in engeren zin (_Murinae_) zijn, wat haar aard en hare handelingen
betreft, ons maar al te wel bekend. Tot deze groep behooren ook die
soorten, welke zich met den mensch over de geheele wereld verbreid,
en zich zelfs op de eenzaamste eilanden gevestigd hebben. Het is nog
niet zoo lang geleden dat deze dieren zich over de wereld begonnen te
verspreiden; voor vele plaatsen is zelfs het jaar, waarin zij voor
't eerst hier optraden, met juistheid bekend; thans echter hebben
zij hun rondreis om de wereld volbracht. Nergens is de mensch hun
dankbaar voor de volhardende gehechtheid, die zij voor zijn persoon,
zijn huis, zijn hof aan den dag leggen; overal vervolgt en haat hij
hen op de onmeedoogendste wijze; alle middelen stelt hij in 't werk
om zich van hen te bevrijden, toch blijven zij aan hem verknocht,
trouwer nog dan de Hond, trouwer dan eenig ander dier. Ongelukkig
zijn deze aanhankelijke huisvrienden afschuwelijke gauwdieven; als
echte spitsboeven uitgerust, weten zij zich overal te nestelen en
bereiden hun gastheer niets anders dan schade en verdriet. Hierdoor
is het te verklaren, dat alle echte Muizen kortweg voor leelijke,
akelige dieren worden uitgescholden, hoewel zij in werkelijkheid in
den regel dezen naam niet verdienen, maar veeleer sierlijke, bevallige,
aardige wezentjes zijn.
Reeds door het gewone spraakgebruik worden in deze onderfamilie
twee hoofdgroepen onderscheiden, de _Ratten_ en de _Muizen_; deze
verdeeling is ook wetenschappelijk juist. De Ratten zijn de plompste
en leelijkste, de Muizen de lichtste en sierlijkste vormen. Bij gene
heeft de staart 200 à 270 uit schubben bestaande ringen, bij deze 120
à 180; de eerstgenoemde hebben dikke en krachtige, de andere slanke
en fijne voeten; de Ratten zijn in volwassen toestand aanmerkelijk
grooter dan hunne bevalliger verwanten.
Het is nagenoeg zeker, dat de Ratten die tegenwoordig in Europa
gevonden worden, hier oorspronkelijk niet inheemsch waren, maar
van elders zijn gekomen. Bij de schrijvers der oudheid komt slechts
één enkel bericht voor, dat op Ratten betrekking kan hebben. Welke
soort Amyntas bedoeld heeft in zijn door Aelianus aangehaalde
mededeeling, is nog niet uitgemaakt. De _Zwarte Rat_ is het eerst
in Europa en ook in ons land verschenen of opgemerkt, op haar volgde
de _Bruine Rat_; bij deze beide heeft zich in den laatsten tijd nog
gevoegd (althans in Zuid-Europa en ook reeds in sommige gewesten van
Zuid-Duitschland) de uit Egypte afkomstige _Egyptische Rat_ of _Dakrat_
(_Mus alexandrinus_). De Bruine Rat, de sterkste van de drie, verdrijft
en vernietigt hare beide verwanten en heeft zich bijna overal meester
gemaakt van de alleenheerschappij. Het is te hopen, dat wij geen last
krijgen van andere reislustige leden der Muizen-familie, en vooral,
dat wij verschoond zullen blijven van een immigratie der _Hamsterrat_
(_Mus_ of _Cricetomys gambianus_), die onze Ratten niet alleen
door haar grootte, maar ook door haar werkzaamheid ver overtreft en
tegenwoordig aan de kooplieden te Zanzibar meer moeite veroorzaakt
dan alle Europeesche Ratten te zamen genomen: wij zouden, als dit
dier tot ons kwam, eens recht ondervinden wat een Rat kan uitrichten.
Voor ons doel zal een beschrijving van de beide meest bekende soorten,
de _Zwarte Rat_ en de _Bruine Rat_, voldoende zijn.
De _Zwarte Rat_ (_Mus rattus_) heeft, met inbegrip van den 19
cM. langen staart, een lengte van 35 cM.; de bovendeelen zijn
donker van kleur, bruinzwart, de onderdeelen een weinig lichter,
grauwzwart. De pooten hebben een grijsachtig bruine, zelden een iets
lichtere kleur. Aan den betrekkelijk slanken staart neemt men 260
à 270 uit schubben bestaande ringen waar. Albino's (wezens die zich
door gemis van de huidkleurstof onderscheiden) komen onder haar niet
zelden voor.
