60° N.B. gelegen zijn. Het veelvuldigst komt dit dier voor in het
waterrijke Canada en in Alaska. De met gras begroeide oevers van
groote meren of van breede, langzaam stroomende rivieren, van stille
beken en moerassen, zijn de verblijfplaatsen van deze om zijn vacht
zeer gezochte Rat; het liefst echter vestigt zij zich aan de kanten
van niet al te groote, met riet en waterplanten bedekte vijvers. Hier
bewoont zij een bepaalde plaats en vormt met andere dieren van haar
soort tamelijk innig verbonden familiën of volken. Haar levenswijze
komt in vele opzichten met die van den Bever overeen: de Indianen
noemen daarom deze beide dieren broeders, en beweren, dat de Bever
de oudste en schranderste, de Muscusrat de domste van de twee is. De
woningen zijn, evenals die van den Bever, eenvoudig onderaardsche
kamers met verscheidene uitgangsbuizen, die alle onder den waterspiegel
uitkomen, of hutten boven den grond. De laatstgenoemde, die vooral
in noordelijke streken aangelegd worden, zijn half-kogelvormig of
gelijken op koepels; zij rusten op een modderbank en verheffen zich
dus boven den waterspiegel. De wanden dezer hutten worden van zeggen,
riet en biezen vervaardigd, welke plantendeelen door slib met elkander
verbonden zijn; eenige onderzoekers beweren echter, dat de geheele hut
aanvankelijk uit slib bestaat, en zich langzamerhand eerst bedekt met
een laag van gras en biezen, doordat deze er tegen aan drijven. De hut
bevat slechts één kamer, die een middellijn van 40 à 65 cM. heeft. Een
gang, die op den bodem van het water uitkomt, verleent toegang tot deze
kamer. Van haar gaan andere blind eindigende buizen uit, die een eind
weegs onder den grond doorloopen en naar gelang van de omstandigheden
meer of minder verlengd worden, want zij dienen eigenlijk alleen om de
wortels van de waterplanten, die hij als voedsel gebruikt, te kunnen
bereiken. Vóór den winter bekleedt de Ondatra hare kamers met een zacht
kussen van droge bladeren en zorgt voor luchtverversching in haar hut
door het middelste deel van het dak uit los opeengestapelde planten
samen te stellen, waartusschen genoeg ruimten overblijven om versche
lucht toe te laten en de bedorven lucht te laten ontsnappen. Zoolang
het moeras of de vijver niet tot op den bodem dicht vriest, leeft zij
zeer genoegelijk in haar warme woning, die door het dikke sneeuwkleed,
dat haar bedekt, nog meer tegen de koude beschut wordt.
Het voedsel van deze dieren bestaat bijna uitsluitend uit waterplanten;
in vele woningen werden echter ook leeggegeten schelpen van Weekdieren
gevonden. Aan gevangen exemplaren merkte Audubon op, dat zij veel
van Mossels houden. De Bever-ratten zijn zeer opgewekt en speelsch,
als zij zich in haar eigenlijk element, in het water, bevinden. Wie
zich in een stillen nacht in de nabijheid van een molenvijver of
ander, diep, afgelegen water bevindt, ziet er vaak verscheidene van
deze dieren bijeen, en kan nagaan, hoe zij zich vermaken; sommige
zwemmen in verschillende richtingen heen en weer, waarbij zij lange
glinsterende strepen op den waterspiegel doen ontstaan; andere rusten
eenige oogenblikken op bosjes gras of op steenen en kluiten, van waar
zij het voedsel dat op het water drijft, kunnen bereiken; nog andere
zitten aan den oever en springen de eene na de andere als Kikvorschen
in den plas. Een groote ontsteltenis maakt zich van de op deze wijze
spelende Ondatra's meester, zoodra men een geweer afschiet. Overhaast
nemen zij de vlucht; met een onvergelijkelijke snelheid duiken zij
bij dozijnen te gelijk in de diepte, zoodra zij den knal hooren,
of verdwijnen in hare holen.
