Stekelvarken_ of de _Oerson_ (_Erethizon dorsatum_). Van Labrador
tot aan het Rotsgebergte bewoont het de bosschen van het gebied
gelegen tusschen 67° N.-B. aan de eene, Virginië en Kentucky aan
de andere zijde. In de bosschen ten westen van den Missouri is het
niet bijzonder zeldzaam, in de oostelijke gewesten daarentegen is
het nagenoeg uitgeroeid. Met een anderen vorm, die aan de westkust,
van Californië tot Alaska, gevonden wordt brengt men deze soort tot het
geslacht _Platstaart-stekelvarken_ (_Erethizon_). Dit onderscheidt zich
door een ineengedrongen romp en den korten, afgeplatten of verbreeden
staart, die aan de bovenzijde met stekels, aan de onderzijde met
borstels bezet is. Met inbegrip van den 19 cM. langen staart bereikt
de Oerson een lengte van 80 cM. De kop is kort, dik en stomp, de snuit
is afgeknot; de kleine neusgaten kunnen door een halvemaanvormige
klep min of meer afgesloten worden. De voorvoeten missen den duim
en zijn dus vierteenig; aan de achtervoeten komen vijf teenen voor;
de klauwen zijn lang en krachtig, de zolen naakt, met een netvormig
geplooide huid bekleed. Een dikke vacht, bestaande uit haren, die
in den nek een lengte van 11 cM. bereiken, maar aan de onderzijde
en aan de spits van den staart door scherpe borstels vervangen zijn,
bedekt den romp. Tusschen de haren en de borstels staan op de geheele
bovenzijde stekels, die 8 cM. lang kunnen worden en grootendeels door
de haren bedekt zijn. De kleur is een mengsel van bruin, zwart en wit.
"De Oerson," zegt Cartwright, "is een behendige klimmer: in den winter
verlaat hij een boom waarschijnlijk niet, voordat hij de kroon geheel
van schors beroofd heeft. Aan de jongste boomen geeft hij de voorkeur:
een enkele Oerson doodt waarschijnlijk gedurende één winter wel
honderden boomen." Audubon verhaalt, dat hij bosschen gezien heeft,
waarvan alle boomen door den Oerson ontschorst waren, zoodat zij er
uitzagen, alsof er een boschbrand in gewoed had. Vooral de iepen,
populieren en dennen waren zeer sterk beschadigd.
Het nest wordt in holle boomen of in rotsholen aangelegd; in April
of Mei vindt men hierin de jongen, gewoonlijk 2, zeldzamer 3 of
4. De jongen, die uit het nest genomen en gevangen gehouden worden,
geraken weldra aan hun meester en aan hun nieuwe omgeving gewoon. Men
voedt ze met allerlei plantaardige stoffen; ook houden zij zeer veel
van brood. Als men ze in den tuin vrij rondloopen laat, klimmen zij
in de boomen en vreten er de schors en de bladeren van op. Audubon
verhaalt, dat een door hem verzorgde Oerson alleen dan boos werd, als
men hem verwijderen wilde van een geregeld door hem bezochten boom
in den tuin. "Onze gevangene was langzamerhand zeer tam geworden,
en maakte zelden van zijne nagels gebruik: men kon daarom af en
toe zijn hok openen en hem het genot gunnen van een wandeling door
den tuin. Hij kende ons; als wij hem riepen en hem een appel of een
bataat ('zoete aardappel') voorhielden, draaide hij den kop langzaam
naar ons toe, keek ons zachtmoedig en vriendelijk aan, hompelde dan
langzaam nader, nam ons het voedsel uit de hand, ging opzitten, en
bracht het voorwerp met de voorpooten naar den mond. Dikwijls kwam
hij, als hij de deur open vond, in onze kamer, kwam naar ons toe,
wreef zich tegen onze beenen aan, en keek smeekend tot ons op om de
een of andere lekkernij te ontvangen. Tevergeefs beproefden wij hem
boos te maken; nooit gebruikte hij zijne stekels tegen ons. Anders
was het, wanneer er een Hond aankwam. Dan was hij onmiddellijk op
tegenweer bedacht, boog den kop naar beneden, richtte alle stekels op,
en bewoog den staart heen en weer, gereed tot den strijd.
