als vaak beweerd wordt. De Zokor kan, zooals ik zelf gezien heb en
van de Kirgiezen vernam, uitmuntend loopen en zwemmen; hetzelfde zal
waarschijnlijk ook wel voor den Slapoesj gelden. Onder de zintuigen,
die vermoedelijk alle weinig ontwikkeld zijn, speelt, naar het schijnt,
dat van het gehoor een belangrijke rol. Men heeft opgemerkt, dat de
Blindmuizen voor geluiden zeer gevoelig zijn en zich hoofdzakelijk
door het gehoor laten leiden. Zij worden beschreven als moedige en
bijtlustige dieren, die in gevallen van nood hunne tanden op een
doeltreffende wijze weten te gebruiken, en die, als zij gegrepen
worden, hevig snuiven en woedend om zich heen bijten.
De Blindmuis voedt zich, zoo niet uitsluitend, dan toch hoofdzakelijk
met plantaardige stoffen, vooral met allerlei wortels, ingeval
van nood ook met boomschors. Als in het door haar bewoonde gebied
planten met diepgaande wortels voorkomen, zal zij hare gangen in den
winter tot onder de hard bevroren, bovenste aardlaag uitbreiden,
zoo niet, dan graaft zij gangen door de sneeuw om boomschors te
verkrijgen. Wintervoorraad heeft men in hare gangen nog niet gevonden,
wel echter nesten, die uit zeer fijne worteltjes samengesteld zijn. In
zulk een nest werpt het wijfje in den zomer 2 à 4 jongen. Over
't geheel genomen is de schade, die dit dier den mensch toevoegt,
gering; nuttig is het echter evenmin.
In Zuid-Afrika leven Molmuizen, die een korten staart hebben. Vooral
in de duinen en zandheuvels langs de kust komt b.v. de _Zandmol_
(_Bathyergus maritimus_ of _suillus_) voor, die, met inbegrip van
den 5 cM. langen staart, 30 cM. lang wordt. Deze heeft zich den haat
van de Boeren op den hals gehaald, omdat hij den bodem zoo doorwoelt,
dat de Paarden er vaak in wegzakken en gevaar loopen hunne pooten te
breken. Gewoonlijk werpt hij 's nachts om 12 uur of 's morgens om 6
uur de aarde uit zijne gangen. Hiervan maken de Boeren gebruik om hem
te dooden. Zij ruimen een van zijne aardhoopen uit den weg, openen een
van zijne holen, en leggen hierin een raap of een anderen wortel, die
met een touw bevestigd is aan den trekker van een geladen geweer, welks
loop naar de opening van het hol gericht is. Zoodra de Zandmol aan den
raap trekt, gaat het geweer af en wordt hij door het schot getroffen.
De _Wangzakratten_ (_Geomyidae_) heeten zoo wegens hare zeer sterk
ontwikkelde wangzakken, die niet, zooals bij de Hamsters en andere
knaagdieren, met de mondholte in gemeenschap staan, maar zich op de
wangen naar buiten openen en van binnen overal behaard zijn. Bij
het geslacht _Wangzakrat_ (_Geomys_) zijn de bovenkaaksnijtanden
met een overlangsche groeve voorzien en ontbreken de oorschelpen
zoo goed als geheel. De ledematen, vooral de voorpooten, zijn kort;
de vijfteenige voeten zijn met sikkelvormige klauwen gewapend, die
vooral aan de voorpooten een buitengewone lengte hebben. De leden van
dit geslacht behooren tot de plompste Knaagdieren. De romp is log,
de kop zeer groot, de hals dik, de staart kort en, met uitzondering
van de naakte spits, behaard.
