kleine, allerliefste diertjes, waarin iedereen behagen zou
scheppen,--als het maar geen Ratten waren. Dehne, die albino's van
de Bruine Rat in den gevangen staat heeft waargenomen, zegt van de
eerste jeugd der jongen en van de wijze, waarop de moeder met hen
omgaat, het volgende: "Den 1en Maart 1852 kreeg ik van een witte
Rat zeven jongen. Het oude dier had zich in de kooi van ijzerdraad
een dicht nest van stroo vervaardigd. De jongen waren zoo groot
als Meikevers en hadden een bloedroode kleur. Bij elke beweging,
die de moeder maakte, lieten zij een fijn, doordringend gepiep
hooren. Den 8en waren zij reeds tamelijk wit. Van den 13den tot den
16den werden hunne oogen geschikt om te zien. Den 18den des avonds
kwamen zij voor de eerste maal te voorschijn; toen de moeder echter
bemerkte, dat ik naar hen keek, nam zij ze één voor één in den bek
en bracht ze weder in het nest. Enkele kwamen echter weder door een
andere opening te voorschijn. Het waren allerliefste diertjes van
de grootte van Dwergmuizen, met staarten van 8 cM. lang. Den 21en
hadden zij reeds de grootte van een Gewone of Huismuis, den 28en den
omvang van een Boschmuis bereikt. Zij zogen nog nu en dan (ik zag
ze zelfs den 2en April nog zuigen), speelden onderling, vervolgden
elkander en krakeelden; dit alles deden zij zoo vlug en op zulk een
aardige wijze, dat het een lust was er naar te zien. Soms gingen
zij tot afwisseling op den rug van haar moeder zitten, en lieten
zich door haar ronddragen. Zij waren veel potsierlijker dan de witte
Huismuizen.--Den 9en April scheidde ik de moeder van hare jongen, en
plaatste haar weder bij het mannetje. Den 11en Mei wierp zij nogmaals
een aantal jongen. Van de dieren, die den 1en Maart geboren waren,
had ik sedert het begin van April een paar in een groot glas, met
een opening van 20 cM. middellijn, afgezonderd gehouden, en reeds den
11en Juni des namiddags, dus toen zij 103 dagen oud waren, kreeg ik
van hen 6 jongen. In weerwil van de wijdte van het glas, scheen de
moeder van oordeel te zijn, dat de ruimte voor hare jongen te klein
was. Tevergeefs trachtte zij een grooter nest samen te stellen,
waarbij zij dikwijls de arme kleintjes zoozeer verstopte, dat er
niets meer van hen te zien was; zij zocht ze echter altijd weer
bijeen. Zij zoogde hare jongen tot den 23en zeer goed; de kleine
dieren waren reeds een weinig wit behaard; doch op eens waren zij
allen verdwenen. De moeder had ze opgegeten!"--Reichenbach deed
verscheidene malen achtereen dezelfde ervaring op.
Goed verzorgde Ratten, die men onder nauw toezicht houdt, worden
zoo tam, dat zij veilig aangeraakt kunnen worden en tot tijdverdrijf
voor de kinderen kunnen dienen; ook kan men ze er aan gewennen zich
vrij in huis, hof en tuin te bewegen; zij loopen hare verzorgers als
Honden na, komen, als zij geroepen worden, kortom, zij zijn dan huis-
of kamerdieren in de beste beteekenis van 't woord.