"Een groote, kwaadaardige en in de hoogste mate strijdlustige
Bullenbijter uit de buurt, sprong eens onverwachts met geopenden bek op
het Stekelvarken toe. De Oerson scheen in 't zelfde oogenblik tot den
dubbelen omvang op te zwellen, hield den naderenden vijand scherp in
't oog, en bracht hem op het juiste oogenblik met den staart een zoo
goed gerichten slag toe, dat de Bullenbijter oogenblikkelijk den moed
verloor, en door de smart gepijnigd luid jankte. De bek, de tong en de
neus waren bedekt met de stekels van zijn tegenpartij. Buiten staat
den bek te sluiten, snelde hij met geopenden muil onophoudelijk het
erf rond. Hoewel de omstanders hem onmiddellijk de stekels uit den
bek trokken, bleef de kop nog verscheidene weken gezwollen; maanden
gingen er voorbij, voordat de snuit genezen was."
Alleen de Indianen weten een nuttig gebruik te maken van den gedooden
Oerson. Het vleesch van dit dier wordt door hen met smaak gegeten, en
bevalt ook aan den blanke zeer goed. Het vel is, nadat men de stekels
er uit verwijderd heeft, bruikbaar wegens zijn aangename zachtheid;
de stekels worden door den wilde hoofdzakelijk gebruikt tot opsiering
van zijne weitasschen, laarzen enz.
Tot het geslacht der _Grijpstaart-stekelvarkens_ (_Cercolabes_)
eindelijk brengt men die soorten, welke een voor 't klimmen geschikten
staart en aan de achtervoeten zoowel als aan de voorvoeten 4 teenen
hebben, waarnevens een klein stompje de plaats van den binnenteen
aanduidt. Als het haarkleed zoover boven de stekels uitgroeit,
dat deze slechts op sommige plaatsen te voorschijn komen, en aan de
keel, de borst en den buik geheel ontbreken, worden de soorten tot
het ondergeslacht der _Boom-stekelvarkens_ (_Sphingurus_) gerekend;
daarentegen treden de borstels op den achtergrond bij het ondergeslacht
der _Grijpstaart-stekelvarkens_ of _Koeandoes_ (_Synetheres_).
Het _Mexicaansche Boom-stekelvarken_ [_Cercolabes (Sphingurus)
novae-hispaniae_], een dier van 95 cM. totale lengte, waarvan ongeveer
een derde voor den staart gerekend moet worden, bewoont de oostkust
van Mexico. De glanzige haren zijn zeer dicht en zacht, een weinig
gekroesd en zoo lang, dat vele stekels volkomen door hen bedekt
worden. De stekels ontbreken op de onderdeelen, met uitzondering van
den onderhals, voorts aan de binnenzijde van de pooten, op den snuit
en op de achterste helft van den staart, die van boven naakt, van
onderen met zwarte, aan de zijden met gele borstels bezet is. Het
haarkleed heeft een zwarte kleur. Op het gelaat komen zeer lange
snorharen voor. De stekels, die over 't algemeen een zwavelgele kleur
hebben met uitzondering van de zwarte spits, zijn bij den wortel
veel dunner, hooger op overal even dik, behalve vlak onder de spits,
waar zij plotseling in een punt uitloopen; in 't midden zijn zij
glad en bij de naaldscherpe spits met naar beneden gerichte weerhaken
voorzien. Zoolang het Boom-stekelvarken rustig is, bemerkt men zeer
weinig van het stekelkleed, behalve in de omgeving van de oogen
en ooren. Als het dier toornig is, heeft het alle stekels overeind
geplaatst, zoodat zij in alle richtingen afstaan; wanneer men nu met
de hand over het vel strijkt, bemerkt men ze overal. Zij zijn zoo
zwak in de huid bevestigd, dat zij bij de minste aanraking uitvallen;
zelfs als men het dier maar even aait, gaan zij bij dozijnen los;
geregeld blijven er dan eenige in de hand steken.
