindt. Als men de gangen gevonden heeft, die de Alpenhaas dikwijls

in de sneeuw graaft om te grazen, en daarna het hiervan uitgaande

spoor volgt, ontwaart men vele zigzagsgewijze wendingen naar rechts en

links, die het dier gewoon is te maken, daar het zich na geëindigden

maaltijd nooit regelrecht naar zijn leger begeeft. Van hier gaat een

spoor uit, dat over een tamelijk grooten afstand geen afwijkingen

vertoont. Het kromt zich, wordt daarna gevolgd door eenige afwijkingen

heen en terug (in den regel minder dan bij den Gewonen Haas) en ten

slotte door een ring- of lusvormig spoor, dat in de nabijheid van

een steen, struik of wal eindigt. Hier moet de haas liggen. Bij goed

weder ziet men hem boven op de sneeuw lang uitgestrekt, dikwijls met

open oogen slapend; intusschen kleppert hij een weinig met de kaken,

zoodat zijn ooren bestendig in trillende beweging zijn. Als het weder

echter guur is door den ijskouden wind, die zoo dikwijls op deze

hoogten heerscht, ligt de Haas meer verborgen, soms beschut door een

steen, soms op den bodem van een in de sneeuw gegraven kuil. Hier

kan de jager hem gemakkelijk schieten. Als hij hem niet treft,

vlucht de Haas met stormachtige haast en maakt geweldige sprongen;

hij gaat echter niet zeer ver, en is gemakkelijk weder onder schot

te krijgen. Het kraken van de sneeuw en het knallen van 't geweer,

boezemen hem geen schrik in; hij is aan dergelijke geluiden in het

gebergte gewoon. Ook de Hazen in den omtrek worden er niet door op

de vlucht gedreven; dikwijls brengt een jager er drie of vier stuks

thuis, die alle in het leger geschoten werden. In één leger zal men

er echter nooit twee bijeen vinden, zelfs niet in den paartijd. De

beweging van den Alpenhaas heeft iets eigenaardigs: zij bestaat uit

groote sprongen. Het spoor is kenbaar aan den betrekkelijk zeer breeden

afdruk van den voet. Evenals bij de Gems is de bouw van den voet bij

den Alpenhaas voortreffelijk ingericht voor het verblijf in het rijk

der sneeuw. De zool is breeder, de voeten zijn dikker dan die van den

Gewonen Haas. Bij het loopen spreidt hij de teenen ver uit, zoodat

zij als sneeuwschoenen het wegzinken in de sneeuw verhoeden; op het

ijs bewijzen de klauwen, die uitgestoken kunnen worden, uitstekende

diensten. Als de Alpenhaas met Honden gejaagd wordt, blijft hij veel

langer voor den staanden Hond liggen als zijn neef in 't laagland;

wanneer hij vervolgd wordt, sluipt hij slechts zelden in de enge

pijpen van de woningen der Marmotten, nooit echter in Vossenholen.

"Opmerkelijk is het, dat de Alpenhaas gemakkelijker getemd kan worden

dan de Gewone Haas, en zich rustiger en vertrouwelijker gedraagt;

hij blijft echter zelden lang in 't leven, en wordt zelfs bij de

rijkelijkste voeding niet vet. De Alpenlucht mist hij maar al te zeer

in 't dal. In den winter neemt zijn vacht ook hier een witte kleur

aan. Het vel van dit dier wordt niet hoog geschat, zijn vleesch is

echter zeer smakelijk."

