zij zeer mak hoewel zij hun vreesachtigheid nooit geheel afleggen en
wegens de geringe ontwikkeling hunner geestvermogens zelden zoover
komen, dat zij hunne verzorgers van anderen onderscheiden. Er
zijn echter ook uitzonderingen. "Een Guineesch Biggetje, dat aan
mijne kinderen toebehoort," schrijft Friedel, "begroet mijn zoon,
zoodra het diens schreden verneemt, met een luid opgewonden gepiep;
het maakt uit dankbaarheid een duidelijk trommelend geluid, als
het van hem voedsel krijgt; mijn dochtertje ontvangt als groet geen
gepiep, maar slechts een zacht gemurmel; ook voor mijn vrouw en mij
blijft het trommelen achterwege. Als mijn vrouw 's avonds laat de
kamer voorbijgaat, waarin het dier geborgen is, wordt zij steeds
door een klagend gepiep aangezocht om het iets te eten te geven;
als ik er langs kom, houdt het dier zich stil, omdat het wel weet,
dat ik op dit late uur niets geven zal. Het kan dus vier personen
goed van elkander onderscheiden. Bovendien kan het kunstjes maken:
het gaat op commando dood liggen en gehoorzaamt aan het bevel om weer
op te staan."--Zelfs het kleinste kind kan men zonder bezwaar met het
Guineesch Biggetje laten spelen, daar het nooit pogingen zal doen
om te bijten. Dikwijls legt het een opmerkelijke onverschilligheid
aan den dag. Hoe prettig deze dieren het verblijf in hun hok ook
vinden, verlangen zij er toch, naar het schijnt, niet bijzonder naar,
wanneer zij ergens anders gebracht zijn; zij laten zich oppassen en
verzorgen, dulden, dat men hen op den schoot neemt, met hen solt,
enz., zonder ooit ontevredenheid te toonen. Als zij iets te eten
krijgen, zijn zij overal tevreden. Hier staat tegenover, dat zij
nooit een wezenlijke gehechtheid aan den mensch laten blijken, maar
voor iedereen nagenoeg even vriendelijk zijn. Voor koude en vochtig
weder zijn zij zeer gevoelig; zij worden er ziek van en dikwijls is
dit oorzaak van hun dood.
Schade kunnen de Guineesche Biggetjes ons niet toebrengen, tenzij hun
als woonplaats een kamer is aangewezen en zij hier aan het houtwerk
knagen. De schade is echter van geen beteekenis in vergelijking met
hunne goede eigenschappen, waardoor zij menigeen genoegen verschaffen
en dus nuttig zijn. Bovendien hebben zij, geheel onwillekeurig
trouwens, belangrijke diensten aan de wetenschap bewezen; daar op
hen proeven zijn genomen bij tal van physiologische onderzoekingen.
Een zeer vreemdsoortige woestijnbewoner--de _Mara_ (_Dolichotis
patagonica_)--vertegenwoordigt een tweede geslacht van de
Halfhoevigen. In vele opzichten doet hij aan de Hazen denken, van
welke hij echter zeer verschilt door de langere pooten en de kortere,
stompe ooren. Bij volwassen dieren bedraagt de lengte van den romp
50 cM.; het 4 à 5 cM. lange staartstompje is hieronder begrepen; de
hoogte in de schoften is soms niet minder dan 45 cM. Hierdoor gelijkt
het dier op het eerste gezicht veeleer op een kleinen Herkauwer dan
op een Knaagdier.
