Middel- en een deel van Noord-Europa benevens het westelijke deel
van Middel- en Noord-Azië; in Europa strekt het zich uit tot in de
noordelijke provinciën van Rusland, in Azië zuidwaarts tot Perzië,
westwaarts tot aan gene zijde van den Ob. In Ierland, op IJsland,
Corsica, Sardinië en Sicilië ontbreekt deze Muis geheel. Zij bewoont
zoowel de vlakten als de bergstreken, hoewel zij in het vlakke land
veelvuldiger voorkomt. In de Alpen vind men haar nog op hoogten van
2000 M. boven den zeespiegel. Boomlooze gewesten, akkers en weiden
zijn hare liefste woonplaatsen, zeldzamer bewoont zij boschranden en
kale plekken in het bosch. Niet alleen het droge bouwland, maar ook
de vochtige, moerassige laaglanden verschaffen haar het noodige voor
haar levensonderhoud. Hier legt zij in de droge bulten hare gangen
en nesten aan, daar graaft zij op geringe diepte gangen met 4 à 6
ingangsopeningen, die boven den grond door platgetrapte, eenigszins
uitgeloopen paden met elkander in gemeenschap staan. In den herfst
neemt zij haar toevlucht tot graanhoopen of komt in de menschelijke
woningen, in schuren, stallen en kelders. In de huizen houdt zij
zich bij voorkeur in de kelders en niet, zooals de Echte Muizen op de
zolders op. In den winter graaft zij lange gangen onder de sneeuw. Waar
zij kan zamelt zij voorraad in, vooral graan en andere zaden. Als het
voedsel schaarsch wordt, verhuizen de Veldmuizen gezamenlijk, in den
regel eenvoudig naar een naburigen akker, soms echter ook in groote
scharen uit de eene streek naar een andere, waarbij zij bergketenen
overtrekken en breede stroomen overzwemmen. De Veldmuis kan goed
loopen en uitmuntend zwemmen; zij klimt echter niet veel en doet dit
op een onbeholpen wijze. Het graven verstaat zij meesterlijk. Zij
doorwoelt den grond sneller dan eenige andere Muis en is onvermoeid
in het aanleggen van gangen. Volgens haar levenswijze kan men haar
even goed een dagdier als een nachtdier noemen. Men ziet haar ook
bij de felste zonnehitte buiten haar woning; aan den morgen en den
avond geeft zij echter de voorkeur boven den heeten middag. Warmte
en droogte zijn noodig voor haar bestaan; bij langdurige vochtige
weersgesteldheid sterft zij.
Haar voedsel bestaat uit alle mogelijke plantaardige stoffen. Als
zij zaden kan krijgen, kiest zij alleen deze; zoo niet, dan is zij
ook tevreden met frisch gras en malsche kruiden, met wortels en
bladen, met klaver zoowel als met bessen en ooft. Beukels en noten,
graankorrels, rapen en aardappels worden in groote hoeveelheid door
haar verslonden. Gedurende het ruwste jaargetijde heeft zij een
onafgebroken winterslaap; bij zacht weder ontwaakt zij hieruit en
teert dan van haar wintervoorraad. Zij is ongelooflijk vraatzuchtig
en heeft zeer veel voedsel noodig om verzadigd te worden; ook kan
zij niet buiten water.
De Veldmuis is gezellig in de hoogste mate; zij leeft tamelijk
eendrachtig met hare soortgenooten, minstens paarsgewijs, vaker evenwel
tot groote scharen vereenigd; om deze reden zijn hare woningen zoo
dicht bij elkander gelegen. Zij vermenigvuldigt zich buitengewoon
sterk.