Van de voortplanting der Muscus-ratten is tot dusver niet veel
bekend. Het wijfje werpt in haar hut of in een onderaardsch hol 3 à
6 jongen.
Over 't algemeen onderscheiden deze Woelmuizen zich door
een buitengewoon zachten aard. Die, welke jong gevangen zijn,
worden spoedig tam. De oude dieren blijven echter bijtlustig en
ongenaakbaar. Men moet ze bewaren in een kist, die van binnen met
blik bekleed is, daar zij andere hokken spoedig vernielen.
De Ondatras worden ijverig vervolgd, niet zoo zeer wegens de schade,
die zij aanrichten, als wegens het voordeel, dat zij na haar dood
opleveren. Van het vel worden pelzen, kragen en moffen gemaakt, die
vooral in Amerika en China aftrek vinden; sommige menschen houden
er niet van, wegens den muscusreuk, die er nog lang aan blijft. Het
vleesch wordt alleen door de Indianen gegeten; voor Europeanen is
het onbruikbaar, daar het zoo sterk naar muscus of civet ruikt.
De Bever-rat wordt in vallen gelokt, die met appels als lokaas worden
voorzien; ook vangt men ze wel in klemmen, die voor hare woningen
worden geplaatst, of doodt ze in hare hutten. De Indianen kunnen de
bewoonde hutten zeer goed onderscheiden van die, welke verlaten zijn;
zij sluipen er zonder gedruisch te maken heen en stooten een scherpe
speer met groote kracht door den wand der hut, waardoor zij in den
regel den bewoner dooden.
Op de Muscus-ratten laten wij de _Eigenlijke Woelmuizen_ (_Arvicola_)
volgen; deze hebben de teenen van de achtervoeten niet door zwemvliezen
verbonden en een onbehaarde zool.
Dit geslacht wordt in vier ondergeslachten verdeeld: de
_Woelratten_ (_Paludicola_), de _Boschwoelmuizen_ (_Hypudaeus_),
de _Akkerwoelmuizen_ (_Agricola_) en de _Veldmuizen_ (_Arvicola_).
Geen van de leden van het geheele geslacht dringt zich meer aan onze
aandacht op en maakt zich meer gehaat dan de _Waterrat_ of _Veldrat_
[_Arvicola_ (_Paludicola_), _amphibius_], een der schadelijkste
Knaagdieren, die er bestaan (niet te verwarren met de Bruine rat,
die soms ook "Waterrat" wordt genoemd). Zij leeft niet, zooals men
misschien uit den naam zou afleiden, uitsluitend in het water of
aan den waterkant of in moerassige oorden. Er zijn er wel is waar,
die aan het water en aan drassige gronden de voorkeur geven; deze
hebben zelfs, voor zoover men heeft kunnen nagaan, het uitgestrektste
verbreidingsgebied; het strekt zich uit van den Atlantischen Oceaan
tot aan de Zee van Ochotsk, van de Noordkaap en de Witte Zee tot aan
het zuiden van Italië, Dalmatië en de landstreken om den Kaukasus. Deze
"eigenlijke Waterratten" zwemmen en duiken uitmuntend, sommige zoeken
in 't water haar voedsel, andere komen ook in droge akkers en tuinen
en niet zelden uren ver van 't water verwijderd voor. De in droge
streken levende exemplaren zijn in den regel zeer licht van kleur;
"zuiver zwarte of zwartbruine", zegt Blasius, "heb ik alleen in
de nabijheid van 't water of op natte plaatsen gevonden."--Andere
Waterratten echter houden zich bij voorkeur in droge gronden op en
bekommeren zich, naar het schijnt, in 't geheel niet meer om het
water. Met dit verschil in levenswijze gaan in den regel eenige
afwijkingen van tint en lichaamsbouw gepaard; de laatstbedoelde
zijn niet alleen meestal lichter van kleur, maar hebben o.a. ook een
naar verhouding korteren staart. Onder deze op droge gronden levende
Waterratten onderscheidt men twee vormen: de eene, de "Italiaansche
Woelrat" werd tot dusver alleen in Provence, Italië, en misschien
ook in den Kaukasus aangetroffen; de andere, die in de Pyreneeën,
de Alpen, den Elzas, Thüringen, de Harts en Westelijk Duitschland
gevonden werd, komt ook in eenige gemeenten van de graafschap Zutphen
voor en is hier onder de namen "Aardwolf" en "Vreetwolf" bekend.
