Wolmuizen door de veel langere ooren, door den staart, die even lang
als het lichaam en aan de bovenzijde ruig behaard is en door de zeer
lange snorren. In levenswijze komen deze dieren nagenoeg volkomen
overeen. Men kent van dit geslacht tot dusver slechts twee soorten
met zekerheid; beide leven op de hoogvlakten der Cordilleras en wel
dicht onder de grenzen van de eeuwigdurende sneeuw, tusschen kale
rotsen, op een hoogte van 3000 à 5000 M. boven den zeespiegel. Zij
zijn even gezellig, even vlug en behendig als de Wolmuizen, openbaren
dezelfde eigenaardigheden en voeden zich met dezelfde of althans met
soortgelijke planten.
De op deze pag. afgebeelde _Haasmuis_-soort (_Lagidium Cuvieri_)
bewoont de hoogvlakten van 't zuiden van Peru en Bolivia en heeft
ten naaste bij de gestalte en de grootte van een Konijn. Haar vacht
is zeer zacht en langharig; de kleur is aschgrauw, aan de zijden een
weinig meer naar geel overhellend.
De andere Haasmuis-soort bewoont Ecuador en het noordelijk gedeelte
van Peru.
De vertegenwoordiger van het derde geslacht, de _Viscacha_ (_Lagostomus
trichodactylus_), gelijkt meer op de Chinchilla dan op de leden van
het vorige geslacht. Zij heeft een tamelijk dicht haarkleed, dat aan de
bovenzijde uit gelijkmatig verdeelde, grijze en zwarte haren bestaat,
waardoor de rug er tamelijk donker uitziet; de onderdeelen zijn wit
behaard, evenals de binnenzijde van de pooten. Zonder den staart is
het lichaam 50, met dezen 68 cM. lang.
De Viscacha vertegenwoordigt haar familie ten oosten van de Andes;
zij bewoont thans de Pampas van Buenos Aires tot Patagonië. Toen de
bodem nog niet zoo ver ontgonnen was als nu, kwam zij ook in Paraguay
voor. Waar deze dieren tegenwoordig nog gevonden worden, is hun aantal
zeer groot. Op verscheidene plaatsen treft men ze zóó veelvuldig
aan, dat overal, doch nooit over dag, aan weerszijden van den weg,
die men volgt, geheele troepen zichtbaar zijn. Zij houden zich in de
eenzaamste en minst bebouwde gewesten op, doch naderen de ontginningen
tot op korten afstand; de reizigers kunnen zelfs uit het groot aantal
"viscachera's" (of woningen van de Viscacha) langs hun weg afleiden,
dat de Spaansche volkplantingen niet ver meer zijn.
Schraal begroeide en voor een groot deel kale, dorre vlakten zijn het
erf van de Viscacha; hier heeft zij hare uitgestrekte, onderaardsche
woningen, bij voorkeur in de nabijheid van kreupelboschjes en op
geringe afstand van bebouwde velden. De holen worden gemeenschappelijk
gegraven en ook gemeenschappelijk bewoond; zij hebben een menigte
galerijen en vluchtgangen, dikwijls wel 40 à 50, en zijn van binnen in
verscheidene kamers verdeeld, al naar de talrijkheid van de familie,
die zich hier metterwoon heeft gevestigd. Het aantal familieleden kan
klimmen tot 8 à 10; daarna verlaat echter een deel van de familie de
oude woning en legt een nieuwe aan, liefst in de nabijheid van de
vorige. Bovendien kan het voorkomen, dat de Holen-uil, die wij als
commensaal van de Prairie-honden hebben leeren kennen, ook hier zich
vestigt en zonder veel plichtplegingen het een of ander hol in bezit
neemt. De zindelijke Viscacha's dulden nooit een huisgenoot, die niet
evenzeer als zij op netheid gesteld is en zoeken oogenblikkelijk
een ander kwartier op, wanneer een van de indringers haar door
onzindelijkheid last aandoet. Hierdoor wordt het verklaarbaar,
waarom de bodem dikwijls over een uitgestrektheid van een vierkante
mijl geheel en al ondermijnd is. Over dag ligt de geheele familie
verborgen in haar woning, omstreeks zonsondergang komen enkele leden
van het gezin te voorschijn, en zoodra de schemering aanbreekt, heeft
een meer of minder talrijk gezelschap zich voor de uitgangsopeningen
verzameld. Nadat deze dieren door een zorgvuldig onderzoek tot de
overtuiging zijn gekomen, dat hun geen gevaar bedreigt en geruimen
tijd in de nabijheid van het hol rondgezworven hebben, begeven zij
zich op weg om voedsel te zoeken.