"In gunstige omstandigheden," zegt Blasius, "neemt het aantal
Veldmuizen op ongeloofelijke wijze toe. Er zijn vele voorbeelden
van bekend, dat door haar bovenmatige vermenigvuldiging de oogst in
uitgestrekte landstreken teloorgegaan is; jonge beukenaanplantingen
heeft zij over een uitgestrektheid van meer dan 500 hectare door het
afknagen van de schors vernield. In de jaren tusschen 1820 en 1830 kwam
deze landplaag aan den Neder-Rijn herhaaldelijk voor. De bodem van
de velden was op sommige plaatsen zoo doorwoeld, dat men bijna geen
voetstap kon doen zonder in een muizengat te trappen; tusschen deze
openingen waren tallooze wegen diep uitgeloopen. Zelfs op klaarlichten
dag wemelde het van Muizen, die vrij en ongestoord rondliepen. Als men
naar haar toeging, kwamen zij ten getale van zes á tien te gelijk voor
een opening, waarin zij zich wilden verschuilen, en versperden elkander
onwillekeurig den toegang. Het was niet moeilijk gedurende dit gedrang
een half dozijn van deze dieren met één stokslag te dooden. Alle
schenen krachtig en gezond, voor 't meerendeel waren zij echter
tamelijk klein en waarschijnlijk van jeugdigen leeftijd. Drie weken
later bezocht ik dezelfde plaats. Het aantal Muizen was nog grooter
geworden, maar de dieren verkeerden klaarblijkelijk in een ziekelijken
toestand. Velen hadden ontvellingen of verzweringen, die zich dikwijls
over het geheele lichaam uitstrekten; de huid zat zelfs bij geheel
gave exemplaren zoo los en kon zoo gemakkelijk verscheurd worden,
dat men ze niet stevig kon aanpakken, zonder ze te beschadigen. Toen
ik vier weken later voor de derde maal dezelfde streken bezocht, waren
de Muizen spoorloos verdwenen. De ledige gangen en woningen brachten
nu echter een nog veel treuriger indruk teweeg dan vroeger, toen zij
vol leven en beweging waren. Men zeide mij, dat plotseling de geheele
generatie als door een tooverslag van de aarde was weggevaagd. Vele
zijn waarschijnlijk door een besmettelijke ziekte om 't leven gekomen,
vele hebben vermoedelijk elkander opgegeten, gelijk zij ook doen, als
zij gezamenlijk opgesloten worden, ook sprak men van ontelbare scharen
Muizen, die op klaarlichten dag op verscheidene plaatsen over den Rijn
gezwommen zouden zijn. Toch had men nergens in de verte, zoo min als
nabij een ongewone vermeerdering van het aantal Muizen waargenomen;
zij waren, naar het schijnt, overal tegelijkertijd verdwenen, zonder
ergens weer voor den dag te komen. Waarschijnlijk brengt de natuur
gedurende de buitengewone vermeerdering van het aantal dezer dieren
tevens het middel voort, dat haar vernietiging ten gevolge heeft. Het
weer, een mooie, warme nazomer, was voor hen, naar men zou zeggen,
tot aan het laatste oogenblik gunstig geweest."
Om getallen te noemen, die eenig denkbeeld kunnen geven van het
kolossaal aantal Muizen, dat menigmaal in bepaalde streken voorkomt,
behoef ik slechts te vermelden, dat alleen in het district Zabern
in het jaar 1822 binnen 14 dagen 1.570.000, in het landraadsambt
Nidda 590.327 en in het landraadsambt Putzbach 271.941 stuks
Veldmuizen gevangen werden. In den zomer van het jaar 1861 werden
in de omstreken van Alsheim in Rijn-Hessen 409,523 Muizen en 4707
Hamsters gevangen en afgeleverd. De gemeentekas betaalde hiervoor
2593 gulden. Vele gezinnen hebben bij deze muizenvervolging 50,
60 of meer guldens door de werkzaamheid van de kinderen verdiend;
een bijzonder gelukkige vader kreeg van zijn wakkere jongens niet
minder dan 142 gulden, welke op deze wijze gewonnen waren. Hij kocht
voor dit geld een klein stuk land, dat ten eeuwigen dage den naam van
"muizenakker" moet dragen.--Ook door Prof. Ritzema Bos worden eenige
merkwaardige voorbeelden van de talrijkheid der veldmuizen medegedeeld:
"Een landbouwer te Blijham telde in 't beruchte muizenjaar 1857 op
één bunder land, bij één omgang van de ploeg, 80 Muizen, welke door
de ploegschaar waren doorgesneden. Rekent men, dat er 84 omgangen
te doen waren, men zou dan komen tot 6720 Muizen, die zich juist op
de diepte der ploegschaar ophielden. Hoevele er nog ontvlucht of in
het land onder en boven de smalle steep gronds, die de ploegschaar
doorsneed, aanwezig geweest zijn, valt moeilijk te zeggen.--Elders
verzamelde een ploeger van boonenstoppels, niettegenstaande hij
zijn dagwerk, een half bunder, had omploegd, nog tusschentijds uit
de gaten een half mud boonen, die door de Muizen tot wintervoorraad
waren opgelegd.--Te Wiewerd zijn in September 1857 op 4.5 bunder,
bezaaid met koolzaad, in 8 dagen tijds 6700 Muizen gevangen in half
met water gevulde aarden potten, geplaatst in ronde gaten van O.5
M. diepte. Dat dan van den oogst niet veel overblijft, laat zich
begrijpen. Bouwland en weiland zijn met gangen doorwoeld en geheel
kaal. De geheel poreuze bodem dult geen voetstap: zet men den voet
neer, dan zakt men weg. De grond leeft als 't ware van Muizen."