De Mara bewoont de steenachtige en droge woestijnen van Patagonië. Daar
waar de Sierra Talpaquen deze woestijn begrenst en de bodem vochtiger
en rijker aan planten begint te worden, ziet men haar in 't geheel
niet meer. In westelijke richting komt zij voor tot in de nabijheid
van Mendoza, dus op 33° Z.B., wat tevens wel het noordelijkste
punt van haar verbreidingsgebied zal zijn. Darwin neemt 37°
Z.B. als noordelijke grens aan. Twee eeuwen geleden was zij veel
algemeener dan thans, nu zij alleen nog maar veelvuldig is in die
gewesten, waar de ongastvrijheid van het land haar voor vervolgingen
vrijwaart. Hoe veelvuldig zij hier ook zij, toch kost het veel moeite
het dier te bemachtigen, om de eenvoudige reden, dat men het tamelijk
moeielijk te zien kan krijgen. Het ligt n.l. in zijn hol verborgen,
òf het ligt plat tegen den grond aangedrukt en wordt dan wegens zijn
aardkleurige vacht allicht niet opgemerkt. Bovendien is het zeer schuw
en vreesachtig. Bij het geringste gevaar gaat de Mara onmiddelijk op
de vlucht. Zij is een echt dagdier, hoewel zij gedurende de hitte
van den middag haar hol opzoekt. Haar voedsel bestaat uit planten,
misschien vooral uit wortels en schors, in allen gevalle uit stoffen,
die door andere Zoogdieren versmaad worden. In sommige streken van
Patagonië, waar op den steenachtigen grond slechts weinige, dorre en
doornachtige struiken een armoedig leven kunnen leiden, is zij het
eenige levende dier, dat de aandacht trekt.
Te Mendoza heeft Göring een volwassen Mara gedurende geruimen tijd
in den gevangen staat nagegaan. Zij was een lieftallig, goedaardig,
onschuldig dier. Van den eersten dag af, toonde zij zich zeer weinig
schuw tegenover haar meester, nam dezen het voedsel onbeschroomd uit
de hand en liet zich aanraken en streelen, zonder onrust te kennen te
geven. Op liefkoozingen was zij zeer gesteld; als men haar krauwde,
kromde zij den rug, boog den kop ter zijde, alsof zij de hand, die
haar zulk een aangename gewaarwording verschafte, te zien wilde
krijgen en liet intusschen een onbeschrijfelijk gepiep of geknor
hooren, dat de uitdrukking was van een hoogst prettige stemming. De
Indianen en de Gauchos zijn hartstochtelijke liefhebbers van de jacht
op dit dier; hoofdzakelijk vervolgen zij het om zijn vel, dat voor
het vervaardigen van even fraaie als zachte vloerkleeden en dekens
dient. De bovendeelen hebben een eigenaardige, bruinachtig grijze
kleur, fijn wit gesprenkeld, de zijden en de buitenste oppervlakte
van de pooten zijn licht kaneelbruin, de onderdeelen wit. In de
Europeesche dierentuinen ziet men de Mara niet dikwijls.
De _Agoeti_'s of _Goetis_ (_Dacyprocta_) herinneren door hun gestalte
in 't oogloopend aan de Dwerg-Muskusdieren: het zijn hoogpootige,
korte, dikke Knaagdieren met langen, in een spitsen snuit eindigenden
kop, kleine, ronde ooren, een onbehaard staartstompje en achterpooten,
die aanmerkelijk langer zijn dan de voorpooten. Deze hebben vier
teenen en een klein wratje op de plaats van den duim, terwijl
zij aan de achterpooten maar vier volkomen gescheiden, zeer lange
teenen hebben. Alle teenen zijn voorzien van forsche, breede, niet
sterk gekromde, hoefvormige klauwen, die vooral aan de achterpooten
goed ontwikkeld zijn; de duimwrat alleen draagt een kleinen, platten
nagel. Over 't geheel genomen hebben de Agoeti's een fijnen, lichten en
bevalligen lichaamsbouw en maken hierdoor een aangenamen indruk. Het
gebit is flink, de dikke, vlakke knaagtanden komen duidelijk voor den
dag, vooral omdat het bovenste paar tamelijk schel rood, het onderste
geelachtig is.
De Agoeti's komen tegenwoordig paarsgewijs of tot kleine gezelschappen
vereenigd in boschrijke vlakten voor, vooral in de dichtste wouden
van de rivierdalen; sommige begeven zich in het gebergte tot op een
hoogte van 2000 M.
