Het voedsel van het Konijn is hetzelfde als dat van den Haas. De

schade, die het Konijn veroorzaakt, is echter veel duidelijker

merkbaar, niet alleen omdat het zich bij 't fourageeren tot

een kleinere ruimte bepaalt, maar ook omdat het zooveel van

boomschors houdt, en, om dezen trek te bevredigen, dikwijls geheele

boomaanplantingen vernielt. Men kan zich moeielijk voorstellen,

hoe groot de verwoesting is, die een kolonie van deze dieren kan

aanrichten, wanneer men hunne vermenigvuldiging niet met kracht

tegengaat. "De ontzaglijke schade door dit Knaagdier aan bosch en veld

toegebracht," zeggen de Gebroeders Müller, "berust eensdeels hierop,

dat het plaatselijk in zoo grooten getale optreedt, ten anderen op

zijn werkzaamheid als bewoner van onderaardsche gangen. Het voedsel,

dat dit dier gebruikt, is van een klein plekje gronds afkomstig,

daar het zich nooit ver van zijn hol verwijdert; hierdoor is de

veroorzaakte schade veel duidelijker merkbaar, dan die, welke ten

laste van den Haas komt. Voor den akker geldt dit, maar in nog hoogere

mate voor het bosch, zooals ieder, die met houtteelt te maken heeft,

kan getuigen. Alle jonge heesters en boomen, van den vlierstruik tot

de edelste houtsoorten, zijn blootgesteld aan de vernielende werking

van de zelden rustende knaagtanden, die het vooral op de schors gemunt

hebben. Wat de Eekhoorn is in den boom, is het Konijn in den grond,

die door de koloniën dezer dieren in alle richtingen doorwoeld en

ondermijnd wordt; reeds hierdoor veroorzaakt het groote schade in de

bosschen, vooral in die van naaldboomen, welke op zeer lossen bodem

staan." Bovendien verdrijven de Konijnen door hun voortdurende onrust

het overige wild; zelden ziet men Hazen daar waar Konijnen voor goed

hebben post gevat. Waar deze dieren zich veilig achten, worden ze

ongeloofelijk brutaal. In het Weener Prater hielden zij zich vroeger

bij duizenden op, liepen er zelfs over dag onbeschroomd rond en lieten

zich zoomin door geschreeuw als door het werpen met steenen bij het

afknagen van de planten storen. Overal wordt het geheele jaar door op

de Konijnen jacht gemaakt; toch zijn zij zonder de hulp van het Fret

niet uit te roeien: alleen wanneer het aantal Bunzingen, Hermelijnen

en Steenmarters sterk toeneemt in een streek of wanneer daar Ooruilen

en andere Uilen voorkomen, kan men er eenige vermindering van het

aantal Konijnen waarnemen. Door de Marterachtige Roofdieren worden

zij vervolgd tot in hunne holen en hier bijna altijd buit gemaakt;

de Ooruilen vangen hen 's nachts van de weide weg. In gewesten die

voor de Konijnen zeer gunstig gelegen zijn, worden zij soms een plaag

voor het land, en veroorzaken ontzaglijke schade. In Nieuw-Zeeland

zoowel als op het vasteland van Australië hebben zij zich zoo kolossaal

vermenigvuldigd, dat zij op vele plaatsen de weidegronden van het vee

totaal kaal vreten; men heeft ze hier tot dusver zonder succes ijverig

vervolgd. Hoe groot het bedrag der door hen aangerichte schade is, kan

men afleiden uit het feit, dat de regeering van Nieuw-Zuid-Wales in

de jaren 1880-1889 ongeveer 9 millioen gulden heeft ten koste gelegd

aan het bestrijden dezer Knaagdieren en ten slotte een belooning van

300.000 gulden heeft toegezegd aan hem, die een doeltreffend middel

tegen deze landplaag wist aan te geven. Alle bekende middelen tot

het uitroeien der Konijnen,--vergif, strikken, Fretten, omrastering

met staaldraad enz.--zijn reeds toegepast en bleken onvoldoende,

om de alle perken te buiten gaande vernieling van veevoeder te doen

ophouden. Toen Pasteur had ontdekt, dat door het besmetten van het

voedsel der Konijnen met de bacterie van de hoenderen-cholera deze

dieren de genoemde besmettelijke ziekte krijgen, meende men hierin een

middel gevonden te hebben om ze snel en volkomen uit te roeien; deze

proefneming werd in Australië in het groot nagevolgd, maar heeft tot

geen bevredigende uitkomsten geleid.--Op vele andere, tot verschillende

aardgordels behoorende eilanden--zooals Porto Santo bij Madera, Jamaika

en de Falklandseilanden,--zijn door het verwilderen van tamme Konijnen,

nieuwe, van den stamvorm aanmerkelijk afwijkende rassen ontstaan.