Bij de Ratten in de vrije natuur komt soms een zeer eigenaardige ziekte
voor. Verscheidene van deze dieren groeien met de staarten aaneen,
en vormen dan een zoogenaamden "rattenkoning." Van dit monster, dat
men thans in verscheidene verzamelingen zien kan, heeft men zich in
vroegere tijden vaak een geheel verkeerde voorstelling gevormd. Vroeger
meende men, dat de rattenkoning, versierd met een gouden kroon, op
een aantal innig met elkander vergroeide Ratten gezeten was, en van
den zetel den geheelen rattenstaat bestuurde. Het feit, dat men soms
een aantal Ratten vindt, welker staarten stevig dooreengeward zijn,
zoodat zij zich niet bewegen kunnen, en die daarom door medelijdende
soortgenooten gevoederd moeten worden, heeft aanleiding gegeven tot
dit sprookje. Het zou kunnen zijn, dat het samenkleven der staarten
een gevolg is van het uitzweeten van een stof, die veroorzaakt wordt
door een besmettelijke ziekte; tot nu toe heeft men hierover nog geen
zekerheid gekregen. In Altenburg bewaart men een rattenkoning, die uit
27 Ratten bestaat; ook in Erfurt en in Lindenau heeft men er gevonden.
Tallooze middelen zijn reeds aangewend om de Ratten te
verdelgen. Allerlei soorten van vallen worden te dien einde met meer of
minder goed gevolg gebruikt. Om te maken dat zij goeden dienst kunnen
doen, moet men dikke handschoenen aantrekken om ze te stellen, want de
lucht, die de aanraking met de hand achterlaat, is genoeg om de Ratten
te waarschuwen. Oude Ratten, die reeds andere stamgenooten hebben zien
vangen, zijn bijna niet in een val te lokken. Als de dieren bemerken,
dat zij zeer hevig vervolgd worden, verhuizen zij niet zelden, doch
komen weder, zoodra de vervolging ophoudt. En, als zij zich ergens
op nieuw vertoonen, vermenigvuldigen zij zich in korten tijd zoo
sterk, dat de last, die men van hen ondervindt, weer even hevig is
als vroeger. De meest gebruikelijke middelen tot verdelging van de
Ratten zijn verschillende vergiften, die men neerlegt op de plaatsen,
waar deze dieren zich bij voorkeur ophouden. Het toepassen van dit
middel verdient echter afkeuring, niet alleen omdat de Ratten door het
vergif op een wreede wijze doodgemarteld worden, maar ook, omdat zij
dikwijls een deel van het door haar gebruikte voedsel weer uitbraken,
en zoodoende in sommige gevallen de voedingsmiddelen, die men tegen
hen beveiligen wil vergiftigen, en het leven van andere dieren of
van den mensen in gevaar brengen. Beter is het een mengsel van mout
en ongebluschte kalk voor de Ratten neer te zetten; als zij hiervan
gegeten hebben, zullen zij zeer dorstig worden; door het water, dat
zij drinken, wordt de kalk gebluscht, hetwelk den dood van het dier
ten gevolge heeft.
Een uitmuntende rattenval, welker uitvinding het menschelijk hart
geen eer aandoet, doch veeleer een welsprekend bewijs levert van
de arglistigheid van den aartsvijand der dieren, wordt door Lenz
beschreven: Op door de Ratten druk bezochte looppaden, b.v. tusschen
stallen, in de nabijheid van privaten, riolen en op dergelijke
plaatsen, graaft men een kuil van omstreeks vier voet diepte en
bekleedt deze van binnen met gladde, platte steenen of tegels. Een
vierkante tegel van 3 voet zijde vormt den bodem van den kuil, vier
anderen die naar boven toe smaller worden, de zijden. De vierkante
opening van den kuil moet slechts half zoo wijd zijn als de bodem,
zoodat alle zijwanden naar binnen overhellen, waardoor het aan een
Rat, die in dezen kuil gevallen is, onmogelijk wordt, er weder uit te
komen. Nu giet men op den bodem van den kuil een weinig gesmolten vet,
een weinig met water verdunden honig en andere sterk riekende stoffen,
plaatst daarop omgekeerd een bloempotje van ongeveer 5 cM. hoogte,
dat, na met honig doortrokken en met maïs, tarwe, haver, een weinig
gebraden spek en andere lekkernijen voor de Ratten gevuld te zijn,
met cement aan den bodem van den kuil bevestigd wordt; door de
nauwe opening aan den top van het potje verbreidt zich de geur van
den voor Ratten niet bereikbaren inhoud. Op den bodem van den kuil
wordt vervolgens heede gestrooid, terwijl men de opening van den
kuil met een rooster bedekt om te verhoeden dat een kip of een jong,
onervaren huisdier er in valt. Vervolgens heeft men zich niet meer
met den val te bemoeien. "Aangelokt door den aangenamen etensreuk en
de voor ligplaats zoo goed geschikte heede," schrijft Lenz, "springt
de Rat vroolijk en vol verwachting in den afgrond. Het ruikt daar zoo
