Tegenover deze aangename eigenschappen van de Huismuis, staan echter

zeer lastige ondeugden; zij is een eerste snoepster en lekkerbek. Men

kan zich moeielijk een snoeplustiger schepsel voorstellen dan een

Huismuis, die zich in een goed voorziene provisiekamer naar vrije

verkiezing bewegen kan! Zij zoekt zich altijd de lekkerste stukjes

uit en geeft hierdoor een afdoend bewijs van de fijnheid van haar

smaakzintuig. Aan allerlei zoetigheden, aan melk, goede vleeschspijzen,

kaas, vetten, vruchten en zaden geeft zij de voorkeur boven alle

andere voedingstoffen, en als zij de kans heeft, zoekt zij van het

goede altijd het beste uit. Hare scherpe knaagtanden zijn een andere

reden voor den haat, dien de mensch haar toedraagt. Als zij iets

lekkers ruikt, weet zij zich tot de plaats waar het zich bevindt,

toegang te verschaffen voor het genot, dat zij daar hoopt te smaken,

heeft zij een ingespannen arbeid van één of meer nachten over; zij

doorknaagt soms dikke deuren om haar doel te bereiken.--Als zij veel

voedsel vindt, dat haar bijzonder lekker voorkomt, vervoert zij ook nog

een flinken voorraad daarvan naar haar schuilplaats; zij arbeidt met

de drift van een gierigaard aan de vermeerdering van hare schatten. "Op

plaatsen, waar zij niet veel gevaar heeft van gestoord te worden," zegt

Fitzinger, "vindt men wel eens in een hoek groote hoopen van walnoten

en hazelnoten, soms niet minder dan een voet hoog; zij stapelt deze

vruchten zoo regelmatig opeen, drukt ze zoo stevig tegen elkander aan

en bedekt ze zoo zorgvuldig met geknaagde papieren en kleedingstukken,

dat men onze Huismuis bijna niet in staat zou achten tot het verrichten

van zulk een arbeid." Water drinkt zij in 't geheel niet, als zij

saprijk voedsel krijgen kan; ook gebruikt zij het maar zelden, als

zij zich met droog voedsel moet behelpen. Daarentegen is zij zeer

verlekkerd op alle zoete dranken. Dat zij ook van alcoholische dranken

snoept, blijkt uit de volgende mededeeling van den boschbeambte Block:

"In het jaar 1843 werd ik eens, terwijl ik zat te schrijven door een

zwak gedruisch gestoord; opziende, bemerkte ik een Muis, die langs

den gladden poot van een tafeltje naar boven klom. Boven aangekomen,

zocht zij vol ijver de kruimels op, die op een bord lagen. In het

midden van dit bord stond een zeer licht, kelkvormig borrelglaasje,

half gevuld met anisette. Met één sprong was de Muis op den rand van

't glas, boog zich voorover en slikte ijverig van de likeur. Nadat

zij een behoorlijke dosis van het zoete vergif gebruikt had, sprong

zij weer op de tafel. In hare bezigheden gestoord door het gedruisch

dat ik maakte, wipte zij met één sprong van de tafel en verdween

achter een kast. Waarschijnlijk ondervond zij spoedig de uitwerking

van den drank, want kort daarna kwam zij weer te voorschijn en maakte

allerlei vreemdsoortige bewegingen; ook deed zij vergeefsche pogingen

om nogmaals op de tafel te klauteren. Ik stond op en ging op haar af,

doch zij stoorde zich niet aan mij. Toen ik de Kat haalde, liep zij

even weg, maar kwam dadelijk weer terug. De Kat sprong van mijn arm

op haar af, en had het dronken muisje in hare klauwen."

