Men kan dit aardig schouwspel op zijn gemak waarnemen, als men het

geheele nest medeneemt naar huis en in een groote kooi van nauwmazig

metaalgaas opsluit. Met hennep, haver, peren, zoete appels, vleesch en

gewone Vliegen kan men de Dwergmuizen gemakkelijk in 't leven houden;

haar lieftallig gedrag vergoedt ruimschoots de moeite, die men aan

haar wijdt. Aardig is het na te gaan, wat zij doen, als men haar een

Vlieg voorhoudt; alle ijlen dan met groote sprongen op het Insect

af; de vlugste pakt het met de voorpootjes aan, brengt het naar den

mond, en doodt het met evenveel drift en roofzucht als de Leeuw bij

't dooden van een Rund aan den dag legt; de prooi wordt daarna weer

tusschen de voorpootjes genomen en bedachtzaam verslonden. De jongen

worden zeer schielijk tam, doch wanneer men zich niet zeer dikwijls

met hen bemoeit, op lateren leeftijd weer schuw. Omstreeks den tijd,

waarin zij in den natuurstaat schuilplaatsen zouden opzoeken om daar

te overwinteren, worden zij altijd zeer onrustig en zoeken met geweld

te ontvluchten, juist zooals de trekvogels, die in een kooi gehouden

worden, gewoon zijn te doen, als de tijd van vertrek hunner vrije

soortgenooten aanbreekt. Ook in Maart neemt men bij de Dwergmuizen

deze begeerte om uit haar kooi te ontsnappen waar. Overigens geraken

zij schielijk aan de gevangenschap gewoon; zij beginnen vol ijver hare

kunstvolle nesten te bouwen van de materialen die men haar hiervoor

geeft, b.v. van papiersnippers en katoen.

De laatste onderfamilie bevat de _Hamstermuizen_ (_Cricetinae_), meer

of minder plomp gebouwde, dikwijls groote Muizen met gespleten bovenlip

en groote wangzakken; even als de Echte Muizen hebben zij in elke

kaakhelft drie kiezen met op dwarse reeksen geplaatste knobbeltjes.

Onze _Hamster_ behoort tot het bekendste geslacht (_Cricetus_), welks

belangrijkste kenmerken gelegen zijn in den plompen, dikken romp, die

op korte ledematen rust, en in een zeer korten, dun behaarden staart

eindigt. De knaagtanden zijn bijzonder groot. Deze diersoort bewoont

de korenakkers van vruchtbare gewesten van de gematigde luchtstreek

in Europa, Azië en Amerika. Hier graven de Hamsters diepe holen met

verscheidene kamers, waarvan sommige in den herfst met een voorraad

voedsel voor den winter gevuld worden; in de andere slijten zij een

groot deel van haar leven, welks lusten en lasten wij zullen leeren

kennen door het nagaan van den levensloop van onzen inheemschen

Hamster. Inheemsch mogen wij hem noemen, daar hij, volgens Ritzema

Bos, in 't zuidelijk gedeelte van Limburg voorkomt, waar het aantal

dezer dieren sedert 1879 zoodanig vermeerderde, dat zij er als een

landplaag berucht werden en de Commissaris des Konings op 14 Januari

1880 een missive aan de gemeentebesturen in Limburg verzond, waarin

de landbouwers werden aangespoord hunne nieuwe vijanden zooveel

mogelijk uit te roeien. Niet op elken bodem komt de Hamster voor,

in ieder geval niet op een bodem, die zeer zandig is, daar zijne

gangen er te gemakkelijk zouden instorten. Vandaar, dat hij in het

noordelijke gedeelte van Limburg ontbreekt, waar bovendien tarwe en

paardeboonen, zijn hoofdvoedsel, niet of weinig gekweekt worden. In

Zuidelijk Limburg daarentegen, op de zoogenoemde Limburgsche klei,

is hij in zijn element.