De mededeelingen over het leven van de Boom-stekelvarkens in de vrije
natuur zijn zeer schaarsch en onvolledig. De meeste hebben betrekking
op een soort, die nauw verwant is aan de zooeven genoemde, op den
_Koeïy_ (_Cercolabes villosus_); over hem hebben Azara, Rengger,
de _Prins_ Von Wied en Burmeister berichten gegeven. Hij is over
geheel Brazilië en Paraguay en een deel der verder zuidwaarts gelegen
landen verbreid; hoewel overal bekend, is hij nergens algemeen. Bij
voorkeur kiest hij hoogstammige bosschen tot verblijfplaats. Gedurende
het grootste deel van het jaar leeft hij hier alleen en wel in
een bepaald gebied, altijd op de boomen, in welker takken hij zich
behendig beweegt. Over dag slaapt hij, tot een bal ineengerold, in een
takgaffel; des nachts zwerft hij rond, steeds langzaam en voorzichtig
klimmend, zonder een mispas te doen. Hensel doet uitkomen, dat dit
dier door zijn vorm en zijn kleur zich niet veel van de omgeving
onderscheidt. "De natuur," zegt hij, "heeft aan dit dier een groot
voorrecht geschonken; niet tevreden met het tegen vijanden uit zijn
eigen dierklasse te beveiligen, droeg zij er ook nog bijzondere zorg
voor het tegen Roofvogels te beschermen. Boven het stekelkleed van
dit dier steken nl. lange, fijne haren uit. Deze verschaffen het,
wanneer het half ineengerold en onbeweeglijk op een boomtak zit,
een bedrieglijke overeenkomst met een klomp grijs baardmos; zelfs de
scherpzichtige jager gaat het licht voorbij, bedrogen, door de in den
wind heen en weer schommelende haren en zal misschien een andere keer
zijn geweer afschieten op een hoop van deze korstmossen, die op boomen
groeien, in de meening het gezochte dier te zullen treffen."--De
houding, die het Boom-stekelvarken in de boomen aanneemt, is zeer
eigenaardig; het zit op de achtervoeten, in welker onmiddellijke
nabijheid de voorvoeten op den tak rusten; deze zijn dan dikwijls op
zulk een wijze gebogen, dat het dier op den rug van de hand steunt;
de kop is intusschen loodrecht naar beneden gericht, de staart recht
uitgestrekt en haakvormig naar boven omgebogen. Gewoonlijk beveiligt
het dier zich tegen den val door zijn grijpstaart om een tak te
slingeren; ook zonder dezen voorzorgsmaatregel zit het zelfs op de
dunste takken zeer stevig, omdat het zich met de breede, naar binnen
gewelfde handen uitmuntend kan vasthouden. Bij het klimmen drukt het
de breede, vleezige zolen vast tegen de takken, die het met den bal
van de hand omklemt.
Het voedsel van het Boom-stekelvarken bestaat hoofdzakelijk uit
vruchten, knoppen, bladen en wortels, die het met de handen naar den
mond brengt.
Om het leven van dit dier in de gevangenschap te schilderen, zal ik
Azara's waarnemingen vermelden. "Ik liet er een, dat reeds oud was,
toen het gevangen werd, in mijne kamer losloopen; een jaar lang is het
zonder water gebleven, want het drinkt niet. Als het verschrikt werd,
liep het met groot gemak, ik kon het echter altijd wel bijhouden zonder
mij in te spannen, als ik denzelfden kant uitging. Al zijne bewegingen
zijn onbeholpen; het klimt echter met gemak langs den eersten den
besten stok op en af, en klemt zich er zoo stevig aan vast, dat er een
tamelijk groote kracht noodig is om het los te rukken. Op de leuning
van een stoel, op den top van een loodrecht in den grond geslagen paal
heeft het ruimte genoeg om veilig te slapen en ook werkelijk uit te
rusten. Zijne stompzinnigheid en bedaardheid of traagheid zijn zoo
groot, dat er wel 24 à 48 uren voorbij kunnen gaan, voordat het van
plaats verandert, of ook maar de geringste wijziging in zijn houding
aanbrengt. Mijn exemplaar bewoog zich alleen, als het eten wilde; dit
geschiedde in den regel om 9 uur 's morgens en om 4 uur 's namiddags;
slechts een enkele maal merkte ik op, dat het ook 's nachts rondliep;
toch houd ik het voor een nachtelijk dier. Mijn Stekelvarken ging in de
eerste dagen van zijn gevangenschap op de leuning van een stoel zitten,
nooit op een vlak voorwerp; toen het echter eens bij het venster naar
boven geklommen was en daar den kant van het vensterluik gevonden had,
zocht het later geen andere rustplaats. Boven op dit luik bracht het
zijn tijd door; het zat hier, zonder de minste beweging te maken, in
een ongewone houding als een steenen beeld. Zonder zich met de hand
of den staart tegen het vallen te beveiligen, hield het zich alleen
met de voeten vast, legde de handen over elkander en hiertusschen zijn
snuit, alsof het zich de handen wilde kussen. Zoo zat het zonder zich
te bewegen, ja zelfs zonder rond te kijken, tot aan het uur van zijn
maaltijd. Van het voorgediende voedsel--brood, maïs, maniokwortels,
kruiden, bladen en bloemen--nam het slechtst uiterst weinig, het
hield er echter van, nu eens het eene, dan weer het andere voedsel
te gebruiken. Het beet of krabde nooit en deed niemand eenig kwaad.
