's morgens met het aanbreken van den dag of kort na zonsopgang weder in
't bosch terug. Gedurende den zomer echter houdt hij zich soms ook wel
over dag in het hooge koorn op, of, als het regent, op ongebroken of
omgeploegd braakland. In den herfst, als de struiken hunne bladeren
laten vallen, verlaat hij het bosch geheel, daar het vallen der bladen
hem angstig maakt; in den winter trekt hij zich in het donkere deel van
't bosch terug; zoodra de dooi invalt, komt hij weder in het minder
dichte gedeelte. De eigenlijke "Woudhaas" vertoeft gedurende het
zachte en groeizame jaargetijde in den woudzoom; hij begeeft zich van
hier des avonds naar de velden, wanneer op de weiden in het woud niet
genoeg voedsel te vinden is. Bij felle vorst zoekt hij de duistere
gedeelten van het woud op en dringt er steeds dieper in door, zonder
zich om het afvallen der bladen te bekommeren.--De Berghaas vaart zoo
goed bij het gebruik van de geurige kruiden, die in de nabijheid van
zijn verblijfplaats groeien, dat hij, als er akkers in de nabijheid
zijn, deze alleen uit lust tot snoepen bezoekt.
"Buiten den paartijd," zegt Dietrich aus dem Winckell, "brengt de Haas
den geheelen dag slapend of sluimerend in zijn leger door. Nooit gaat
hij regelrecht op de plaats af, waar hij een oud leger weet of een
nieuw wil maken, maar loopt eerst een eind voorbij de plaats waar
hij rusten wil, keert terug, doet weer eenige sprongen te veel, dan
weer een sprong zijwaarts en herhaalt dezen voorzorgsmaatregel eenige
malen, tot hij eindelijk met een flinken sprong op de plaats aanlandt,
waar hij blijven wil. Bij het maken van zijn leger graaft hij in
't vrije veld een ongeveer 5 à 8 cM. diepe uitholling in den grond,
die daar, waar het achterste deel van 't lichaam moet liggen, een
weinig gewelfd is; deze kuil is lang en breed genoeg om te maken dat
er van het bovenste deel van den rug slechts zeer weinig te zien komt,
als het dier in het leger de voorpooten uitstrekt, hierop den kop met
de op den rug neerliggende ooren laat rusten en de achterpooten onder
het lichaam samentrekt. Deze schuilplaats beschut den Haas gedurende
het zachte jaargetijde tamelijk goed tegen storm en regen. In den
winter holt hij het leger gewoonlijk zoover uit, dat er niets dan een
klein zwartachtig grijs plekje van zichtbaar blijft. In den zomer
keert hij den kop naar 't noorden, in den winter naar 't zuiden,
bij stormachtig weer echter zoo, dat hij den wind achter zich heeft.
"Het is, alsof de natuur den Haas door opgewektheid, snelheid en
sluwheid heeft trachten schadeloos te stellen voor de hem aangeboren
vreesachtigheid en schuwheid. Als hij de een of andere gelegenheid
heeft gevonden om onder bescherming van de duisternis zijn zeer goede
eetlust te bevredigen, en het weder niet al te ongunstig is, zal er
bijna geen morgen voorbijgaan, zonder dat hij zich onmiddellijk na
zonsopgang op droge, vooral op zandige plaatsen met zijne soortgenooten
of in zijn eentje met lichaamsoefeningen vermaakt. Door grappige
sprongen, door in een kring rond te loopen en zich over den grond
te wentelen toont hij zijn vroolijke gemoedsstemming; soms is hij
zoozeer in dit spel verdiept, dat hij zijn ergsten vijand, den Vos,
niet opmerkt. Een oude Haas laat zich niet zoo gemakkelijk beetnemen,
en weet, als hij gezond en niet vermoeid is, in den regel aan de
vervolging van zijn aartsvijand te ontkomen. Hij tracht dan door
'haken te slaan' (door zijsprongen en wendingen), een list, die
hij meesterlijk ten uitvoer brengt, zijn vijand te foppen. Alleen
wanneer hij voor snelle Windhonden vlucht, tracht hij een anderen Haas
vooruit te schieten om zich in diens leger 'te drukken', waarna hij
den uit zijn woning verdreven kameraad koelbloedig aan de vervolging
prijs geeft. Ook begeeft hij zich dan wel te midden van een kudde
vee of dringt in het eerste het beste rietbosch door; ingeval van
nood zwemt hij over een tamelijk breed water. Nooit echter waagt hij
het weerstand te bieden aan een levend wezen van een andere soort,
en alleen als de ijverzucht hem prikkelt, geraakt hij in strijd met
zijns gelijken. Soms komt het voor, dat een denkbeeldig of werkelijk
bestaand gevaar hem zoozeer verrast en van zinnen brengt, dat hij ieder
middel tot redding verzuimt, in de grootste angst heen en weer loopt,
of zelfs op jammerlijke wijze begint te klagen."