De in lichamelijk opzicht niet misdeelde en ook moedige _Hamster_

(_Cricetus frumentarius_) is overigens geen aantrekkelijke

verschijning; hij heeft een zeer onaangenaam, prikkelbaar en ontevreden

karakter. Met inbegrip van den ongeveer 5 cM. langen staart kan hij een

lengte van nagenoeg 30 cM. bereiken. De bovendeelen zijn grootendeels

roodachtig geel met grijsbruin gemengd. Lichter, n.l. roestkleurig

geel, zijn de zijden van den kop, een streepje onder het oor, een

vlek op den schouder en een kleinere vlek achter den oksel. Donkerder,

n.l. bruinachtig rood, zijn het oor, de omgeving van oor en oog en van

den staartwortel, de buitenzijde van dij en onderbeen. De onderdeelen

en ook de nog niet genoemde deelen van de pooten, met uitzondering

van de witte voeten, zijn zwart; wit zijn ook de rand van het oor,

de lippen, de spits van den snuit en een overlangsche streep op de

keel. Van deze kleurverdeeling komen echter allerlei afwijkingen voor;

sommige exemplaren zijn geheel zwart, andere zwart met witte keel

en grijze kruin; andere van boven dof vaal, van onderen lichtgrijs,

aan de schouders witachtig; ook treft men er soms albino's bij aan.

Het verbreidingsgebied van den Hamster strekt zich uit van den Rijn

tot den Ob. In de zuidelijke en zuidwestelijke deelen van Duitschland

ontbreekt hij, evenals ook in Oost- en West-Pruisen; daarentegen is hij

veelvuldig in Thüringen en Saksen. In de landen aan de Middellandsche

Zee, in Engeland, Denemarken en Skandinavië is hij onbekend. Een

bodem, die matig vast, droog en tevens vruchtbaar is, voldoet hem het

best. Hij vermijdt alle zandige gewesten; om geen te groote bezwaren

te ondervinden bij het graven, vestigt hij zich evenmin op een zeer

vasten on steenachtigen bodem. Hij houdt niet van bergstreken en

bosschen, evenmin van waterrijke laaglanden. Waar hij voorkomt,

treft men hem veelvuldig, soms zelfs in ongeloofelijke scharen aan.

Zijn woning bestaat uit een groote woonkamer, die op een diepte van

1 à 2 M. gelegen is en met de buitenwereld in gemeenschap staat door

twee gangen: een hellende, waardoor de bewoners het hol verlaten en

een loodrechte, waardoor zij er inkomen. Door andere gangen is de

woonkamer verbonden met de voorraadkamer. Het hol van den Hamster

is gemakkelijk te herkennen aan den gewoonlijk met kaf en doppen

van peulvruchten bedekten aardhoop, die voor de uitgangsopening

ligt. De ingangspijp dringt altijd loodrecht in den bodem door,

soms zoo, dat men er een langen stok in kan steken; zij komt echter

niet onmiddellijk in de kamer uit, maar door tusschenkomst van een

soms horizontale, soms hellende verbindingsbuis. De uitgangspijp

daarentegen loopt zelden recht, maar is in den regel gekromd. Aan de

gangen is het gemakkelijk te zien, of het hol bewoond wordt of verlaten

is. Als zij mos, schimmelplanten of gras bevatten, of oneffene wanden

hebben, kan men er zeker van zijn, dat het hol niet gebruikt wordt,

want de Hamster is bijzonder netjes op zijn huis en zijn huisdeur. De

kleinste van de kamers is de woonkamer; deze heeft gladde wanden en is

altijd aangevuld met zeer fijn stroo, meestal met bladscheeden van de

graanhalmen, die een zeer zachte ligplaats leveren. Drie gangen komen

in deze kamer uit en stellen haar in gemeenschap met den ingang, den

uitgang en de voorraadkamer. Deze is dieper gelegen dan de woonkamer,

maar gelijkt er volkomen op; zij wordt als de herfst nadert, geheel

gevuld. Jonge Hamsters leggen slechts één proviandpakhuis aan; de

oude hebben er echter 3 à 5; men vindt soms meer dan 50 KG. voorraad

in één enkele woning, meestal graan en zaden van peulvruchten, zelden

ook wortels, rapen en dergelijke voedingsmiddelen.