De _Agoeti_, _Goeti_ of, gelijk hij wegens zijn fraaie vacht ook wel
heet, de _Goudhaas_ (_Daciprocta aguti_), een van de fraaiste leden
van de geheele familie, heeft een dichte en gladaanliggende beharing
van roodachtig citroengele, met zwartbruin gemengde kleur; het ruige,
harde, borstelachtige haar, heeft een levendigen glans. Al naar het
jaargetijde verandert de kleur van de vacht; in den zomer is zij
lichter, in den winter donkerder. De lichaamslengte van het volwassen
mannetje bedraagt 40 cM., die van het staartstompje slechts 1.5 cM.
Guyana, het noorden van Brazilië en Noord-Peru zijn het vaderland
van den Goeti. In de meeste gewesten is hij zeer veelvuldig, vooral
in de rivierdalen van Brazilië. Hier, zooals overal, bewoont hij de
bosschen, de vochtige oerwouden zoowel als de drogere bosschen van
het binnenland; hij zwerft echter ook in de aangrenzende, grasrijke
vlakten rond en neemt hier de plaats van onzen Haas in. In het vrije
veld komt hij niet voor. Gewoonlijk vindt men hem boven de oppervlakte
van den bodem, in holle boomen dicht bij den grond, en vaker alleen,
dan in gezelschap. Over dag ligt hij rustig in zijn leger, en alleen
daar, waar hij zich volkomen veilig acht, zwerft hij rond. Met het
ondergaan der zon, gaat hij uit om voedsel te zoeken, en blijft, als
het goed weder is, den geheelen nacht hiermede bezig. Hij heeft de
gewoonte meermalen zijn verblijfplaats te verlaten en er weder terug te
komen; hierdoor ontstaat een smal, dikwijls 100 M. lang voetpad, dat de
plaats waar hij woont, verraadt. Als men een Hond op dit spoor brengt,
gelukt het in den regel het dier te bemachtigen, tenzij het leger zich
in het dichtste deel van het woud bevindt. De Honden geven door geblaf
de ligplaats van het wild aan, dat men daarna uit zijn hol trekken of
uitgraven kan. Wanneer de Agoeti de komst van de Honden tijdig bemerkt,
verlaat hij oogenblikkelijk zijn hol; door zijn behendigheid en snellen
gang komt hij dan schielijk buiten het bereik van zijne vervolgers.
De Agoeti is een onschadelijk, vreesachtig diertje en derhalve aan
vele gevaren blootgesteld, zoodat eigenlijk alleen de buitengewone
vlugheid van zijne bewegingen en de fijnheid zijner zintuigen hem
voor den ondergang kunnen behoeden. Door zijne sprongen herinnert
hij aan de kleine soorten van Antilopen en aan de Dwerg-Muskusdieren.
Zijn voedsel bestaat uit de meest verschillende soorten van kruiden
en andere planten, waarvan hij allerlei deelen, van de wortels tot
de bloemen of zaden, gebruikt. Weinige plantendeelen zijn tegen
zijne scherpe knaagtanden bestand; hij maakt zelfs de hardste noten
stuk. In bebouwde oorden wordt de Agoeti door zijne bezoeken aan de
suikerrietplantages en groentetuinen lastig.
Nauwkeurige berichten over de voortplanting van den in vrijheid
levenden Agoeti ontbreken ons tot dusver. Men weet, dat dit dier zich
tamelijk sterk vermenigvuldigt, dat de wijfjes in alle maanden van
het jaar jongen ter wereld brengen en dat iedere worp uit verscheidene
jongen bestaat.