Na hun dood geven de Konijnen slechts een onbeduidende

schadeloosstelling voor de schade, die zij gedurende hun leven

veroorzaakten. Hun vleesch wordt, ofschoon het malsch, wit en goed

van smaak is, niet voor een lekkernij gehouden; zelfs wordt het

in sommige streken--b.v. in Saksen, waar het volksbijgeloof in het

Konijn overeenkomst met de Kat ziet--door velen met dezelfde walging

beschouwd, als in vele streken van Schotland de Paling wegens zijn

vermeende uitwendige overeenkomst met een Slang.

Het tamme Konijn, dat zich reeds sinds overoude tijden als huisdier

heeft voortgeplant, stamt ongetwijfeld van het wilde af. Het wilde

Konijn kan in korten tijd getemd worden; het tamme verwildert binnen

weinige maanden geheel en al; de jongen die het dan werpt, hebben de

kleur van het wilde. In mijn jeugd hield ik dikwijls een vrij groot

aantal Konijnen; hieronder waren er eenige, die nu en dan op het

erf en in den tuin rondliepen; deze wierpen steeds grijze jongen,

hoewel de moeder wit en de vader gevlekt was.

De Konijnen-fokkerij kan op tweeërlei wijze plaats hebben: Men kan

deze dieren op een met muren of traliewerk omgeven, heuvelachtig

terrein aan zichzelf overlaten en hier, voor zoover dit noodig is,

met voedsel voorzien, òf ze in hokken verzorgen. De laatstgenoemde

handelwijze is de doelmatigste. Het konijnenhok moet een steenen of

planken vloer hebben en voorzien zijn van kunstmatige schuilplaatsen:

lange kisten met verscheidene gaten, òf kunstmatige holen in

den muur. Men moet de Konijnen veel stroo en droog mos geven, ze

tegen de winterkoude beschutten en met hooi, gras, bladen, kool

enz. voederen. Gemakkelijk kan men ze er aan gewennen, het voedsel,

dat men hun voorhoudt, uit de hand te nemen; volkomen tam worden zij

echter zelden, en, als men ze opneemt, trachten zij gewoonlijk te

krabben en te bijten. Bovendien zijn zij minder verdraagzaam dan de

wilde Konijnen. Die, welke gezamenlijk opgegroeid zijn, leven met

elkander in goede overeenstemming; vreemde Konijnen worden echter

door de oudere bewoners van het hok dikwijls erg mishandeld en soms

zelfs doodgebeten. In den paartijd hebben tusschen de rammelaars

hevige gevechten plaats, waarbij sommige niet onbelangrijke wonden

opdoen. Het wijfje bouwt in haar woning een nest van stroo en mos en

bekleedt dit zeer fraai met hare buikharen. Gewoonlijk werpt het vijf à

zeven, dikwijls meer jongen. Lenz heeft aanteekening gehouden van het

aantal jongen door één wijfje in één jaar geworpen: den 9en Januari

zes, den 25en Maart negen, den 30en April vijf, den 29en Mei vier,

den 29en Juni zeven, den 1en Augustus zes, den 1en September zes,

den 7en October negen en den 8en December zes jongen, in één jaar

dus acht en vijftig jongen. "In hetzelfde jaar," zegt hij, "deed ik

twee jonge, uit één nest afkomstige wijfjes en twee mannetjes uit

een ander nest, die twee dagen later geboren waren, met elkander in

een afzonderlijk hok. Beide wijfjes brachten toen zij zes maanden oud

geworden waren, het eene zes, het andere vier jongen ter wereld.--Het

wijfje zoogt hare kinderen in den regel niet over dag, zelfs, wanneer

zij nog zeer klein zijn, maar sluit 's morgens, als dit mogelijk is,

den ingang van het nest af; dikwijls kijkt zij over dag niet meer

naar hen om, maar doet, alsof zij van niets af weet. Toch let zij

wel degelijk op het nest."--Voor hunne natuurlijke vijanden hebben

ook de tamme Konijnen een buitengewone vrees. Lenz deed eens vijf

tamme Konijnen gezamenlijk in een hok, waarin kort te voren een Vos

gezeten had. Zoodra hij ze losliet, waren zij als razend en liepen

met den kop tegen den wand. Eerst langzamerhand geraakten zij aan

dit hok gewend.--Van denzelfden natuuronderzoeker, is het volgende

aardige bericht afkomstig: "In Januari kreeg mijn Spitshondje één

jong en daar dit niet al de melk kon uitzuigen, ging ik in den stal,

haalde van daar een jong tam Konijn uit het nest en legde het onder

de teef, die in mijn woonkamer lag; deze liet zonder bezwaar toe, dat

het vreemde kind aan haar melk zich laafde. Op den derden dag bracht

ik het Hondje met zijn zoontje en zijn pleegkind in den stal. Het

bleef daar twee dagen lang, zonder van het nest af te gaan en zonder

de daar huizende Konijnen en Geiten te storen. Op den derden dag riep

mijn zuster het naar buiten om frissche lucht te scheppen. Terwijl

het buiten is, sluipt het oude Konijn in het hondenest, neemt zijn

jong er uit en brengt het bij zijne overige jongen terug. Ik riep nu

dadelijk den Hond er bij, om te zien of deze het Konijn zou terug

verlangen. Hij scheen echter geen erg te hebben in de verdwijning

van zijn pleegkind."--Ik heb dikwijls jonge Konijnen onder onze

voortreffelijke, reeds meermalen vermelde Kat neergelegd en gezien,

dat zij deze rustig met hare katjes liet zuigen.

Bij goede voeding worden de Konijnen soms zeer driest; zij krabben en

bijten dan ieder die hen vangen wil; bovendien mishandelen zij zonder

eenige aanleiding andere dieren, vooral wanneer deze hun nijd gaande

maken. Een zwager van Lenz had een oud mannelijk Konijn bij zijne

lammeren. "Toen de voedering met esparsette begon, smaakte deze kost

den ouden heer zoo goed, dat hij graag den geheelen voorraad voor

zich zelf in beslag genomen zou hebben. Hij ging er dus bij zitten,

knorde, beet naar de lammeren, sprong zelfs een van hen op den hals

en liet het duchtig zijne tanden voelen. De te hulp gesnelde lieden

wierpen hem er af, maar hij beet de lammeren telkens weer, totdat hij

van hen verwijderd werd. Een andere rammelaar beet een jonge Geit in

den poot, zoodat zij bloedde, sprong de oude Geit op den nek en beet

haar in de ooren. Hij moest weggedaan worden." Zeer oude rammelaars

bijten soms ook hunne jongen of de voedster of brengen teweeg, dat

deze hare jongen slecht behandelt. Als een moerkonijn de jongen niet

goed zoogt, of ze dood bijten wil, is er slechts één middel om de

jongen te redden, n.l. het afzonderlijk houden van den ram.

Het gewone tamme Konijn onderscheidt zich van het wilde door

forscheren lichaamsbouw en andere kleuren (grijs, haaskleurig, rood,

geelbruin, licht leikleurig, zwart, wit gevlekt op al de genoemde

kleuren, wit). Effen zwarte Konijnen zijn zeer zeldzaam; de geheel

witte (albino's) hebben roode oogen. De meest in 't oogloopende

kleurverscheidenheden zijn:

Het _Zilvergrijze_ of _Chinchilla-Konijn_, zoo groot als het gewone

tamme Konijn en even geschikt voor de vleeschvorming als dit; zijn vel

wordt echter door de bontwerkers hooger geschat en veel gebruikt. Het

wolhaar is leikleurig, het bovenhaar deels zwart, deels wit; als de

witte bovenharen de overhand hebben, is de vacht zilvergrijs, in 't

tegenovergestelde geval glanzig donkerblauwgrijs; allerlei overgangen

tusschen deze beide uitersten komen voor. Bij alle heeft echter het

geheele vel van den neus tot den staart, dezelfde gelijkmatige tint. De

jongen zijn aanvankelijk zwart; als zij 3 maanden oud zijn, begint

de kleurverandering, die afgeloopen is, als het dier den leeftijd

van 6 à 7 maanden bereikt heeft. Naar men zegt, is dit ras uit Siam

afkomstig. Het wordt in Champagne veelvuldig gefokt.