Vroeger werd beweerd, dat de Hamster iedere graansoort afzonderlijk

opstapelt; ten onrechte deed men dit, want hij bergt de zaden op,

zooals hij ze vindt; de reden waarom zij dikwijls soort bij soort

leggen, is niet gelegen in de ordelievendheid van den verzamelaar,

maar in de omstandigheid, dat hij in den eenen tijd niet anders dan

deze, in een anderen tijd uitsluitend gene zaden vindt.

De woning van het wijfje verschilt in sommige opzichten van die van

het mannetje; hoewel zij slechts één uitgangsbuis heeft, bedraagt het

aantal ingangsbuizen 2 à 8, waarvan er echter maar één druk gebruikt

wordt, zoolang de jongen nog klein zijn.

Ondanks zijn plomp voorkomen ontbreekt het den Hamster niet aan

vaardigheid. Zijn gang, die tamelijk wel met dien van den Egel

overeenkomt, en waarbij de buik bijna over den grond sleept, bestaat

uit kleine stapjes. Als hij toornig is, maakt hij haastiger bewegingen

en kan hij tamelijk ver en hoog springen. Het graven verstaat hij

meesterlijk. Als men hem in een vat met aarde plaatst, gaat hij

oogenblikkelijk aan den arbeid. De grond wordt met de voorpooten,

of, bij het ontmoeten van meer weerstand, bovendien ook met de tanden

losgewerkt en voorloopig onder den buik geworpen; de achterpooten halen

hem van hier op en werpen hem naar achteren. Als hij dieper gekomen is,

schuift hij achteruitgaand geheele hoopen aarde tegelijk naar buiten,

nooit vult hij er echter zijne wangzakken mede, zooals ten onrechte

beweerd wordt. Hoewel hij het water angstvallig vermijdt, beweegt

hij zich hierin vrij goed. Als men hem in een tobbe met water werpt,

zwemt hij hierin vlug rond, maar knort intusschen vol woede; uit alles

blijkt dan, dat hij zich niet op zijn gemak gevoelt. Als hij overvallen

wordt, gaat hij oogenblikkelijk op de achterpooten staan en laat de

voorpooten bij zich neer hangen, de eene gewoonlijk een weinig lager

dan de andere. Zoo houdt hij stijf de oogen gericht op den verstoorder

van zijn rust, blijkbaar gereed om, zoodra de gelegenheid schoon is,

toe te schieten en hem zijne scherpe tanden te laten voelen.

Naar het schijnt, zijn de hoofdzintuigen van den Hamster tamelijk

gelijkmatig ontwikkeld; het blijkt althans niet, dat het eene boven

het andere bevoorrecht is. De eigenschappen van den geest zijn

niet bijzonder geschikt om hem tot een lieveling van den mensch te

maken. Geen ander Knaagdier van even geringe grootte, met uitzondering

misschien van de Ratten of de Lemmingen, laat zich zoo geheel door

den toorn overmeesteren. Bij de geringste aanleiding stelt hij zich

vermetel te weer, laat een dof gebrom hooren, knarst met de tanden en

slaat ze ongemeen snel en hevig tegen elkander aan. Even groot als

zijn toorn, is ook zijn moed. Hij verdedigt zich tegen ieder dier,

dat hem aanvalt en zet den strijd voort, zoolang hij kan. Als hij met

onervaren Honden te doen heeft, behaalt hij niet zelden de zege; de

schrandere Rattenvangers alleen weten hem aan te pakken en schudden

hem dan bijna oogenblikkelijk dood. Alle Honden haten den Hamster

bijna even hevig als den Egel, omdat zij het niet verdragen kunnen,

dat zulk een klein dier hun oppermacht niet erkent. Niet alleen tegen

Honden verweert de Hamster zich, ook den mensch valt hij stoutmoedig

aan, zelfs hem, die niets met dit dier heeft uit te staan. Niet zelden

gebeurt het, dat iemand die een Hamsterwoning voorbijgaat, plotseling

het woedende dier aan zich (aan de kleederen meestal) voelt hangen. Ook

bij Paarden doet hij dit. Tegen Roofvogels, die hem van den grond

opnemen, verweert hij zich nog in de lucht. Als hij zich eens ergens

aan vastgebeten heeft, laat hij niet los tenzij men hem doodslaat.

