Onder den naam van _Schijnratten_ (_Octodontidae_) worden een

betrekkelijk gering aantal soorten van Zuid-Amerikaansche en

Afrikaansche Knaagdieren samengevat, die wegens de niet onbelangrijke

verscheidenheid van vormen, welke bij hen wordt opgemerkt, in een

betrekkelijk groot aantal geslachten worden gerangschikt. De naam van

deze niet zeer natuurlijke familie geeft te kennen, dat hare leden bij

oppervlakkige beschouwing, o.a. door gestalte en kleur, eenigermate

aan Ratten herinneren. De ooren zijn kort, breed en dun behaard,

de voeten hebben vier of vijf teenen, de staart is verschillend van

lengte, en dikwijls, evenals bij de Echte Ratten, met uit schubben

bestaande ringen bekleed; hiermede is trouwens nagenoeg alles gezegd

wat van de overeenkomst dezer dieren met Ratten te vermelden viel. Bij

eenige Schijnratten is de vacht zacht en fijn, bij anderen stijf en

borstelig, ja zelfs met enkele platte, overlangs gegroefde stekels

gemengd; bij enkele soorten gelijkt de staart in 't geheel niet op

dien van de Echte Ratten, maar is behaard en zelfs ruig behaard. Het

gebit bevat, behalve de bij alle Knaagdieren voorkomende wortellooze

snijtanden, in elke kaakhelft 4, bij uitzondering 3, kiezen, die in

den regel met ware wortels voorzien zijn, bij enkele soorten komen,

evenals bij de Woelmuizen, kiezen met open wortels voor.

Sommige Schijnratten leven in bosschen, andere in 't vrije veld, nog

andere in 't kreupelhout, of tusschen rotsen, of aan de oevers van

rivieren en andere waterstroomen, of zelfs aan de zeekust. Gewoonlijk

wonen zij gezellig in door haar zelf gegraven, onderaardsche holen

met talrijke openingen. Eenige doorwoelen den grond als de Mollen,

werpen, evenals deze, aardhoopen op en leven bijna voortdurend

onder de oppervlakte van den bodem; andere bewonen dicht met planten

begroeide plaatsen en bewegen zich behendig in de boomkronen. Haar

gewone arbeidstijd is de nacht, slechts weinige zijn ook over dag

werkzaam. Sommige soorten zijn echte waterdieren en zijn meesterlijk

ervaren in het zwemmen en duiken. Tamelijk goed verdragen zij de

gevangenschap; zij wekken onze belangstelling door haar sierlijke

gestalte, zijn nieuwsgierig, beweeglijk, leeren haar verzorger

onderscheiden en hem volgen. Zij vermenigvuldigen zich tamelijk sterk,

want het aantal harer jongen wisselt af tusschen 2 en 7; zij kunnen

aangroeien tot scharen, die in plantages en akkers aanzienlijke schade

aanrichten. Het geringe nut, dat zij door haar vleesch en haar vel

opleveren, komt in geen vergelijking met het nadeel, dat zij door de

genoemde verwoestingen veroorzaken.

In Chili, Peru en Bolivia leven de _Struikratten_ (_Octodon_), die als

't ware een overgang vormen van de Eekhoorntjes tot de Ratten. Haar

gebit bestaat uit gladde, ongegroefde en spitse knaagtanden en

wortellooze maaltanden, welker kauwvlakten bijna op het Arabische

cijfer 8 gelijken. (Van hier de naam _Octodon_, "Achttand".)

De _Degoe_ (_Octodon Cummingii_) is van boven bruinachtig grijs,

ongelijkmatig gevlekt, van onderen grijsbruinachtig, aan de borst en

in den nek donkerder, aan den staartwortel lichter, bijna wit. De

totale lengte van dit dier bedraagt omstreeks 26 cM., waarvan de

staart iets meer dan een derde in beslag neemt.