De meest bekende soort, die de landstreken ten oosten van het
Rotsgebergte en ten westen van den Mississippi tusschen 34
en 52° N.B. bewoont, heet in zijn vaderland _Goffer_ (_Geomys
bursarius_). Deze naam wordt trouwens in sommige streken van Amerika
ook aan verscheidene andere soorten van Knaagdieren gegeven. Hij
is iets kleiner dan onze Hamster. De vacht is buitengewoon dicht,
zacht en fijn, roodachtig van boven en geelachtig grijs van onderen;
de staart en de spaarzaam behaarde voeten zijn witachtig.
De dierkundigen, die het eerst een beschrijving van den Goffer gemaakt
hebben, ontvingen hem van Indianen, die zich vermaakt hadden, met
de beide wangzakken van het doode dier vol te proppen met aarde en
hierdoor zoo buitengewoon sterk uit te rekken, dat dezen zakken over
den grond gesleept zouden hebben, indien het dier in dezen toestand
had moeten loopen. Op grond van deze kunstmatig uitgerekte wangzakken
kreeg de Goffer zijn naam; de persoon, die dieren opzette, achtte
het zijn plicht de wangzakken in denzelfden toestand te brengen,
als waarin zij door een grap van de Indianen gekomen waren; de
teekenaar eindelijk kopieerde maar al te nauwgezet het op deze wijze
verduurzaamde voorwerp. Hieraan is het toe te schrijven, dat ook nog
vele afbeeldingen van den Goffer ons niet de ware gedaante van het
dier, maar een wanstaltig monster te aanschouwen geven.
De Goffer leeft, evenals de Mol, onder den grond; hij graaft hier
talrijke en sterk vertakte gangen, welke groote overeenkomst vertoonen
met die van onzen Mol.
De oude gangen zijn van binnen vastgeslagen, de nieuwe niet. Op
verschillende plaatsen staan er zijgangen mede in gemeenschap. De kamer
wordt onder boomwortels op een diepte van ongeveer 1.5 M. aangelegd en
is toegankelijk door een gang, die zich bij wijze van een wenteltrap
kronkelt. Zij is groot, ongeveer op de wijze van een Eekhoornnest
overal gevoerd met zacht gras, en verschaft het dier gelegenheid om te
rusten en te slapen. Het nest, waarin het wijfje tegen het einde van
Maart of in het begin van April hare 5 à 7 jongen ter wereld brengt,
gelijkt op de bedoelde woonkamer, maar is van binnen bovendien nog
met haar van de moeder bekleed. Evenals het nest van den Mol is het
omgeven door ringvormige gangen, van waar andere gangen uitgaan. Gesner
vond, dat van het nest een gang leidt naar een grooter hol, dat als
voorraadskamer dient en gevuld is met wortels, aardappels, noten en
zaden. In de morgenuren, tusschen 4 en 10, houdt de Goffer zich het
ijverigst met de uitbreiding van zijne holen bezig, ongetwijfeld
met de bedoeling om zich hierdoor voedsel te verschaffen. Als de
plaats rijk aan voedingsmiddelen is, worden in deze tijdruimte gangen
aangelegd ter lengte van 3 à 5 M. en 2 à 5 heuveltjes opgeworpen;
in het tegenovergestelde geval doorwoelt het dier een grooter deel
van den grond en werkt langer. Soms staakt het den arbeid gedurende
eenige weken, naar het schijnt, teert het dan op den reeds verzamelden
voorraad. Bij het opwerpen van den grond, dat geheel op de wijze van
den Mol geschiedt, laat de Goffer zijn lichaam zoo weinig mogelijk
zichtbaar worden; ten spoedigste keert hij naar de veilige diepte
terug. Aan de oppervlakte komt hij om dor gras voor zijn woonkamer of
zijn nest te verzamelen; volgens Audubon, komt hij ook boven om zich
in de zon te koesteren. Zijn voortreffelijk reukzintuig en uitmuntend
gehoor beveiligen hem in dit geval voor overrompeling; zoodra hij
gevaar ducht, begeeft hij zich oogenblikkelijk naar de diepte, al moest
hij zich vooraf door het graven van een nieuwe gang een toegang banen.