Grooter nog dan de schade, die de Muis door het verslinden van

voedingsmiddelen aanricht, is die, welke zij den mensch toebrengt

door het stukknagen van allerlei voorwerpen van waarde. Bibliotheken

en verzamelingen van naturaliën hebben soms veel van deze Knaagdieren

te lijden. Met allerlei middelen gaat men hun vernielzucht tegen. De

ijverigste van alle vijanden van de Huismuis is en blijft de Kat. In

oude gebouwen wordt zij ijverig geholpen door de Uilen, die ook op

het land goede diensten bewijzen, evenals de Bunzing en de Wezel,

de Egels en de Spitsmuizen. Hoe klein de Spitsmuis ook is, toch is

zij veel sterker dan de voor ons zoo lastige Knaagdieren; met ijver

wijdt zij zich aan de muizenjacht.

De Huismuis plant zich zeer snel voort; 22 à 24 dagen na de paring

werpt zij 4 à 6, niet zelden zelfs 8 jongen. Daar zij in één

jaar stellig vijf à zes maal jongen werpt, bedraagt hun aantal na

afloop van dien tijd minstens 30. Een witte Muis, die door Struve in

gevangenschap werd gehouden wierp den 17den Mei zes, den 6den Juni zes

en den 3en Juli acht jongen. Van den 3en tot den 28en Juli was zij van

het mannetje gescheiden. Den 21en Augustus wierp zij weder zes jongen,

den 1en October op nieuw zes en den 24en October vijf. Gedurende den

winter vermeerderde haar nakomelingschap niet. Den 17den Maart bracht

zij opnieuw jongen ter wereld. Eén van de wijfjes van den worp van 6

Juni, kreeg den 18den Juni van 't volgende jaar voor 't eerst jongen,

en wel vier te gelijk. Hieruit kan men afleiden hoe verbazend snel

de Muizen zich kunnen vermenigvuldigen, in weerwil van haar groot

aantal vijanden. Voor haar kraambed maakt de moeder gebruik van elken

schuilhoek, waar zij voor vervolgingen beveiligd hoopt te zijn;

men heeft muizennesten gevonden in uitgeholde brooden, uitgeholde

koolrapen, doodshoofden, ja zelfs in muizenvallen. Gewoonlijk bestaat

de ligplaats van de kleine familie uit met zorg opeengestapeld stroo,

hooi, papier, vederen en andere zachte stoffen; soms echter bestaat

het eenvoudig uit houtspaanders of zelfs uit notedoppen. De jongen

zijn bij de geboorte buitengewoon klein en, bij witte Muizen althans,

in den letterlijken zin van 't woord doorzichtig. Zij groeien echter

schielijk aan, krijgen op den zevenden of achtsten levensdag haren,

doch openen hunne oogen eerst op den dertienden dag. Nu blijven zij

nog maar een paar dagen in 't nest, en gaan dan op de wijze van hunne

ouders voedsel zoeken.--Een treffend voorbeeld van de moederliefde van

de Muis wordt door Weinland medegedeeld: "In het zachte bed, dat een

Huismuis voor hare jongen had bereid, ontdekte men haar en hare negen

kinderen. De moeder kon ontsnappen,--doch week niet van de plaats. Het

geheele gezin werd met een korenschop opgenomen,--zij bewoog zich

niet. Men droeg alle onbedekt op de schop weg, verscheidene trappen

af, tot in den hof;--zij bleef hare kinderen trouw en stierf met hen."