Wanneer deze soort voor 't eerst in Europa verschenen is, kan niet met
zekerheid opgegeven worden. Albertus Magnus is de eerste dierkundige,
die de Zwarte Rat als een Duitsch dier vermeldt; zij was dus hier
reeds in de 13e eeuw inheemsch. Gesner noemt haar een dier dat
"menigeen beter kent, dan hem lief is"; de bisschop van Autun sprak
in het begin der 15e eeuw de banvloek der kerk over haar uit. 't Zou
kunnen zijn, dat zij uit Perzië afkomstig is, waar zij tegenwoordig
in ongeloofelijk groot aantal voorkomt. Tot in de eerste helft van
de vorige eeuw voerde zij in Europa de opperheerschappij; sinds
dezen tijd heeft de Bruine Rat haar dit gebied betwist, overal waar
dit geschiedde, heeft zij moeten wijken. Toch is zij ook thans nog
over nagenoeg alle werelddeelen verbreid; zij komt echter slechts
zelden in grooten getale voor, maar leeft bijna overal afzonderlijk
en ver uiteen. Naar het schijnt, is zij in Duitschland bijna overal
verdwenen; toch zijn o.a. nog in Noordwest-Duitschland (Bremen,
Luneburg) en in Thüringen (bij Rudolstad) woonplaatsen van de
Zwarte Rat bekend. Prof. Ritzema Bos schrijft hierover het volgende
(Landbouwdierkunde, Dl. I, p. 97): "Dat langzamerhand de Zwarte Rat in
Europa vermindert, in vele streken zeldzamer wordt, of zelfs geheel
verdwijnt, is het noodzakelijke gevolg van de voorrechten, welke de
sterkere overal in de natuur boven den zwakkere heeft. En dat dit niet
alleen in bepaalde streken, maar in 't algemeen het geval is, blijkt
o.a. zeer duidelijk uit de prijslijsten van verschillende handelaars
in opgezette dieren. Terwijl op die van voor 15 à 20 jaar de Zwarte
Rat bijkans altijd naast de Bruine werd genoemd, en weinig duurder
was dan deze, vindt men haar nu dikwijls niet meer vermeld, of ten
opzichte van de Bruine Rat verbazend in prijs gestegen.--Zooveel
is zeker, dat een twintigtal jaren geleden, de Zwarte Ratten ten
onzent nog veel meer voorkwamen dan tegenwoordig, nu men ze in ons
land bijna nergens meer in aanzienlijke hoeveelheid aantreft. Voor
tien tot vijftien jaren was de Zwarte Rat de heerschende soort in
't binnenste, oudste gedeelte van de stad Groningen, het gedeelte
dat door een aaneenschakeling van singels (de vroegere grachten der
stad) van het nieuwe gedeelte is afgescheiden. Een tijdlang hadden
dus die singels de verspreiding van de Bruine Rat tegengegaan, die
in 't nieuwe gedeelte der stad reeds de zwakkere zuster geheel had
verdreven; natuurlijk werd weldra de kleine hinderpaal overschreden,
en thans vindt men in 't oudere gedeelte van Groningen, geloof ik, ook
geen Zwarte Ratten meer; in elk geval zijn ze er zeldzamer geworden,
terwijl de sterkere Bruine Rat er nu de heerschappij voert."
De Zwarte Rat is den mensch gevolgd in alle klimaten der aarde; zij
reisde met hem te land en over zee de wereld door. Ongetwijfeld was
zij vroeger in Amerika, Australië en Afrika niet inheemsch, maar de
schepen brachten haar naar alle kusten, en van de kusten trok zij
al verder en verder het land in. Tegenwoordig vindt men haar ook
in de zuidelijke gedeelten van Azië, met name in Indië, in Afrika,
vooral in Egypte, Barbarije en aan de Kaap de Goede Hoop, in Amerika,
in Australië, en op de eilanden in de Groote Zuidzee.