Van de eigenlijke Hazen onderscheidt het _Konijn_ (_Lepus cuniculus_)

zich door zijn veel geringere grootte, slankeren lichaamsbouw, korteren

kop, kortere ooren en kortere achterpooten. De lengte van dit dier is

40 cM., met inbegrip van den 7 cM. langen staart; het gewicht van een

ouden rammelaar kan 2 à 3 KG. bedragen. Het oor is korter dan de kop,

en steekt, als het tegen den kop aangedrukt wordt, niet voor den snuit

uit. De staart is tweekleurig (van boven zwart, van onderen wit) met

roeskleurige spits. Het grootendeels zwartachtig blauwgrijze wolhaar

heeft aan de bovenzijde geelachtig bruine of roodachtig gele, aan de

onderzijde en op de pooten witte spitsen. De hals is aan de onderzijde

roestgeelachtig grijs, aan de bovenzijde effen roestrood; de buikzijde

van den romp, de keel, en de binnenzijde van de pooten zijn wit. De

spitsen der zwartachtig blauwgrijze bovenharen van de rugzijde van

den romp zijn zwart, en treden bij sommige exemplaren zoozeer op den

voorgrond, dat de kleur van de bovendeelen bij hen zeer donker en

soms zelfs zwart is. In den regel is de romp van boven geelbruinachtig

grijs, aan de zijden en op de schenkels lichter, de kop roodgeelachtig

grijs, aan de zijden lichter. Kleurverscheidenheden komen bij het

wilde Konijn veel zeldzamer voor dan bij den Haas; de tamme Konijnen

echter wijken in kleur en andere eigenschappen zeer uiteen.

Bijna alle natuuronderzoekers nemen aan, dat het oorspronkelijk

vaderland van het Konijn Zuid-Europa was en dat het van hier naar de

landen benoorden de Alpen is overgebracht. Plinius vermeldt het onder

den naam _Cuniculus_, Aristoteles noemde het _Dasypus_. Alle oude

schrijvers beweren, dat het uit Spanje afkomstig is. Volgens Strabo

zou het van de Balearen naar Italië gekomen zijn; Plinius verhaalt,

dat het zich in Spanje soms ontzaglijk sterk vermenigvuldigt, en op

de Balearen door vernieling van den oogst hongersnood teweegbracht. De

bewoners van deze eilanden wendden zich tot Keizer Augustus om hulp.

Tegenwoordig is het Konijn over geheel Zuid- en Midden-Europa verbreid,

en in sommige gewesten zeer algemeen. In ons land is het Konijn in alle

duinstreken langs de kust buitengewoon menigvuldig. In de lage landen

en op kleigronden wordt het niet waargenomen, daarentegen komt het zeer

algemeen voor op den diluvialen bodem van onze grens-provinciën, vooral

in Gelderland, Drente en Overijsel. O.a. omdat dit dier de duinen en

dijken ondermijnt, tracht men zijn vermenigvuldiging zooveel mogelijk

tegen te gaan; op enkele plaatsen heeft men het kunnen uitroeien,

zooals op het eilandje Rottum sedert 1840.--Het talrijkst is het

Konijn nog steeds in de landen, die om de Middellandsche zee gelegen

zijn, hoewel men het ook daar nooit spaart, en in ieder jaargetijde

vervolgt. Vele eeuwen geleden werd het ter wille van het jachtvermaak

in verscheidene gewesten van Engeland ingevoerd, en aanvankelijk op

hoogen prijs gesteld; nog in het jaar 1309 kostte een wild Konijn daar

evenveel als een speenvarken. In noordelijke landen kan het niet in

't wild leven; te vergeefs heeft men indertijd pogingen aangewend om

het in Rusland en Zweden te acclimatiseeren.