"Het best ontwikkeld is bij dit dier het zintuig van den reuk. Als ik
chocolade dronk, of met bloemen de kamer binnenkwam, merkte ik op,
dat mijn Stekelvarken den snuit omhoog stak; hieruit kon ik veilig
afleiden, dat het den geur op tamelijk grooten afstand waarneemt. De
spits van zijn staart is zoo gevoelig, dat het zelfs bij zachte
aanraking van dit lichaamsdeel onmiddellijk opstaat en schrik laat
blijken. Voor 't overige bemerkte men aan dit dier niets anders
dan traagheid en domheid; men mag wel zeggen, dat het nauwelijks
verstand genoeg heeft om te eten en te leven. Nooit liet het vreugde
of droefheid of zelfs een aangename gemoedsstemming blijken. Soms
draaide het den kop om, als het bij den naam genoemd werd. Gewoonlijk
echter keek het niet om, maar deed, alsof het niet zien kon; ook bij
aanraking gedroeg het zich, alsof het van steen was, behalve wanneer
dit te ruw geschiedde; in dit geval zette het zijn stekels op; ook
dan echter maakte het geen verdere beweging."
Daar het uitwendig voorkomen van dit dier niet aanlokkelijk is, wordt
het door de bewoners van Paraguay maar zelden gevangen en in het
leven gehouden; toch blijft het niet van vervolging verschoond. De
wilden eten zijn vleesch, dat wegens zijn onaangenamen reuk door
de blanke bewoners versmaad wordt. Ook deze dooden het dier echter,
waar zij het ontmoeten. Door Hensel worden de volgende redenen voor
dezen haat medegedeeld: "Het griezeligste dier van het Braziliaansche
oerwoud is het Boom-stekelvarken. De natuur heeft er zich niet toe
bepaald het door stekels tegen de Roofdieren te beschutten, op gelijke
wijze als b.v. de Egel, maar heeft deze verweermiddelen bovendien op
zulk een wijze ingericht, dat zij den vijand voor zijn aanval op de
vreeselijkste wijze straffen. De stekels zijn n.l. aan hun onderste
gedeelte zoo fijn en ook zoo zwak in de huid bevestigd, dat zij los
geraken, wanneer er maar even aan getrokken wordt; zij blijven derhalve
aan een vreemd lichaam vastgehecht, zoodra zij er met de spits in
doorgedrongen zijn. Wanneer dus een Hond een aanval doet op het rustig
ter aarde liggend Boom-stekelvarken, dat, bewust van de vreeselijke
werking zijner wapens, er niet aan denkt om te ontvluchten, zullen de
weeke deelen van den bek van den vijand getroffen worden door tallooze
stekels; deze zullen hierin steken blijven, omdat zij weerhaken hebben;
om dezelfde reden en tengevolge van de bewegingen die het gewonde dier
maakt, zullen zij steeds dieper doordringen. De ongelukkige Hond kan
den bek niet sluiten, en zal, als men hem niet spoedig te hulp komt,
door de zwelling van de mondholte en van het strottenhoofd, na een
smartelijk lijden stikken of verhongeren. Als men er vlug bij is, kan
men de stekels uittrekken door ze bij de spits tusschen de duim en de
punt van een mes te vatten; later is ook dit niet meer mogelijk en
breken zij veeleer. Daarom nemen vele jagers een tang mede, als zij
zich naar 't woud begeven. Het is dus verklaarbaar, dat de jager in
het oerwoud geen enkel dier, zelfs de Vergiftige Slangen niet, zoo
zeer haat en vreest als dit Knaagdier. Overal waar hij het ontmoet,
zal hij het zonder mededoogen dooden, hoewel het overigens geheel
onschadelijk is."