De Degoe is in de middenprovinciën van Chili een van de algemeenste

dieren; bij honderden bedekken zij de hagen en het struikgewas; zelfs

in de nabijheid van drukke steden loopen zij onbeschroomd op de wegen

rond en dringen onbevreesd in tuinen en akkers door, waar zij door het

moedwillig stukknagen van planten bijna evenveel schade aanrichten,

als door hun vraatzucht. Zelden verheffen zij zich boven den bodem om

in de onderste takken der struiken te klimmen. Door zijne gewoonten

gelijkt dit dier veel meer op een Eekhoorntje dan op een Rat. Het

verzamelt voorraad in weerwil van het zachte klimaat, maar vervalt

niet in winterslaap.

Tot de Schijnratten behoort ook de _Rattenbever_ of _Coïpoe_, de

_Noetria_ der Spaansch sprekende Amerikanen (_Myopotamus coypu_). De

romp van dit dier is ineengedrongen, de hals kort en dik, de kop

dik, lang en breed met stompen snuit en platte kruin; de oogen zijn

middelmatig groot, rond en uitpuilend, de ooren klein, rond en weinig

hooger dan breed; de ledematen zijn kort en krachtig, de achterste

een weinig langer dan de voorste; de voor- en achtervoeten hebben

vijf teenen, die door een breed zwemvlies verbonden en met lange,

sterk gekromde en spitse klauwen gewapend zijn, met uitzondering van

den binnenteen van de voorvoeten, die een platten nagel draagt. De

lange staart is rolrond, ringvormig geschubd en tamelijk overvloedig

begroeid met dicht aanliggende, stijve, borstelige haren. Overigens

is het haarkleed dicht, tamelijk lang en zacht; het korte, zachte,

donzige wolhaar is voor 't water bijna ondoordringbaar; het langere,

zachte, zwak glinsterende bovenhaar bepaalt de kleur, daar het wolhaar

er volkomen door bedekt wordt. Het gebit gelijkt door de buitengewone

grootte en breedte der knaagtanden op dat van den Bever.

De Rattenbever kan nagenoeg zoo groot worden als een Vischotter;

zijn lichaamslengte bedraagt gewoonlijk 40 à 45 cM. zonder den bijna

even langen staart; men treft echter soms oude mannetjes aan, die een

totale lengte van 1 M. hebben. Gewoonlijk is de rug kastanjebruin en

de onderzijde bijna zwartbruin, de zijden zijn fraai rood.

Een groot deel van de gematigde gewesten van Zuid-Amerika vormt

het vaderland van dit voor den pelterijhandel belangrijk dier. De

Rattenbevers komen voor in bijna alle landen, die ten zuiden

van den Steenbokskeerkring gelegen zijn. In de La-Plata-Staten,

in Buenos-Ayres, Patagonië en het middelste deel van Chili zijn

zij overal verbreid. Hun verbreidingsgebied strekt zich uit van

den Atlantischen tot den Stillen Oceaan: het ligt aan weerszijden

van het hooge gebergte tusschen 24 en 43 graden Z.B. Paarsgewijs

bewonen zij de oevers van meren en rivieren, bij voorkeur stilstaand

water waarin zooveel waterplanten groeien, dat zij een laag vormen,

sterk genoeg om hen te dragen. Ieder paar graaft zich aan den oever

een hol van 1 M. diepte en 40 à 60 cM. wijdte; hierin brengt het den

nacht en soms ook een deel van den dag door. In deze woning werpt het

wijfje later 4 à 6 jongen, die reeds op zeer jeugdigen leeftijd hun

moeder volgen. De Coïpoe is een uitmuntend zwemmer, maar kan slecht

duiken. Op het land beweegt hij zich langzaam, want zijne pooten zijn

zoo kort, dat de buikzijde van den romp bijna over den grond sleept;

hij gaat daarom alleen dan over het land, als hij zich van den eenen

poel naar den anderen wil begeven. Als een gevaar hem bedreigt,

begeeft hij zich oogenblikkelijk te water en duikt onder; als de

vervolging aanhoudt, zoekt hij ten slotte een toevlucht in zijn hol,

dat hij in gewone omstandigheden alleen des nachts opzoekt.