Over 't algemeen is hij voor onbekende voorwerpen buitengewoon
schuw, hij mijdt daarom zorgvuldig alle in 't veld geplaatste
"hazenverschrikkers". Het komt echter ook wel voor, dat oude, volleerde
Hazen buitengewoon driest zijn, zich niet eens door Honden laten
verdrijven en, zoodra zij bemerken, dat deze opgesloten zijn of vast
liggen, met onvergelijkelijke onbeschaamdheid in den tuin komen om als
't ware onder de oogen van de Honden hunne rooverijen te plegen. Lenz
heeft meermalen gezien, dat Hazen zoo dicht onder zijn venster en
naast de vastliggende Honden langs gingen, dat het schuim uit den
bek van de ten hoogste vertoornde Honden hen op de vacht spatte.
De snelvoetigheid van den Haas is grootendeels hieraan te danken,
dat zijne achterpooten langer zijn dan zijne voorpooten. Om dezelfde
reden kan hij beter bij een helling op dan er af rennen. Als hij geen
haast heeft, maakt hij veel korter sprongen dan wanneer hij zich er op
toelegt om snel vooruit te komen. Bij het vluchten gaat hij dikwijls
zonder bijzondere reden op eenigen afstand van zijn leger opzitten
als een Hond; als hij de hem najagende Honden een eind weegs vóór is,
gaat hij op de geheel gestrekte achterpooten staan, doet zoo een paar
schreden vooruit en draait zich om en om.
Gewoonlijk maakt hij alleen dan geluid, als hij zich in gevaar
bevindt. Dit geschreeuw gelijkt op dat van kleine kinderen en wordt
"klagen" genoemd.
Onder de zinnen van den Haas is, gelijk men reeds uit de groote ooren
kan opmaken, het gehoor het best ontwikkeld; de reuk is behoorlijk
goed; het gezicht echter tamelijk zwak. Zijne meest in 't oog vallende
eigenschappen zijn buitengewone voorzichtigheid en oplettendheid. Het
zwakste geluid in zijn nabijheid, het suizen van den wind, die door
de bladen speelt, het ritselen van een blad, zijn voldoende om hem,
als hij slaapt, te wekken en scherp te doen opletten. Een bij hem
langs sluipende Hagedis of het gekwaak van een Kikvorsch kan hem
uit zijn leger verjagen, en zelfs als hij in vollen ren is, kan
men hem door gefluit, dat niet eens krachtig behoeft te zijn, doen
stilstaan. Ten onrechte noemt men hem zachtaardig. Dietrich aus dem
Winkell zegt zelfs, dat de leelijkste eigenschap van den Haas zijn
boosaardigheid is, al openbaart hij deze niet door krabben en bijten:
de moerhaas geeft er de duidelijkste bewijzen van door de geringe
zorg, die zij voor haar kroost draagt; de Rammelaar mishandelt de
jonge haasjes dikwijls op afkeerwekkende wijze.
De bronsttijd begint na strenge winters in 't begin van Maart,
bij zachtere weersgesteldheid reeds in het laatst van Februari (of
vroeger; soms reeds in het begin van deze maand of zelfs in Januari)
over 't algemeen des te eerder, naarmate de Haas meer voedsel kan
vinden. Alle Hazen zijn dan buitengewoon onrustig. De ijverzucht
verbittert ook het gemoed van den Haas en geeft aanleiding tot
gevechten, die voor den toeschouwer hoogst vermakelijk zijn. Twee,
drie of meer rammelaars komen bijeen, rennen op elkander af, loopen
terug, richten neergehurkt het lichaam omhoog en verheffen zich op de
achterpooten, vliegen elkander opnieuw aan en deelen oorvijgen uit,
zoodat de wol in 't rond stuift, totdat eindelijk de sterkste zijne
tegenstanders het veld doet ruimen. Geloofwaardige jagers verzekeren,
dat deze gevechten tusschen verliefde Hazen, hoe onschuldig zij
ook schijnen, soms toch zware verwondingen ten gevolge hebben; niet
zelden treffen zij op hun jachtveld blinde Hazen aan, die bij een
minnestrijd aan de oogen verwond werden. De afgekrabde wol, die op
de kampplaatsen verspreid ligt, is voor den jager een teeken, dat de
bronsttijd werkelijk aangevangen is; in jaren met buitengewoon zacht
weer zal iedere dierenvriend zich wel wachten na dit tijdstip nog op
de hazenjacht te gaan.