De tot de _Grijpstaart-stekelvarkens_ behoorende _Koeandoe_
[_Cercolabes (Synetheres) prehensilis_] heeft over 't geheel genomen
den vorm van den Koeïy, maar is aanmerkelijk grooter en krachtiger
gebouwd dan deze. Zijn lengte bedraagt (met inbegrip van den 45
cM. langen staart) 1.1 M. De bekleeding met stekels begint reeds
op het aangezicht, strekt zich uit over de geheele rugzijde, over
de pooten tot aan het polsgewricht en het spronggewricht, over de
voorste helft van den staart en ook over de geheele buikzijde. De
stekels liggen echter niet glad tegen het lichaam aan. De haren,
die tusschen de stekels groeien, worden geheel door deze bedekt en
zijn eerst zichtbaar, als men de stekels uiteenbuigt. Deze zijn ook
hier zeer los aan de huid gehecht, bij de aanhechtingsplaats dun,
overigens gelijkmatig van dikte, naaldvormig en in de nabijheid van
de zeer fijne spits plotseling zeer sterk verdund; op het achterste
deel van den rug bereiken zij een lengte van 12 cM.; hoe nader zij bij
het onderlijf gelegen zijn, des te korter worden zij; op de buikzijde
gaan zij allengs in echte borstels over, die aan de onderzijde van
het voorste deel van den staart weder stijf en stekend worden.
Van de levenswijze van den Koeandoe in de vrije natuur is
weinig bekend. Hij bewoont een tamelijk groot deel van Zuid- en
Midden-Amerika, vooral Brazilië en Guyana, en is op vele plaatsen
volstrekt niet zeldzaam. Op soortgelijke wijze als zijne verwanten
slaapt hij over dag, zittend in een boomkroon; des nachts loopt
hij langzaam maar behendig over de takken. Zijn voedsel bestaat uit
allerlei bladen. Het vleesch van dit dier wordt door de inboorlingen
gaarne gegeten; deze weten ook van de stekels op verschillende wijzen
gebruik te maken, o.a. worden zij in sommige ziektegevallen in de
huid van den patiënt gestoken, met een soortgelijke bedoeling, als
waarvoor bij ons Bloedzuigers gebruikt worden.
De uitwendige kenteekenen van de Familie der _Halfhoevigen_ of
_Zwijnachtige Knaagdieren_ (_Caviidae_ of _Subungulata_), waartoe ook
het bekende Guineesche Biggetje behoort, zijn: een meer of minder
gestrekte romp, die op middelmatig hooge of hooge pooten rust,
welker voorvoeten vier en welker achtervoeten drie, vier of vijf
teenen hebben, waaraan korte, breede, bijna hoefvormige, van boven
gekielde nagels voorkomen; de zool is onbehaard; de staart is bij
sommige soorten zeer kort, bij andere alleen als een klein wratje
waarneembaar en ontbreekt bij de overige geheel; de ooren zijn in
den regel kort, bij eenige half zoo lang als de kop; de vacht is uit
grove haren samengesteld. Het gebit bestaat, behalve uit de vier breede
knaagtanden, uit vier wortellooze kiezen van ongeveer gelijke grootte
in iedere kaakhelft. Alle leden van deze familie zijn tot Middel-
en Zuid-Amerika beperkt.
Het _Guineesch Biggetje_ (_Cavia porcellus, Cavia cobaya_)--bij ons
algemeen bekend onder den naam van "Marmot", die aan een geheel
anders gebouwd Knaagdier toekomt--deelde tot voor korten tijd in
het lot van vele huisdieren: men kon zijne stamouders niet met
zekerheid aanwijzen. Voor zoover men kan nagaan, is dit dier kort
na de ontdekking van Amerika, in de 16e eeuw dus, door Hollandsche
zeelieden naar Europa gebracht. Gesner (geb. 1516, gest. 1565) kende
het reeds. Sedert dien tijd heeft het zich in Europa voortdurend in
gevangenschap voortgeplant. Tot voor kort heeft men, waarschijnlijk ten
onrechte, vrij algemeen den Braziliaanschen _Aperea_ (_Cavia Aperea_)
als stamsoort van ons Guineesch Biggetje beschouwd. (Bij dezen zijn
de snijtanden van voren bruinachtig geel, bij het Guineesch Biggetje
daarentegen geelachtig grijs.) Volgens de onderzoekingen van Nehring
evenwel stamt het van de Peruaansche _Cavia cutleri_ af. Deze werd in
zijn vaderland reeds ten tijde van de Inca's als huisdier gehouden en
wordt, volgens A. Stübel, ook thans nog door de Indianen van Peru,
Ecuador en Columbia gefokt en gegeten. Daarentegen wordt het bij de
Indiaansche stammen van Brazilië, die nog niet met andere volken in
aanraking gekomen zijn, in getemden staat niet aangetroffen. Onze naam
"Guineesch biggetje" ("Guinea-pig" bij de Engelschen) is letterlijk al
even onjuist als de Fransche naam "Cochon d'Inde", een vertaling van
de reeds bij Aldrovandi (1522-1605) voorkomende aanduiding "Porcellus
indicus", waaraan ook de wetenschappelijke soortnaam ontleend is.