Bij 't loopen over den grond toont de Goffer zich niet in zijn
volste kracht; zijn gang is een log gehompel; nooit beweegt hij zich
sprongsgewijs; dikwijls zijn bij 't gaan de klauwen van de voorpooten
binnenwaarts omgeslagen en sleept de staart over den grond. Hij kan
bijna even snel achteruit als vooruit loopen, maar doet dit aan de
oppervlakte van den bodem niet sneller dan een mensch. In zijne holen
beweegt hij zich, naar men zegt, met de vlugheid van een Mol.--Bij
't eten zit hij dikwijls op de achterpooten en gebruikt de voorste
op de wijze van den Eekhoorn. Om te slapen, rolt hij zich ineen en
houdt den kop tusschen de voorpooten tegen den borst gedrukt. Zijne
verbazend groote wangzakken vult hij bij het grazen met behulp van
de tong en ledigt ze weder met behulp van de voorpooten. Naarmate zij
voller worden, puilen zij, evenals bij andere Knaagdieren, hoe langer
hoe meer naar buiten uit, en krijgen een langwerpig eivormige gedaante;
nooit hangen zij echter bij wijze van zakken aan weerszijden van den
snuit naar beneden. Geheel uit de lucht gegrepen is ook de bewering,
dat hij zijne wangzakken gebruikt om de losgewoelde aarde uit zijne
holen te verwijderen.
De schade, die de Goffer aanricht, kan zeer aanzienlijk worden. Hij
vernielt soms door het afknagen van de wortels in weinige dagen
honderden kostbare boomen en verwoest soms de opbrengst van geheele
akkers door het opvreten van de door hem zeer gezochte knollen. Daarom
is de mensch de gevaarlijkste vijand van dit dier, dat overigens
alleen van Slangen en van overstroomingen te lijden heeft.
Audubon heeft verscheidene Wangzakratten weken lang gevangen gehouden
en met knollen gevoerd. Zij bleken buitengewoon vraatzuchtig te zijn,
maar wilden niet drinken.
Een overgang tot de Springmuizen aan de eene, tot de Molmuizen aan de
andere zijde, vormen de _Wangzak-springmuizen_ (_Dipodomys_), die zich
van de overige leden der familie, waarmede men ze gewoonlijk vereenigt,
onderscheiden door haar dikwijls sierlijk en slank gebouwd lichaam,
den grooten, breeden, platten kop met tamelijk lange, afgeronde ooren;
de voorpooten zijn tamelijk lang, de achterpooten echter nog meer
verlengd, de binnenteen is aan alle voeten zeer weinig ontwikkeld, maar
met een klauw voorzien; de klauwen van de voorvoeten zijn grooter dan
die van de achtervoeten; het verschil is echter geringer dan bij den
Goffer; de staart is even lang als of langer dan het overige lichaam,
over zijn geheele lengte behaard met een haarkwastje aan de spits. Ook
zij hebben wangzakken, die zich naar buiten openen en van binnen met
korte haren bekleed zijn. De meest bekende soort (_Dipodomys Philippi_)
wordt met inbegrip van 17 cM. langen staart, 30 cM. lang en bewoont
woestijnachtige landstreken van Californië, waar overigens geen andere
dieren dan Hagedissen en Slangen den bodem verlevendigen.
Veel meer dan bij andere met stekels gewapende Zoogdieren is
het stekelkleed ontwikkeld in de familie van de _Stekelvarkens_
(_Hystrichidae_), naar welker bekendste geslacht de geheele groep
benoemd werd. Een lange beschrijving van de uitwendig waarneembare
kenteekenen harer leden is overbodig; het stekelkleed, hoe verschillend
ook ontwikkeld, is aan al deze dieren eigen.