Dat zulk een doldriftig dier niet verdraagzaam kan zijn, is licht

te begrijpen. De jongen willen, zoodra hun eerste jeugd voorbij is,

niet meer bij de moeder blijven; de mannelijke Hamster bijt het

wijfje dood, als hij haar buiten den paartijd ontmoet. Gevangen

Hamsters leven zelden in vrede met elkander, met oude dieren is dit

waarschijnlijk nooit het geval; jongen, die nog geen jaar oud zijn,

kunnen beter met elkander overweg. Ik heb gedurende geruimen tijd in

een kist drie van deze dieren gehad, die nooit met elkander twistten,

maar integendeel zeer verdraagzaam bijeenzaten, meestal zelfs het eene

boven op het andere. Jonge Hamsters uit verschillende nesten vallen

echter onmiddellijk op elkander aan en beginnen een strijd op leven

en dood.--Een grappig schouwspel verschaft men zich, wanneer men den

Hamster een Egel tot metgezel geeft. In 't eerst kijkt het Knaagdier

nieuwsgierig naar zijn zonderlingen kameraad, die zich niet veel om

zijn gezelschap bekommert, maar rustig zijn gang gaat. Maar de rust

wordt spoedig verstoord. Toevallig komt de Egel in de buurt van zijn

medegevangene, en wordt door dezen met een toornig gebrom begroet;

vol schrik rolt het stekelige dier zich tot een bal ineen. Nu gaat

de Hamster op verkenning uit. De stekelige bal wordt besnuffeld,--een

bloedende neus is de uitkomst, tot welke hij geraakt. Woedend stoot de

gewonde den bal weg--o wee, ook de hand is gekwetst! Nu ontbloot hij de

tanden, piept, blaast, wipt op den bal, springt er ontsteld weer van

af, tracht hem met den rug weg te duwen, steekt zich in den schouder,

wordt al woedender en woedender, doet opnieuw vruchtelooze pogingen

om het monsterachtige wezen uit den weg te ruimen, krijgt nog meer

steken in de handen en de lippen--ten einde raad gaat hij eindelijk,

terwijl allengs de verbazing de overhand krijgt over den toorn, voor

"het stekelvarken" opzitten en kijkt naar het vreemdsoortig dier

met een merkwaardig comische vrees en met een ingehouden woede, die

hij niet zelden koelt aan een nabijzijnd voorwerp, aan een volkomen

onschuldige soort- en lotgenoot, wien hij de beten tracht te geven,

die hij den Egel had toegedacht. Zoo vaak de Egel zich verweert,

begint het spel opnieuw, en weerklinkt een uitbundig gelach uit de

rijen der toeschouwers.

Tegenover andere, kleinere dieren toont de Hamster zich natuurlijk

nog minder verdraagzaam als ten opzichte van zijne soortgenooten;

of liever, hij maakt jacht op hen, want levende wezens maken

een voornaam bestanddeel van zijn voedsel uit. Vogeltjes, Muizen,

Hagedissen, Hazelwormen, Ringslangen en Insecten eet hij nog liever

dan plantaardige stoffen.

Ook de Hamster houdt winterslaap. Hij ontwaakt, zoodra de grond

ontdooid is, dikwijls reeds in Februari, stellig in Maart. Niet

dadelijk ontsluit hij de verstopte openingen van zijn woning,

maar blijft stilletjes onder den grond en maakt gebruik van zijn

winterprovisie. Omstreeks het midden van Maart maken de oude mannetjes,

in het midden van April de oude wijfjes de deur van het winterverblijf

open. Dan beginnen zij buitenshuis voedsel te zoeken.