Toch is het bij nader onderzoek gebleken, dat er geen voldoende
redenen bestaan, om, in navolging van sommige dierkundigen, drie
"soorten" van Waterratten te onderscheiden; daar nevens de vormen,
die tot de bedoelde onderscheiding aanleiding zouden kunnen geven,
tal van tusschenvormen bestaan, die òf meer tot den eenen, òf meer
tot den anderen vorm overhellen.
De Waterrat is 21 à 24 cM. lang, waarvan voor den staart 6.5 à 8.5
cM. gerekend moeten worden. De vacht is nagenoeg eenkleurig, daar
de grijsbruine of bruinzwarte kleur van de bovendeelen onmerkbaar
overgaat in de iets lichtere kleur van de onderdeelen; deze kan zijn
witachtig, of alle tinten vertoonen, die tusschen grijs en zwart of
grijsachtig zwart gelegen zijn. Dat de kleur velerlei afwijkingen
aanbiedt, werd reeds opgemerkt, en ook, dat dit aanleiding heeft
gegeven tot het onderscheiden van drie typen: de Eigenlijke Waterrat,
de Italiaansche Woelrat en de Molmuis of Aardwolf.
Van de Echte Ratten kan men de Waterrat onmiddellijk onderscheiden,
door te letten op haar dikken, ronden, korten kop met de in 't oog
loopend korte, niet buiten de vacht te voorschijn komende ooren,
welker lengte ter nauwernood een vierde deel van de lengte van den kop
bedraagt; bovendien heeft zij een veel korteren staart. Deze soort
bewoont de vlakte zoowel als de bergstreken, en komt in de Alpen op
bouw- en weiland nog op een hoogte van 1200 M. geregeld voor; binnen
de reeds genoemde grenzen is zij eigenlijk nergens zeldzaam.
De levenswijze van de Waterrat herinnert aan die van den Mol,
evenwel ook aan die van de Muscusrat en andere in het water levende
Knaagdieren. De Eigenlijke Waterrat graaft haar woning bij voorkeur
aan den oever van stilstaand water; gangen die aan den waterspiegel
beginnen en scheef naar boven gericht zijn, monden uit in een ruime
kamer, die niet zelden zeer zacht bekleed is. De holen in droge streken
zijn samengestelder; het zijn gangen, die soms vele honderden schreden
lang zijn en, evenals die van den Mol, grootendeels op zeer korten
afstand van de aardoppervlakte gelegen zijn. De Mol blijft echter
voortdurend onder den grond, onze Woelmuis verlaat haar gang nu en
dan om zich een eindweegs over de oppervlakte te bewegen en dan op
eenigen afstand van haar uitgangspunt haar onderaardsche werkzaamheid
te hervatten. Terwijl zij aan 't graven is, werpt zij de planten om,
die boven hare gangen staan, verslindt de wortels en richt op deze
wijze veel meer schade aan, dan ooit uit het woelen van den Mol zou
kunnen voortvloeien. De gangen van de Waterrat zijn zelden dieper
gelegen dan de aardlaag, die de wortels van de door haar gezochte
planten omgeeft; dikwijls zijn zij zoo ondiep, dat de grond er boven
wordt opgelicht en de gang slechts door een gewelf van 2 à 3 cM. dikte
van de buitenlucht gescheiden is; zulke gangen storten zeer dikwijls
in en zijn dan onbruikbaar; steeds worden zij echter ten spoedigste
weer hersteld; al moet zij verscheidene malen per dag denzelfden
arbeid verrichten, de Waterrat is onvermoeid. Onbedekte loopgraven,
zooals die van den Mol, graaft zij dus niet; ook verschillen de
door haar opgeworpen aardhoopen van de molshoopen, doordat zij uit
grootere kluiten bestaan, veel ongelijkmatiger zijn en te zamen geen
rechte lijn vormen. In een dergelijke aardhoop, die grooter is dan
de overige, bevindt zich de kamer, waarin de Waterrat hare jongen
ter wereld brengt, nadat zij er vooraf een warm nest in gebouwd
heeft. Ieder hol dient tot woonplaats aan een paar van deze dieren;
het eene paar houdt zich gaarne in de nabijheid van het andere op.