Rengger verhaalt, dat de Goeti, als hij jong gevangen en met zorg
grootgebracht is, bijna een huisdier wordt. "Ik heb," zegt hij,
"verscheidene Agoeti's gezien, die men vrij kon laten rondloopen,
zonder dat zij ontvluchtten, zelfs op erven gelegen te midden van
de groote wouden, die dit dier in vrijen toestand tot woonplaats
dienen; wanneer zij eens getemd zijn, loopen zij niet weg. Zoo zag
ik in de wouden van het noorden van Paraguay in de hutten van eenige
inboorlingen twee tamme Agoeti's, die den morgen en den avond in
het woud, den middag en den nacht bij de menschen doorbrachten. Het
is niet zoozeer de gehechtheid aan den mensch als wel het gewoon
raken aan hun nieuw verblijf, dat bij hen de begeerte naar vrijheid
onderdrukt. Zij gevoelen slechts weinig genegenheid voor den mensch,
maken volstrekt geen onderscheid tusschen hun verzorger en andere
personen, gehoorzamen slechts zelden, als hij hen roept en zoeken hem
alleen op, als de honger hen hiertoe dringt. Ook laten zij zich niet
graag door hem aanraken; zij dulden geen dwang, leven geheel naar
hun eigen verkiezing en kunnen hoogstens leeren hun voedsel op een
bepaalde plaats te komen halen. Zij worden gevoed met het overschot
van al wat er in huis gegeten wordt. Zij houden echter volstrekt niet
zooveel van vleesch, als Azara beweert, maar eten het slechts bij gemis
van voedsel, dat beter voor hen geschikt is. Rozen zijn een van hunne
lievelingsspijzen. Zoodra zulk een bloem in hun woning gebracht wordt,
ruiken zij haar onmiddellijk en zoeken haar op. Gewoonlijk grijpen
zij het voedsel met de snijtanden en vatten het daarna tusschen de
beide wratvormige duimen van de voorvoeten, intusschen zitten zij
evenals de Eekhoorntjes op de achterpooten. Soms vreten zij ook in
neergehurkte houding, gewoonlijk doen zij dit, als zij zeer kleine
of te kleine stukjes voedsel voor zich hebben. Ik heb ze nooit zien
drinken; naar men zegt, nemen zij het water met de tong leppend op."
Bodinus zegt terecht, dat de Agoeti's wegens hunne sierlijke gestalte,
fraai voorkomen en zindelijkheid aan alle dierenliefhebbers aanbevolen
kunnen worden; alleen door hun groote lust in 't knagen zijn zij
soms lastig. Die, welke Bodinus had, waren zoo aan hem gewoon,
dat zij hem de lekkerbeetjes, die hij hun voorhield, uit de hand
namen en oogenblikkelijk met echt dankbare blikken naar den gever,
opaten. Andere gevangene Agoeti's trokken sterk de aandacht door een
eigenaardigheid, die ik bij de overige schrijvers niet vermeld heb
gevonden. Zij zijn namelijk gewoon een groot deel van hun voedsel
te begraven om iets in voorraad te hebben, als de nood aan den man
komt. Zoodra hun voedsel wordt aangeboden, vallen zij er begeerig op
aan, eten er eenige stukken van op, kiezen van hetgeen hun gegeven
is, een stuk wortel of een vrucht uit, dragen deze in den bek weg,
graven op de een of andere plaats een gaatje in den grond, leggen
hun schat er in, strijken er aarde over heen, en slaan of drukken
deze met de voorpooten vast. Zeer grappig is het na te gaan, hoe
zij telkens omkijken, en hoe zij hun best doen om het bergen van hun
schat ongezien te verrichten.
De _Paka_ of_Waterhaas_ (_Coelogenys paca_) is gekenmerkt door
den eigenaardigen, dikken kop met groote oogen en kleine ooren,
den bijzonder korten staart, de hooge pooten, welker voeten alle
met vijf teenen voorzien zijn, het borstelige, dunne aanliggende
haarkleed en vooral door den buitengewoon krachtigen jukboog, welks
voorste gedeelte (het breede en gewelfde jukbeensuitsteeksel van
het bovenkaaksbeen) binnenwaarts tot op een aanmerkelijke diepte
is uitgehold. De vacht bestaat uit korte, nauw tegen het lichaam
aanliggende haren, die aan den rug en de andere naar boven en naar
buiten gekeerde lichaamsdeelen geelachtig bruin, aan de onderdeelen
en aan de binnenzijde van de pooten geelachtig wit zijn. Vijf reeksen
van geelachtig witte vlekken van ronde of eivormige gedaante strekken
zich uit aan weerszijde van den romp van den schouder tot aan den
achterrand van de dij. Volwassen mannetjes kunnen 70 cM. lang,
ongeveer 35 cM. hoog en tot aan 9 KG. zwaar worden.