Ongelukkig is de mensch tegenover deze Muizen zoo goed als
machteloos. Alle verdelgingsmiddelen, die hij tot dusver
heeft uitgedacht, blijken onvoldoende te zijn om de ontzaglijke
vermenigvuldiging van deze vraatzuchtige dieren te keer te gaan;
alleen de onder hen uitbrekende, besmettelijke ziekten kunnen redding
verschaffen; ook de Roofdieren, die door den mensch dikwijls zoo
vijandig behandeld worden, maken zich zeer verdienstelijk. Met goed
gevolg worden muizenboren gebruikt, om hiermede in den grond gaten te
maken, die 12 à 18 cM. middellijn hebben en ongeveer 60 cM. diep zijn;
de hierin vallende Muizen vreten elkander op, zonder er aan te denken
gangen te graven, waardoor zij zouden kunnen ontvluchten. Men doodt
ze ook in hare holen door rook of door vergiftigde graankorrels. Zelfs
wordt soms het geheele veld overgoten met een aftreksel van braaknoten
of wolfsmelk, kortom men geeft zich alle mogelijke moeite om van
deze vreeselijke plaag verlost te worden. Gewoonlijk echter zijn al
deze middelen zoo goed als nutteloos, enkele zelfs hoogst gevaarlijk,
n.l. het vergiftigen. Zelfs het krachtigst werkende vergif verdelgt
niet alle Muizen van een akker; het veroorzaakt daarentegen geregeld
den dood van een groot aantal van hare grootste vijanden en dus
onze vrienden: Vossen, Bunzingen, Hermelijnen, Wezels, Buizerden,
Uilen en Kraaien. Ook andere dieren loopen hierdoor gevaar, vooral de
Patrijzen en Hazen, ook alle huisdieren, zoowel de kleine, gelijk de
Duif, als de grootste, namelijk de Paarden en Runderen; er zijn dus
redenen genoeg om het uitstrooien van vergif geheel te verwerpen.
In Siberië, en meer bepaaldelijk van den Ob tot den Onon, treedt
een Woelmuis op, die eveneens, hoewel om andere redenen dan de
Veldmuis, onze aandacht verdient, n.l. de _Wortelmuis_ (_Arvicola
oeconomus_). Zij is een weinig grooter dan onze Veldmuis, haar lengte
bedraagt 18 cM., waarvan 5 cM. op den staart komen; van boven is zij
licht geelachtig bruin, van onderen grijs. Van de Veldmuis onderscheidt
zij zich door den korteren kop, de kleinere oogen en de korte, bijna
geheel onder de vacht verborgen ooren.
De Wortelmuis komt in de vlakten dikwijls in groote menigte voor
en wordt door de arme bewoners van deze treurig eenzame gewesten
als een weldoenster beschouwd, want haar arbeid komt den mensch ten
goede in plaats van hem te benadeelen. Onder de zode graaft zij lange
gangen, die naar een op geringe diepte gelegen, groot, rond nest van
30 cM. middellijn leiden, dat met eenige zeer ruime voorraadkamers
in gemeenschap staat. Het nest, waarin de Muis slaapt en hare jongen
groot brengt, is met verscheidene plantaardige stoffen zacht bekleed;
de voorraadkamers echter vult zij met allerlei wortels aan.