De Waterrat loopt niet bijzonder snel; zij verstaat echter
uitmuntend de kunst van graven en is een meester in het zwemmen,
hoewel de Waterspitsmuis haar in dezen overtreft. Op stille plaatsen
ziet men haar zoowel over dag als 's nachts aan 't werk; zij is
echter voorzichtig en vlucht in haar hol, zoodra zij bemerkt, dat
men naar haar kijkt. Alleen als zij tusschen het riet bezig is,
kan men haar gemakkelijk waarnemen. Toch hebben de Waterratten,
die zich in het Johanna-park te Leipzig ophouden, zich zoozeer aan
het hier dikwijls zeer drukke verkeer van menschen gewend, dat men
haar werkzaamheid op ieder uur van den dag, zoolang als men wil,
kan nagaan, indien men voedsel voor haar medeneemt. Onder een brug,
die voor de wandelaars over den smalsten arm van den parkvijver is
aangelegd, hebben de Waterratten zich genesteld; zij zwemmen ijverig
rond en komen zonder schroom nader, als de over den brug gaande of
daar verzamelde, jubelende kinderen allerlei stukjes voedsel naar
beneden werpen. Deze gaven, die waarschijnlijk oorspronkelijk voor
de Visschen en de Zwanen bestemd waren, hebben ook de Waterratten
aangelokt en worden voor 't meerendeel ingezameld door deze vlugge
zwemmers, wat dan ook tegenwoordig in den regel de bedoeling van de
gevers is.
Van de zintuigen van de Waterrat zijn, naar het schijnt, vooral die
van het gezicht en van het gehoor voortreffelijk ontwikkeld. Haar
karakter verschilt in haar voordeel van dat van de Ratten. Zij is
nieuwsgierig, voor 't overige echter bekrompen van geest en tamelijk
goedaardig. Haar voedsel ontleent zij grootendeels aan het plantenrijk;
hierdoor wordt zij dikwijls zeer schadelijk, vooral als zij de tuinen
als arbeidsveld heeft gekozen.
De in 't water levende Waterrat doet weinig schade door het voedsel
dat zij gebruikt en als winterproviand medevoert, maar wordt zeer
gevaarlijk voor onze veiligheid, als zij zich in de nabijheid van
rivierdijken sterk vermenigvuldigt. In alle richtingen _doorwoelen_ zij
_de genoemde waterkeeringen_, zoodat deze bij hoogen waterstand voor
de drukking van 't water bezwijken; middellijk zijn zij dus oorzaak
van overstroomingen. Het voedsel, dat zij gedurende haar verblijf
in 't water gebruiken, bestaat hoofdzakelijk uit rietstengels. Ook
versmaden zij geen dierlijk voedsel. In 't water vangen zij volwassen
Insecten en hunne larven, kleine Kikvorschen, Visschen, Schaaldieren,
op het land vervolgen zij Veldmuizen en andere Muizen, verslinden de
eieren van de in 't gras broedende Vogels, vreten groote gaten in de
vellen, die de looiers in 't water leggen te weeken, enz. In den herfst
vergrooten zij haar woning door een voorraadkamer aan te leggen, die
door gangen met het oude nest verbonden is. Deze kamer wordt gevuld
met erwten, boonen, uien en aardappels, die uit de naburige akkers
en tuinen afkomstig zijn; op dezen voorraad teren zij gedurende het
laatste gedeelte van den herfst en in het voorjaar, kortom zoolang
het weder nog zacht is. Eerst bij felle vorst vallen zij in slaap,
zonder evenwel in een toestand van verstijving over te gaan.