De Viscacha's gelijken door de wijze, waarop zij zich bewegen, veel
op onze Konijnen, die haar wel wat snelheid betreft aanmerkelijk
overtreffen; maar minder opgewekt, vroolijk en tot spelen geneigd
zijn. Terwijl zij aan 't grazen zijn, maken zij voortdurend grappen,
loopen haastig rond, springen knorrend over elkander heen, wisselen
begroetingen met den snuit enz. Evenals de Jakhals en de Poolvos
nemen zij de meest verschillende voorwerpen, die zij bij het bezoeken
van hare weideplaatsen vinden, naar hare holen mede en stapelen deze
voor de ingangsopening in bonte verwarring opeen, als 't ware om als
speelgoed te dienen. Zoo vindt men beenderen en vodderijen, koedrek en
toevallig verloren geraakte voorwerpen, die voor haar zeer zeker in
't geheel niet dienstig kunnen zijn, voor hunne holen opeengehoopt;
de Gauchos gaan derhalve, als zij iets missen, naar de naastbijgelegen
viscachera's om daar het verlorene te zoeken. Uit hunne woningen
verwijderen deze dieren zorgvuldig al wat er niet in behoort, ook de
lijken van hunne soortgenooten. Het is nog niet uitgemaakt, of zij
in hun hol voorraad voor den winter bijeenbrengen. Hun stem bestaat
uit een zonderling, niet nader te omschrijven, luid en onaangenaam
klinkend gesnuif en geknor.
Over de voortplanting is tot dusver niets met zekerheid bekend. Men
zegt, dat de wijfjes 2 à 4 jongen werpen en dat deze na 2 à 4 maanden
volwassen zijn. Göring zag steeds niet meer dan één jong bij de oude
Viscacha's. Het bleef voortdurend in de onmiddelijke nabijheid van zijn
moeder. Deze behandelt het, zoover men kon nagaan, met veel liefde
en verdedigt het in tijden van gevaar. Als men deze jongen vangt en
zich met hen bemoeit, worden zij tam; evenals onze Konijnen, kan men ze
zonder moeite in 't leven houden. Hier en daar treft men in Europeesche
diergaarden levende Viscacha's aan; die van den Frankforter dierentuin
was steeds stompzinnig, brommig en met boosaardige woede bezield.
De Viscacha's worden vervolgd, niet zoo zeer wegens de waarde van
haar vleesch en vel, als wel wegens den last, dien zij door haar
woelen in den grond veroorzaken. Op de plaatsen waar zij veelvuldig
zijn, gaat het rijden werkelijk met levensgevaar gepaard, omdat de
Paarden dikwijls door de aardlaag, die hare dicht bij de oppervlakte
gelegen gangen bedekt, heentrappen, waardoor zij in 't gunstigste
geval schichtig worden, zoo zij niet vallen en daarbij hun berijder
afwerpen of zelve de pooten breken. De bewoners van het vaderland
der Viscacha's herkennen de viscacheras reeds van verre aan de
aanwezigheid van een kleine, wilde, bittere meloen, die misschien
een lievelingsspijs van deze dieren is. De bedoelde plant komt op
plaatsen waar vele viscacheras zijn, geregeld voor; het is ook wel
mogelijk, dat, omgekeerd, de holen aangelegd worden daar, waar de
genoemde planten in alle richtingen hare groene ranken over den bodem
uitbreiden. De gevaarlijkste plaatsen kunnen dus vermeden worden, door
op dit kenteeken te letten. Met alle mogelijke middelen tracht men
de Viscacha's uit de nabijheid van de volksplantingen te verdrijven;
men wendt in den letterlijken zin van 't woord vuur en water aan om
ze uit te roeien. Het gras om hare holen wordt in brand gestoken om
haar het voedsel te ontnemen; hare holen worden onder water gezet en
zij zelf hierdoor gedwongen om naar buiten te vluchten, waar de op
de loer liggende Honden haar weldra te pakken hebben.