De moerhaas blijft ongeveer dertig dagen drachtig. Volgens Altum heeft
men wel eens in Januari jonge Hazen gevonden. Gewoonlijk echter heeft
de eerste worp plaats tusschen het midden en het einde van Maart,
de vierde en laatste in Augustus. De eerste maal brengt het wijfje
minstens één of twee, de tweede maal drie à vijf, de derde maal drie
en de vierde maal één of twee jongen ter wereld. Hoogst zelden en
slechts in een zeer gunstig jaar werpt een Haas vijfmaal jongen. De
geboorteplaats van de jongen bestaat uit een hoogst eenvoudige
uitholling van den bodem op een stille plaats van het bosch of van
akker; veelal een droge, met gras begroeide of met ruigte omzette
plek, waarin de moerhaas strooi of andere doode planten brengt,
soms kiest zij het bloote, kale veld voor kraambed uit, als haar de
tijd ontbroken heeft een betere schuilplaats te zoeken. De jongen
komen met geopende oogen ter wereld; de ooren hangen aanvankelijk
neer, doch richten zich weldra op; in alle opzichten is het bij
de geboorte al zeer ontwikkeld. Vele jagers hebben gezien, dat de
jonge Hazen onmiddellijk na de geboorte zichzelf moesten drogen en
reinigen. Zeker is het, dat de moeder slechts gedurende de eerste
vijf of zes dagen bij hare kinderen blijft, en ze daarna, met het oog
op een nieuwe vrijage, aan hun lot overlaat. Slechts nu en dan komt
zij weer terug op de plaats waar de jongen geboren werden, lokt ze
bijeen door een eigenaardig geklepper met de ooren en laat ze zuigen,
waarschijnlijk slechts om bevrijd te worden van de voor haar lastige
melk en niet uit echte moederliefde. Bij het naderen van een vijand
verlaat zij haar kroost in den regel, hoewel, er ook gevallen bekend
zijn, dat oude voedsters haar kroost tegen kleine Roofvogels en Raven
verdedigd hebben. Over 't algemeen is het aan de liefdeloosheid van de
moeder te wijten, dat er zoo weinige jongen in 't leven blijven. Die
van den eersten worp bezwijken in den regel door de koude. Indien er
al een het zwakke leven behoudt, wordt het door gevaren van allerlei
aard bedreigd, zelfs staat het aan de mishandelingen van zijn vader
bloot. Het gedrag van den rammelaar ten opzichte van de jonge Hazen
is werkelijk slecht; waar hij kan, kwelt hij ze dood. "Ik hoorde
eens," zegt Dietrich aus dem Winckell, "een jongen Haas schreeuwen,
en meende, daar het geluid van uit de nabijheid van het dorp kwam,
dat het dier zich in de klauwen van een Kat bevond; om dezen roover
met een schot te beloonen, kwam ik nader. In plaats van een Kat,
zag ik echter vóór het haasje een rammelaar zitten, die het jonge
dier met de beide voorpooten links en rechts zoo hevig om den kop
sloeg, dat het er reeds suf van geworden was. Het oude dier moest
zijn boosaardigheid met het leven boeten."
Bij geen ander in 't wild levend dier heeft men zooveel misgeboorten
opgemerkt, als bij de Hazen. Exemplaren, die twee koppen of althans
een dubbele tong hebben, of met buiten den bek uitstekende tanden
voorzien zijn, komen niet zelden voor.