De _Bruine Rat_ (_Mus decumanus_) is aanmerkelijk grooter dan haar
zwakkere mededingster, n.l. 42 cM. lang, met inbegrip van den 18
cM. langen staart, waarop men ongeveer 210 geschubde ringen telt;
de kleur van de bovendeelen is anders dan die van de onderdeelen;
beide kleuren zijn scherp van elkander gescheiden. De bovendeelen
van kop, romp, ledematen en staart zijn bruinachtig grijs, de
onderdeelen grijsachtig wit. Soms komen aan de bovenzijde der
voorvoeten bruinachtige haartjes voor; ook treft men zwarte, vale en
bonte exemplaren aan; voorts albino's (wit met roode oogen). De bonte
exemplaren zijn òf zwart met wit, òf grijs en wit; bijna altijd zijn
bij hen de kop, de hals, de schouders en de voorpooten, benevens
een meer of minder breede streep over den rug, zwart (of grijs),
de overige deelen wit.
Met groote waarschijnlijkheid mag men aannemen, dat de Bruine Rat uit
Indië en Perzië tot ons is gekomen. Aan Pallas heeft men de eerste
betrouwbare berichten over het doordringen van de Bruine Rat in Europa
te danken. Deze onderzoeker bericht, dat zij in den herfst van 1727
na een aardbeving in groote scharen uit de landen om de Kaspische zee
naar den oostelijken oever van den Wolga is verhuisd, en in Europa is
binnengetrokken door bij Astrakan de rivier over te zwemmen. Vanhier
uit verbreidde zij zich schielijk over de westelijke landen. Bijna
ter zelfder tijd, n.l. in 1732, werd zij op schepen uit Oost-Indië
naar Engeland overgebracht en begon nu vanhier uit haar reis om de
wereld. In Oost-Pruisen verscheen zij in het jaar 1750, te Parijs reeds
in 1753, in Duitschland was zij reeds in 1780 overal veelvuldig; in
Zwitserland kent men haar eerst sedert het jaar 1809 en in Denemarken
omstreeks dezelfden tijd als inheemsch dier. In het jaar 1755 kwam zij
voor het eerst in Noord-Amerika en vermenigvuldigde zich ook hier in
zeer korten tijd ongeloofelijk snel, terwijl zij zich over een groot
gebied verbreidde; toch was zij in 1825 nog niet voorbij Kingston
in Opper-Canada doorgedrongen en had in 1880 de bovenloop van den
Missouri nog niet bereikt. Alle door den oceaan bespoelde, bewoonbare
gewesten, zelfs de eenzaamste en afgelegenste eilanden, dienen echter
tegenwoordig tot verblijfplaats aan de Bruine Rat. Grooter en sterker
dan de Zwarte Rat, maakt zij zich overal meester van de plaatsen waar
deze vroeger rustig leefde; haar verbreiding neemt in dezelfde mate
toe, als die van haar mededingster afneemt.
Door levenswijze, zeden en gewoonten, uiterlijk enz. stemmen beide
Ratten zoozeer overeen, dat men de eene schildert, zoo men de andere
beschrijft. Wanneer men in 't oog houdt, dat de Bruine Rat zich bij
voorkeur in de onderste localiteiten van de gebouwen en vooral in
vochtige kelders en gewelven, riolen, sluizen, zinkputten en aan de
oevers van rivieren nestelt, terwijl de Zwarte Rat meer voorliefde
heeft voor het bovenste deel van het huis, voor koornzolders, dakkamers
enz., zal er niet veel overblijven, wat beide soorten van elkander
onderscheidt. De eene zoowel als de andere neemt iedere ruimte in
de woning van den mensch als woonplaats voor lief, en bezoekt elke
denkbare plaats, waar voedsel voor haar te vinden kan zijn. Van den
kelder tot aan den zolder, van de pronkkamer tot in het privaat,
van het paleis tot in de hut, overal treft men haar aan. Tegen haar
beschermen geene omheiningen noch muren, geene deuren of sloten:
waar geen toegang bestaat, maken zij er een; door de sterkste eiken
balken en door dikke muren knagen zij zich gangen. Alleen wanneer
men de fondamenten diep in den grond legt, alle voegen tusschen de
steenen flink met stevig cement aanvult, waarna het misschien als
voorzorgsmaatregel nog noodig zal zijn, een laag glasscherven te
midden van het metselwerk aan te brengen, is men tamelijk goed tegen
hen beveiligd.