heerlijk naar spek, honig, kaas en zaden, dat het Knaagdier aan de
verleiding geen weerstand kan bieden. Doch ook in den kuil moet het
met den reuk van al dat lekkers tevreden zijn, omdat het etenspotje
ontoegankelijk is." De eerste Rat, die in den kuil springt, wordt,
gelijk licht te begrijpen is, weldra door een woedenden honger gekweld,
tevergeefs slooft zij zich af om uit deze afschuwelijke gevangenis
te ontsnappen. Daar valt een tweede lekkerbek naar beneden. Wel is
dat voor de eerste gevangene een heugelijk feit! De lotgenooten
besnuffelen elkander, beraadslagen misschien ook over wat in het
gegeven geval gedaan moet worden; de eerste gevangene is echter veel
te hongerig om naar lange verhandelingen te luisteren. Haar leege
maag noopt haar tot den strijd, een verwoed gevecht, een duel op
leven en dood neemt een aanvang en de eene gevangene vermoordt de
andere. Als de oorspronkelijke bewoner van de val overwinnaar blijft,
zal hij oogenblikkelijk het lijk van zijn metgezel verslinden; als
de tweede de zege behaalt, zal hetzelfde eenige uren later plaats
hebben. Slechts hoogst zelden vindt men drie Ratten tegelijkertijd in
deze val; den volgenden dag is het aantal gevangenen stellig met één
verminderd. Om kort te gaan, de eene gevangene vreet de andere op;
de kuil blijft altijd tamelijk schoon, doch is een moordhol in de
vreeselijkste beteekenis van het woord.
De natuurlijke vijanden van de Ratten--vooral de Uilen, Raven,
Bunzingen, Wezels, Katten en sommige Honden--zijn nog de beste
verdelgers van deze dieren. Het komt echter dikwijls voor, dat een
Kat geen aanval op een Rat durft ondernemen; vooral de Bruine Rat
wordt door haar geschuwd. Dehne zag vóór de riolen van Hamburg,
Honden, Katten en Ratten vreedzaam bij elkander rondloopen; geen
dezer dieren dacht er aan, het andere den oorlog aan te doen.--Ook
ik zou vele voorbeelden kunnen aanhalen van Katten, die zich niet
met de Ratten inlaten. Evenals bij de andere huisdieren dappere en
lafhartige individuën voorkomen, vindt men ook bij de Katten gezinnen,
welker leden zich door grooten moed onderscheiden en hartstochtelijke
liefhebbers zijn van de rattenjacht, nevens andere die hiervoor
den moed missen. Het kost aan de Kat in 't eerst veel moeite, een
zoo kwaadaardig Knaagdier te overwinnen. Een van onze Katten ving
reeds Ratten, toen zij te nauwernood het derde gedeelte van haar
definitieve grootte had bereikt. Zij vervolgde de prooi met zulk
een ijver, dat zij zich eens door een sterke Rat over het geheele
erf en tot aan een muur liet voortslepen, zonder haar vijand los te
laten, die zij eindelijk door een flinken beet buiten gevecht wist
te stellen. Na dezen dag is zij de verwoedste vijandin der Ratten
gebleven, en heeft zij ons huis bijna geheel van dit ongedierte
gezuiverd. Het is hiervoor trouwens niet eens volstrekt noodig,
dat een Kat aanhoudend Ratten vangt; zij verdrijft ze reeds door
haar voortdurend rondsluipen in stallen en schuren, in kamers en
kelders. Het is te begrijpen, dat de Ratten het zeer onaangenaam
vinden, met haar aartsvijandin onder één dak te wonen. Zij zijn dan
geen oogenblik veilig. Onhoorbaar komt de Kat in 't holste van den
nacht aansluipen; geen enkel waarschuwend geritsel verraadt haar
nadering; in alle gaten loeren haar groenachtige onheilspellende,
glinsterende oogen; naast de meest bezochte looppaden der Ratten
ligt zij op een verborgen plaats in hinderlaag, en, voordat deze
dieren eenig gevaar vermoeden, bespringt zij er een van, en houdt
het met hare puntige klauwen en scherpe hoektanden zoo stevig vast,
dat het maar zelden den dans ontspringen, den dood ontloopen kan. Zulk
een leven is zelfs voor een Rat niet om uit te houden. Zij verhuist
liever naar een plaats waar haar minder zorgen kwellen. De Kat is
dus de beste helpster van den mensch in zijn strijd tegen de listige
Knaagdieren. De Bunzing en de Wezel bewijzen ons in dezen bijna even
belangrijke diensten, de eerstgenoemde binnenshuis, de andere in
den tuin en in de nabijheid van schuren en stallen. Tegen de schade,
die deze Roofdieren ons kunnen veroorzaken, door van tijd tot tijd
eieren, Duiven, kuikens, of ook wel Hoenderen te rooven, kan men
voorzorgsmaatregelen nemen: men kan er voor zorgen, dat het kippenhok
en de duiventil behoorlijk gesloten en ontoegankelijk zijn; tegen de
Ratten baten zulke maatregelen echter niet. Het is daarom wenschelijk,
dat de genoemde slanke roovers beschermd worden en gespaard blijven,
zooveel zulks mogelijk is.