Alle Stekelvarkens bewonen de gematigde en warme landen van de Oude
en Nieuwe Wereld; in deze treft men de klimmende, in gene de gravende
leden van de familie aan. De Stekelvarkens van de Nieuwe Wereld zijn
evenzeer aan het leven op de boomen gebonden, als die van de Oude aan
het leven in den grond. Deze bewonen derhalve ijle bosschen en steppen,
verbergen zich over dag in door hen zelf gegraven gangen en holen. Gene
daarentegen worden aangetroffen in groote bosschen, over dag rustend
in een hollen boom of ineengerold op een gevorkten tak in een dikke
boomkroon. Hunne bewegingen zijn langzaam, afgemeten en traag. Zoodra
echter de nacht aangebroken is en zij behoorlijk wakker geworden zijn,
loopen de Stekelvarkens van de Oude Wereld met trippelenden gang zeer
schielijk over den bodem voort; die van de Nieuwe Wereld zijn wel is
waar niet zoo vlug als Eekhoorns, maar klimmen toch behendig bij de
takken op neer. De bewoners van den bodem zijn meesterlijk ervaren
in het graven en in het overwinnen van alle bezwaren, die harde
grondsoorten aanbieden. Onder hunne zinnen staat, naar 't schijnt,
bij alle zonder uitzondering de reuk bovenaan; bij de Klimmende
Stekelvarkens schijnt ook de tastzin eenigermate ontwikkeld te zijn;
alle zijn echter zwak van gezicht en van gehoor. Hunne verstandelijke
vermogens staan op een lagen trap. Zij zijn dom, vergeetachtig, weinig
vindingrijk, boosaardig, driftig, angstig, schuw en vreesachtig,
hoewel alle bij dreigend gevaar, door het overeind zetten van hunne
stekels en eenige door het ratelen met de staartstekels vrees trachten
in te boezemen. Met andere dieren houden zij evenmin vriendschap als
met hunne soortgenooten: een smakelijk stukje voedsel kan zelfs onder
echtgenooten een ernstigen strijd doen ontbranden. Nooit ziet men twee
Stekelvarkens met elkander spelen of ook maar vriendschappelijk met
elkander verkeeren. Den mensch, die hen gevangen houdt en verzorgt,
worden zij nooit genegen; ook leeren zij hun verzorger niet van andere
personen onderscheiden. Hun stem bestaat uit knorrende doffe geluiden;
ook hoort men ze snuiven en zachtjes steunen; soms verneemt men van
hen een moeielijk te beschrijven gepiep: waarschijnlijk hebben zij aan
hun stem den overigens geheel ontoepasselijken naam "varken" te danken.
Allerlei plantendeelen, van de wortels in den grond tot de vruchten
in den top van den boom, dienen tot voedsel aan de Stekelvarkens. Op
gelijke wijze als vele andere Knaagdieren brengen zij het voedsel
met de voorpooten naar den bek. Bijna alle kunnen, naar het schijnt,
gedurende geruimen tijd buiten water; waarschijnlijk is de dauw op
de bladen dien zij verslinden, voldoende tot bevrediging van hunne
behoefte aan vloeistof.
De _Eigenlijke Stekelvarkens_ (_Hystrix_)--de vroegst bekende
vertegenwoordigers van de tot de Oude Wereld beperkte onderfamilie
van de _Gravende Stekelvarkens_ (_Hystrichinae_)--zijn gemakkelijk
te herkennen aan hun korten, gedrongen romp, den dikken, door een
krachtigen hals gesteunden kop, die in een stompen snuit eindigt,
den korten staart, die met holle, op penneschachten gelijkende stekels
bezet is en het buitengewoon sterk ontwikkelde stekelkleed. Kenmerkend
voor hen zijn bovendien de kleine, rondachtige ooren, de breede
bovenlip en de spleetvormige neusgaten.