De heidensche volken, die de genoemde landstreken bewonen, drijven
geen akkerbouw; in den herfst, wanneer de voorraadskamers gevuld zijn,
nemen zij de hierin verborgen schatten met een schop weg, zoeken
de verdoovende witte wortels er uit en behouden de zwarte wortels
van de Bevernel (_Sanguisorda officinalis_), die zij niet alleen als
spijs, maar ook als thee gebruiken. De arme inboorlingen hebben door
den voorraad, die zij aan de Muizen ontnemen, dikwijls gedurende
den geheelen winter genoeg te eten; de in den grond overblijvende
proviand wordt ten deele nog door de wilde Zwijnen blootgewoeld,
die de zorgzame muis, als zij hun in den weg komt, mede verslinden.
Opmerkelijk is de groote lust tot trekken, die deze en andere verwante
Woelmuizen bezielt. Tot groot verdriet van de inboorlingen begeven zij
zich in sommige jaren in de lente op reis en trekken bij groote scharen
naar het westen, altijd rechtuit, over stroomen en bergen. Duizenden
van deze landverhuizers verdrinken en worden door Visschen en
Eenden verslonden, terwijl nogmaals duizenden de buit worden van de
Sabeldieren en Vossen, welke de Muizen op dezen uittocht vergezellen.
De _Lemmingen_ (_Myodes_) onderscheiden zich door den gedrongen
lichaamsbouw en het korte staartje; door gestalte en aard nemen
zij dus in de familie van de Woelmuizen tot op zekere hoogte de
plaats in, die aan de Hamsters in de familie der Muizen toekomt. De
betrekkelijk groote kop is dicht behaard, de bovenlip diep gespleten,
het rondachtige oor klein en geheel in de vacht verborgen; het oog is
eveneens klein; de vijfteenige voeten zijn dicht behaard, ook op de
zolen; de klauwen zijn vooral aan de voorste ledematen groot en voor
't graven geschikt.
De meest bekende soort van dit geslacht, de _Lemming_ (_Myodes
lemmus_, _Lemmus norwegicus_) bereikt een totale lengte van 15 cM.,
waarvan er hoogstens 2 op het staartstompje komen. De rijk gevulde,
langharige vacht vertoont een zeer bevallige teekening. Bij de
bruingele grondkleur, die in den nek met golflijnen voorzien is,
steken donkere vlekken af; twee gele strepen strekken zich uit van
de oogen naar den achterkop. De staart en de pooten zijn geel, de
onderdeelen geelachtig, bijna zandkleurig.
De Lemming is wel het raadselachtigste dier van geheel Skandinavië. Ook
nu nog gelooven de boeren der Noorsche bergstreken, dat dit dier uit
de lucht regent en daarom in zoo verbazend grooten getale voorkomt, en
dat het later door zijn vraatzucht zich de maag bederft en zoo om het
leven komt. Olaus Magnus, bisschop van Bergen in Noorwegen, verhaalt,
dat hij in het jaar 1518 in een bosch zeer vele Hermelijnen zag, die
het geheele bosch met hun stank vervulden. Hun veelvuldigheid was het
gevolg van de aanwezigheid van kleine, viervoetige dieren, _Lemar_
genaamd, die soms bij onverwacht opkomende onweers- en regenbuien
van den hemel vielen; men wist niet, of zij van verafgelegen plaatsen
door den wind waren aangebracht, of in de wolken ontstonden.
Andere berichtgevers schreven het verhaal van den bisschop
eenvoudig na; Linnaeus heeft voor 't eerst den Lemming naar de natuur
geschilderd; zijn beschrijving is zoo uitvoerig, dat men er niet veel
aan kan toevoegen. Ik zelf heb in het jaar 1860 het genoegen gehad,
vooral op den Dovrefjeld, Lemmingen in groot aantal aan te treffen,
zoodat ik ze door eigen onderzoek heb leeren kennen.