De Waterratten vermenigvuldigen zich snel. Drie of viermaal per jaar
vindt men in het onderaardsche, warme, zacht bekleede nest 2 à 7
jongen; die van één worp zijn dikwijls van verschillende kleur. "De
diepte van het hol, waarin het nest wordt aangelegd," zegt Landois,
"wisselt af van 30 tot 60 cM. Het staat steeds in gemeenschap met
verscheidene gangen. Het nest zelf vult de holte volkomen aan; het
is bolvormig, heeft een middellijn van 15 à 20 cM. en bestaat uit
een zeer groot aantal uiterst fijne, droge wortelvezeltjes. Dikke
wortelvezels en wortels worden bij den bouw niet gebruikt; op deze
wijze wordt een nest verkregen, dat wat zachtheid en warmte betreft,
vele vogelnesten overtreft." Soms wordt het nest gebouwd te midden
van dichte struiken onmiddellijk boven den grond, dikwijls ook in
het riet. Zulk een nest wordt door Blasius beschreven. "Het stond
1 M. boven den waterspiegel, op een afstand van ongeveer dertig
schreden van den drogen oever; het was als dat van een Rietzanger
tusschen drie riethalmen ingevlochten, bolvormig, uit fijne, zachte
grasbladen gebouwd; de opening was dichtgestopt; buitenwerks had het
een middellijn van ongeveer 10, binnenwerks van weinig meer dan 5 cM.;
het bevatte twee koolzwarte, nagenoeg half volwassen jongen. Eén van
de oude dieren, dat zich bij mijn komst van het nest verwijderde
en in het water sprong, was eveneens zwart; het zwom en dook zeer
behendig. De ouden konden alleen zwemmend bij het nest komen, daar de
vijver van den oever tot aan het nest 1 M. diep was; zij moesten daarna
bij een riethalm omhoog klauteren. De gewone wijze van nestbouw van
de Waterratten is geheel anders; er bestond hier een zeer gunstige
gelegenheid voor het bouwen van een onderaardsch nest in een der
naburige akkers of tuinen; ook had het dier een nest kunnen bouwen
op den grond in de dichte struiken van den ringdijk om den vijver;
ik kon dus geen verklaring vinden voor deze afwijking van den regel."
De Waterrat is niet goed geschikt om in een hokje gehouden te
worden. Zij vereischt een zorgvuldige verpleging, daar zij zich
niet licht in veranderde omstandigheden schikt, en nooit behoorlijk
tam wordt.
Op groote hoogten in de Alpen, daar waar geen andere dieren leven,
woont een tweede soort van het geslacht Woelmuis, die merkwaardig
is, doordat zij in ieder jaargetijde het klimaat trotseert, en
zelfs in den winter er niet aan denkt, om, op gelijke wijze als de
andere Knaagdieren, in den grond een schuilplaats te zoeken. Nog
steeds ontbreken ons uitvoerige berichten over deze soort, hoewel de
ijverigste onderzoekers zich bezig hebben gehouden met het nagaan van
haar levenswijze; de ongastvrijheid van de gewesten, waarin dit dier
zich ophoudt, maken het onderzoek te bezwaarlijk.