Het _Stekelvarken_ (_Hystrix cristata_) is grooter, maar niet langer
dan onze Das en schijnt, wegens zijn stekelkleed veel dikker en
omvangrijker dan hij werkelijk is. Zijn lengte bedraagt 65 cM. met
uitzondering van den 11 cM. langen staart; de hoogte in de schoften
is 24 cM.; het gewicht wisselt af tusschen 15 en 20 KG. Alleen aan
den korten, stompen snuit en aan den neus zitten eenige gewone haren;
de bovenlip is met verscheidene rijen glanzige, zwarte snorren bedekt;
zulke borstels staan ook op wratten boven en achter het oog. Langs den
nek verheffen zich manen, die uit dikke, achterwaarts gerichte, zeer
lange, gebogen borstels bestaan, die naar verkiezing overeind gezet en
achterover gelegd kunnen worden. Deze borstels hebben een aanzienlijke
lengte, zijn dun en buigzaam, gedeeltelijk wit, gedeeltelijk grijs van
kleur en eindigen meestal in witte spitsen. Voor 't overige is de romp
aan de rugzijde bedekt door naast elkander geplaatste, lange en korte,
gladde stekels, die allengs tot aan de scherpe punt dunner worden,
en waartusschen overal borstelige haren voorkomen. Op de stekels
wisselen donker- of zwartbruine en witte ringen met elkander af;
zij zitten los in 't vel bevestigd en vallen dus licht uit. Aan de
zijden van den romp, op de schouders en in de buurt van 't kruis
zijn de stekels korter en stomper dan op 't midden van den rug. De
dunne, buigzame stekels bereiken een lengte van 40 cM., de korte en
dikke daarentegen worden slechts 15 à 30 cM. lang, maar soms wel 0.5
cM. dik. Alle zijn van binnen hol of met een sponsachtig merg gevuld;
de wortel en de spits zijn meestal wit van kleur. De korte stekels
hebben zwartbruine en witte ringen. Aan de staartspits staan stekels
van verschillenden vorm, die ongeveer 5 cM. lang, en wel 7 mM. dik
zijn. Hun bovenste gedeelte is een afgeknotte, dunwandige, aan het
einde geopende buis en gelijkt op een spoel van een ganzeveer, waarvan
de merghoudende schacht is afgesneden; het onderste gedeelte van deze
stekels is lang, dun en buigzaam. Door een groote, krachtige spier,
die onder de huid van het dier gelegen en voor sterke samentrekking
vatbaar is, kunnen alle stekels naar verkiezing opgezet en neergelegd
worden. De onderzijde van het lichaam is bezet met donkerbruine,
aan de spits roodachtige haren; om de keel ligt een witte band. De
klauwen zijn donker hoornkleurig, de oogen zwart. De in Europa wonende
Stekelvarkens zijn, naar men zegt, uit Noord-Afrika afkomstig en eerst
door de Romeinen naar ons werelddeel overgebracht. Tegenwoordig vindt
men dit dier in de kustlanden van de Middellandsche zee, vooral in
Algerië, Tripolis en Tunis en verder zuidwaarts tot in Senegambië
en Soedan. In Europa leeft het veelvuldig in de Campagna van Rome,
op Sicilië, in Calabrië en in Griekenland. In Beneden-Egypte, waar
het heet voor te komen, heb ik nooit sporen van de aanwezigheid van
dit dier gezien.
Het Stekelvarken leeft eenzaam. Over dag rust het in lange, lage
gangen, die het zelf in den grond graaft; des nachts komt het voor
den dag en zwerft rond om voedsel te zoeken. Dit bestaat uit allerlei
plantaardige stoffen, distels en andere kruiden, wortels en vruchten,
de schors van verschillende boomen en vele soorten van bladen. Het
bijt zijn voedsel af met de voortanden en houdt het met de voorpooten
vast, zoolang het eet. Alle bewegingen van dit dier zijn langzaam
en onbeholpen; zijn gang is traag en bedachtzaam; het loopt niet
snel. Alleen voor 't graven heeft het eenige geschiktheid, die echter
in 't geheel niet toereikend is om een vluggen en behendigen vijand
te ontvlieden. In den winter houdt het zich langer dan gewoonlijk in
zijn hol op en brengt hier dikwijls eenige dagen achtereen slapend
door. Een echte winterslaap heeft het niet.
