Hoewel deze diertjes talrijk zijn in de door hen bewoonde gewesten,

ziet men ze hier tamelijk zelden. Men kan ze wel niet schuw noemen,

maar zij zijn onrustig en vreesachtig en begeven zich bij het geringste

gedruisch en zoodra zij een vreemd voorwerp zien, zoo schielijk

mogelijk naar hunne holen. Bovendien vallen zij eerst op geringen

afstand in 't oog, omdat hun kleur volkomen met die van 't zand

overeenkomt en men tamelijk dicht bij hen moet zijn, voordat men ze

bemerkt; met hunne fijn bewerktuigde zintuigen kunnen zij daarentegen

de nadering van den mensch reeds op grooten afstand waarnemen. Wel

mag men zeggen, dat het moeite zal kosten een aanvalliger schepseltje

aan te wijzen, dan deze Springmuis. Vreemdsoortig en schijnbaar

wanstaltig moge haar voorkomen zijn, als men haar dood in de

hand heeft of bewegingloos ziet zitten, bevallig is echter haar

uitzicht, als zij in beweging geraakt. Eerst dan doen deze dieren

zich kennen als echte kinderen van de woestijn, openbaren zij hunne

merkwaardige begaafdheden. Zij bewegen zich met een snelheid die

aan het ongeloofelijke grenst; 't is alsof zij vleugels hebben. Geen

mensch is in staat een Springmuis in volle vaart bij te houden. Hoewel

de Woestijn-springmuis een echt nachtdier is en hare zwerftochten

eerst na zonsondergang begint, ziet men haar toch ook soms bij helder

zonlicht, ja zelfs gedurende de heetste uren van den dag voor haar

woning zitten en met hare soortgenooten spelen. De onverschilligheid

voor den verzengenden gloed van de middagzon in Afrika, die zij bij

deze gelegenheid openbaart, is werkelijk bewonderenswaardig; vooral

als men bedenkt, dat nagenoeg geen enkel dier op dezen tijd van den

dag zich in de woestijn beweegt, wijl de brandende hitte dan zelfs voor

de echte bewoners van dit verheven landschap in den volsten zin van 't

woord onverdragelijk is. Voor koude en vochtigheid daarentegen is zij

zeer gevoelig; bij slecht weder blijft zij daarom altijd verborgen in

haar hol; ook vervalt zij dan wel in een toestand van verstijving, die

aan den winterslaap van de bewoners der noordelijke gewesten herinnert.

Over de voortplanting van de Woestijn-springmuis is niets met zekerheid

bekend. De Arabieren maken ijverig jacht op dit dier, omdat zij zijn

vleesch eten en op tamelijk hoogen prijs stellen; zonder groote moeite

vangen zij het levend of slaan het dood als het uit zijn hol komt.

Behalve den mensch hebben deze dieren weinig vijanden. De Fenek en de

Karakal en misschien ook de een of andere Uil zijn de gevaarlijkste

warmbloedige roovers, die het op hen gemunt hebben; veel gevaarlijker

wordt voor hen de Egyptische Brilslang. Deze leeft nl. op soortgelijke

plaatsen als de Springmuizen, dringt zonder moeite door in de holen,

die zij graven en doodt er vele van.

De Europeesche dierenliefhebbers, die in Egypte wonen, houden dikwijls

Springmuizen in gevangenschap. Op grond van mijn eigen ervaring kan

ik verzekeren, dat men veel genoegen kan hebben van zulke in een hok

of in een kamer opgesloten dieren. Gedurende mijn verblijf in Afrika

werden mij dikwijls 10 of 12 stuks tegelijk gebracht. Ik gaf dan aan

zulk een gezelschap een groote kamer tot woonplaats om de bewegingen

dezer dieren te kunnen nagaan. Van 't eerste oogenblik af waren zij

mak. Zonder bezwaar lieten zij toe, dat men ze aanraakte, en deden

zelfs geen pogingen om den mensch te ontwijken. Bij het rondgaan

in hun kamer moet men oppassen niet op hen te trappen, zoo rustig

bleven zij zitten, als iemand op hen af kwam. Tegenover elkander

zijn de springmuizen ook in de gevangenschap buitengewoon vreedzaam

en gezellig. Zij zijn aan armoedig en droog voedsel gewoon. Als

het droge voedsel haar geheel onthouden wordt, gaan zij treuren,

verliezen haar gezondheid en sterven eindelijk. Wanneer zij tarwe,

rijst, een weinig melk en af en toe een druif, een stukje appel,

een wortel of zoo iets krijgen, blijven zij welvarend en kunnen lang

in de gevangenschap leven. In den laatsten tijd is het geen groote

zeldzaamheid meer, dat zij naar Europa gebracht worden.

Van alle Knaagdieren, die ik tot dusver in gevangenschap hield, zijn

mij de Springmuizen het best bevallen. Wegens hare eigenschappen

moet ieder wel van haar houden. Zij zijn zoo merkwaardig argeloos,

zoo vriendelijk, tam, zindelijk, en, als zij haar slaapje uit hebben,

zoo vroolijk en vlug, elk van hare bewegingen is zoo eigenaardig en

zij weten hierin zooveel afwisseling te brengen, dat men zich uren

lang met haar kan bezig houden.