De Paka is over het grootste deel van Zuid-Amerika, van Suriname door
Brazilië tot aan Paraguay, verbreid; ook komt zij op de Zuidelijke
Antillen voor. Hoe eenzamer en wilder de streek is, des te veelvuldiger
vindt men haar; in de bevolkte gewesten is zij overal zeldzaam
geworden. De woudzoom en de met struikgewas begroeide rivieroevers
of moerassige plaatsen leveren haar een verblijfplaats. Hier graaft
zij zich een hol van 1 à 2 M. lengte in den grond en brengt hier
den geheelen dag slapend door. Als de schemering invalt, gaat zij
voedsel zoeken; zij doet dit ook wel in aanplantingen van suikerriet en
meloenen, waar zij aanzienlijke schade aanricht. Voor 't overige voedt
zij zich met bladen, bloemen en vruchten van de meest verschillende
planten. Zij leeft paarsgewijze of eenzaam. Het wijfje werpt midden in
den zomer één jong (hoogstens twee), houdt het gedurende het zoogen in
een hol verborgen en voert het daarna gedurende verscheidene maanden
met zich mede op hare wandelingen.
In Brazilië is zij, met de Agoeti's en verschillende soorten van
Gordeldieren, het gewone wild in de wouden. De Prins Von Wied ving
haar in de oerwouden dikwijls in klemmen. Ook jaagt men haar met
Honden en brengt haar als "koninklijk wild" aan de markt. In haar
hol is zij niet te genaken; wanneer men echter met aandacht den
woudzoom onderzoekt, zal men spoedig in de dichte rietbosschen
de wisselplaatsen van het dier bemerken. Hier stelt de jager
zijne strikken, met een maïskolf als lokaas; den volgenden morgen
vindt hij zijn moeite ruimschoots beloond. De Paka levert het beste
wildbraad van Brazilië; wat fijnheid en malschheid betreft, wordt het
misschien door geen ander overtroffen. Daar dit dier een zeer dunne
en zachte huid heeft, wordt het niet gevild, maar in zijn geheel
gebraden gelijk een Zwijn. Na deze toebereiding, en als de kop en
de pooten er afgesneden zijn, gelijkt het zoozeer op een jong Zwijn,
dat men zich er in zou kunnen vergissen. Volgens Kappler springt het
dier, wanneer het vervolgd wordt en zijn hol niet kan bereiken, in
't water, waar het onderduikt en zoolang blijft, tot zijn vervolger
zich verwijderd heeft; hij vermoedt, dat het onder water verder zwemt.
In den laatsten tijd heeft men de Paka niet zelden levend naar Europa
gebracht. Reeds Buffon heeft gedurende geruimen tijd een wijfje van
deze diersoort gehad, dat volkomen tam was, zich onder den kachel
een leger maakte, over dag sliep, 's nachts rondliep en als het
in een kast opgesloten was, aan het houtwerk begon te knagen. Het
likte de hand van bekende personen en liet zich door hen krauwen,
intusschen rekte het zich uit en gaf zijn tevredenheid door een zwak
geluid te kennen. Vreemde personen, kinderen en Honden trachtte het
te bijten. Als het toornig was, knorde en knarsetande het op een zeer
eigenaardige wijze. Het was zoo weinig gevoelig voor koude, dat het,
naar Buffon meende, in Europa inheemsch zou kunnen worden. De Paka
stelt geen hooge eischen, zoomin wat de voeding, als wat de huisvesting
betreft. Ik ben het met Buffon eens, dat dit dier zeer goed tegen
koud weer bestand is; ik geloof echter niet, dat het voordeel zou
opleveren het in Europa te acclimatiseeren.