De jonge Hazen verlaten ongaarne de streek, waarin zij het eerste
levenslicht aanschouwden. Zij verwijderen zich niet ver van elkander,
hoewel ieder zich een eigen leger graaft. Des avonds gaan zij
gezamenlijk voedsel zoeken, des morgens gaan zij gemeenschappelijk
naar hun slaapplaats terug; zoo leven zij vroolijk voort, tot zij
halfwassen zijn. Dan scheiden zij zich van elkander. Na 15 maanden
zijn zij volwassen, maar reeds in het eerste levensjaar, (op een
leeftijd van vijf maanden) voor de voortplanting geschikt. Zeven of
acht jaren is waarschijnlijk de langste levensduur, die de Haas bij
ons bereikt; er zijn echter voorbeelden bekend van Hazen, die nog
gedurende langeren tijd aan alle vervolgingen ontkwamen, en toch niet
door ouderdomsverzwakking het leven verloren. In het eerste vierde
deel van deze eeuw was in mijn geboortestreek een rammelaar berucht
onder de jagers; mijn vader kende hem al sedert 8 jaren. Steeds was
het den leepert gelukt alle gevaren te trotseeren; gedurende een zeer
strengen winter werd hij echter door mijn vader op den "aanstand"
geschoten. Toen hij gewogen werd, bleek het, dat hij een gewicht van
9 KG. had.
"Het leven van dit Knaagdier," zegt Adolf Müller, "is een nagenoeg
onafgebroken aaneenschakeling van vervolging, nood en lijden;
deze worden wel is waar op den voet gevolgd door het zusterenpaar
waakzaamheid en voorzichtigheid, maar zijn vergezeld door een
kind dat hare begeleidsters verreweg over 't hoofd gegroeid is, en
minder medelijden dan spotlust wekt, n.l. door de algemeen bekende
angstvalligheid van den Haas. Verklaarbaar is dit, daar de legerscharen
onze inheemsche roovers--Zoogdieren, zoowel als Vogels,--tal van
spionnen, verspieders, struikroovers en moordenaars op den vreedzamen
en weerloozen planteneter afzenden, om het stille Eden van zijne
velden en bosschen in een schouwtooneel van verdrukking en dood
te veranderen; bovendien jaagt een geheele trits van Jachthonden,
van den krompootigen, langzamen Dashond, tot den hoogpootigen,
slanken, in snelheid met den storm wedijverenden Windhond, den
snelsten renner der velden en bosschen na, tot hij van uitputting
bezwijkt. En zij, die aan de volharding en de vlugheid van den Hond
ontkomen,--ondanks het speurvermogen, de list en de moordzucht der
Roofdieren, hun leven hebben kunnen behouden,--gespaard blijven in
weerwil van de soms levensgevaarlijke temperatuurswisselingen, stormen
en onweders,--worden nog voortdurend bedreigd door de middelen, die
de mensch heeft uitgedacht om hen te dooden. De mensch, sluwer en
wreeder dan eenig Roofdier, sluipt bij nacht en ontijd in het woud,
en legt in de pas van den Haas den strik van koperdraad, waarin
het onschuldige dier met den kop geraakt, en waardoor het geworgd
wordt. Dit doet evenwel alleen de strooper, niet de echte jager."
Van het "hazenstrikken" geeft Dr. G. A. Venema de volgende
beschrijving: "Bestraalt de maan met hare zachte lichtstralen de
landstreek, dan verschuilt de Haas zich, als hij van zijne nachtelijke
wandelingen uitrust, op plaatsen, waar het oog van zijn vijand hem
moeielijk ontdekt; bij donkere maan waant hij zich meer veilig,
en opene, onbeschutte plaatsen kiest hij voor zijn leger uit. Ook
is de Haas bij maneschijn voorzichtiger; hij loopt minder snel,
en dikwijls ziet hij, opgericht op de achterste pooten, angstig den
omtrek rond, of hij iets ontdekt, dat voor hem gevaarlijk zou kunnen
zijn. Bij duisteren hemel is zijn loop sneller, maar toch alleen,
wanneer het pad zoo open is, dat zijn oog zich boven de omringende
planten of den grond verheft. Gaat het pad naar boven, dan richt de
Haas zich op het hoogste punt op, om het veld te verkennen; de helling
op- en afwaarts springt hij door, maar bij iedere plant of struik,
bij iedere oneffenheid in het pad, bij ieder kluitje, dat hij vindt,
blikt hij wantrouwend rond, alsof hij een vijand waant te zien of te