De Indianen eten het vleesch van de Viscacha en maken ook wel gebruik
van haar vel, ofschoon dit een veel geringere waarde heeft dan dat
der vroeger genoemde soorten.
Aan het einde van de orde der Knaagdieren plaatsen wij de _Hazen_
(_Leporidae_); zij vormen een familie die zoo vele eigenaardigheden
vertoont, dat er reden zou zijn om haar den rang van onderorde toe te
kennen. Zij zijn de eenige leden van de geheele orde, die meer dan twee
snijtanden in de bovenkaak hebben; want achter de scherpe en breede
knaagtanden staan nog twee echte snijtanden: kleine, stompe, bijna
vierzijdige stiften. Hierdoor verkrijgt het gebit een zóó eigenaardig
voorkomen, dat de Hazen in dit opzicht geheel alleen staan. Bovendien
komen in elke kaakhelft 5 of 6, ieder uit twee platen samengestelde,
wortellooze kiezen voor. De algemeene kenmerken van de Hazen zijn: een
in de lengte gerekt lichaam met lange achterpooten, een lange, smalle
kop met groote ooren en oogen, vijf teenen aan de voorpooten, vier aan
de achtervoeten, dikke, zeer beweeglijke, diep gespleten lippen met
dikke snorharen aan weerszijden en een dicht, bijna wollig haarkleed.
Hoewel deze familie slechts een gering aantal soorten omvat,
is zij toch over een groot deel der aarde verbreid. Alleen in het
Australische rijk zouden de Hazen ontbreken, indien zij er niet door
den mensch ingevoerd waren; thans echter zijn over Nieuw-Holland en
Nieuw-Zeeland twee soorten ver verbreid. De Hazen komen voor in alle
klimaten, in vlakten en gebergten, in open velden en rotsspleten,
op en onder den grond, kortom overal; daar waar de verbreiding van de
eene soort ophoudt, begint die van een andere; de landstreek waar deze
zich niet op haar plaats gevoelt, vindt in gene een tevreden bewoner.
Alle voeden zich vooral met de zachte en sappige deelen der planten,
doch eigenlijk versmaden zij er geen enkel deel van, voor zoover zij
het bereiken kunnen. Zij verslinden de planten van den wortel tot aan
de vruchten, ofschoon zij bij voorkeur gebruik maken van de bladen
van laag groeiende kruiden. De meeste leven op een beperkte schaal
gezellig en blijven trouw aan de eens gekozen of hun toebedeelde
woonplaats. Hier liggen zij over dag verborgen in een ondiepen kuil
of een hol in den grond, des nachts daarentegen zwerven zij rond om
voedsel te zoeken. Zij rusten, strikt genomen, alleen gedurende de
middaguren en loopen, als zij zich veilig gevoelen, ook 's morgens
en 's avonds bij helderen zonneschijn rond. Zij hebben een zeer
eigenaardige bewegingswijze. De spreekwoordelijke snelheid van den
Haas openbaart zich alleen, wanneer hij al zijne krachten inspant;
bij het langzaam gaan beweegt hij zich op een zeer logge en onbeholpen
wijze, daar de lange achterpooten een gelijkmatigen gang moeilijk
maken. Zij kunnen echter ook gedurende den snelsten loop allerlei
wendingen maken en geven in dit geval bewijzen van een behendigheid,
die men bij hen niet verwacht zou hebben. Zij vermijden het water,
ofschoon zij in geval van nood ook rivieren overzwemmen.