Het _Chineesche_ of _Russische Konijn_ (ook wel _Himalaja-Konijn_

genoemd) is wit met roode oogen, maar heeft een zwarten neus, zwarte

ooren, zwarte voeten en een zwart staartje (niet zelden is het zwart

door bruinzwart vervangen). Bij de jonge dieren komt de zwarte kleur

nog niet voor; zij komt allengs; eerst op den leeftijd van 3 maanden

is zij volkomen ontwikkeld. Vooral om de vacht is dit ras van belang;

wegens zijn vruchtbaarheid is het, ondanks zijn kleinheid voor de

vleeschproductie bruikbaar.

Het _Hollandsche Konijn_ (_Nicard_), dat verschillende kleuren kan

hebben, is wegens zijn geringe grootte merkwaardig; sommige exemplaren

wegen weinig meer dan 1/2 KG. (terwijl een volwassen wild Konijn

gemiddeld ongeveer 1.5 KG. zwaar is). De Konijnen van dit ras zijn

uitmuntende voedsters voor andere, zwakkere soorten.

Het _Japaneesche Konijn_ heeft een lichte grondkleur, die met vrij

regelmatige, betrekkelijk kleine vlekken geteekend is.

Tot de rassen, die zich door buitengewone grootte of hangende ooren

(lapooren) onderscheiden, behooren o.a. de volgende:

Het _Reuzenkonijn_ (_Lapin géant_), het grootste ras van het tamme

Konijn, bereikt een gemiddeld gewicht van 6 K.G. De bovendeelen zijn

grijs of grijsgeel, de kleur van de onderdeelen varieert van lichtgrijs

tot wit; de rechtopstaande ooren hebben zwarte randen; onder den

hals bevinden zich beweeglijke, dwarse huidplooien of kwabben, die

zoover naar voren getrokken kunnen worden, dat zij bijna tot aan de

spits van den snuit reiken; de beenderen zijn in verhouding tot het

vleesch steviger en zwaarder dan bij het gewone tamme Konijn. Dit

dier werpt zelden 6, bij uitzondering 8, in den regel minder jongen.

Het Belgische of Vlaamsche Reuzenkonijn is haaskleurig en grooter

dan het Rouaansche (Rouennais) en Italiaansche; het kan 8 K.G. zwaar

worden. De voor het gebruik bestemde exemplaren zijn 6 à 8 maanden

oud en hebben een gewicht van 4 à 4 1/2 KG. Ieder jaar komen ongeveer

50.000 van deze Konijnen op de Engelsche markt.

Het _Lapoorige Ramkonijn_ (_Lapin bélier_) is groot, heeft stevige

beenderen en kan 6 KG. zwaar worden. De kleur is verschillend, de ooren

zijn soms van de eene spits tot de andere gemeten 60 cM. lang en 15

cM. breed, terwijl bij het wilde Konijn deze afmetingen ongeveer 20

cM. en 5 cM. zijn. Dit ras is niet zeer vruchbaar en derhalve voor de

vleeschproductie weinig geschikt. Een witte verscheidenheid met zwarte,

parelgrijze of gele vlekken wordt Butterfly ("Vlinder") genoemd. De

lange ooren worden soms naar boven gericht gedragen en wijken dan met

de spitsen ver uiteen, soms hangen zij aan weerszijden, of ook wel

alleen aan de eene zijde, bij den kop langs naar beneden. Ook bij de

gewone tamme Konijnen, de Reuzenkonijnen en de Angora-Konijnen worden

de ooren niet zelden aan één zijde of aan beide zijde hangend gedragen

ten gevolge van het niet-gebruiken van de spieren, die voor de beweging

van de ooren dienen. Bij eenige Konijnen met "half hangende" ooren

is het hangende oor langer en breeder dan het naar boven gerichte.