Zijne geestvermogens zijn gering. Hij is schuw en vreesachtig,

en behoudt deze eigenschappen ook in de gevangenschap. Schrander

kan men hem niet noemen, hoewel hij mettertijd zijn verzorger leert

herkennen. In den Londenschen dierentuin wordt hij geregeld gehouden;

in den laatsten tijd treft men hem ook in andere diergaarden aan. "De

Rattenbever", zegt Wood, "is een vlugge en rappe maat; het is een

lust naar hem te kijken. Dikwijls heb ik op zijn grappige manier van

bezig zijn gelet en mij bijzonder vermaakt met de bedrijvigheid, die

hij openbaart bij 't zwemmen door den plas, die hem tot woonplaats

dient; ieder voorwerp, dat hem nieuw schijnt, wordt zoo zorgvuldig

mogelijk onderzocht. Zoodra men een hoopje gras in zijn hok werpt,

pakt hij het dadelijk met de voorpooten aan, schudt het sterk,

om de wortels van de aanhangende aarde te bevrijden, brengt het

vervolgens naar het water en spoelt het hierin zoo behendig schoon,

dat een waschvrouw van beroep het hem niet verbeteren zou."

De gevangen Rattenbevers, die ik onder mijn hoede heb gehad, bleven

met korte tusschenpoozen gedurende den geheelen dag in het water of

aan den oever, rustten hoogstens in de middaguren en waren vooral tegen

den avond bijzonder druk in de weer. Zij toonden begaafdheden, die men

niet bij hen verwacht zou hebben. Hoewel zij zich niet bijzonder vlug

en ook niet lang achtereen bewegen, geven zij toch voldoende bewijzen

van kracht en behendigheid. Den naam "Bever" dragen zij niet geheel

te recht, want zij gelijken door hun aard en door de wijze, waarop zij

zwemmen, meer op Waterratten dan op Bevers. Zoolang zij niet verontrust

worden, zwemmen zij gewoonlijk rechtuit, waarbij het achterlijf diep

onder, de kop daarentegen tot op twee derde van zijn hoogte boven

het water wordt gehouden, terwijl de staart gestrekt is. Alleen de

achterpooten dienen voor het roeien; de voorpooten nemen aan dezen

arbeid evenmin deel als bij den Bever.--De stem van den Coïpoe bestaat

uit een klagend geluid, dat niet onaangenaam klinkt, als loktoon

dient en door zijne soortgenooten beantwoord wordt; men hoort het

dikwijls. Als het dier vertoornd of gestoord wordt, geeft het zijn

ontevredenheid door een verdrietig geknor of gebrom te kennen.--Het

liefste voedsel van den Rattenbever is gras; hij versmaadt echter geen

wortels, knollen, bladen en zaden; in de gevangenschap lust hij ook

wel brood; voorts eet hij met smaak dierlijk voedsel, b.v. Visschen;

ook in dit opzicht gelijkt hij op de Ratten en niet op de Bevers. Van

boomschors is hij, naar 't schijnt, geen liefhebber. Het gras wordt

door hem op een behendige wijze afgegraasd en niet bij stukjes en

beetjes afgeknabbeld; het voedsel dat men hem toewerpt, wordt met

de voorpooten gegrepen en naar den mond gebracht. Bij 't naderen

van den winter neemt de gevangen Rattenbever voorzorgsmaatregelen;

zij trachten daar, waar zulks mogelijk is, groote holen te graven. In

korten tijd maken zij diepe gangen en voorzien de hierbij behoorende

kamer met een zacht bekleedsel, door een deel van het voedsel, dat

hun wordt toegeworpen, vooral gras, in hun hol te sleepen.

De verzorging van den Rattenbever is een eenvoudige zaak; men kan

hem gemakkelijk en goedkoop van voedsel voorzien; daar de teelt van

deze dieren geen bezwaren oplevert, kan aan iederen liefhebber van

dieren, die een voor dit doel geschikte ruimte heeft, het houden

van deze Knaagdieren aanbevolen worden. Het zou zelfs wel de moeite

waard zijn, een proef te nemen met het plaatsen van een kolonie van

4 of 5 Rattenbevers in een goed beveiligd bosch, waarin een vijver

of een langzaam stroomend water voorkomt en waar voldoende gras te

vinden is. Op grond van de reeds verkregen ervaringen geloof ik,

dat deze dieren hier genoeg voedsel zouden vinden en dat zij zich

ook wel gedurende den winter zouden redden, zonder aan het bosch of

aan den landbouw een eenigszins belangrijke schade toe te brengen.