Omstreeks 4 à 5 weken na de paring--voor de eerste maal tegen het

einde van Mei, voor de tweede maal in Juli--werpt het wijfje in haar

zacht en warm gevoerd nest 6 à 18 jongen. Als zij 14 dagen oud zijn,

beginnen de jonge Hamsters reeds in den grond te wroeten, en zoodra

zij dit kunnen, denkt de onvriendelijke moeder er aan, zich van haar

kroost te ontdoen; zij zet de kleintjes eenvoudig haar woning uit en

dwingt ze zelfstandig in hun onderhoud te voorzien. Dit schijnt de

jonge Hamsters niet veel moeite te kosten; want reeds op den zesden

of zevenden dag van hun leven, als zij ternauwernood behaard zijn

en nog in 't geheel niet zien kunnen, weten zij al heel aardig een

tarwekorrel tusschen hunne voorpootjes vast te houden en met hunne

scherpe tandjes te beknabbelen. Als er gevaar in aantocht is,

sluipen de jonge diertjes, hoe hulpbehoevend zij ook schijnen,

behendig naar allerlei schuilhoeken van het hol; het eene heeft

zich schielijk op de best mogelijke wijze hier, het andere daar

weten te verbergen; de meeste echter zijn de moeder gevolgd. Deze,

die in andere omstandigheden zoo woedend en boosaardig, zoo moedig en

dapper is, toont zich lafhartig, als het er op aankomt hare kinderen

te verdedigen; zij neemt schandelijk de vlucht, zoodra zij bespeurt,

dat haar of haar kroost onheil dreigt, en kruipt met hare spruiten

weg in een blind eindigende gang; den weg, langs welken zij het nest

verliet, tracht zij zoo schielijk mogelijk met aarde dicht te stoppen

en de gang wordt met verbazende snelheid verlengd.

Zoodra de veldvruchten rijp worden, hebben de Hamsters het druk met

den oogst. Aan de zaaddoozen van 't vlas, aan groote paardeboonen en

erwten geven zij, naar het schijnt, de voorkeur boven alle andere

vruchten. Alleen daar, waar den Hamster niets in den weg wordt

gelegd, haalt hij den oogst over dag binnen; gewoonlijk echter

zijn de eerste helft van den nacht en de morgen vóór zonsopgang de

voor den arbeid bestemde tijd. Met de voorpooten buigt hij de lange

halmen naar beneden, snijdt er met één beet de aar af, pakt haar met

de voorpooten aan, draait haar een paar malen heen en weer en heeft

haar nu niet alleen van korrels beroofd, maar deze ook reeds in hare

wangzakken geborgen. Zoo worden deze wijde, tot aan de schouders

reikende zakken tot aan den rand gevuld; dikwijls sleept een Hamster

ongeveer 50 gram graan tegelijk naar zijn woning. Als het dier zoo

beladen is, ziet het er zeer grappig uit en is het zoo onbeholpen

mogelijk. Zonder schroom kan men het nu in de handen nemen, want

de volgepropte wangzakken stellen het buiten staat om te bijten;

men moet het dier echter niet den tijd laten met de voorpooten de

zakken leeg te strijken, want dan stelt het zich te weer.

In het begin van October, als het koud wordt en de akkers kaal zijn,

denkt de Hamster er ernstig aan, zijn winterkwartier in gereedheid

te brengen. Het leger is zeer klein, en wordt met het fijnste stroo

dicht bekleed. Nu eet de luie dagdief zich dik en vet, en gaat

eindelijk ineengerold liggen om den winterslaap te beginnen. De

ledematen blijken bij aanraking ijskoud te zijn, kunnen moeilijk

gebogen worden, springen, als men ze met geweld gebogen heeft, gelijk

bij doode dieren, onmiddellijk weder in hun vroegeren stand terug;