Het _Angora-Konijn_ (ook wel _Zijdehaas_ genoemd) is zoo groot

als het gewone tamme Konijn, maar heeft fijne, zijdeachtige,

elastische haren, die soms wel 20 cM. lang worden, en, met wol of

katoen gemengd, voor het vervaardigen van fijne weefsels, vooral

handschoenen, kousen, omslagdoeken enz., dienen. Vroeger bedroeg

de productie van Angora-konijnenhaar in de omstreken van Caen

(in het N.W. van Frankrijk) jaarlijks 3000 à 4000 KG. à 35 of 40

francs per KG. Hierop is een tijdperk van achteruitgang van deze

industrie gevolgd, waarin de prijzen van de grondstof slechts

half zoo hoog waren. Thans echter is er weer meer vraag naar de

genoemde artikels. Ieder Konijn levert 300 gram haren per jaar,

die onder zachte drukking met de vingers uitgetrokken worden, in

den zomer 2-maal, in den winter 1-maal per maand. De Zijdehazen zijn

grijs of kastanjebruin, soms ook wel gemskleurig of wit. Deze dieren

vereischen een bijzonder zorgvuldige verpleging, om te verhoeden dat

de lange haren aaneenkleven; steeds moeten zij droog stroo hebben;

de vacht moet dikwijls gekamd worden. Naar men zegt, zijn zij uit

Klein-Azië afkomstig, wat vruchtbaarheid en vleeschvorming betreft,

stemmen zij met de gewone tamme Konijnen overeen. Ook deze worden in

Frankrijk veelvuldig gefokt; zij zijn zeer vruchtbaar, groeien snel,

en kunnen goedkoop gevoederd worden; zij leveren voordeel op door

hun smakelijk vleesch, hun vel en hunne haren.

De vellen van tamme en wilde Konijnen worden tot pelterijen verwerkt,

van hunne haren maakt men vilt voor hoeden, of soms, zooals hierboven

gezegd is, weefsels. De vacht van het wilde Konijn is grijs roodachtig,

die van het tamme verschillend van kleur; het meest geschat zijn

de zuiver witte, zwarte en blauwgrijze vellen. Vooral in Frankrijk

legt men zich toe op het fokken van Konijnen, die door een fraaie

vacht uitmunten. Fraaie zwarte vellen met zilvergrijze haarspitsen

zijn afkomstig van een ras van wilde Konijnen, die hiervoor in

groote, omheinde perken gehouden worden. Ter vervanging van het

Hermelijnbont, dient het vel van een klein, uit Polen afkomstig ras van

Konijnen. Dikwijls wordt de kleur van de vacht kunstmatig veranderd;

vooral in het fransche departement Aube en in België bloeit deze

tak van industrie. De konijnenvellen zijn voor 't meerendeel van in

't wild levende dieren afkomstig; de meeste komen uit Nieuw-Zeeland

en Nieuw-Holland. De handel in dit artikel is zeer belangrijk. In

tien jaar tijds heeft alleen de kolonie Victoria 29 millioen stuks

uitgevoerd. België verzendt ieder jaar meer dan 6 millioen toebereide

vellen van tamme Konijnen naar Engeland. De waarde van de Konijnen,

welker haren de grondstof voor de hoedenfabricatie in Frankrijk

leveren, wordt geschat op 25 à 30 millioen franc per jaar.

De in Azië inheemsche _Fluithazen_ of _Hamsterhazen_ (_Lagomys_)

onderscheiden zich van de leden van het vorige geslacht door

veel kortere ooren, een geringer verschil in lengte van voor- en

achterpooten, een niet zichtbaar staartstompje, en een gebit, dat in

elke bovenkaakshelft één kies minder heeft. Alle Hamsterhazen bewonen

Centraal-Azië; sommige de hooge gebergten van 1000 tot 4000 M. boven

den zeespiegel, andere de steppen. Hier leven zij het geheele jaar

door op rotsachtige, woeste en grasrijke plaatsen, in nabijheid van

beken, soms eenzaam, soms bij paren, soms in grooter aantal bijeen.