Veel liefelijker, bevalliger en sierlijker dan de leelijke,
langstaartige gauwdieven, die zooeven beschreven werden, zijn de
_Muizen_; ook zij echter zijn, in weerwil van haar fraaie gestalte en
haar vroolijk en proper uiterlijk, groote vijanden van den mensch en
worden door hem bijna met dezelfde woede vervolgd als hare grootere
en minder bevallige verwanten. Men kan gerust verzekeren, dat iedereen
een Muis, die in een hokje is opgesloten, een aardig dier zal noemen;
zelfs de dames, die in den regel een hevige, ofschoon volkomen
ongegronde vrees koesteren voor een Muis, die haar in de keuken of in
den kelder voorbijloopt, zullen bij het zien van een gevangen Muis
moeten erkennen, dat zij een lief schepseltje is. Te verwonderen is
het echter niet, dat de scherpe knaagtanden en de snoepzucht der
Muis zelfs een teeder vrouwenhart met ergernis en toorn vervullen
kunnen. Het is waarlijk niet aangenaam, dat men voortdurend bezorgd
moet zijn voor het behoud van alle levensbehoeften, zelfs wanneer
zij achter slot en grendel geborgen zijn; het is om uit zijn vel te
springen, dat er eigenlijk geen plekje in 't geheele huis te vinden
is, waar men geheel alleen baas kan zijn en niet lastig gevallen
wordt door die kleine, viervoetige indringers, die zelfs toegang
weten te verkrijgen tot plaatsen, die voor de Ratten ontoegankelijk
zijn. Natuurlijk is het daarom, dat tegen haar een verdelgingsstrijd
wordt gevoerd, die waarschijnlijk nimmer eindigen zal.
In Nederland leven drie soorten van Echte Muizen, n.l. de _Huismuis_,
de _Boschmuis_ en de _Dwergmuis_. Vooral de eerste en de laatste
verdienen een uitvoeriger beschrijving, ofschoon ook de Boschmuis
den mensch maar al te dikwijls te na komt en een kennismaking met dit
diertje derhalve noodzakelijk is. De beide eerstgenoemde worden overal
onmeedoogend vervolgd; de laatstgenoemde echter vindt, zoolang zij
niet al te driest wordt, wegens haar buitengewoon sierlijke gestalte,
hare lieftalligheid en eigenaardige levenswijze, genade in de oogen
van den heer der schepping.
Hoewel men de _Brandmuis_ of _Akkermuis_ tot dusver nog niet met
volkomen zekerheid als bewoner van ons land heeft leeren kennen, is het
toch wenschelijk ook haar hier te vermelden; daar zij in Duitschland
op betrekkelijk korten afstand van onze grenzen op sommige plaatsen
talrijk voorkomt en groote schade aanricht, waaruit de mogelijkheid
voortvloeit, dat zij te eenigertijd ook hier te lande waargenomen
zal worden.