De _sneeuwmuis_ [_Arvicola (Paludicola) nivalis_] is een tamelijk
kleine Woelrat, die (zonder den 6.8 cM. langen staart) 12.5
cM. lang wordt. Haar vacht is tweekleurig: licht bruinachtig grijs
van boven, op het midden van den rug donkerder dan aan de zijden,
grijsachtig wit van onderen; de beide kleuren zijn scherp van elkander
gescheiden. Van deze soort komen eenige standvastige verscheidenheden
voor, d.i. afwijkingen, die geregeld overerven. Deze verschillen
echter, voor zoover men weet, niet in levenswijze. "Van alle Muizen,"
zegt Blasius, "heeft de Sneeuwmuis het kleinste, maar tevens het
eigenaardigste verbreidingsgebied. Het omvat de Alpen in hun geheele
uitgestrektheid. Bovendien werd zij aan de Selys van uit de Pyreneeën
toegezonden. Er is mij geen geval bekend, dat zij in de Alpen op een
geringere hoogte dan 1000 M. boven den zeespiegel geregeld gevonden
wordt; ook op een hoogte van 1300 M. komt zij op de meeste plaatsen
niet veelvuldig voor. Van hier te beginnen treft men haar aan op alle
hoogten tot aan de laatste grenspunten van het plantenleven. In de
nabijheid van de sneeuwgrens wordt zij het veelvuldigst waargenomen;
zij gaat echter nog hooger op en bewoont zelfs de kleinste oasen in
de sneeuw- en ijswoestijn: de met armoedige alpenkruiden spaarzaam
begroeide, aan alle zijden door de sneeuwvelden ingesloten, kale
plekken aan de zuidzijde van de hooge toppen der Alpen, waar de warme
zonnestralen dikwijls slechts gedurende 2 of 3 maanden het telkens weer
vernieuwde sneeuwkleed uit den weg kunnen ruimen, en den bodem over
een afstand van weinige schreden blootleggen. In deze ontzagwekkende
eenzaamheid brengt zij, behalve den schoonen, korten Alpenzomer,
ook den 9 of 10 maanden durenden, strengen winter door, waarin het
nimmer wijkende sneeuw- en ijskleed, dat de Alpentoppen bedekt, zich
ook uitstrekt over de bergstreken, die in andere jaargetijden met
planten getooid zijn; zij verlaat haar woonplaats niet, maar graaft
in den winter gangen onder de sneeuwlaag, om plantenwortels te zoeken,
zoodra de door haar verzamelde wintervoorraad niet voldoende blijkt te
zijn. Geen ander Zoogdier begeleidt de Sneeuwmuis het geheele jaar door
op deze verstijfde hoogten der Alpen, die boven de grenzen der levende
natuur vrij in 't luchtruim zich verheffen; slechts nu en dan volgt
een onverbiddelijke vijand, een Wezel of een Hermelijn, haar spoor."
De natuuronderzoekers kennen de Sneeuwmuis eerst sinds ruim een halve
eeuw; Nagar ontdekte haar in 1841 in Andermatt op den St. Gotthard,
Martins vond haar op den Faulhorn, _Hugi_ op den hoogsten kam van den
Strahleck, op een hoogte van ruim 3000 M., en op den Finsteraarhorn
op 3600 M. hoogte boven den zeespiegel midden in den winter in een
Alpenhut in de nabijheid van den Grindelwald-gletscher. _Blasius_
ontmoette de Sneeuwmuis op de bergen van Chambéry, op den Montblanc,
op een 3600 M. hoog gelegen punt van den Bernina, op den hoogsten
top van den Piz Linguard, die luttele schreden breed is en over een
oppervlakte van slechts weinige vierkante voeten van sneeuw ontbloot
was, op ongeveer 3300 M. hoogte in het hooge dal van den Oetz en op
vele andere plaatsen van den Alpenketen.
Het leven dat de Sneeuwmuis in haar ongastvrij, onbeschrijfelijk
armoedig vaderland leidt, is tot dusver nog raadselachtig. Men weet,
dat zij planten, hoofdzakelijk wortels en Alpenkruiden, gras en hooi
tot voedsel gebruikt en ook een wintervoorraad van deze stoffen
inzamelt; hoe zij op vele van de door haar bewoonde plaatsen nog
voedsel genoeg kan vinden, is echter moeilijk te begrijpen.
De _Rosse Veldmuis_ [_Arvicola (Hypudaeus) glareolus_], die (zonder
den 4.5 cM. langen staart) een lengte van 10 cM. kan bereiken,
is tweekleurig: van boven bruinrood, in de buurt van de flanken
grijsachig; de witte kleur van de onderdeelen en van de voeten is
scherp gescheiden van die der bovendeelen.