Het _Waterzwijn_ (_Hydrochoerus capybara_) mag in één opzicht als het
merkwaardigste van alle Knaagdieren beschouwd worden: _het is het
grootste en plompste lid van de geheele orde_. Zijn Nederlandschen
naam draagt het terecht, want het herinnert door zijn gestalte en
zijne op borstels gelijkende haren duidelijk aan het Zwijn. Zijne
kenmerken zijn: de kleine ooren, de gespleten bovenlip, het ontbreken
van den staart, de korte zwemvliezen tusschen de teenen, de forsche
op hoeven gelijkende nagels en de hoogst eigenaardige samenstelling
van het gebit. De kolossaal sterk ontwikkelde snijtanden zijn,
ondanks hun geringe dikte, minstens 2 cM. breed en hebben op hun
voorvlakte verscheidene ondiepe groeven; de laatste van de vier kiezen
is even groot als de drie voorste te zamen genomen. De romp is in
't oog loopend plomp en dik, en door een korten hals verbonden met
den langwerpigen, hoogen en breeden kop, die in een stompen snuit
eindigt. Tot de eigenaardige uitdrukking van het gelaat dragen de twee
tamelijk groote, rondachtige, ver uitpuilende oogen veel bij. De ooren
zijn van boven afgerond, aan den voorrand omgestulpt, van achteren als
't ware afgesneden. De achterste ledematen zijn merkbaar langer dan de
voorste; de voorvoeten hebben vier, de achtervoeten drie teenen. Een
bepaalde kleur kan men aan de ijle, grove beharing niet toekennen: een
moeielijk te bepalen bruine tint met een zweem van rood of bruinachtig
geel is over den romp verspreid, zonder ergens scherp op den voorgrond
te treden. De borstels rondom den mond zijn echter duidelijk zwart. Een
volwassen Waterzwijn bereikt ongeveer de grootte van een eenjarig
Gewoon Zwijn en heeft een gewicht van 50 KG. De lichaamslengte bedraagt
meer dan 1 M., de hoogte in de schoften 50 cM. en meer.
De Capybara is over geheel Zuid-Amerika verbreid; van den Orinoko tot
aan de La Plata, van den Atlantischen Oceaan tot aan de oostelijke
uitloopers van de Andes bewoont zij lage, boschrijke, moerassige
gewesten, vooral rivieren, meeroevers en moerassen. Het liefst houdt
zij zich op bij groote stroomen; zij verlaat deze nooit, tenzij om
den loop van kleine, in dezen stroom uitmondende beken en waterloopen
te volgen. Op sommige plaatsen is zij buitengewoon veelvuldig; in
bewoonde oorden komt zij, zooals licht te begrijpen is, zeldzamer voor
dan in de wildernis. In bewoonde streken ziet men deze dieren alleen
's morgens en 's avonds; in onbewoonde, weinig bezochte rivierdalen
daarentegen worden zij ook over dag in groote getale waargenomen;
altijd bevinden zij zich in de onmiddellijke nabijheid van den rivier,
waar zij grazen of als Honden op de bijeengebogen achterpooten zitten.
De gewone gang van het Waterzwijn is een langzame draf, die evenwel
niet lang wordt volgehouden, in geval van nood beweegt het zich ook
wel sprongsgewijs. Het zwemt uitmuntend en komt met gemak aan den
overkant van het water, maar doet dit alleen, wanneer het vervolgd
wordt, of als het voedsel aan de eene zijde van de rivier schaarsch
geworden is. Wanneer het niet gestoord wordt, is het een standvastige
bewoner van een bepaald gebied; hoewel het dit steeds verlaat,
indien het hier vervolgingen heeft te verduren. Een eigenlijk leger
heeft het niet, hoewel het zich op gunstig gelegen plaatsen aan den
oever geregeld ophoudt. Zijn voedsel bestaat uit waterplanten en uit
de schors van jonge boomen; alleen wanneer het in de nabijheid van
plantages woont, doet het zich soms te goed aan watermeloenen of aan
maïs, rijst en suikerriet; het kan dan in sommige gevallen een zeer
aanzienlijke schade aanrichten. Het Waterzwijn is een stil en rustig
dier. Reeds bij oppervlakkige beschouwing zal iedereen bemerken, dat
het in hooge mate stompzinnig en arm van geest is. Nooit heeft men
het met andere dieren van zijn soort zien spelen. Men ziet de leden
van een kudde met langzame schreden hun voedsel zoeken, voor zoover
zij niet in zittende houding uitrusten. Van tijd tot tijd wenden
zij den kop om, als maatregel van voorzorg tegen vijanden. Als een
van deze zich vertoont, gaan zij niet overhaast op de vlucht, maar
loopen langzaam naar den waterkant. In den hoogsten schrik storten zij
zich onmiddellijk luid schreeuwend in den vloed en duiken onder. Als
zij niet gewoon zijn aan het gezicht van menschen, staren zij deze
dikwijls langen tijd aan, voordat zij vluchten. Men verneemt van hen
geen ander geluid dan de zooeven bedoelde noodkreet, die Azara door
"ap" aanduidt. Dit geschreeuw is echter zoo doordringend, dat men
het op een kwartier uurs afstand kan hooren.