Onder hunne zinnen staat ongetwijfeld het gehoor bovenaan; het bereikt
hier een ontwikkeling zooals bij weinige andere dieren, en ongetwijfeld
bij geen der Knaagdieren, voorkomt; de reuk staat op een lageren trap,
maar is ook niet zwak; het gezicht is tamelijk scherp. Hun stem bestaat
uit een dof geknor en, als zij angstig zijn, uit een luid, klagelijk
geschreeuw. [De tot deze familie behoorende, in bergstreken levende
Fluithazen (Hamsterhazen of Peka's, _Lagomys_) dragen hun naam te
recht.] Hun stem, die men trouwens slechts zelden hoort, gaat gepaard
met een eigenaardig geluid, dat veroorzaakt wordt door het slaan met
de achterpooten tegen den grond; dit geluid geeft zoowel vrees als
toorn te kennen en dient als waarschuwend sein. Bij 't nagaan van
de inborst dezer dieren merkt men verscheidene tegenstrijdigheden
op. Over 't geheel genomen is het beeld, dat men zich gewoonlijk van
den Haas vormt, niet juist. Men noemt hem goedaardig, vreedzaam,
onschuldig en lafhartig; de ervaring leert echter, dat hij ook de
hieraan tegenovergestelde eigenschappen kan hebben. Nauwgezette
opmerkers willen van de goedaardigheid der Hazen niets weten, maar
noemen ze ronduit boosaardig en twistziek in de hoogste mate. Algemeen
bekend zijn hunne vreesachtigheid, oplettendheid en schuwheid, minder
bekend de listigheid, die zij allengs verkrijgen en die met de jaren
tot een werkelijk bewonderenswaardige hoogte kan toenemen. Ook hun
lafhartigheid is niet zoo erg, als men meent. Stellig doet men hen
onrecht, wanneer men deze eigenschap zoo op den voorgrond stelt, als
Linnaeus deed, toen hij den Sneeuwhaas een naam gaf (_Lepus timidus_),
die hem voor altoos als een lafaard aan de kaak gesteld heeft.
Hoewel het voortplantingsvermogen van de Hazen niet zoo sterk is als
dat der andere Knaagdieren, is het toch belangrijk genoeg om het oude
jagersgezegde, dat de Hazen zich in 't voorjaar onder vier oogen naar
't veld begeven om in 't najaar met hun zestienen van daar terug te
keeren, van volle kracht te doen blijven op plaatsen waar 't leven
onzen Lampe vriendelijk tegenlacht en de vervolging niet al te erg
is. De meeste Hazen werpen verscheidene malen per jaar jongen, soms
3 à 6, in enkele gevallen zelfs 11 te gelijk; bijna alle behandelen
hunne kinderen echter op eene buitengewoon lichtzinnige wijze, waarvan
het gevolg is, dat er zoovele vroegtijdig sterven. Bovendien worden
zij wegens hun smakelijk vleesch door een geheel leger van vijanden
vervolgd; in ieder werelddeel zijn dit andere dieren, maar wat hun
aantal betreft, bestaat er tusschen het eene deel der aarde en het
andere niet veel verschil. Voor Duitschland heeft Wildungen de namen
dezer dieren in een rijmpje bijeengevoegd, dat vrij vertaald ongeveer
den volgenden inhoud heeft:
Menschen, Honden, Wolven, Lossen,
Katten, Marters, Wezels, Vossen,
Arend, Ooruil, Havik, Wouwen,
Elke Kraai, die wij aanschouwen,
Ekster, Raaf niet te vergeten,
Ieder, ieder wil hem--eten.
Het is wegens de talrijkheid hunner vijanden waarlijk geen wonder,
dat de Hazen zich aanmerkelijk minder sterk vermenigvuldigen dan
anders het geval zou zijn; wij mogen ons gelukkig achten, dat dit
zoo is, daar anders deze Knaagdieren niets op onze akkers zouden
overlaten. In alle streken waar hun aantal aanmerkelijk toeneemt,
worden zij een plaag voor het land.