Het Konijn verlangt heuvelachtige en zandige gewesten met ravijnen,

rotsblokken of laag struikgewas, kortom oorden waar het zich goed

en gemakkelijk verbergen en verschuilen kan. Bij voorkeur gezellig,

tot volksplantingen vereenigd, graaft het op hiervoor geschikte,

liefst zonnige plaatsen tamelijk eenvoudige holen. Ieder hol bestaat

uit een tamelijk diepgelegen kamer en haaksgewijs gebogen pijpen,

die ieder verscheidene uitgangen hebben. Deze openingen worden door

het veelvuldig gebruik meestal tamelijk wijd; de eigenlijke pijp

is echter zoo eng, dat de bewoner er juist doorkruipen kan. Ieder

paar heeft zijn eigen woning en duldt hierin geen ander dier; de

gangen van naburige woningen staan echter dikwijls met elkander in

gemeenschap. In zijne holen leeft het Konijn bijna den geheelen dag

verborgen, tenzij het struikgewas om zijn woning zoo dicht is, dat

het bijna ongezien voedsel kan zoeken. Zoodra de avond aanbreekt,

gaat het fourageeren; het doet dit met groote voorzichtigheid en

bespiedt gedurende geruimen tijd den omtrek, voordat het zijn hol

verlaat. Zoodra het gevaar bemerkt, waarschuwt het zijne soortgenooten

door sterk met de achterpooten tegen den grond te kloppen; allen

snellen op dit signaal zoo schielijk mogelijk naar hunne holen terug.

De bewegingswijze van het Konijn verschilt aanmerkelijk van die van

den Haas. In het eerste oogenblik overtreft het dezen in snelheid,

op den duur niet; altijd echter toont het meer behendigheid. In het

"haken slaan" is het meesterlijk ervaren; om het te vangen zijn een

uitmuntend gedresseerde Windhond en een goed schutter noodig. Veel

listiger en sluwer dan de Haas, laat het zich hoogst zelden op de

weide verrassen en weet het in tijd van nood bijna altijd nog een

schuilhoek te vinden. Als het rechtuit liep, zou het door iederen

middelmatig goeden Hond reeds na verloop van korten tijd gevangen

worden; het zoekt echter in allerlei struikgewas, in rotsspleten en

holen zijn toevlucht en ontkomt hierdoor meestal aan de vervolgingen

zijner vijanden. Zijn vermogen om te kijken, te luisteren en te

speuren is even uitmuntend als dat van den Haas, misschien nog wel

beter. Het Konijn is gezellig en vreedzaam; de voedster verzorgt

hare kinderen met warme liefde, de jongen bewijzen hunne ouders veel

eerbied en vooral de stamvader van het geheele gezelschap wordt hoog

geacht. "Evenals de moerhaas," schrijft Dietrich aus dem Winckell

"draagt ook het Konijn 30 dagen. Tot in October werpt het om de 5

weken 4 à 12 jongen in een afzonderlijke kamer, die het vooraf met

het wolhaar van zijn buik warm bekleed heeft. Eenige dagen blijven

de kleinen blind; tot aan den volgenden worp van hun moeder blijven

zij bij haar in het warme nest en zuigen. De voedster bewijst veel

liefde aan haar kroost en verlaat haar gezin slechts zoo lang als

zij noodig heeft, om zich te voeden. Zelfs aan den vader veroorlooft

zij geen bezoek aan de jongen, waarschijnlijk omdat zij wel weet,

dat hij ze in een aanval van razernij of uit overdreven liefde zou

kunnen dooden. Dat hij dit niet uit boosaardigheid doet, blijkt uit de

wijze waarop hij zijne kinderen ontvangt, als hij ze voor de eerste

maal ziet: hij geeft hun dan onmiskenbare bewijzen van genegenheid,

neemt ze tusschen de pooten, likt ze, en helpt de moeder, wanneer

deze bezig is de kleinen voedsel te leeren zoeken."

In warme landen zijn de jongen reeds in de vijfde, in koude in de

achtste maand voor de voortplanting geschikt; eerst in de twaalfde

maand bereiken zij hun vollen wasdom. Als men aanneemt, dat ieder

wijfje zevenmaal per jaar jongen werpt en bij iederen worp, acht

jongen ter wereld brengt, zou haar nakomelingschap binnen vier jaar

uit niet minder dan 1,274,840 individuën bestaan.

Het Leven der Dieren: Deel 1, Hoofdstuk 07: De Knaagdieren · 第 19 / 20 段