De _Alpen-fluithaas_ (_Lagomys alpinus_) herinnert door gestalte en

grootte aan het Guineesch Biggetje. De ruige, dichte en kortharige

vacht is aan de bovenzijde fijn zwart gesprenkeld op roodachtig gelen

grond; de zijden en het voorste deel van den hals zijn effen roestrood,

de onderdeelen en de pooten licht okergeel. Enkele exemplaren zijn

effen van kleur, n.l. donker zwart. In volwassen toestand is het dier

ongeveer 25 cM. lang. De Alpenfluithaas behoort thuis in de geheele,

ontzaglijk groote bergketen, die de noordelijke grens vormt van

Centraal- en Achter-Azië, maar komt ook in Kamschatka voor.

Deze dieren bewonen rotsspleten en kleine, door hen zelf

gegraven holen. Bij helder weder liggen zij hier verborgen tot aan

zonsondergang; bij donkere lucht zijn zij ook over dag werkzaam. Uit

vrees voor hunne vijanden komen zij dikwijls slechts halverwegen

uit hunne holen te voorschijn, en steken dan den kop omhoog, om

zich te overtuigen of zij veilig zijn. Hun vreesachtigheid gaat met

nieuwsgierigheid gepaard. Radde zegt, dat zij vredelievend en zeer

arbeidzaam zijn; zij verzamelen groote hoeveelheden hooi, en vormen

er hoopen van, die zij soms met breed gebladerde planten bedekken om

ze tegen den regen te beschutten. Soms hebben deze hooischelven een

hoogte van 15 à 18 cM. bij 15 à 30 cM. middellijn. Naar hunne holen

leiden smalle paden, die door het drukke verkeer uitgeloopen zijn;

aan weerszijden van het pad is het korte gras afgevreten. Als de

winter aanvangt, graven zij onder de sneeuw gangen van hunne holen

naar hunne hooischelven: deze gangen hebben vele kronkelingen, en

zijn ieder met een luchtgat voorzien.

Het geschreeuw van den Alpen-fluithaas, dat men nog omstreeks

middernacht hoort, gelijkt op dat van onzen Bonten Specht, en wordt,

zelden vaker dan driemaal, met zeer korte tusschenpoozen herhaald. Een

andere soort--de _Ogotona_ (_Lagomys ogotona_)--fluit als een Muis,

maar luider en helderder, en zoo vaak achtereen, dat zijn geschreeuw

op een schrillen, sissenden triller gelijkt. Een derde soort--de

_Dwergfluithaas_ (_Lagomys pusillus_)--maakt een geluid, dat, naar

men zegt, groote overeenkomst heeft met dat van onzen Kwartel.

Hoewel deze dieren door de jagers van Oost-Siberië niet vervolgd

worden, ontbreekt het hun niet aan vijanden. Voortdurend maken de

Manul (een in de genoemde gewesten voorkomende Wilde Kat), de Wolf,

de Korsak, benevens verscheidene Arenden en Valken jacht op hen. Met

geen ander doel wordt hun gebied 's winters bezocht door den Sneeuwuil,

hun gevaarlijksten vijand. Ook de Buizerden brengen hunnentwege den

winter in den Gobi door, daar zij zich dan uitsluitend met Ogotonen

voeden. Ook de mensch benadeelt deze onschuldige Knaagdieren,

door hen van hun wintervoorraad te berooven. Als er 's winters

veel sneeuw valt, drijven de Mongolen hunne Schapen naar streken,

waar vele Ogotonen huizen, of voederen hunne Paarden met het hooi,

dat de Hamsterhazen bijeengebracht hebben.

AANTEEKENINGEN

[1] Ontleend aan "Insulinde: het land van den Orang-Oetan en den

Paradijsvogel, door A. R. Wallace", vertaald en met aanteekeningen

voorzien door Prof. Veth.

[2] _Sylphium_ noemden de ouden een in Cyrenaica groeiend kruid,

dat een bij de Romeinen zeer geliefde kruiderij opleverde; thans

is deze plant, die tot de familie van de Schermbloemigen behoorde,

niet meer te vinden.

Het Leven der Dieren: Deel 1, Hoofdstuk 07: De Knaagdieren · 第 20 / 20 段