Bij de bewoners van China en Japan, van welker ervarenheid in het

fokken van dieren en het kweeken van planten vele merkwaardige

staaltjes medegedeeld worden, is de Huismuis een huisdier geworden

in den eigenlijken zin van 't woord. Haacke deelt over de Muizen,

die sedert eenige jaren uit deze landen naar hier worden gevoerd,

het volgende mede: "Van een handelaar in dieren te Hamburg ontbied

ik van tijd tot tijd twee verschillende rassen van de Huismuis, die

door den koopman met de namen Chineesche 'klimmuizen' en Japansche

'dansmuizen' aangeduid worden. De eerstgenoemden onderscheiden zich

trouwens alleen door haar zeer varieerende kleur, want klimmen doen

zij, naar het schijnt, niet meer dan andere Muizen. Hare kleur is

echter zeer verschillend. Behalve effen grijze, licht-bruinachtig gele

en witte exemplaren, heb ik er gehad, die grijs en wit, zwart en wit,

geel en wit, blauw en wit gevlekt waren. Driekleurige Muizen zijn, naar

het schijnt, zeer zeldzaam. Zooals bekend is, komen ook bij ons witte,

zwarte en gele soms ook wel gevlekte Muizen voor; maar de Chineezen

hebben hun bekwaamheid in het fokken van nieuwe verscheidenheden

ook op de Huismuizen toegepast. De niet minder op 't dierenfokken

verzotte Japaneezen, hebben echter kans gezien, om van de Huismuis

een werkelijk wonderbaarlijk dier te maken. De Japansche 'dansmuis',

die te recht zoo genoemd wordt, komt eveneens in de bovengenoemde

kleuren voor. Wat haar echter vooral onderscheidt, is de aangeboren

gewoonte om met razende snelheid in een meer of minder grooten kring

rond te loopen, of nog vaker, om, als een tol op één plaats blijvend,

met ongeloofelijke snelheid rond te draaien. Dikwijls voeren twee,

zeldzamer drie Muizen, gemeenschappelijk zulk een dans uit, die

gewoonlijk in de schemering begint en gedurende den nacht van tijd

tot tijd herhaald wordt; meestal echter danst iedere Muis afzonderlijk.

De _Boschmuis_ komt in de meeste opzichten met de Huismuis overeen. Zij

is over geheel Europa verbreid, waarschijnlijk alleen met uitzondering

van de allernoordelijkste gedeelten; in bergachtige streken komt zij

nog op een hoogte van 2000 M. boven den zeespiegel voor. Zij leeft

zoowel in bosschen, als aan hun zoom; men vindt haar dikwijls in

tuinen, doch minder veelvuldig op uitgestrekte vlakten, waar geen

boomen zijn. Des winters verschuilt zij zich gaarne in huizen; zij

bezoekt daar kelders en provisiekamers, doch vestigt zich bij voorkeur

in de hooger gelegen deelen van het huis, waar zij op zolderkamers

en onder dak overwintert. Ritzema Bos zegt van de woonplaatsen van

deze muis in ons vaderland: "Overal waar hout groeit: in tuinen,

langs wegen, rondom hofsteden is zij in vele streken van ons land zeer

algemeen. Zij vestigt zich ook wel in alleenstaande huizen; op villa's

en boerderijen vervangt zij soms de Huismuis. Daar zij sterker en

vlugger is dan deze, moet zij--wanneer ze 't veld of het bosch verlaat,

en zich in de huizen gaat vestigen--daar de Huismuis verdringen, even

goed als de sterkere en vluggere Bruine Rat haar zwakkere zuster heeft

verdreven. Werkelijk geschiedt dit, niet alleen in vele alléénstaande

behuizingen, maar eveneens in de buitenwijken van dorpen en kleine

landstadjes. Ik herinner mij dat--eenige jaren geleden--in 't gebouw

der Rijks Hoogere Burgerschool te Warffum mijn verzameling naturaliën

door Muizen werd aangetast. Het uitzetten van muizentarwe had den

dood van verscheidene van deze indringers ten gevolge; alle bleken

mij te behooren tot de soort _Mus sylvaticus_. Altum, hoogleeraar

aan de academie voor boschbouw te Neustadt-Eberswalde, verzekert,

dat in 't stadje zijner inwoning geen enkele Huismuis te vinden is,

en dat de Boschmuis haar geheel en al verdrongen heeft.

"Dat nu de laatste niet overal de eerste doet verdwijnen, moet

eenvoudig worden toegeschreven aan de omstandigheid, dat beide soorten

_in den regel_ niet dezelfde levenswijze hebben, m.a.w. dat zij op

verschillende plaatsen voorkomen, en niet hetzelfde voedsel gebruiken,

zoodat zij gewoonlijk niet als concurrenten optreden."