Het zijn alleraardigste dieren. Zij zien er uit als kleine Marmotten
of als Hamsters en gelijken door hun aard in vele opzichten op de
laatstgenoemde Knaagdieren. Zij houden zich op in de betrekkelijk
droge gedeelten van het moeras, dat een groot deel van Noorwegen
beslaat. Zij bewonen hier kleine holen onder steenen of in het mos;
ook ziet men ze dikwijls rondzwerven tusschen de kleine heuvels,
die zich boven het moeras verheffen. Zelden merkt men uitgeloopen
paden op, die van het eene hol naar het andere leiden; groote gangen
graven zij alleen in de sneeuw. Over dag zoowel als 's nachts, zijn
zij wakker en werkzaam. Zij hebben een trippelenden en snellen gang;
een mensch kan ze echter gemakkelijk inhalen. Het water mijden zij met
een zekeren schroom; als men ze in een niet te kleine plas of in een
riviertje werpt, piepen en knorren zij zeer wrevelig en trachten ten
spoedigste weer op 't droge te komen. Gewoonlijk verraden zij zelf
haar aanwezigheid. Dikwijls zitten zij rustig in hare gaten en zijn
hierin zoo goed verborgen, dat zij zeker niet door de voorbijgangers
zouden opgemerkt worden; door het zien van een mensch worden zij
echter zoo opgewonden, dat zij zich niet stil kunnen houden. Op de
wijze van Guineesche Biggetjes, begroeten zij den bezoeker van haar
gebied met luid geknor en gepiep, alsof zij hem het binnendringen
willen beletten. Alleen als zij rondloopen, nemen zij bij nadering
de vlucht, snellen naar een van hare tallooze gaten en blijven daar
zitten. Verder wijken zij niet terug, hoewel het te voorzien is,
dat zij doodgeslagen of medegenomen zullen worden.
Met belangstelling heb ik deze moedige dieren gadegeslagen, en kon niet
nalaten ze tot zelfverdediging te prikkelen. Als zij eenmaal post gevat
hebben, weten zij van geen wijken. Als men haar een laars voorhoudt,
bijten zij er in; zoo doen zij ook met een stok of een geweerloop,
ofschoon zij bemerken dat dit haar niets baat. Sommige beten zich
zoo stevig aan mijne broekspijpen vast, dat ik ze er bijna niet van
afschudden kon. Bij zulk een strijd geraken zij in groote woede en
gelijken dan volkomen op de boosaardige Hamsters. Soms gaan zij met
kleine sprongen op haar tegenstander af; naar het schijnt, zijn zij
voor geen enkel dier bevreesd, maar gaan vermetel op ieder wezen af,
dat hen te na komt. Op de wegen worden zij dikwijls overreden, omdat
zij eigenzinnig hun gang blijven gaan en niet vluchten willen. De
Honden op de boerderijen bijten tal van deze dieren dood; door de
Katten, die in dezen tijd steeds verzadigd zijn, worden zij in groote
hoeveelheid verslonden.
Volgens de verzekering van den ouden jager, die mij vergezelde,
gebruiken de Lemmingen het door haar bewoonde nest ook om er hare
jongen in groot te brengen. Linnaeus zegt, dat deze dieren meestal
5 of 6 jongen hebben; Schäffer voegt er bij, dat zij verscheidene
malen per jaar werpen. Meer is mij van haar voortplanting niet bekend.