Wanneer men een Stekelvarken buiten zijn hol verrast, heft het
dreigend den kop en den nek omhoog, zet alle stekels van zijn lichaam
overeind en maakt er een eigenaardig klapperend geluid mede; vooral
de holle stekels van den staart worden door het bewegen van dit
lichaamsdeel zoo tegen elkander geslagen, dat er een vreemdsoortig
geratel ontstaat, wel geschikt om een onwetend of vreesachtig mensch
schrik aan te jagen. Als het zeer opgewonden is, stampt het met de
achterpooten op den grond; wanneer men het grijpt, laat het een dof
geknor hooren, gelijkend op dat van het Zwijn. In weerwil van zijn
vreeswekkend geklapper is dit dier volkomen ongevaarlijk; het wordt
licht verschrikt, gaat iedereen uit den weg en denkt er bijna niet
aan om van zijne scherpe tanden gebruik te maken. Ook de stekels zijn
meer afweringsmiddelen dan aanvalswapenen. Wie dit dier onvoorzichtig
nadert, kan licht door de stekels gewond worden; de ervaren jager
grijpt het dier bij de rugmanen en draagt het op zijn gemak mede,
of doodt het door een stokslag op den neus. Wel buigt het, als men
het nadert, den kop naar beneden, richt de rugstekels naar voren en
gaat den vijand eenige schreden tegemoet; met een stok kan men echter
buiten het bereik van de stekels blijven; een groote doek is voldoende
om het dier te ontwapenen. In den uitersten nood rolt het zich als
een Egel op en kan dan natuurlijk moeilijk aangevat worden. Over 't
algemeen valt het gemakkelijk ten buit aan iederen behendigen vijand.
Het wijfje werpt 60 à 70 dagen na de paring op een tamelijk zacht,
met bladen, wortels en kruiden bekleed nest in zijn hol 2 à 4
jongen. De diertjes komen ter wereld met open oogen en korte, zachte,
glad tegen het lichaam aanliggende stekels; deze verharden echter
weldra en groeien schielijk, hoewel zij hun volle lengte eerst op
hoogeren leeftijd bereiken. Zoodra de jongen in staat zijn om zelf
voedsel te zoeken, verlaten zij de moeder, die hen met veel liefde
heeft grootgebracht.
Hoewel men eigenlijk niet zeggen kan, dat het Stekelvarken den mensch
nadeel berokkent, wordt het toch ijverig vervolgd. Zijne stekels worden
voor velerlei doeleinden gebruikt, in sommige streken eet men zijn
vleesch. In de Campagna wordt de jacht op dit dier als een bijzonder
vermaak beschouwd; het valt trouwens niet te ontkennen, dat er iets
avontuurlijks en aantrekkelijks gelegen is in de wijze waarop het dier
wordt opgespoord. In een donkeren nacht begeeft men zich op de jacht
met eenige goed gedresseerde Honden, men brengt deze op het spoor van
het wild en laat hen zoeken. Door een luid, toornig geblaf kondigen
zij aan, dat zij een van de stekelige dieren staande gehouden hebben
en wijzen zij het jachtgezelschap den weg naar het tooneel van den
strijd--voor zoo ver hier trouwens van strijd sprake kan zijn. Alle
jagers steken de door hen gereed gehouden fakkels aan en begeven zich
hiermede naar de plaats waar het Stekelvarken zich bevindt. Zoodra
de Honden de komst van hunne meesters bemerken, huilen zij luid van
vreugde en gaan woedend op hun tegenpartij los. Het Stekelvarken
tracht hen terug te drijven door op allerlei toonhoogten te ratelen,
te grommen en te knorren; het verweert zich zoo goed mogelijk met
zijne naar alle richtingen uitgestoken speren. Het jachtgezelschap
vormt een kring om het dier en zijne belagers; bij het schelle licht
der fakkels kost het den jager geen moeite het wild bij de rugmanen
te grijpen en het te dooden of levend mede te nemen naar huis.