In de vrije natuur eet zij gaarne Wormen en Insecten, vooral wanneer

deze laatste zich als larven of poppen in den grond bevinden; hierdoor

kan zij in de bosschen tamelijk veel nut aanbrengen. Schadelijk wordt

zij hier daarentegen door het uithalen van de nestjes van nuttige

Zangvogels. Het hoofdvoedsel van de Boschmuis bestaat echter uit

steen- en pitvruchten, noten, eikels, beukenootjes, zaden van dennen

en sparren. Zij verzamelt hiervan ook wel voorraad voor den winter,

vervalt echter niet in winterslaap en maakt alleen bij ongunstig weer

van de door haar bijeen gebrachte schatten gebruik. "De schade door dit

diertje aan de houtteelt berokkend," zegt Ritzema Bos, "is niet zoo

groot, als men dikwijls verzekert. Het is n.l. zeer waarschijnlijk,

dat alle gevallen, waarin stammetjes van jonge boomen en takken door

Muizen van de schors waren beroofd, moeten komen op de rekening van

_Woelmuizen_ (_Arvicola arvalis_ en _A. glareolus_). De Boschmuis is

op de ontschorsing van boomen nooit betrapt geworden en de door Muizen

van schors beroofde stukken vertoonden alle de tandindruksels van

Woelmuizen." "Van uit het bosch verspreidt zich onze 'springer' zeer

dikwijls over de velden; ja somtijds komt zij op zeer aanzienlijken

afstand van alle houtgewas op bouwland voor. Men treft haar dan, op

de wijze der Veldmuizen, in en onder korenschoven en hokken aan. De

boeren geven haar dan den naam van 'langstaartige Veldmuis,' in

tegenstelling van de 'kortstaartige,' d.i. de _Eigenlijke Veldmuis_

(_Arvicola arvalis_). Wanneer men op zandgronden van verwoestingen

door Muizen hoort, dan is gewoonlijk de Boschmuis de dader, terwijl

de Eigenlijke Veldmuis de beruchte landplaag der kleigronden is. Toch

is ook de Boschmuis op de klei niet geheel onbekend, en de Eigenlijke

Veldmuis komt op 't zand ook wel eens voor. Zoo vernielend als de

laatste optreedt, vertoont zich de eerste nooit, daar zij jaarlijks

niet zoo'n groote nakomelingschap kan leveren. Zij werpt 2-, hoogstens

3maal 4 tot 6 jongen, terwijl de Veldmuis telkens 6 à 12 jongen werpt,

en de in 't voorjaar en den zomer geboren individu's zich nog gedurende

't zelfde jaar weer voortplanten."

In huis berokkent de Boschmuis ons dikwijls gevoelige schade en heeft

zij eigenaardige liefhebberijen. Des nachts dringt zij in vogelkooien

door en doodt de hier aanwezige Kanarievogels, Leeuweriken, Vinken

enz. Van haar smaak voor zoete, bedwelmende dranken, deelt Lenz het

volgende voorbeeld mede: Een zijner zusters hoorde op een avond een

zeer eigenaardig zangerig gepiep in den kelder; zij zocht met een

lantaarn naar de oorzaak van dit geluid en vond een Boschmuis, die

naast een flesch malaga zat, de naderende dame vriendelijk en zonder

vrees in 't gelaat zag en zich in haar gezang niet liet storen. De

jonge dame verwijderde zich om hulp te halen; een geheel leger van

helpers bezette den kelder; de Muis had haar liedje echter nog niet

uit; zij bleef bedaard zitten, en was vermoedelijk zeer verwonderd,

toen men haar met den tang bij den kop pakte. Bij nader onderzoek

bleek het, dat de flesch een weinig lek was; rondom de plaats waar

de droppels neervielen, lag een geheele kring van muizenkeutels,

waaruit men opmaakte, dat de zooeven als dronkenlap gearresteerde

Muis, waarschijnlijk reeds gedurende geruimen tijd hier aan 't pooien

was geweest.