De _Gewone Muis_ of _Huismuis_ (_Mus musculus_), hoewel fijner en
sierlijker gebouwd en ook aanmerkelijk kleiner dan de Zwarte Rat,
vertoont door haar gestalte met deze eenige overeenkomst. Haar lengte
bedraagt 18 cM., met inbegrip van den 9 cM. langen staart. Op dit
lichaamsdeel vindt men 180 uit schubben bestaande ringen. De vacht
van deze Muis is éénkleurig; de geelachtig of grijsachtig zwarte
kleur der bovendeelen gaat onmerkbaar in de iets lichtere kleur der
onderdeelen over; de voeten en de teenen zijn geelachtig grijs.
De _Boschmuis_ (_Mus sylvaticus_) wordt nagenoeg 23 cM. lang; van deze
lengte komt ongeveer de helft op den staart, die tennaastenbij 150
uit schubben bestaande ringen bezit. Haar vacht is tweekleurig. De
bovendeelen van het lichaam zijn grijs met een bruinachtig gele
tint; de onderdeelen en ook de voeten zijn wit van kleur; de beide
genoemde kleuren zijn scherp van elkander gescheiden. De Huismuis
en de Boschmuis verschillen van de Brandmuis en de Dwergmuis,
door de grootere lengte harer ooren, die, tegen de zijden van den
kop aangedrukt, het oog bereiken, wat bij de beide andere soorten
niet het geval is. "De bijzonder lange achterpooten maken, dat deze
Muis zich veel meer huppelend, springend voortbeweegt dan de andere
Muizen. Daarom wordt zij in sommige gedeelten van Groningen wel
'_Springer_' genoemd." (Ritzema Bos.)
De _Brandmuis_ of _Akkermuis_ (_Mus agrarius_) wordt omstreeks 19
cM. lang, met inbegrip van den 8 1/2 cM. langen staart. De bovenste
deelen van het lichaam zijn bruinachtig rood met een zwarte,
overlangsche streep op den rug; de benedendeelen en de voeten zijn
wit, welke kleur scherp begrensd is; dit dier is dus driekleurig. De
staart heeft ongeveer 120 uit schubben bestaande ringen.
De lichaamslengte van de _Dwergmuis_ (_Mus minutus_) bedraagt
slechts 12 à 13 cM., waarvan nagenoeg 6 cM. op den staart komen. De
hoogte in de schouderstreek bedraagt slechts 2 1/4 cM., het gewicht
wisselt af van 4 tot 8 1/2 gram. De Dwergmuis draagt dus haar naam
met recht; er bestaat slechts één inheemsch Zoogdier, dat kleiner
is, n.l. de Dwerg-spitsmuis. De kleur van de vacht is tamelijk
verschillend. Gewoonlijk is zij tweekleurig: de bovenzijde van 't
lichaam is dan bruinachtig rood met geelachtige tint, de onderzijde
is wit, evenals de teenen; de afscheiding tusschen deze beide kleuren
is zeer scherp. De kleur van de bovendeelen kan echter meer of minder
donker zijn, ook wel meer roodachtig of meer bruinachtig, meer grauw
of meer geel; het kan voorkomen, dat de kleur van de bovenzijde niet
zeer scherp afgescheiden is van die der onderzijde. Bij jonge dieren
zijn voorts de verhoudingen tusschen de afmetingen der verschillende
lichaamsdeelen anders dan bij oude; ook hebben zij een andere, meer
grijze kleur.
Al deze Muizen vertoonen in woonplaats, levenswijze en uiterlijk
veel overeenkomst met elkander, ofschoon ieder van deze dieren
eigenaardigheden heeft. In één opzicht stemmen de drie eerstgenoemde
overeen, n.l. dat zij, althans van tijd tot tijd, een groote voorliefde
voor de verblijfplaats van den mensch laten blijken. Alle drie komen
zij, vooral des winters, veelvuldig in de huizen voor, zoowel in den
kelder als op den zolder, in de kamers zoowel als in de keuken. De
Huismuis is hier echter veelvuldiger dan hare verwanten. De Dwergmuis
zouden wij hier nog bij kunnen noemen, daar zij in den winter dikwijls
in groot aantal voorkomt onder koornschelven, of ook wel in schuren,
waar zij met de ingeoogste producten wordt binnengebracht. Geen van de
drie eerstgenoemde soorten is uitsluitend gebonden aan de woonplaats,
waaraan zij haar naam ontleent; de Boschmuis leeft even goed van tijd
tot tijd in schuren en huizen als op het veld; de Akkermuis wordt
evenmin uitsluitend op akkers aangetroffen als de Huismuis zich
uitsluitend tot de woningen van den mensch bepaalt. De namen dezer
dieren duiden eenvoudig de woonplaats aan, die bij voorkeur door hen
gekozen wordt.