Bij goede behandeling wordt het Stekelvarken spoedig tam. Jong
gevangen dieren leeren hun verzorger kennen en volgen hem na als
Honden. Zij verliezen echter nooit de hun aangeboren schuwheid en
vreesachtigheid. In de kamer kan men zulk een dier eigenlijk niet
houden. Het loopt zoo onbedachtzaam rond, dat af en toe een van de
aanwezigen zich bezeert aan de scherpe stekels. Voorts knaagt het aan
tafelpooten, deuren en ander houtwerk; bovendien is het een saaie
gezel. Het is niet moeilijk een Stekelvarken 8 à 10 jaar in het
leven te houden, wanneer men het niet al te slecht behandelt. Als
voedsel krijgt het wortels, aardappels, salade, kool en andere
plantaardige stoffen; het liefst eet het ooft. Water heeft het in
't geheel niet noodig, indien het sappige vruchten of bladen krijgt;
als het met droog voedsel gevoederd wordt, drinkt het nu en dan,
hoewel niet dikwijls. Niet zelden planten de Stekelvarkens zich in
de gevangenschap voort.
Evenals de Savoyaarden met Marmotten reizen, trekken de Italianen
soms met tamme Stekelvarkens van dorp tot dorp om het vreemdsoortige
dier voor geld te laten kijken.
Van hetzelfde geslacht treft men ook eenige soorten in Indië. Ceylon
en het zuiden van China aan. Op Java, Borneo en Sumatra leeft het
_Javaansche Stekelvarken_ (_Hystrix javanica_), dat zich van het Gewone
onderscheidt door het gemis van manen; het heeft veel kortere, platte
stekels, en deze zijn met een diepe, overlangsche groeve voorzien. De
borstels en stekels zijn donker kastanjebruin, ten deele met witte
spitsen. Dit dier, dat door de Javanen _Landakli_ wordt genoemd,
bewoont wilde, boschrijke oorden, waar het lange holen graaft,
die steeds twee uitgangen hebben. Het hierin levende paar doorzoekt
's nachts gemeenschappelijk den omtrek, en richt o.a. in de maïs-
en aardappelakkers soms groote schade aan. In vroegeren tijd speelde
een van deze diersoort afkomstige galsteen (bezoar) een belangrijke
rol in de geneeskunde. Soms werd voor zulk een "piedra del porco"
wel 100 kronen betaald.
De _Kwaststaart-stekelvarkens_ vormen het geslacht _Atherura_,
waarvan één soort--de _Afrikaansche Kwaststaart_ (_Atherura
africana_)--in West-Afrika leeft en tegenwoordig in dierentuinen geen
zeldzaamheid is, terwijl een andere soort--de _Indische Kwaststaart_
(_Atherura fasciculata_)--Siam, het Maleische schiereiland en Sumatra
bewoont. Beide zijn ongeveer 40 cM. lang zonder den staart; deze heeft
een vierde of een derde deel van de totale lichaamslengte, en eindigt
in een eigenaardige kwast, welks bestanddeelen geen haren of borstels
zijn, maar op strookjes perkament gelijken, die op een grillige wijze
zijn uitgeknipt. Het betrekkelijk slanke lichaam is op den rug en de
zijden met zeer scherpe, platte, overlangs gegroefde stekels bezet.
De Stekelvarkens van de Nieuwe Wereld vormen een afzonderlijke
onderfamilie, die der _Klimmende Stekelvarkens_ (_Cercolabinae_);
door hunne met wratachtige verhevenheden bedekte voetzolen en groote,
gekromde klauwen zijn zij voor het leven op de boomen geschikt.