Wegens zijn uitmuntende vacht wordt dit dier ijverig vervolgd. In

het jaar 1827 werden, volgens officieele opgaven van het tolkantoor

te Buenos Ayres, 300.000 Rattenbevervellen door de provincie

Entre-Rios uitgevoerd; de uitvoer van dit artikel is later nog sterk

toegenomen. Tegenwoordig komen ongeveer 1 1/2 millioen vellen van

Rattenbevers in den handel, waarvan ongeveer twee derde, de geringste

soort, voor de viltbereiding dienen; de overige lang- en dichtharige

vellen worden door het uitplukken van het bovenhaar voorbereid

om tot garneering van pelzen te dienen; ten deele behouden zij hun

natuurlijke kleur, ten deele worden zij kunstmatig geverfd. Het witte,

welsmakende vleesch van den Rattenbever wordt op vele plaatsen door de

inboorlingen gegeten, in andere gewesten maakt men er geen gebruik van.

In Buenos Ayres wordt de Rattenbever meestal met bepaaldelijk voor dit

doel afgerichte Honden gejaagd; deze zoeken het dier in 't water op en

brengen het binnen het schot van den jager, of dooden het zelf, hoewel

het groote Knaagdier zich moedig en krachtdadig te weer stelt. Op de

ondiepste gedeelten van de plassen, waarin het zich ophoudt, en vóór

zijn hol plaatst men klemmen.

In Afrika komen Schijnratten voor, die, wat het uitwendige betreft,

niet ongelijk zijn aan den Rattenbever. De _Rietrat_ (_Aulacodes

swinderianus_) is een gedrongen gebouwd dier met kleinen kop, korten

en breeden snuit, kleine, onbehaarde, halfcirkelvormige ooren en korte

voeten, die ieder vier teenen en een knobbeltje op de plaats van den

duim hebben. Haar vacht bestaat uit gladde, stekelachtige borstels met

buigzame spits, die van onderen aschgrauw, in het midden donkerder en

aan de spits, die meestal door een bruinachtig gelen ring voorafgegaan

wordt, zwart zijn. Voorzoover bekend, strekt het verbreidingsgebied

van de Rietrat zich van Oost-Afrika zuidwaarts tot aan het Kaapland

uit, en omvat het aan de westkust zoowel Opper- als Neder-Guinea. Dit

dier houdt zich in de nabijheid van het water op; bij voorkeur kiest

het dichte gras-, riet- en biesbosschen en verward dooreengroeiende

struiken aan den waterkant tot woonplaats. Zijn voedsel bestaat uit

grassen, wortels en knollen, die het in voldoende hoeveelheid aan

den oever van het water en in de vochtige laaglanden vindt. Drummond

zegt, dat de Rietratten zeer schadelijke dieren zijn, die vooral in

de suikerriet- en maïsplantages groote verwoestingen kunnen aanrichten

en daarom in bebouwde streken ijverig vervolgd worden.

Bovendien wordt op de Rietrat jacht gemaakt zoowel door de inboorlingen

als door de Europeanen, omdat haar vleesch welsmakender is dan dat

van eenig ander Afrikaansch Zoogdier.