De leden van het geslacht _Haas_ (_Lepus_) onderscheiden zich door
ooren, die bijna zoo lang zijn als de kop, door de kortheid van den
duim der voorvoeten, de groote lengte der achterpooten (bijna het
dubbele van die der voorpooten), het opwaarts gerichte staartstompje,
en de 6 kiezen in elke bovenkaakshelft (in de onderkaak zijn er 5
aan elke zijde).
"Lampe", de _Gewone Haas_, een stevig Knaagdier van 75 cM. totale
lengte, waarvan slechts 8 cM. op den staart komen, en 30 cM. hoogte,
is een van de beide bij ons inheemsche vertegenwoordigers van
het Hazengeslacht. Hij bereikt een gewicht van 3 1/2, 4, 5, soms
van 6 KG., in zeldzame gevallen wordt een oud mannetje 7 of 8,
ja zelfs 9 KG. zwaar. De afwijkingen van grootte en kleur, die
men bij onze Hazen opmerkt, en die samengaan met het verschil in
smaak van hun vleesch, zijn een gevolg van de ongelijkheid van de
gronden, waarop zij leven, en van het voedsel, dat zij er vinden. Zoo
wordt b.v. de "Steenhaas," die iets kleiner, lichter van kleur en
volgens de fijnproevers lekkerder is dan de haas van de kleistreken,
vooral op heidevelden aangetroffen. Ook spreekt men van Heidehazen,
Grasbuiken en Duinhazen. De vacht bestaat uit kort wolhaar en lang
bovenhaar. Van haar kleur kan niet gemakkelijk met weinige woorden
een voor allen geldige beschrijving gegeven worden. In den regel is
zij grijsachtig bruin, op den rug donkerder en aan den buik wit, het
uiteinde der ooren en het bovendeel van den korten staart zijn zwart,
van onderen is de staart wit, op de schouders en de zijden is de
kleur bijna geheel ros. In den winter is de kleur altijd eenigszins
anders dan des zomers; ook vindt men vele kleurverscheidenheden:
donkere, gevlekte en witte. In den regel is de kleur van den Haas
voortreffelijk geschikt om dit dier, als het op den grond rust,
aan de blikken zijner vijanden te onttrekken.
De (of, zooals de jager gewoonlijk zegt, "het") Haas draagt al naar
geslacht en leeftijd verschillende namen (die voor 't meerendeel ook
op het Konijn toepasselijk zijn). Het mannetje heet "rammelaar,"
het wijfje "moerhaas" of "voedster". (Bij de Marters, Bunzingen
en Wezels, en ook wel bij het Konijn, spreekt men van "ram" of
"voedster".) "Halfwassen" is het jonge wild, wanneer het ongeveer
de helft van zijn wasdom heeft bewerkt. "Drieling" noemt men "het"
Haas, dat voor drie vierde volwassen is. De ooren heeten, volgens de
"jachtmatige" spreekwijze "lepels", de oogen "spiegels", de kop "bol",
de pooten "voorloopers" en "achterloopers", de achterbouten of dijen
"kussens"; het haar wordt "wol", de staart "pluim", de huid "vel"
genoemd. Voorts zijn ook de volgende termen van belang; "Het" Haas
en ook het overige "loopend" (viervoetig) wild is aan 't "laveien",
als het uitgegaan is om "lavei" (voedsel) te zoeken; het "drukt" zich,
als het zich op den grond verbergt om niet door den jager opgemerkt te
worden. Het "breekt uit" naar "'t veld" om te "laveien" en "vaart in"
"het hout", als het de omgekeerde richting volgt om te gaan rusten;
het volgt daarbij zijne "passen" of "wissels"; het "vaart in" het
"leger" wanneer het zich begeeft naar de ondiepe uitholling van
den bodem, waarin het over dag slaapt; het verlaten van het "leger"
heet "uitvaren"; door de Honden wordt het genoodzaakt het bosch te
"ruimen". De jager zal het dier "naoogen" ("nawaren"). In het veld,
"waar het zich drukte," wordt het door den Hond "opgestooten", of
"opgedaan", d.w.z. het "rijst" bij nadering van den Hond (of van den
jager), wordt doodelijk getroffen door een "bladschot" (d.i. van ter
zijde in het schouderblad, in het voorste gedeelte van den romp), maar
niet onmiddellijk neergeveld door een "weidewond" (in de onedele of
onderbuiksingewanden); men ziet het "zweet" (bloed); het dier "klaagt"
(kermt), "sneuvelt", dikwijls na vooraf "genekt" te zijn (wanneer men
"het" bij de "achterloopers" opgenomen Haas of Konijn doodt door een
slag met den kant van de rechterhand in den nek), wordt "ontweid"
(van ingewanden ontdaan), "afgehaald" (gevild) enz.