Behalve effenkleurige Guineesche Biggetjes, van welke de witte het
veelvuldigst voorkomen, ziet men gewoonlijk alleen driekleurige:
wit, geel en zwart gevlekte. Volgens de onderzoekingen van Nehring
misten de mummiën van de Guineesche Biggetjes uit den Inca-tijd,
die op het Doodenveld van Ancon in Peru gevonden worden, steeds de
zwarte vlekken. De effenkleurige waren wit of roodachtig bruin;
de tweekleurige hadden een der zooeven genoemde grondkleuren
en roodachtig bruine of geelachtig witte vlekken. Bij ons zijn,
volgens de onderzoekingen van Haacke, driekleurige exemplaren met
aschgrauwe in plaats van zwarte vlekken geen zeldzaamheid; deze
hebben altijd roode oogen. In den laatsten tijd is het _Langharige
Guineesche Biggetje_, een ras met lange haren, die op verschillende
lichaamsdeelen eigenaardige kruinen vormen, zeer gezocht.
Het Guineesche Biggetje behoort tot de meest gewilde huisdieren uit de
geheele Knaagdieren-orde, zoowel omdat het geen hooge eischen stelt,
als wegens zijn onschadelijkheid en goedaardigheid. Als men het een
frissche en droge ligplaats verschaft, kan men het overal gemakkelijk
in 't leven houden. Het voedt zich met de meest verschillende
plantaardige stoffen; alle deelen van de plant van de wortels tot
aan de bladen, zaden zoowel als frissche sappige plantendeelen zijn
naar zijn smaak; eenige afwisseling in het voedsel is echter zeer
gewenscht. Als het saprijk voedsel krijgt, heeft het geen drank
noodig; het houdt echter zeer veel van melk. Daar het zich allerlei
behandeling laat welgevallen en zich zelfs tegen mishandeling niet
verzet, is het een bron van vermaak voor de kinderen, die zich in den
regel het meest met het verzorgen van dit dier bezighouden. Door zijn
aard herinnert het in vele opzichten aan de Konijnen, in andere aan
de Muizen. Zijn gang is bijzonder snel en bestaat uit opeenvolgende
kleine sprongen; het dier is echter niet onbeholpen, maar tamelijk
behendig. Als het rust, heeft het gewoonlijk alle vier pooten gebogen
en is de romp plat tegen den grond gedrukt; het kan echter ook overeind
zitten op de achterpooten. Bij 't eten brengt het zijn voedsel met de
voorpooten naar den mond. Onophoudelijk loopt het in zijn hok rond,
het liefst langs de muren, waardoor hier spoedig een glad getreden pad
ontstaat. Wanneer men een groot aantal van deze dieren, bijeen heeft in
een hok, levert hun gang een aardig schouwspel op. In den ganzenmarsch
loopen zij achter elkander aan, de geheele troep loopt op deze wijze
soms wel honderdmaal het hok rond, zonder op te houden.--De stem van
dit dier bestaat uit een knorrend geluid, waaraan het waarschijnlijk
den naam Biggetje te danken heeft, en uit een eigenaardig gemurmel
en gepiep. Het murmelen geeft, naar het schijnt, een tevreden
gemoedsstemming te kennen, het piepen verraadt steeds opgewondenheid.
Weinige Zoogdieren evenaren het Guineesch Biggetje in
vruchtbaarheid. Bij ons werpt het wijfje twee- of driemaal per jaar
2 of 3, dikwijls 4 of 5 jongen, in warmen landen niet zelden 6 of
7. Deze komen volkomen ontwikkeld ter wereld, hebben reeds bij de
geboorte open oogen en zijn reeds weinige uren na hun geboorte in
staat om met hun moeder rond te loopen. Na ongeveer 5 of 6 maanden
zijn de jongen in staat om zich voort te planten, na 8 of 9 maanden
hebben zij hun definitieve grootte bereikt. Als zij goed behandeld
worden, kunnen zij 6 à 8 jaar oud worden.