Het vernielen van de woningen, het afschuwelijke stukknagen en
doorwoelen van de afscheidingen is nog maar het geringste van de
schade, die de Ratten kunnen aanrichten. Veel grooter nadeel brengen
zij te weeg door hetgeen zij opeten. Al wat eetbaar is, valt in haar
smaak. De mensch eet niets wat ook niet door de Rat gegeten wordt,
en zij bepaalt zich niet tot den voedselvoorraad, maar maakt evenzeer
gebruik van de dranken van den mensch. Er mankeert nog maar aan,
dat de Ratten brandewijn en jenever leeren drinken, om te kunnen
zeggen, dat dit ongedierte alle voedings- en genotmiddelen die door
het menschelijk geslacht zijn uitgevonden, mede helpt opmaken. Niet
tevreden met deze reeds zoo ruim voorziene spijskaart, vallen de
Ratten ook zeer gretig op allerlei andere voorwerpen en met name op
levende wezens aan. De walgelijkste afval uit de huishouding van
den mensch is in bepaalde gevallen nog van haar gading, rottende
krengen vinden in haar liefhebbers. Zij verslinden leder en hoorn,
zaden en boomschors, of liever gezegd alle mogelijke stoffen en
dierlijken en plantaardigen oorsprong. Wat zij niet opeten kunnen,
wordt toch stuk geknaagd; op suikerriet- en koffie-plantages richten
zij soms een ontzettende schade aan. Er zijn voorbeelden van bekend,
dat zij kleine kinderen bij levenden lijve opgegeten hebben; iedere
eigenaar van kleinvee weet trouwens door ervaring, hoe erg sommige van
zijne huisdieren door de Ratten vervolgd worden. Zeer vette Zwijnen
vreten zij gaten in 't lichaam, dicht opeengepakte Ganzen knabbelen
zij de zwemvliezen tusschen de teenen weg, jonge Eenden trekken zij
onder water om ze te verdrinken, den wilde-dieren-handelaar Hagenbeck
hebben zij eens drie jonge Olifanten gedood door de voetzolen van
deze kolossale dieren stuk te knagen.
Als zij buitengewoon veelvuldig zijn op een plaats, kan men het
er werkelijk bijna niet meer uithouden. En er zijn plaatsen waar
zij in zoo grooten getale voorkomen, dat wij ons hiervan nagenoeg
geen begrip kunnen vormen. In Parijs werden in den tijd van vier
weken niet minder dan 10.000 stuks Ratten in een enkel slachthuis
doodgeslagen; in een vilderij in de nabijheid van genoemde hoofdstad
verslonden zij in een enkelen nacht 35 lijken van Paarden, zoodat
er alleen de beenderen van overbleven. Zoodra zij bemerken, dat de
mensch tegenover haar machteloos is, neemt haar onbeschaamdheid op
een waarlijk verbazende wijze toe. Las Cases verhaalt, dat Napoleon,
evenals de getrouwen, die den gevallen veroveraar in zijne ballingschap
op St. Helena gevolgd waren, den 27en Juni 1816 zonder ontbijt moest
blijven, omdat de Ratten gedurende den vorigen nacht in de keuken
waren binnengedrongen en alles medegenomen hadden. Zij waren op dit
verbanningsoord in groote menigte voorhanden, zeer kwaadaardig en
buitengewoon stoutmoedig. Gewoonlijk hadden zij maar weinige dagen
noodig om de muren en de houten beschotten van de eenvoudige woning
van den keizer te doorknagen. Terwijl Napoleon aan den disch zat,
kwamen zij in de eetzaal; na den maaltijd moesten de bedienden met deze
Knaagdieren letterlijk oorlog voeren om de gerechten van de tafel te
kunnen nemen. Het plan om Hoenderen en ander pluimvee te houden moest
opgegeven worden, omdat de Ratten ze verslonden; zij haalden de Vogels
's nachts uit de boomen weg, waarop deze dieren zaten te slapen. In de
factorijen of gebouwen van de handelsondernemingen op verre kusten,
waar met de ruilartikelen ook Bruine Ratten heengevoerd werden,
zijn deze dieren buitengewoon lastig, en richten zij soms groote
schade aan. Alle reizigers, en vooral de verzamelaars van planten
en dieren, klagen er over, dat de Ratten dikwijls zeer zeldzame
voorwerpen vernielden, die met groote moeite verkregen waren en dat
zij hen niet zelden door hare woeste gevechten en wilde drijfjachten
op den bodem, langs de wanden en op de daken van hun slaapvertrek in
hun nachtrust stoorden.