Zij komt gewoonlijk voor in bosschen met breedgebladerde boomen en
aan boschranden, zoo ook in het struikgewas en in tuinen met vele
boomen. Zij is inheemsch en bewoont de meeste andere landen van
Middel-Europa, o.a. Duitschland, Hongarije, Kroatië, Moldavië en
Rusland. In de meeste streken van ons land is zij aanwezig, en vooral
in de duinen niet zeldzaam; nergens komt zij echter in zeer grooten
getale voor. Zij ontleent haar voedsel meer aan de dierenwereld dan aan
het plantenrijk; zij eet vooral Insecten en Wormen, en maakt nu en dan
waarschijnlijk ook wel het een of ander vogeltje buit. In gevangenschap
bekomt de vleeschvoeding haar goed; zij versmaadt echter geenszins
koorn of andere zaden en evenmin knolvormige wortels; in den winter
voedt zij zich bij voorkeur met de schors van jonge boomen. Wanneer
zij in een bosch veelvuldig voorkomt, kan zij door het afvreten van
de schors van sinds kort geplante boompjes een ontzaglijke schade
aanrichten en het jonge plantsoen over een groote uitgestrektheid
geheel vernielen. Zij begeeft zich zelden op grooten afstand van
't bosch, maar bezoekt toch dikwijls de naburige akkers en richt dan
hier even veel schade aan als de andere leden van hare familie.
Zij kan gemakkelijk in 't leven gehouden worden en wordt spoedig
zeer tam. Met andere dieren van haar soort en met leden van verwante
soorten leeft zij in vrede.
De _Aardmuis_ [_Arvicola (Argricola) agrestis_] is (zonder den 3.7
cM. langen staart) 11 cM. lang, en heeft een tweekleurige vacht:
van boven donker zwartachtig bruingrijs, bij de flanken iets
lichter, van onderen en aan de voeten grijswit. Zij bewoont Noord-
en Middel-Europa. In Nederland is zij enkele malen waargenomen,
voorts in Skandinavië, Denemarken, Groot-Britannië, België, Frankrijk,
Noord-Duitschland, Noord-Rusland; zij leeft gewoonlijk in bosschen,
boschranden, kreupelhout, in dijken en nabij slooten; liefst in
de nabijheid van het water, steeds in waterrijke streken. Dikwijls
treft men haar in gezelschap van de vorige soort en van de veldmuis
aan. Haar voedsel ontleent zij bij voorkeur aan het plantenrijk. In
hare bewegingen is zij zoo onbeholpen, dat men haar zonder groote
moeite met de hand vangen kan. Bovendien is zij in 't geheel niet
schuw; zij verschijnt meestal op klaarlichten dag voor den ingang van
hare in den grond gegraven holen. Het ronde nest bevindt zich op korten
afstand beneden de aardoppervlakte, maar wordt van boven door dichte
bundels gras beschut. Drie of vier maal per jaar vindt men in zulke
nesten 4 à 7 jongen, die spoedig volwassen zijn en al dadelijk op de
ouden gelijken. Men kan ze gemakkelijk gevangen in 't leven houden.
Van de leden van het laatste ondergeslacht (_Arvicola_ in engeren zin)
zijn sommige zoo kortoorig, dat het oor geheel onder de vacht verborgen
blijft, andere met iets langere, even boven de vacht uitstekende
oorschelpen bedeeld. Het is, volgens Van Bemmelen, mogelijk, dat
ook in ons land de _Kortoorige Veldmuis_ (_Arvicola Subterraneus_)
voorkomt. Deze, die door hare kleur (bovendeelen geelachtig grijs,
onderdeelen witachtig, beide kleuren scherp gescheiden) en grootte
niet veel van de volgende soort verschilt, is door geheel België
verspreid en leeft in onderaardsche gangen, in vochtige weilanden,
in moestuinen, nabij het water, soms ook in akkers.
Van veel meer belang is voor ons de _Gewone Veldmuis_ (_Arvicola
arvalis_), die zonder den 3 cM. langen staart, 11 cM. lang wordt. Haar
vacht is onduidelijk tweekleurig, aan de bovendeelen geelachtig grijs,
aan de zijden lichter, aan de onderdeelen vuil- (geelachtig) wit;
de pooten zijn zuiverder wit.