Eerst in de laatste zestig jaren is men nauwkeuriger bekend geworden

met de leden eener kleine familie van Amerikaansche Knaagdieren, welker

vellen reeds sinds overouden tijd door de oorspronkelijke bewoners van

Zuid-Amerika gebruikt worden, en die men sedert het einde van de vorige

eeuw bij groote partijen naar Europa vervoert. Naar den vaderlandschen

naam van het meest bekende, hiertoe behoorende geslacht (_Eriomys_

= "Wolmuis") noemt men ze gewoonlijk allen te zamen _Chinchilla_'s

(volgens den uitspraak Tsjintsjilla's). Aan den naam van een ander

geslacht (_Lagostomus_ = "Haasbek") is de wetenschappelijke naam

van de familie (_Lagostomidae_) ontleend. De naam _Haasmuizen_, die

soms aan deze familie gegeven wordt--en ook wel meer bepaaldelijk

tot aanduiding van een derde hiertoe behoorend geslacht (_Lagidium_

= "Haasje") dient--geeft te kennen, dat men deze dieren, wat hun

uitwendig voorkomen betreft, als overgangsvormen tusschen de Hazen

en de Muizen kan beschouwen. Werkelijk zou men den indruk, die hun

oppervlakkige beschouwing wekt, op de beste wijze kunnen weergeven,

door ze "Konijnen met langen, ruigen staart" te noemen. Door hun gebit

onderscheiden zij zich echter zeer duidelijk van de Hazen en naderen

zij meer tot de Halfhoevigen. Zij hebben n.l. snijtanden die van voren

glad (ongegroefd) zijn, en in elke kaakhelft een reeks van 4 kiezen

met open wortels; de reeks van de linkerzijde loopt niet evenwijdig

aan die van de rechterzijde maar nadert haar naar voren.--Van alle

Zoogdieren hebben deze knaagdieren de fijnste vacht. Haar kleur is

licht grijs, afwisselend met wit en zwartbruin of geel.

Alle Chinchilla's bewonen Zuid-Amerika; voor 't meerendeel leven zij

in het gebergte, waar zij zelfs op groote hoogte n.l. tusschen de kale

rotsen in de nabijheid van de sneeuwgrens gevonden worden; slechts één

soort komt in de vlakte voor. Zij houden zich op in holen, die door

de natuur gevormd of door haar zelf gegraven zijn. Alle zijn gezellig,

sommige soorten bewonen familiesgewijs eenzelfde hol. Afkeerig van 't

licht, evenals de Hazen, vertoonen zij zich het meest in de schemering

of in den nacht. Het zijn snelle, beweeglijke, behendige, schuwe en

vreesachtige dieren; ook door hare bewegingen gelijken zij zoowel

op de konijnen als op de Muizen. Het gehoor is, naar het schijnt,

van alle zinnen het best ontwikkeld. Haar verstand is gering. Haar

voedsel bestaat uit wortels en korstmossen, bollen en schors; doch ook

wel uit vruchten. Haar vermenigvuldiging is ongeveer even sterk als

die der Hazen. Zij schikken zich zeer goed in de gevangenschap en zijn

aantrekkelijk door hare zindelijkheid en tamheid. Verscheidene soorten

richten schade aan, of worden althans lastig voor den mensch door haar

woelen in den grond: alle zijn echter nuttig door haar vleesch en vel.

De _Chinchilla_'s (_Eriomys_), die het eerste geslacht van deze

familie vormen, onderscheiden zich van hare verwanten door haar

dikken kop, die breede, afgeronde ooren draagt, door voorvoeten met

vijf, en achtervoeten met vier teenen en door de vacht, die uit lang,

buitengewoon zacht en zijdeachtig haar bestaat. Van dit geslacht zijn

slechts twee soorten bekend, de _Chinchilla_ (_Eriomys chinchilla_)

en de _Wolmuis_ (_Eriomys lanigera_). De eerstgenoemde wordt 30

cM. lang zonder den staart, die zonder de haren 13 cM., met de haren

echter 20 cM. lang is. De gelijkmatige, fijne, buitengewone zachte

haren zijn op den rug en aan de zijden meer dan 2 cM. lang; ieder

haar is van onderen donker blauwgrijs, verderop met breede, witte

ringen geteekend en aan de spits donkergrijs. Hierdoor verkrijgt de

vacht een zilvergrijze kleur met een donker waas. De onderdeelen en

de voeten zijn zuiver wit; de staart heeft aan de bovenzijde twee

donkere strooken. De oogen zijn groot en zwart.

Reeds ten tijde van de Inca's verwerkten de Peruanen het fijne,

zijdeachtige haar van de Chinchilla tot doeken en dergelijke gewilde

stoffen. In de vorige eeuw kwamen de vellen dezer dieren voor 't eerst,

als een groote zeldzaamheid, over Spanje naar hier; thans zijn zij

een gewoon handelsartikel geworden.