De _Brandmuis_ bewoont een meer beperkt gebied dan de beide vroeger

beschreven soorten; zij leeft tusschen den Rijn en West-Siberië,

het noorden van Holstein en Lombardije. In Middel-Duitschland wordt

zij overal veelvuldig aangetroffen, in ons vaderland tot dusver niet;

in hooge bergstreken komt zij niet voor. Zij houdt zich des zomers

op in bouwlanden, aan de kanten van bosschen en in lage boschjes,

terwijl zij des winters in korenhoopen of in schuren verblijf houdt;

ook overwintert zij in gaten in den grond. Bij 't maaien van 't koren

in den herfst, ziet men geheele benden van deze dieren over de stoppels

ontvluchten. Hare bewegingen zijn minder behendig dan die van hare

verwanten; haar uiterlijk is goedaardiger of dommer. Zij voedt zich

hoofdzakelijk met graan en andere zaden, met kruiden en knollen,

Insecten en Wormen; ook zij verzamelt proviand voor den slechten

tijd. Wegens haar snelle vermenigvuldiging kan zij in de streken,

waar zij voorkomt, zeer schadelijk worden: in den zomer werpt zij 3-

à 4maal 4 à 8 jongen, welke, evenals die van de Boschmuis, eerst in

't volgende jaar de kleur van de ouders hebben.

Hoe lief en bevallig alle kleine Muizen ook zijn, hoe alleraardigst zij

zich in de gevangenschap gedragen, het kleinste lid van de familie--de

_Dwergmuis_ (_Mus minutus_)--overtreft haar alle te dezen aanzien. Zij

is veel beweeglijker, behendiger, vroolijker, kortom, zij is een veel

aardiger schepeltje dan hare verwanten.

De Dwergmuis heeft aan de dierkundigen niet weinig hoofdbrekens

veroorzaakt. Sinds Pallas haar in Siberië voor 't eerst aantrof,

nauwkeurig beschreef en zeer goed afbeeldde, is zij in vele andere,

ver uiteenliggende landen gevonden. Bijna iedere natuurbeschrijver,

die haar onderzocht, meende het recht te hebben haar als een

nieuwe soort te beschouwen, o.a. omdat het verbreidingsgebied van

dezen vorm zoo uitgestrekt is en de kleur van de vacht tamelijk

uiteenloopt. Door latere onderzoekingen is echter uitgemaakt, dat

de ten onzent voorkomende Dwergmuis werkelijk verspreid is over een

gebied, dat Siberië, geheel Rusland, Hongarije, Polen, Duitschland,

Frankrijk, Engeland en Italië omvat en slechts bij uitzondering

in sommige gewesten van deze landen niet voorkomt. Men vindt haar

in alle vlakten waar de landbouw bloeit, en geenszins altijd op

bouwland, maar dikwijls in het riet van de sloten, die de akkers

omgeven, in riet- en biesbosschen, in moerassen en drasse landen

enz. In Siberië en aan den voet van den Kaukasus is zij algemeen,

in Rusland en Engeland, in Sleeswijk en Holstein is zij op zijn minst

genomen niet zeldzaam. Maar ook in de overige genoemde landen kan zij

soms in grooten getale voorkomen. Volgens Dr. G. A. Venema komt zij

veelvuldig voor "in de breede strook van zulte of zeeaster (_Aster

tripolium_), die de kweldergronden langs den Dollard van de hanepoot

(_Salicornia herbacea_) scheidt. Daar bouwt de Dwergmuis haar nest

in de hooge zulteplanten, tusschen hare geurige bloemen in; en als

een hooge vloed door de zulte rolt, buigt de storm de stengels heen

en weer, maar bereikt de bloemen niet. In wiegelende beweging door

den stroom gebracht, bewaken de oude Muizen, die langs de stengels

zijn opgeklommen, de jongen."