Ook de zeelieden zijn niet best over de Ratten te spreken, want er
is geen schip, of het heeft deze kwelduivels aan boord. Op de oude
vaartuigen zijn zij niet uit te roeien, en de nieuwe nemen zij dadelijk
in bezit, zoodra de eerste lading er in gebracht wordt. Gedurende
lange zeereizen vermenigvuldigen zij zich dikwijls op een ontzettende
wijze, vooral als zij genoeg voedsel kunnen vinden, en maken dan het
verblijf op het schip bijna onverdragelijk. Toen het schip van den
noordpoolreiziger Kane in de nabijheid van 80° N.B. was vastgevroren,
waren de Ratten aan boord zoo zeer in aantal toegenomen, dat zij
een geweldige schade aanrichtten. Men beproefde ze door verstikkende
gassen te dooden. Alle luiken werden gesloten, en onder in 't schip
werd een mengsel van zwavel, rattenkruid en leder aangestoken. De
bemanning bracht den kouden nacht van den laatsten September op het
dek door, in de hoop nu voor goed van het lastige ongedierte bevrijd
te zullen zijn. Den volgenden morgen bespeurde zij, dat dit middel
niet gebaat had. De Ratten waren even gezond als altijd. Toen ontstak
men in het hol van het schip een groote hoeveelheid houtskolen, om
de dieren te dooden door het gas (kooloxyde of kolendamp), dat bij
de onvolledige verbranding gevormd wordt. Na verloop van korten tijd
was de gesloten ruimte zoo sterk met dit gas gevuld, dat twee lieden,
die de onvoorzichtigheid hadden er in neer te dalen, onmiddellijk
bewusteloos op den grond vielen en niet dan na veel moeite weer op
het dek gebracht konden worden. Een lantaarn, die men in het ruim
liet zakken, ging oogenblikkelijk uit; plotseling begon echter
op een ander gedeelte van het vaartuig een deel van de steenkool
en ook van het houtwerk te gloeien; het gelukte eerst na groote
inspanning, en nadat de gezagvoerder in levensgevaar had verkeerd,
het vuur te blusschen. Den volgenden dag vond men niet meer dan 28
lijken van Ratten; de overblijvende vermenigvuldigden zich vóór den
volgenden winter zoo sterk, dat men niets meer voor hare aanvallen
kon vrijwaren. Zij knaagden de pelzen, kleederen en schoenen stuk,
nestelden zich in de bedden, sloegen haar verblijf op in handschoenen,
mutsen en voorraadkisten, verslonden de proviand en ontsnapten met
veel list en sluwheid aan alle vervolgingen. Men probeerde toen een
ander middel. De schranderste en moedigste Hond werd in de gewone
verblijfplaats van de Ratten, in 't hol van 't schip, neergelaten, om
daar de orde te herstellen; weldra echter bleek het uit het jammerlijk
gehuil van dit dier, dat het niet tegen de Ratten opgewassen was
en dat deze ook nu nog den baas speelden. Men haalde den Hond uit
zijn gevangenis te voorschijn en bemerkte, dat de Ratten hem reeds
de huid van de voetzolen afgevreten hadden. Later stelde een Eskimo
voor, de Ratten één voor één met pijlen dood te schieten; deze jager
was zoo gelukkig, dat Kane, die de buitgemaakte dieren liet koken,
gedurende den langen winter voortdurend versch vleesch voor de soep
had. Eindelijk ving men een Vos levend; deze werd in het hol van het
schip opgesloten, en scheen zich hier zeer wel te bevinden; hij leefde
zeer vergenoegd van de Ratten, die hij kon vangen zooveel hij verkoos.
In alle lichaamsoefeningen zijn de Ratten zeer bedreven. Zij
loopen snel en met behendigheid, klauteren uitmuntend en kunnen
zelfs langs vrij gladde muren omhoog gaan; zij zwemmen meesterlijk,
weten een tamelijk ver afgelegen plek met zekerheid door één sprong
te bereiken en kunnen vrij goed graven, ofschoon zij dit niet graag
lang achtereen doen. De sterkere Bruine Rat is, naar het schijnt,
nog behendiger dan de Zwarte; zij zwemt althans veel beter en steekt
haar zwarte stamgenoot, naar het schijnt, ook in het klauteren de loef
af. Duiken kan zij bijna even goed als echte waterdieren. Zij beweegt
zich in 't water gemakkelijk genoeg om de eigenlijke bewoners van het
vochtige element goed na te jagen. Dikwijls handelt zij alsof het
water haar eigenlijke woonplaats is. Als men haar schrik aanjaagt,
neemt zij onmiddellijk de vlucht naar een rivier, een vijver of
een sloot. Als het noodig is, zwemt zij, zonder uit te rusten, den
breedsten waterplas over, of loopt gedurende verscheidene minuten
over den bodem van dien plas voort. Hier te lande wordt de Bruine
Rat daarom dikwijls "Waterrat" genoemd. De Zwarte Rat begeeft zich
alleen in den uitersten nood te water, ofschoon zij eveneens in de
zwemkunst zeer goed bedreven is.