ontmoeten. Als de strooper hem dus in den koperen strik wil vangen,
zet hij dezen bij duistere maan over het pad, waar het effen en ten
minste zoo hoog als de omliggende grond is. Loopt het pad over heuvels,
hij wacht zich, den strik op de hoogte te plaatsen, waar de Haas stil
staat, of in de helling of den oploop, dien deze doorspringt. Maar hij
plaatst hem in de laagte, waar de Haas snel doorrent, echter alleen
als geen struiken of andere planten dezen het vrije uitzicht kunnen
belemmeren, en wanneer zich geen kluiten of oneffenheden in het pad
bevinden, waar de voorzichtigheid hem zou voorschrijven, zijn loop te
vertragen, en, nu en dan stil staande, zich te overtuigen, of zijn
leven, dat hij zoo lief heeft, met gevaar zou worden bedreigd. Ook
daar, waar het pad bochtig is, beteugelt de Haas zijn snelheid,
en een strik zou hem daar niet vangen. Is het buiig, dan loopt de
Haas niet veel, en altijd, door ieder geluid, dat de heen en weer
bewegende planten maken, beangst, is hij voorzichtig en behoedzaam;
veelal houdt hij zich dan meer in het leger. Bij duistere maan, als
het niet waait en de sterren helder schijnen, loopt de Haas sneller,
en de strooper rekent op een betere vangst. Is het veld met sneeuw
bedekt, dan is hij nog zekerder, om bij duistere maan den Haas in den
strik te vangen. De honger drijft het dier tot meerdere en grootere
reizen aan, want het voedsel is moeilijker te vinden. Jaagt de wind
de sneeuw hier en daar hoog op, dan kiest de Haas wel eens een leger,
dat met sneeuw bedekt is. Hij graaft dan door de sneeuw heen, van den
wal van een sloot of laagte af een lange gang, aan het einde waarvan
hij zich neervlijt. Bij zijn kop graaft hij de sneeuw tot een paar palm
dikte door, zoodat zijn ademhaling niet wordt belemmerd. Aldra komt
door de warmte een zeer kleine, geel omkleurde opening in de sneeuw,
waardoor de frissche buitenlucht tot hem doordringt, en waardoor de
warmere, uitgeademde lucht ontwijkt." "Veel sneeuw is voor de Hazen
zeer te vreezen; daar zij, evenals alle andere dieren, betreden
paden verkiezen boven ongebaande velden, huppelen zij bij hunne
nachtelijke wandelingen het eens betreden paadje velen malen door,
om in den strik, dien de sluwe strooper uitspant, of door het schot
van een op hen wachtenden wilddief, hun leven jammerlijk te eindigen."
Over de verschillende, al of niet jachtmatige wijzen van hazenvangst,
zijn tal van boeken geschreven; het is mijn bedoeling niet hierover
nader uit te wijden. Naar mijn smaak verschaffen het "zoeken" en de
"aanstand" den jager het meeste genoegen. De hazenjacht met Windhonden,
hoewel buitengewoon opwekkend, bederft het jachtveld. Drijf- en
klopjachten, hoe genoegelijk ook in niet te sterk bevolkte districten,
waar veel Hazen zijn, ontaarden in een echte slachterij; het "zoeken"
en de "aanstand" daarentegen houden den jager voortdurend in spanning;
hierbij speelt hij de waardigste rol. Bij het zoeken van den Haas is
hij in de gelegenheid, om zich een ervaren jager te toonen. Op den
"aanstand" valt voor hem veel te leeren, omdat hij dan allerlei dieren,
de Hazen niet alleen, als 't ware nog in hun kamerjapon ontmoet,
en waarnemen kan, hoe zij handelen, als zij nog volkomen rustig en
zorgeloos zijn. Menig jager geeft aan den "aanstand" in 't woud de
voorkeur boven iedere andere jachtwijze; trouw staat hem hierbij een
liefelijke gezellin, de hoop, ter zijde. Tot den "aanstand" reken ik
ook het "verlappen," een wijze van jagen, die niet algemeen bekend is,
en waarvan ik daarom nog wel een beschrijving dien te geven:
Onze angstvallige vriend Lampe ziet, zooals reeds opgemerkt werd, in
ieder hem onbekend voorwerp een reden om verschrikt te zijn, en op deze
eigenaardigheid berust het snoode plan, dat de arglistige mensch heeft
uitgedacht, om hem te verschalken. In het stille middernachtelijk uur,