Het voedsel van de Lemmingen bestaat hoofdzakelijk uit de weinige
Alpen-planten, die in haar armoedig vaderland groeien, vooral
uit grassen, rendier-korstmossen, katjes van den Dwergberk en
waarschijnlijk ook uit allerlei wortels. Lemmingen treft men aan
op iedere hoogte, waar de grond nog met korstmossen bedekt is; daar
waar deze planten ontbreken, ziet men ze in 't geheel niet meer. Voor
zoover ik heb kunnen nagaan, verzamelen zij geen winter-provisie,
maar leven ook in 't gure jaargetijde van 't geen zij onder de dikke
sneeuwlaag vinden. Groote schade richten zij niet aan, want op de door
haar bewoonde plaatsen zijn geen akkers meer, en in de huizen komen
zij niet. Haar vaderland is trouwens, hoe arm het ook moge schijnen,
rijk genoeg voor hare behoeften, en biedt haar al wat zij noodig
hebben. In sommige jaren schijnt dit echter niet het geval te zijn,
en zijn de Lemmingen gedwongen naar andere streken te verhuizen. Mijns
inziens moet de reden van het trekken van deze en andere Woelmuizen
gezocht worden in de nu en dan merkbaar wordende vermindering van
den voedselvoorraad. Wanneer op een zachten winter een fraaie lente
en een droge zomer volgen, zijn alle voorwaarden vervuld voor een
vermenigvuldiging, even grenzeloos als die, welke men bij sommige
andere Woelmuizen opmerkt. De droogte brengt echter tevens het
verdorren (of althans een minder weligen groei) van de meest gewilde
voederplanten teweeg; de uitgestrekte weidegronden zijn dan niet meer
voldoende voor de groote menigte, zoodat deze wezens, die evenals alle
Knaagdieren, zeer vraatzuchtig zijn, zich genoodzaakt zien op andere
plaatsen voedsel te zoeken. In zulke omstandigheden zullen, zooals
men weet, niet alleen de Knaagdieren, maar ook andere planteneters,
b.v. de Antilopen, groote scharen vormen, die zich op weg begeven en
onderweg hunne soortgenooten mede nemen; zij trekken ten slotte als 't
ware in 't wilde weg verder, volgen geen bepaalde richting en begeven
zich dus ook niet naar landstreken, waar werkelijk voedsel voor hen
te vinden is. Eerst nadat honderdduizenden door gebrek aan voedsel,
door ziekten, door de vermoeienissen en de gevaren van de reis om 't
leven zijn gekomen, trachten de overblijvenden terug te keeren naar
de hoogten, die hun eigenlijk woongebied uitmaken; ook in dit geval
kan het verschijnsel zich voordoen, dat zij weder een rechte lijn
volgen. De groote reizen van de Lemmingen komen mij daarom volstrekt
niet wonderbaarlijker of minder verklaarbaar voor, dan die van andere
trekkende Zoogdieren, en meer bepaaldelijk van andere Woelmuizen.
Men mag het als een groot geluk beschouwen, dat de Lemmingen zoo
vele vijanden hebben, daar zij anders het geheele land overstroomen,
en al wat eetbaar is, verslinden zouden. Het meest nog draagt het
klimaat tot haar verdelging bij. In een natten zomer, in een kouden,
vroeg invallenden herfst zonder sneeuw, sterven zij bij millioenen;
daarna zullen er, zooals licht te begrijpen is, vele jaren moeten
verloopen, voordat de voortplanting de door zulk een kolossale
sterfte gedunde rijen weer eenigszins heeft aangevuld. Het aantal
levende vijanden van de Lemmingen is legio. Men mag wel zeggen, dat
alle Skandinavische Roofdieren zich met haar vet mesten. De Wolven
en Vossen, die deze dieren mijlen ver vervolgen, eten, wanneer zij
Lemmingen kunnen krijgen, niets anders; de Veelvraten, Marters,
Bunzingen en Hermelijnen verlangen geen anderen buit; de Honden van
de Laplanders beleven in een Lemmingenjaar feestdagen, zooals aan
deze arme hongerlijders maar zelden te beurt vallen; de Uilen volgen
het Lemmingen-leger; de Buizerden, vooral de Ruigvoet-buizerd, zijn
onophoudelijk bezig de ellendige zwervelingen te verdelgen; de Raven
voederen er hare jongen mede groot; ook de Kraaien en Eksters beijveren
zich naar den maatstaf hunner krachten deze bijtlustige schepsels
te dooden; zelfs de Rendieren vreten nu en dan Lemmingen, naar door
velen beweerd wordt, of slaan ze althans met de voorpooten dood.
De mensch treedt slechts wanneer hij in grooten nood verkeert, als
vijand van den Lemming op. Het vel van dit dier is niet veel waard,
en zijn vleesch boezemt den Lappen, zooals licht te begrijpen is,
ongeveer denzelfden afschuw in, als ons het rattenvleesch. Dikwijls
worden de inboorlingen echter door den honger gedreven om aan de
Lemmingen-jacht deel te nemen.