de oogen zijn gesloten. De ademhaling en het kloppen van het hart

zijn niet meer te voelen. Gewoonlijk slaat het hart 14 of 15 maal

in de minuut. Vóór het ontwaken merkt men in de eerste plaats op,

dat de stijfheid vermindert. Daarna begint het ademhalen merkbaar te

worden; men bespeurt eenige bewegingen; de slaper gaapt en laat een

rochelend geluid hooren, rekt zich uit, opent de oogen, waggelt rond,

alsof hij beschonken is, tracht op zijne pooten te blijven staan,

valt om, staat nogmaals op, schijnt in gedachten verzonken, en loopt

eindelijk langzaam rond; als men hem iets eetbaars toewerpt, vreet

hij het dadelijk op; hij poetst en strijkt zich de haren glad en is

nu volkomen wakker. In een kamer, waar bij koud weer gestookt wordt,

kan men de Hamsters voortdurend wakker houden; zij blijven dan echter

niet gezond en sterven spoedig.

Wel is het gelukkig, dat de Hamster, die zich soms zeer sterk

vermenigvuldigt, en dan groote schade aanricht, zoovele vijanden

heeft. Buizerden en Uilen, Raven en vele andere Vogels, vooral echter

de Bunzing en de Wezel, zitten hem onophoudelijk op de hielen en

dooden hem, waar en wanneer ze hem ook ontmoeten.

In eenige streken wordt ook door den mensch een verdelgingsoorlog

tegen den Hamster gevoerd. Het belangrijkste voordeel, dat deze jacht

oplevert, is de voorraad, die deze kluizenaar verzamelt; het door hem

voor de toekomst bewaarde graan wordt eenvoudig afgewasschen, daarna

gedroogd en evenals ander koorn gemalen. Ook het vel van dit dier

is bruikbaar; naar men bericht, levert het een zeer goede, lichte en

duurzame pelterij. In vele gewesten wordt het vleesch van den Hamster

gegeten. Hoe groot het aantal dezer dieren in sommige streken is, in

weerwil van de ijverigste vervolgingen, kan men afleiden uit het door

Altum medegedeelde bericht, dat in 1869, op de akkers om Aschersleben,

39.000 Hamsters gevangen werden.

De familie van de _Woelmuizen_ (_Arvicolidae_), omvat een groot

aantal soorten van kleine Knaagdieren, die veel op elkander gelijken

en in vele opzichten aan de Muizen herinneren, bij welke familie zij

vroeger gevoegd werden. De uitwendig zichtbare kenmerken, waardoor

zij zich van deze onderscheiden, zijn vooral: de plompe lichaamsbouw,

de dikke kop, de ooren, die geheel onder de beharing verborgen zijn

of slechts weinig er boven uitsteken en de korte staart, welks lengte

hoogstens het twee derde deel van die van het overige lichaam bedraagt.

Het gebit bevat, behalve de bij alle Knaagdieren voorkomende

wortellooze (steeds doorgroeiende) snijtanden, drie kiezen in elke

kaakhelft; deze hebben niet, evenals die der Echte Muizen, "ware"

wortels, maar zijn "wortelloos". Het in de kaak verborgen deel van

den tand of kies, wordt n.l. alleen dan een "ware" wortel genoemd,

als het allengs dunner wordt, en aan het dunne uiteinde slechts

fijne, moeielijk zichtbare openingen heeft, waardoor de bloedvaten

voor het in den tand aanwezige tandbeenvormende orgaan (de pulpa)

binnendringen. Wortellooze tanden hebben aan het bedoelde uiteinde een

groote opening en heeten daarom ook wel tanden met "open wortels". De

tandbeenvorming heeft hier wegens de meerdere toevoer van bloed naar

de pulpa sneller plaats; "wortellooze" tanden (of kiezen) groeien dus

van onderen aan, naarmate zij van boven afslijten. Bovendien bestaat

de kauwvlakte van de kiezen der Woelmuizen niet, evenals die der Echte

Muizen, uit met email bedekte knobbeltjes, maar vertoont dwars gerichte

lijsten van email, gevormd door de naar binnen dringende plooien van

de emaillaag, die de geheele kies omgeeft. Deze lijsten blijven steeds

boven de kauwvlakte uitsteken, wijl de daarnevens gelegen bestanddeelen

van de kies (tandbeen en cement) zachter zijn en sterker afslijten.