Geheel Middel-Europa en een klein deel van westelijk Azië vormen het
vaderland van onzen Haas. In het zuiden wordt hij vervangen door een
soort van iets geringere grootte en meer rosse kleur, den Haas van
't Middellandsche-zee-gebied, op de hoogste gedeelten der Alpen en in
het hooge noorden door den Sneeuwhaas. De Alpenhaas en de Sneeuwhaas
zijn misschien verschillende soorten, hoewel zij onderling veel
overeenkomst vertoonen. Onze Haas bereikt de noordelijkste grens
van zijn verbreidingsgebied in Schotland, in 't zuiden van Zweden,
in Noord-Rusland (op ongeveer 65 à 70° N.B.), de zuidelijkste
grens in 't zuiden van Frankrijk en in 't Noorden van Italië. In
Siberië werd hij nog niet aangetroffen. Binnen het genoemde gebied
komt hij, zooals licht te begrijpen is, niet overal even veelvuldig
voor. Hoewel de beperking van het aantal Hazen door de jacht, wegens
de zeer verschillende wijzen, waarop de jacht wordt uitgeoefend,
zeer ongelijkmatig geschiedt, spreekt het wel van zelf, dat deze
dieren zich bij voorkeur ophouden in de vruchtbaarste gewesten,
vooral in vlakten waar landbouw en veeteelt bloeien en waar bovendien
geen gebrek is aan schuilplaatsen, b.v. struiken en kreupelhout. In
gewesten, die grootendeels met bosschen bedekt zijn, komen zij
minder overvloedig voor; in uitgestrekte wouden zijn zij betrekkelijk
zeldzaam. Een golvend, heuvelachtig terrein vermijden zij niet geheel;
hoogere bergstreken zijn echter arm aan Hazen. Hoewel zij in den
Kaukasus nog voorkomen op 2000 M. en in de Alpen op 1600 M. hoogte,
worden zij toch in het Beiersche Oberland reeds op 1000 M. hoogte
slechts bij uitzondering aangetroffen; boven deze grens worden zij al
spoedig vervangen door den Sneeuwhaas. Duidelijk geeft de Gewone Haas
aan gematigde gewesten de voorkeur boven die, waar een ruw klimaat
heerscht. Omdat hij van de warmte houdt, vestigt hij zich het liefst
in velden, die onder den wind liggen en tegen de koudste winden beschut
zijn. De pogingen die men gedaan heeft, om hem in noordelijker gewesten
inheemsch te doen worden, zijn mislukt. Oude rammelaars zijn minder
kieskeurig, wat hun woonplaats betreft, dan voedsters en jonge Hazen;
gene maken zich dikwijls een leger in het struikgewas, in rietvelden
en in hoog gelegen, boschachtige bergstreken; terwijl de andere bij
de keuze van hun leger altijd zeer zorgvuldig te werk gaan.