Gedurende den zomer vindt men dit lieve diertje in gezelschap van

de Boschmuis en van de Gewone Veldmuis op korenvelden; in den winter

komt het soms in groot aantal voor onder hooibergen of in schuren. De

Dwergmuis overwintert echter ook wel buiten, in holen in den grond;

een groot deel van het koude jaargetijde brengt zij dan slapend door,

hoewel zij geen eigenlijken winterslaap heeft. Als de nood aan den

man komt, maakt zij gebruik van den aanzienlijken voedselvoorraad,

die zij gedurende den zomer in haar hol heeft bijeengebracht. Haar

voedsel is hetzelfde als dat van alle overige Muizen; op den akker

kan zij nog al wat graan bederven; als zij den winter in woonhuizen

doorbrengt, gebruikt zij zoowel dierlijk als plantaardig voedsel;

in den zomer gebruikt zij, naar 't schijnt, allerlei kleine Insecten.

Door hare bewegingen onderscheidt de Dwergmuis zich van alle overige

soorten van de Muizenfamilie. In weerwil van hare geringe grootte

loopt zij zeer snel; zij klimt zeer vlug, behendig en sierlijk. Langs

de dunste takken van struiken, langs grashalmen, die zoo zwak zijn,

dat zij zich ter aarde neigen, wanneer het diertje zich er op bevindt,

stijgt zij, den rug naar boven of naar onderen gericht, omhoog. Bijna

even snel beklimt zij boomen; de kleine, sierlijke staart wordt dan

zoo behendig als grijpwerktuig gebezigd, alsof het kleine Knaagdier

den Brulapen de kunst heeft afgezien. Ook in het zwemmen is het zeer

bedreven; ook in het duiken is het een meester. Juist hierom kan het

overal wonen.

Vooral in een ander opzicht geeft de Dwergmuis echter bewijzen

van groote bekwaamheid. Zij is een kunstenares, zooals er onder

de Zoogdieren maar weinig gevonden worden; zij waagt het, met de

meest begaafde Vogels te wedijveren en een nest te bouwen, dat in

schoonheid de nesten van alle overige Zoogdieren verre overtreft. Haar

sierlijke woning wordt op zulk een eigenaardige wijze gebouwd, alsof

zij bij een Rietzanger of een Wevervogel in de leer is geweest. Het

Dwergmuizennest is bijna zoo groot als een vuist, en rust, al naar

de plaatselijke gesteldheid, op 20 à 30 bladen van rietgrassen,

welker toppen uitgerafeld en zoo met elkander saamgevlochten zijn,

dat zij het eigenlijke nest overal omgeven. Soms is het nest op een

afstand van 5 à 10 M. boven den grond vrij opgehangen aan de takken

van een struik, aan een riethalm of dergelijk voorwerp, zoodat het

allen schijn heeft, dat het in de lucht zweeft. De vorm van het nest

komt het meest overeen met dien van een ei, met zeer stompe punten,

b.v. met een buitengewoon, bolvormig ganzenei, waarmede het ook

in grootte nagenoeg overeenkomt. Het uitwendig bekleedsel bestaat

altijd uit de geheel in strookjes verdeelde bladen van het riet of

van andere grasachtige planten, welker stengels den grondslag van

de geheele woning uitmaken. De kleine kunstenares neemt elk blad

tusschen hare tanden, en haalt het verscheidene malen tusschen de

vlijmscherpe kronen der snijtanden door, zoodat elk blad in 6, 8,

10 of meer draadvormige strooken wordt verdeeld, die ieder aan een of

meer taaie, overlangsche bladnerven haar stevigheid ontleenen; daarna

worden deze vezels zorgvuldig dooreengeslingerd, ineengevlochten en

saamgeweven. Van binnen is het nest met aren van riet, met de wol

van de kolven der kannewasschers (_Typha_), met het vruchtpluis van

paardenbloemen, met allerlei katjes en bloemtrossen opgevuld. Een

kleine, zijdelingsche opening verleent toegang tot het nest; als men

er den vinger insteekt en het van binnen betast, blijkt het geheel

en al, zoowel van boven als van onderen, gelijkmatig glad gemaakt,

en overal zacht en donzig te zijn. De materialen van het nest zijn

zóó dicht met elkander vervilt en saamgevlochten, dat zij voor het

dier een stevige rustplaats vormen.