Onder hare zinnen staan het gehoor en de reuk bovenaan, vooral het
gehoor is voortreffelijk, doch ook haar gezicht is niet slecht,
en van haar smaak geven de Ratten maar al te dikwijls deugdelijke
bewijzen in de provisiekast, waar zij altijd de lekkerste spijzen
weten te vinden. Van hare verstandelijke vermogens behoef ik na het
voorafgaande niet veel meer te zeggen. Men kan waarlijk niet ontkennen,
dat zij verstandig zijn, en evenmin, dat men bij haar een berekenende
list en een zekere sluwheid waarneemt, die vooral blijken uit de
wijze waarop zij aan de meest verschillende gevaren weten te ontkomen.
Zooals reeds gezegd is, woedt er tusschen de beide soorten van Ratten
een eeuwigdurende strijd, waarvan het sneuvelen der zwakste partij
altijd het einde is. Maar Ratten van dezelfde soort bevechten elkander
eveneens onverpoosd. Op plaatsen, waar zij veelvuldig zijn, houden
des nachts de beweging en het geraas geen oogenblik op; want de strijd
houdt ook dan nog aan, als een deel der strijders reeds op de vlucht
geslagen is. Zeer oude, bijtlustige mannetjes worden soms door hunne
stamgenooten in den ban gedaan en zoeken een stille, eenzame plaats op,
waar zij brommig en ontevreden hunne laatste levensjaren doorbrengen.
Reeds meermalen heeft men er over gestreden, hoe de Ratten het
aanleggen om eieren te vervoeren, zonder ze te breken. Onzekerheid
over haar handelwijze kan niet meer bestaan, sedert een onderzoeker
als K. von Dalla Forre de volgende, in 't jaar 1880 door hem zelf
waargenomen handelingen van de Ratten heeft openbaar gemaakt. "In
den kelder van een huis te Innsbruck werden in dezen winter telkens
weer eenige eieren vermist, die men hier voor het koude jaargetijde
bewaard had. Natuurlijk viel de verdenking in de eerste plaats op
de dienstbode, die nu alles in het werk stelde om haar onschuld te
bewijzen, maar--te vergeefs. Om uit dezen onaangenamen toestand te
geraken ging zij op de loer liggen en werd hierdoor getuige van de
list, die de diefachtige Ratten aanwenden om in 't bezit van de eieren
te komen. De eieren lagen ongeregeld op een hoop bijeen; begeerig
naar buit kwam een Rat uit haar schuilhoek te voorschijn, weldra
gevolgd door een tweede. De eerste vatte een ei met de voorpooten
aan en schoof het, door de andere Rat geholpen, een weinig op zijde,
zoover zij het met eenige krachtige rukken brengen kon. Hierop vatte
de eerste Rat het ei met de voorpooten aan en omvaamde het stevig,
op de wijze waarop de Spinnen haar eierzak vasthouden. Natuurlijk kon
zij zich nu niet meer bewegen, daar de voorpooten gebruikt moesten
worden voor 't vasthouden van den buit. Toen greep de tweede Rat den
staart van de eerste met den bek en trok haar in groote haast en zonder
eenigen omslag te maken naar het gat, waaruit zij gekomen waren! De
geheele handeling--waarin zij, naar het aantal ontbrekende eieren te
rekenen, reeds tamelijk geoefend waren,--duurde nauwelijks 2 minuten;
één uur nadat het diefachtige paar van het schouwtooneel verdwenen
was, kwam het opnieuw voor den dag, stellig met dezelfde bedoeling
als vroeger. Door de welwillendheid van de familie, in welker huis het
beschreven voorval plaats had, werd ik in staat gesteld om ooggetuige
te zijn van zulk een verschijnsel, dat naar de dienstbode verzekerde,
steeds op dezelfde wijze plaats had."