Over het algemeen is de Haas meer nachtdier dan dagdier, hoewel
men hem op heldere zomerdagen 's avonds reeds vóór zonsondergang en
's morgens nog na zonsopgang in het veld ziet rondzwerven. Hoogst
ongaarne verlaat hij de plaats waar hij geboren en getogen is. De
jongen zijn gehecht aan de plek, waar zij het eerste levenslicht
hebben aanschouwd; in het oude leger vertoeven zij ook op lateren
leeftijd nog gaarne. Een der wijfjes-jongen vestigt zich daar veelal,
maar heeft bovendien nog een paar andere nesten. De Haas heeft altijd
meer dan één leger; wordt hij in 't eene ontdekt dan trekt hij naar een
ander. Na den dood van de voedster; die het ouderlijk leger bewoonde,
wordt deze schuilplaats al zeer spoedig, soms reeds den volgenden
dag, door een anderen jongen moerhaas ingenomen, die er vermoedelijk
insgelijks geboren is. Een natuurdrift schijnt de wijfjes aan deze plek
te binden. Door allerlei tegenspoeden, gebrek aan voedsel, vervolging
enz. worden zij dikwijls gedwongen ver van haar leger rond te zwerven;
zij keeren er echter in terug, als de paartijd nadert. De rammelaar
schijnt minder gehecht te zijn aan den geboortegrond, doch ook hij
zoekt dezen in den herfst weer op. Dit geschiedt steeds, als de rust
van den Haas niet of niet te veel verstoord wordt; voor een te lang
aanhoudende vervolging neemt hij voor goed de wijk naar andere oorden.
De neiging van de Hazen om steeds terug te keeren naar de woonplaats
hunner voorouders en dezer eigenaardige levenswijze aan te nemen,
geeft aanleiding tot het onderscheiden van verscheidenheden, die door
woonplaats en gewoonten van elkander verschillen. Zoo spreekt men
o.a. van Veldhazen, Boschhazen, Woudhazen en Berghazen. De "Veldhaas"
houdt zich meestal in 't bouwland op en verschuilt zich bij droog en
stil weder onder de te velde staande, groeiende of reeds verdroogde
gewassen. Als 't regent, verlaten zij echter dit leger en zoeken,
daar zij den regen boven den drop verkiezen, hun toevlucht op het
opene, kale land. Daar de jager ze hier gemakkelijker kan vinden
zal de jacht gedurende het regenachtige weer, dat meestal tegen het
einde van den jachttijd invalt, niet zelden gelukkig zijn. Als de
oogst op den door den Haas bewoonden akker aanvangt, begeeft hij zich
naar andere plaatsen, waar graan, rapen, kool of dergelijke planten
verbouwd worden. Hij eet klaver, jonge graangewassen, distels, kool
en koolzaad; gele of roode wortelen, die hij met de pooten loswoelt,
zijn voor hem een lekkernij; ook allerlei wilde planten in het bouwland
en in de venen eet hij met smaak. Zijn lievelingskost schijnt echter
peterselie te zijn. In het laatste gedeelte van den herfst vestigt
hij zich bij voorkeur in een braak liggend land, dat reeds eenigen
tijd geleden werd omgeploegd, of op een niet al te vochtigen, met
biezen begroeiden grond of op een koolzaadakker. Het winterkoren en
het winterkoolzaad maken nu zijn hoofdvoedsel uit. Zoolang er weinig
of geen sneeuw ligt, verandert hij niet van leger. 's Nachts bezoekt
hij de tuinen, waar hij kool kan vinden. Wanneer er veel sneeuw
valt, laat hij zich in zijn leger insneeuwen, maar gaat, zoodra de
bui ophoudt, in de buurt van de klaverakkers wonen. Zoodra er een
ijskorst over de sneeuw komt, vangt voor hem een moeilijk tijdperk aan;
hoe minder voedsel hij op de akkers vindt, des te meer schade zal hij
aanrichten in de tuinen en boomkweekerijen. De schors van de meeste
jonge boomen, vooral die van den acacia en van zeer jonge berken,
is hem dan even welkom als de roode kool. Als de sneeuw door den dooi
afneemt of geheel verdwijnt, keert de Haas naar het winterkoren terug,
dat hem als voedsel dient, totdat het in de lente opnieuw begint
te groeien. Kort vóór zonsondergang (na een warmen regen nog iets
vroeger) begeeft hij zich naar het zomerkoren. Ook hiervan maakt hij
geen gebruik meer, zoodra de planten ouder geworden zijn; hij blijft
echter in het jonge graan liggen en bezoekt 's avonds de akkers,
waarop de kool sinds kort werd overgeplant, de rapenvelden enz.