De Woelmuizen bewonen het noorden van de Oude en Nieuwe Wereld. Zij

leven zoowel in de vlakte als in het gebergte, op bouwland en ook

op nagenoeg woeste gronden, op akkers en weiden, in tuinen, aan de

oevers der rivieren, beken, meren en plassen. Holen en gaten, die door

haar zelf gegraven zijn, dienen haar tot verblijfplaats. Bijna alle

vermijden de nabuurschap van den mensch; slechts weinige komen soms

in zijne stallen en schuren of in zijne tuinen. Hare holen bestaan

uit meer of minder lange, al of niet vertakte gangen, welke zich

van die der andere dieren dikwijls door hun ligging dicht bij de

oppervlakte onderscheiden; vele echter graven kamers, die op hutten

gelijken, andere maken woningen, die in meerdere of mindere mate van

kunstvaardigheid getuigen. De meeste wonen alleen of paarsgewijs;

nu en dan vereenigen zij zich echter tot groote scharen. Hun voedsel

ontleenen zij vooral aan 't plantenrijk, door vele echter worden ook

dierlijke stoffen niet versmaad. Vele verzamelen wintervoorraad, hoewel

zij geen winterslaap houden. Voor 't overige gelijken zij in bijna

alle opzichten op Echte Muizen. Haar levenswijze is bijna als die van

deze dieren, die zich echter door meerdere vlugheid en behendigheid

onderscheiden. Ook de Woelmuizen bewegen zich tamelijk snel;

slechts weinige soorten kunnen klimmen; bijna alle zijn meesterlijk

ervaren in het zwemmen, eenige leven zelfs geheel in 't water;

andere houden maanden lang verblijf in de sneeuw, waarin zij langen

gangen graven en kunstvolle nesten bouwen. Enkele soorten ondernemen,

waarschijnlijk door gebrek aan voedsel gedreven, groote zwerftochten;

hieraan is het toe te schrijven, dat tegenwoordig verscheidene soorten

in Europa inheemsch geworden zijn, die vroeger uitsluitend in Azië

leefden. Onder hare zinnen staan de reuk en het gezicht bovenaan. Hare

geestvermogens zijn gering. Alle vermenigvuldigen zich sterk, sommige

soorten zelfs ongeloofelijk snel. Bijna alle soorten zijn voor den

mensch schadelijk zonder hem eenigen dienst van beteekenis te bewijzen;

zij worden daarom terecht gehaat en op allerlei wijzen vervolgd.

De _Muscus-rat_, _Bever-rat_ of _Ondatra_ (_Fiber zibethicus_),

de eenige voor den mensch nuttige soort van de geheele familie,

kan omschreven worden als een groote Waterrat met langen staart,

breede achtervoeten (welker teenen door korte zwemvliezen met elkander

verbonden zijn), stompen snuit en kort behaarde ooren (die gesloten

kunnen worden). De staart is alleen in de nabijheid van den stam

rolrond, voor het overige zijdelings samengedrukt, in de nabijheid

van de spits tweesnijdig en met kleine schubben bezet. De beharing

is dicht, glad aanliggend, zacht en glanzig, het wolhaar buitengewoon

zacht, fijn en kort, het bovenhaar zeer glanzig en dubbel zoolang als

het wolhaar. De bovendeelen, zijn bruin, soms geel, de onderdeelen

zijn grijs, op sommige plaatsen met een roodachtig waas; de staart

is zwart. Volwassen mannetjes worden omstreeks 58 cM. lang, waarvan

ongeveer de helft op den staart komt.

Het Leven der Dieren: Deel 1, Hoofdstuk 07: De Knaagdieren · 第 10 / 20 段