als de Haas zich uit het bosch naar het veld heeft begeven om lekker
te smullen, sluipen zij, die de deuren van den herberg, waar hij den
dag doorbrengt, willen sluiten, in dezelfde richting voort. Drie of
vier mannen dragen groote pakken, die bij nader onderzoek rollen stevig
bindgaren blijken te zijn, waaraan op bepaalde afstanden twee vederen
of desnoods witte lapjes verbonden zijn. Dit zijn de "lappen" gelijk de
jager ze noemt. Men begint nu op een zekeren afstand van den woudzoom
deze verschrikkingsmiddelen te plaatsen. Met kleine tusschenruimten
worden dunne paaltjes in den grond gestoken volgens een kring, die
de akkers omgeeft, en hieraan de "lappen" bevestigd, die ongeveer een
halve meter boven den grond moeten zweven. Zoodoende wordt den Haas de
terugtocht naar het bosch versperd. Het jachtgezelschap begeeft zich
vroegtijdig op weg, daar het geruimen tijd voor het aanbreken van den
dag ter bestemder plaatse moet zijn. Zoo stil mogelijk bewandelt het
den daarheen leidenden weg. De eigenaar van de jacht plaatst de eene
jager hier, de andere daar op de beste uitwegen; het aantal jagers
in zijn nabijheid wordt allengs kleiner. Eindelijk is de omsingeling
tot stand gekomen, iedere jager heeft de best mogelijke hinderlaag
gekozen en wacht met gespannen aandacht de gebeurtenissen af, die nu
komen zullen.
Bij het eerste krieken van den dag maken de Hazen zich op, om van
de akkers naar het bosch terug te keeren. Onbezorgd bewandelen zij
het hun welbekende pad. Deze en gene haalt zijn zeer gewone grappen
uit. Alles in de omgeving is doodstil, hoogstens wordt hier en daar
geschreeuw van een kraai vernomen. In het oosten wordt de benedenste
rand van het hemelgewelf door de opgaande zon rood gekleurd. Nader en
nader bij de gevaarlijke lijn komt Lampe: daar valt hem de reeks van
witte voorwerpen in 't oog! Hij krijgt achterdocht, schrikt, steekt de
ooren op en wendt eerst het eene, dan het andere naar verschillende
zijden. Overal blijft het stil. Nog een paar schreden gaat hij in
dezelfde richting voort om het vreemdsoortige schouwspel van dichter
bij gade te slaan; maar dit strekt slechts om zijn argwaan te doen
toenemen. Een zeer zorgvuldig onderzoek schijnt hier noodzakelijk. Eén
voor één deinzen de vreesachtige dieren vol ontzetting af, "slaan
een haak" en keeren langs den zooeven gevolgden weg naar den akker
terug, om op een andere plaats hun geluk te beproeven. Daar ginder
is het echter niet beter gesteld dan op de plaats, die zij zooeven
verlieten. Misschien zijn zij hier minder voorzichtig geweest en hebben
zij zich te veel blootgegeven; want plotseling schiet een vuurstraal
uit het woud en wordt de stilte van den morgen afgebroken door het
gedonder van een schot. Door alle bergen wordt het geluid weerkaatst
en de echo der bosschen draagt het al verder en verder. Thans komt er
leven in de brouwerij. Hier en daar knalt een schot, langs de geheele
lijn wordt gevuurd. Ten einde raad rennen de Hazen als dol in den
tooverkring rond. De eene Haas deinst hier, de andere daar af, maar
daar alle tot hun ongeluk zooveel mogelijk de van ouds bekende paden
volgen, komen zij steeds weer opnieuw den jager onder het schot. Zoo
duurt het moorden voort, totdat het klaarlichten dag geworden is. Want
zoodra de dag herleeft, zijn alle Hazen verdwenen, voor zoover zij
door den dood gespaard zijn. Zij hebben zich te midden van het veld
"gedrukt" en wachten hier kalmere tijden af, niet vermoedend, dat in de
middaguren het "verlappen" door de drijfjacht gevolgd zal worden. Ook
in het bosch begint nu beweging te komen; elke schutter verlaat zijn
post, om het door hem geschoten wild te halen. De meesten vinden veel
minder Hazen, dan zij meenden te zullen vinden. Het kost moeite om
in de schemering het dier behoorlijk in de vizierlijn te krijgen en
in den regel wordt er veel vaker mis geschoten dan geraakt.--