De reiziger, die, uitgaande van de westkust van Zuid-Amerika,

de Cordilleras beklimt, ziet wanneer hij een hoogte van 2 à

3000 M. bereikt heeft, alle rotsen dikwijls over een afstand van

verscheidene mijlen bedekt door echte Chinchilla's en door twee

soorten van een ander geslacht dezer familie. In Peru, Bolivia en Chili

moeten deze dieren buitengewoon veelvuldig zijn; daar uit de berichten

van reizigers blijkt, dat zij er op één dag duizenden voorbijgegaan

zijn. Zelfs op klaarlichten dag ziet men de Chinchilla's voor hare

holen zitten, nooit echter aan de zonzijde der rotsen, maar altijd

in de diepste schaduw. Nog veelvuldiger merkt men ze in de ochtend-

en avonduren op. Zij verlevendigen dan het gebergte en vooral de hooge

kammen in onvruchtbare, steenachtige en rotsachtige gewesten, waar de

plantengroei zich slechts op de armoedigste wijze vertoont. Juist op

deze schijnbaar geheel kale rotswanden houden zij zich het meest op;

hier ziet men hen buitengewoon vlug en druk zich bewegen. Met een

merkwaardige gemakkelijkheid klauteren zij op en neer langs wanden,

die schijnbaar in 't geheel geen steunpunten opleveren. In loodrechte

richting klimmen zij 6 à 10 M. hoog, zoo behendig en vlug, dat men

ze met het oog nagenoeg niet volgen kan. Hoewel zij niet bepaald

schuw zijn, laten zij toch niemand tot op korten afstand naderen;

zij verdwijnen oogenblikkelijk, zoodra men aanstalten maakt om hen

te vervolgen.

Ofschoon de Chinchillas zich in den Londenschen dierentuin

vermenigvuldigd hebben, zijn de mededeelingen over haar voortplanting

nog zeer onvolledig. In haar vaderland heeft men in alle tijden van

het jaar drachtige wijfjes gevonden; de inboorlingen zeggen, dat het

aantal jongen in één worp van 4 tot 6 afwisselt. In Amerika wordt de

Chinchilla vaak getemd; naar Europa komt zij niet dikwijls in levenden

toestand. De bevalligheid van hare bewegingen, haar zindelijkheid en de

gemakkelijkheid waarmede zij zich in haar lot schikt, verschaffen haar

spoedig de vriendschap van den mensch. Zij toont zich zoo argeloos en

goedvertrouwend, dat men haar vrij in huis en in de kamer kan laten

rondloopen. Alleen door haar nieuwsgierigheid wordt zij lastig;

want zij onderzoekt alles, wat zij op haar weg vindt, zelfs de

gereedschappen die hoog boven den bodem opgehangen of neergelegd

zijn, omdat het voor haar een kleinigheid is bij tafels en kasten

op te klimmen. Niet zelden springt zij plotseling op het hoofd of op

de schouders van een der huisgenooten. Hare verstandelijke vermogens

staan ongeveer op één lijn met die van ons Konijn of van het Guineesch

Biggetje.

In vroegeren tijd is de Chinchilla, naar men meent, ook in lagere

bergstreken tot op de hoogte van den zeespiegel even veelvuldig

geweest, als zij nu op groote hoogten is; thans vindt men ze in de

lager gelegen oorden slechts op enkele plaatsen en steeds eenzaam

levend. De aanhoudende vervolging, waaraan zij wegens de kostbaarheid

van haar vel is blootgesteld, heeft haar naar de hoogten de wijk

doen nemen. De Europeanen schieten haar nu en dan met het geweer of

met den handboog; deze wijze van jagen is echter met het oog op het

voordeel altijd onzeker, want als een Chinchilla niet zóó getroffen

wordt, dat zij oogenblikkelijk bezwijkt, sluipt zij steeds nog in

de een of andere rotsspleet en is dan voor den jager verloren. De

Indianen plaatsen goed bewerkte strikken vóór alle rotsspleten en

zamelen den volgenden morgen de Chinchillas in, die zich hebben laten

vangen. Bovendien verstaan zij meesterlijk de kunst om de Peruaansche

Wezel te temmen en voor de jacht op Chinchillas af te richten; zij

gebruiken dezen bondgenoot op dezelfde wijze als onze jagers het Fret.