Het wijfje werpt eenmaal in het jaar 5 of 6 jongen. De bigjes volgen
onmiddellijk hun moeder, maar toonen haar slechts weinig genegenheid.
In den laatsten tijd werd dit dier dikwijls levend naar Europa
gebracht. Ik heb gedurende langen tijd een Waterzwijn onder mijn hoede
gehad. Het was buitengewoon sterk aan mij gehecht, het kende mijn stem,
kwam nader als ik het riep, was verheugd als ik het liefkoosde, en
volgde mij als een Hond. Zoo vriendelijk was het niet tegen iedereen:
eens sprong het zijn oppasser, die het terugdrijven wilde, tegen de
borst en beet toen dadelijk toe; gelukkig trof het meer de kleeren
dan den man. Gedwee was het volstrekt niet; het gehoorzaamde alleen,
wanneer het zulks verkoos. Ik heb de bewegingen van het Waterzwijn
nooit plomp of onbeholpen gevonden. Zelden loopt het vlug, gewoonlijk
beweegt het zich op zijn gemak met groote stappen; het springt echter
zonder moeite over afschuttingen die één meter hoog zijn. In het water
toont het ongemeene behendigheid. Het zwemt met eenparige snelheid
lijnrecht over een breed water, even snel als een mensch loopen
kan, duikt na den sprong als een Vogel en blijft eenige minuten
achtereen onder water; ook zwemt het in de diepte verder, zonder
zich in de bedoelde richting te vergissen. Het is volstrekt niet
moeielijk dit dier in 't leven te houden. Evenals een Zwijn vreet het
allerlei plantaardige stoffen; het heeft wel veel, maar volstrekt geen
uitgelezen voedsel noodig. Het meest houdt het van frisch, sappig gras;
ook wortels, rapen en gekookte zemelen zijn zeer naar zijn smaak. Met
zijne breede snijtanden graast het als een Paard; ook drinkt het,
evenals dit dier slurpend, met lange teugen. Het houdt van warmte,
maar vreest de koude niet. Nog in November springt het uit eigen
beweging in het ijskoude water, zonder door schrik of vrees voor gevaar
hiertoe genoopt te worden.--Volgens de berichten van alle reizigers
maken alleen de Indianen van het vleesch van het Waterzwijn gebruik;
de Europeanen hebben er een afkeer van, omdat het een eigenaardigen,
onaangenamen, tranigen bijsmaak heeft. De dikke, bijna onbehaarde huid
is buitengewoon sponsachtig en zacht; zij levert een soort van leder,
waardoor het water gemakkelijk heendringen kan, en dat derhalve alleen
voor riemen, voetkleeden en rijzadels gebruikt wordt. De meisjes van
den Botokoedenstam rijgen de knaagtanden van het Waterzwijn aan een
snoer en maken er arm- en halsbanden van. Ander nut levert dit dier
niet op.
De Zuid-Amerikanen maken voor hun vermaak jacht op de Capybara,
overvallen haar onverwachts, snijden haar den weg naar 't water af
en vangen haar met de lasso. Haar ergste vijand behalve de mensch is
vermoedelijk de Jagoear. Dag en nacht volgt deze sluwe roover haar
spoor; in de rivierdalen is zij waarschijnlijk de meest gewone buit,
die aan deze Kat ten deel valt.