De familie der _Molmuizen_ (_Spalacidae_) bestaat uit onbehouwen,
leelijke, onder den grond levende Knaagdieren. Zij herinneren aan de
Mollen, doordat zij alle onaangename eigenschappen dezer holenbewoners
hebben, zonder hiervoor vergoeding te schenken door het nut dat zij
aanbrengen. De romp is plomp en rolvormig, de dikke kop eindigt in
een stompen snuit; de oogen zijn buitengewoon klein of liggen geheel
verscholen onder de huid; de zeer kleine ooren hebben geen uitwendige
waarneembare oorschelpen; de staart ontbreekt of is onder de vacht
verborgen. Des te beter merkt men de voeten op, die vijf teenen
hebben, welke met zeer stevige graafklauwen voorzien zijn; evenals
bij de Mollen zijn de voorpooten krachtiger dan de achterpooten.
Alle Molmuizen zijn bewoners van de Oude Wereld; zij houden zich
meestal op in droge zandvlakten; op soortgelijke wijze als de
Mollen doorwoelen zij den grond over groote afstanden. Geen enkele
soort leeft gezellig, ieder dier leeft eenzaam in zijn hol en heeft
ook den wreveligen, eenzelvigen aard van den Mol. Met buitengewone
snelheid graven zij diepe gaten in den bodem, verscheidene zelfs in
loodrechte richting. Op den grond zijn hare bewegingen zeer plomp
en onbeholpen, in haar onderaardsche gangen echter bewegen zij zich
voor- en achterwaarts even vlug. Haar voedsel bestaat uitsluitend uit
planten, meestal uit wortels, knollen en bollen, die zij loswroeten;
bij uitzondering vreten sommige ook gras, schors, zaden en noten. Die,
welke in koude gewesten leven, verzamelen wintervoorraad, maar hebben
geen winterslaap.
De meest bekende soort van deze Familie is de _Blindmuis_ (_Spalax
typhlus_), in Rusland _Slapoesj_ ("de blinde"), in Hongarije
_Földi-kölök_, in Galicië _Ziemnibisak_ genoemd. De kop, die in een
stompen snuit eindigt, is dikker dan de korte, onbeweeglijke hals,
die met den staartloozen romp in dikte overeenkomt; de korte pooten
hebben breede voeten met forsche teenen en klauwen. De oogen hebben
ternauwernood de grootte van een papaverzaadje, liggen onder de huid
verborgen, en zijn dus ongeschikt voor 't zien. De lichaamslengte
bedraagt 20 cM. Kolossale knaagtanden steken ver buiten den bek uit. De
staart wordt aangeduid door een wratje van een paar mM. lengte. Een
dichte, glad aanliggende, zachte vacht bekleedt het lichaam; de
zijden van den kop, van de neusgaten tot achter de oogen, zijn
begroeid met stijve, borstelachtige haren, die te zamen zich als
een borstelvormige haarlijst boven de overige deelen van de vacht
verheffen. Over 't algemeen is de kleur van de bovendeelen aschgrauw
met witte overlangsche strepen aan het achterste deel van den buik
en met witte vlekjes tusschen de achterpooten.
De Blindmuis komt in het zuidoosten van Europa en in het westen
van Azië voor, nl. in Zuid-Rusland van 50° N.B. tot aan den Oeral
en den Kaukasus, in Bessarabië, Moldavië en een deel van Hongarije
en Galicië, voorts in Turkije, in Griekenland en in het noorden en
westen van Klein-Azië. Vooral in de Ukraine treft men haar veelvuldig
aan. In den Altaï is zij vervangen door een grootere soort: de _Zokor_
(_Spalax aspalax_).
Evenals bijna alle Molmuizen bewoont zij vruchtbare landstreken; zelden
komt zij aan de oppervlakte; bijna voortdurend blijft zij verborgen
in hare sterk vertakte, onderaardsche holen, welker aanwezigheid
zich verraadt door talrijke aardhoopen. Bij het graven gebruikt
zij de krachtige snijtanden voor het stukknagen van de in haar weg
liggende wortels en voor het fijnmaken van den grond tusschen de
wortels. De gangen, waarin zij haar voedsel zoekt, liggen in de
vruchtbare teelaardelaag, de voor verblijfplaats dienende holen in
den regel dieper in het onvruchtbare, droge zand.