In het noorden en midden van Chili wordt de Chinchilla door de

_Wolmuis_ vervangen. Door haar levenswijze komt deze soort, naar

het schijnt, geheel met de vorige overeen; ook zij is ongeveer van

dezelfde gestalte en heeft een nagenoeg gelijke kleur. Zij is echter

veel kleiner, want haar totale lengte bedraagt hoogstens 35 à 40 cM.,

waarvan ongeveer een derde afgetrokken moet worden voor den staart. De

dicht bijeen geplaatste, zachte haren worden op den rug 2 cM., op het

achterstel en de zijden 3 cM. lang. Haar kleur is licht aschgrauw,

met een donkerder tint gesprenkeld.

Hoewel reeds in zeer oude reisbeschrijvingen van de Wolmuis melding

wordt gemaakt, kwamen eerst sinds betrekkelijk korten tijd op het

herhaald aandringen van natuuronderzoekers eenige schedels en later

ook levende exemplaren van dit dier naar Europa. In het jaar 1829 kwam

er één levend te Londen en werd door Bennett onderzocht. Het was een

zeer zachtaardig schepsel, dat evenwel nu en dan, als het niet goed

gehumeurd was, dit door pogingen om te bijten toonde. Zelden was

zij zeer opgewekt en slechts enkele keeren zag men hare zonderlinge

sprongen. Gewoonlijk zat zij op haar achterkwartier, hoewel zij zich

ook op hare achterpooten kon oprichten en in deze houding kon blijven

staan; het voedsel bracht zij met de voorpooten naar den mond. In

den winter moest men haar in een matig verwarmde kamer brengen en

haar woning met een stuk flanel voeren.

De waarnemingen, die ik zelf aan een gevangen Wolmuis heb kunnen

doen, leverden uitkomsten op, welke met de mededeelingen van

Bennett overeenstemmen. Aan mijn gevangene merkte ik echter op,

dat zij meer nachtdier dan dagdier is. Wel was zij ook over dag

wakker, maar alleen, als zij gestoord werd. Het licht ontwijkt zij;

men zou zelfs zeggen, dat het haar angstig maakt; altijd zoekt zij

trouwens de donkerste plaatsen op. Hier blijft zij met ineengetrokken

lichaam stil zitten. Een hol wordt onmiddellijk als toevluchtsoord

gebruikt. Haar stem, een scherp geknor, ongeveer als dat van een

Konijn, hoort men alleen, als men haar aanraakt. Ongaarne laat zij dit

toe, ook tracht zij zich, als zij gegrepen wordt, door plotselinge,

springende bewegingen te bevrijden; nooit tracht zij zich echter met

haar gebit te verdedigen. Aan hooi en gras geeft zij boven ieder ander

voedsel de voorkeur. Zaden versmaadt zij, naar het schijnt; sappige

wortels raakt zij bijna niet aan. Of zij drinkt is niet uitgemaakt:

men zou bijna zeggen, dat zij alle drank ontberen kan.

De Zuid-Amerikanen houden zeer veel van het vleesch van beide

soorten van Chinchilla's en ook Europeesche reizigers hebben er,

naar het schijnt, smaak in gevonden, hoewel zij zeggen, dat het de

vergelijking met dat van onzen Haas niet kan doorstaan. Trouwens

de bruikbaarheid van het vleesch van deze dieren is voor den jager

bijzaak, het voordeel moet komen van het vel.

In den pelterij-handel wordt onderscheid gemaakt tusschen de vellen

van de groote, "echte" Chinchilla's en die van de kleine, kortharige

"Bastaard-Chinchilla's"; de eerstgenoemde brengen f 9 à f 15, de

laatstgenoemde slechts f 0.60 à f 3 per stuk op. Van gene komen ieder

jaar 20,000, van deze 200,000 stuks in den handel.

Het Leven der Dieren: Deel 1, Hoofdstuk 07: De Knaagdieren · 第 16 / 20 段