Als men in aanmerking neemt, dat de werktuigen, waarvan de Dwergmuis

bij dezen arbeid gebruik maakt, veel minder doelmatig zijn dan de

snavel van de bouwkunstenaars onder de Vogels, kan men niet nalaten

de kunstvaardigheid van de Dwergmuizen te bewonderen en haar hooger

te stellen, dan die van de veel beter uitgeruste, nestbouwende Vogels.

Elk nestje is hoofdzakelijk samengesteld uit de nog aan den stengel

vastgehechte bladen van de planten die de woning steunen. Een

noodzakelijk gevolg hiervan is, dat het nest van buiten bijna (of

geheel) dezelfde kleur heeft als de planten waartusschen het zich

bevindt. Daar n.l. de Dwergmuis haar paleis alleen noodig heeft voor

het groot brengen van hare jongen, en deze schielijk in staat zijn om

zich zelf te redden, is het nest in den regel reeds door hare bewoners

verlaten, voordat de bladen, die de buitenbekleeding vormen, verwelkt

zijn, en een andere kleur hebben aangenomen. In 't najaar maakt de

Muis haar nest in de graanschoven; in 't kreupelhout, aan struiken of

laag hout hangt het aan den duinkant (waar het ook, vooral in Holland,

veelvuldig voorkomt). De oude Muizen bouwen kunstiger en doelmatiger

nesten dan de jonge; deze beginnen reeds in 't eerste levensjaar

tamelijk flinke nesten te maken, die haar tot rustplaats dienen.

Drie of vier maal per jaar brengt de Dwergmuis jongen ter wereld,

telkens 5 à 8. Gewoonlijk blijven deze in hun wieg tot zij

zien kunnen. De oude dekt ze warmpjes toe, of liever, zij sluit

de opening van het nest telkens als zij uitgaat om voedsel te

zoeken. Ternauwernood zijn de jongen zoover heen, dat zij eenigermate

in hun onderhoud kunnen voorzien, of zij gaan hun eigen weg, nadat

de moeder vooraf nog gedurende een paar dagen met hen buiten verkeerd

en hun onderricht in haar beroep gegeven heeft.

Wie het geluk heeft tegenwoordig te zijn, wanneer de oude Muis

haar kroost voor de eerste maal naar buiten geleidt, zal een

allerbekoorlijkst huiselijk tafereel aanschouwen. Hoe behendig het

jonge volkje van nature moge zijn, een weinig onderricht is noodig;

bovendien is het nog te veel aan de moeder gehecht om reeds dadelijk

lust te hebben op eigen wieken te drijven en zich zelfstandig te

bewegen in de uitgestrekte, gevaarlijke wereld. Het eene jong hangt

aan dezen, een ander aan genen halm. Het eene sjirpt om door de moeder

geholpen te worden, het andere verlangt nog naar de moedermelk. Hier

wascht er zich een met de voorpootjes, daar heeft een ander een zaadje

gevonden, dat met de pootjes vastgehouden en ontbolsterd wordt. Het

vreesachtigste wijfje is nog binnen in het nest bezig, het dapperste

en vermetelste mannetje is al ver weg en zwemt misschien reeds rond

in de plas, welks bodem de pijlers van de woning draagt. Het geheele

gezin is druk in de weer, de moeder niet het minst; het eene jong

moet geholpen worden, een ander heeft behoefte aan raad, de ijver van

het stoutmoedigste kind moet ingetoomd, die van het vreesachtigste

aangewakkerd worden.

Het Leven der Dieren: Deel 1, Hoofdstuk 07: De Knaagdieren · 第 9 / 20 段