De _Huismuis_ was reeds in overouden tijd een getrouwe metgezel
van den mensch; zij wordt reeds door Aristoteles en Plinius als een
zeer veelvuldig voorkomend dier vermeld; Albertus Magnus heeft haar
nauwkeurig beschreven. Tegenwoordig is zij over de geheele wereld
verbreid. De Huismuis koloniseerde de aardoppervlakte tegelijk met den
mensch; zij volgde hem tot in het barre noorden en tot in de hoogst
gelegen Alpenhutten. Waarschijnlijk zijn er slechts weinig plekjes
op den aardbol te vinden, waar dit dier in den tegenwoordigen tijd
nog niet voorkomt; bovendien kan van deze plaatsen alleen gezegd
worden, dat het er tot nog toe niet waargenomen is, niet, dat het
er ontbreekt. Zoo wordt b.v. bericht, dat men op de Soenda-eilanden
geen Muizen vindt.--Alle gedeelten van de woning van den mensch dienen
haar tot verblijfplaats. Op het land leeft zij gedurende het gunstige
jaargetijde ook wel buitenshuis, n.l. in den tuin of in naburige
velden en boschjes; in de stad bepaalt zij zich tot de woonhuizen en
bijgebouwen. Hier vindt zij in elke spleet, in elke holte, kortom in
elk hoekje, waarin zij wegkruipen kan, een voldoende schuilplaats,
vanwaar uit zij hare strooptochten onderneemt.
De Huismuis is een buitengewoon behendig en beweeglijk dier. Met
zeer groote snelheid loopt zij over den vlakken grond; zij klimt
voortreffelijk, springt erg ver en huppelt dikwijls gedurende geruimen
tijd met korte sprongen over den bodem voort. Bij gevangen Muizen
kan men zeer goed waarnemen, hoe behendig ze al deze bewegingen
maken. Als men een Muis op een schuins omhoog gespannen touw of
op een stokje laat loopen, slingert zij, zoodra zij het evenwicht
verliest, haar staart schielijk om het touw of om het stokje,
herstelt hierdoor het evenwicht en klimt vervolgens verder. Als men
haar op een zeer buigzamen halm neerzet, klimt zij omhoog, totdat zij
den top van den halm bereikt heeft; als de halm door haar gewicht
nedergebogen wordt, gaat zij er met den rug naar onderen gericht
aan hangen en daalt vervolgens langzaam naar beneden, zonder ooit
in verlegenheid te komen. Bij het klimmen bewijst de staart haar
belangrijke diensten. Muizen, wien men een stuk van den staart
had afgesneden om haar een vreemd voorkomen te verschaffen, waren
niet meer in staat in 't klimmen met hare langstaartige zusters te
concurreeren. Allerliefst zijn de verschillende houdingen, die de
Muizen aannemen kunnen. Elke buiging, elke beweging geschiedt met
gratie. Zelfs wanneer de Muis stilzit, ziet zij er bevallig uit;
den aangenaamsten indruk brengt zij echter teweeg, wanneer zij,
volgens de gewoonte der Knaagdieren, op haar achterste rust en zich
met hare voorpooten reinigt en wascht. Zij kan nog wel andere kunstjes
doen, o.a. zich geheel en al op de achterpooten oprichten, evenals de
mensch, en zoo zelfs eenige schreden doen. Hierbij maakt zij slechts
van tijd tot tijd van haar staart als steunsel gebruik. Zij is ook
in 't zwemmen ervaren, ofschoon zij slechts in gevallen van hoogen
nood te water gaat. Als men haar in 't water werpt, ziet men, dat zij
zich bijna even snel als de Waterrat en de Dwergmuis voortbeweegt, en
naar de eerste beste droge plaats zwemt om erop te klimmen en zich in
veiligheid te stellen. Hare zintuigen zijn uitmuntend; zij hoort het
zwakste gedruisch en heeft een zeer fijnen reuk, waardoor zij zelfs
ver verwijderde voorwerpen kan waarnemen; ook kan zij vrij goed zien,
des nachts misschien beter dan over dag. Ieder, die de levenswijze van
de Huismuis nagaat, zal haar schranderheid bewonderen. Zoo boosaardig,
arglistig en bijtlustig de Ratten zijn, zoo goedaardig en vreedzaam
is zij. Bekend is haar nieuwsgierigheid; alles wordt door haar op de
zorgvuldigste wijze onderzocht. Hare listigheid en schranderheid doen
haar spoedig inzien, waar zij geduld wordt en waar niet; overal, waar
men haar met vrede laat, geraakt zij mettertijd zoozeer aan den mensch
gewoon, dat zij in zijn tegenwoordigheid heen en weer loopt en hare
bezigheden verricht, alsof zij geen stoornis te vreezen heeft. Reeds
na een gevangenschap van weinige dagen gedraagt zij zich allerliefst;
zelfs oude Muizen worden nog tamelijk mak; de jonge echter overtreffen
de meeste Knaagdieren, die geschikt zijn om gevangen gehouden te
worden, door hare goedaardigheid en argeloosheid. Merkwaardig is de
liefde voor de muziek, die bij de Muizen wordt opgemerkt. Welluidende
tonen lokken haar uit haar schuilplaats naar buiten en doen haar
alle vrees vergeten. Op klaarlichten dag komt zij in kamers, waar
een muziekinstrument bespeeld wordt; vertrekken waar geregeld muziek
gemaakt wordt, zijn ten slotte hare meest geliefde verblijfplaatsen.
In den laatsten tijd komen in verscheidene tijdschriften berichten
over "zingende Muizen" voor; ook heb ik een aantal meer directe
mededeelingen over dit onderwerp ontvangen. Al deze berichten
stemmen in dit opzicht overeen, dat men hier en daar, nu en dan
Huismuizen heeft opgemerkt, die het gepiep en gekwetter, dat haar
van nature eigen is, wijzigen tot geluiden, die aan het gezang van
Vogels herinneren. Enkele berichtgevers spreken met geestdrift
over het gezang van de Muis en vergelijken het met dat van den
Kanarievogel of zelfs van den Nachtegaal; andere oordeelen er
kalmer en waarschijnlijk juister over. De onderwijzer Schacht, een
even betrouwbare als ontwikkelde opmerker, heeft een tijdlang zulk
een zingende Muis gehad, die haar gezang meestal in de schemering,
dikwijls eerst in den nacht liet hooren. Met den helderen slag van
een Kanarievogel of met de smeltende melodiën van een Nachtegaal,
had dit muizengezang niet de minste overeenkomst. Het was slechts een
gekwetter, een mengelmoes van sleepende, gonzende en piepende toonen,
die men in de nachtelijke stilte nog op een afstand van 20 schreden
hooren kon. Het "gezang" van een andere zingende Muis, dat door den
onderwijzer Müller werd waargenomen, bestond "uit opeenvolgende,
zachte, fluitende tonen, die in 't eene oogenblik langzaam, in
't andere sneller werden uitgebracht en in 't laatstgenoemde geval
duidelijk herinnerden aan het gezang van een Vogel, met dit verschil,
dat zij aanmerkelijk zwakker waren." Deze Muis werd door muziek tot
zingen opgewekt en floot dan soms ook over dag. Beide hiertoe bedoelde
zingende Muizen waren mannetjes; het is dus niet onmogelijk dat ook
bij deze diersoort de zoete gave van het gezang hoofdzakelijk aan de
mannelijke sekse ten deel gevallen is. Pechuel-Loesche heeft maanden
lang twee in een keuken vrij rondloopende, zoogenaamde zingende Muizen
te gelijkertijd beluisterd. Van de eene hoorde men niets anders dan
een ongeregeld gesjirp met trillers, doormengd met een zacht snorren,
smakken of hikken en af en toe ook met een zwak gesnork, de andere
had meer weeke tonen tot zijn beschikking, sommige van deze werden
langer aangehouden, waardoor een min of meer welluidend geheel werd
voortgebracht. Het zou echter juister zijn van het tjilpen en niet
het zingen der Muizen te spreken.