Voor haar verzorger is de Springmuis zeer lieftallig. Nooit komt het

haar in de gedachte den persoon te bijten, die haar opneemt. Men kan

haar aanraken, liefkoozen, ronddragen: alles is haar goed. Wanneer

iemand haar 's avonds een vinger toesteekt tusschen de traliën van haar

hok door, gebeurt het wel, dat zij dien aanvat, en met de tanden een

weinig langs den vingertop schaaft, waarschijnlijk omdat zij meent,

dat men haar iets te eten wil geven; van werkelijke pogingen om te

bijten is ook dan zelfs geen sprake. Het komt mij voor, dat men de

Springmuis zeer goed in een salon of pronkkamer zou kunnen houden,

zoo goedaardig, argeloos en zindelijk is dit dier.

Door het maaksel van den schedel, van het gebit en vooral van de

achterpooten verschillen de _Zandspringers_ (_Scirtetes_) van de

Woestijn-springmuizen. Bij hen is een lang en stevig middelvoetsbeen

aanwezig, dat van onderen drie gewrichtsvlakken heeft voor de

aanhechting van de drie teenen, die met den grond in aanraking komen;

aan weerszijden van het groote middelvoetsbeen bevindt zich een korter

been, dat een bijteen draagt, die den grond niet raakt. De achtervoet

is dus met vijf teenen voorzien.

Door de uitmuntende beschrijvingen van Pallas, Brandt en anderen,

zijn wij vooral met de _Paardepoot-springmuis_, den _Alakdaga_

der Mongolen (_Scirtetes jaculus_) bekend geworden. Dit dier heeft

ongeveer de grootte van een Eekhoorntje; zonder den 26 cM. langen

staart heeft het een lengte van 18 cM. De ooren zijn zoo lang als de

kop. Deze is werkelijk fraai en heeft levendige, uitpuilende oogen

met cirkelvormige pupil, groote, lange en smalle ooren, die langer

zijn dan de kop en zeer lange snorharen met zwartachtig grijze spitsen

aan weerszijden van de bovenlip. De achterpooten zijn bijna viermaal

zoo lang als de voorpooten. De middelste teen is de langste, want de

beide zijdelingsche teenen reiken niet voorbij het eerste lid van de

middelste en de twee bijteenen zijn, zooals reeds opgemerkt werd, zoo

hoog geplaatst en kort, dat zij bij 't gaan den grond niet aanraken.

Hoewel de Paardepoot-springmuis ook in het zuidoosten van Europa

voorkomt, vooral in de steppen aan den Don en in de Krim, is Azië

toch haar eigenlijk vaderland. Noordwaarts komt zij niet verder dan

de 52e breedtegraad; oostwaarts strekt haar verbreidingsgebied zich

uit tot in het oosten van Mongolië.

Evenals de Djerboa de woestijnen van Afrika bewoont, leeft de Alakdaga

in de open vlakten van het steppengebied van Zuid-Europa en Azië,

vooral echter op leemachtigen grond; het eigenlijke, rondkorrelige zand

vermijdt hij, omdat dit geen voldoende stevigheid voor zijne gangen en

holen aanbiedt. Hij leeft gezellig evenals zijne verwanten, doch niet

in groote troepen bijeen. Over dag rust hij, verborgen in zijn kunstig

hol, na het vallen van de schemering zwerft hij rond, maar keert des

nachts herhaaldelijk naar zijn hol terug. Zijne bewegingen gelijken op

die van zijne reeds genoemde verwanten. Als hij rustig graast, loopt

hij, evenals een Kengoeroe, die met zijn maal bezig is, op alle vier;

de snellere beweging geschiedt springend op de achterpooten. Naar

men zegt, maakt hij nog grooter sprongen dan de Woestijn-springmuis,

en is hij hierdoor in staat zoo snel te vluchten, dat een Paard hem

niet inhalen kan. Schuw en vreesachtig van aard neemt hij reeds

bij het geringste gevaar de vlucht; zelfs als hij rustig graast,

richt hij zich van tijd tot tijd op om de omgeving te bespieden. Als

hij vervolgd wordt, springt hij niet volgens een rechte lijn weg,

maar verandert zooveel mogelijk zigzagswijs van richting, totdat hij

zijn vervolger afgemat, of een voor hem geschikt hol gevonden heeft,

waarin hij zich oogenblikkelijk verbergt.

De Alakdaga eet allerlei soorten van planten en allerlei deelen

van planten. Zijn voornaamste voedsel bestaat uit bollen; Insecten

versmaadt hij echter niet; nu en dan zal hij waarschijnlijk wel

eens zijn maal doen met een Steppen-leeuwerik of althans met diens

eieren en jongen. Van struiken knaagt hij de schors af, van de

kruidachtige planten der steppe vreet hij echter alleen de jongste

uitspruitsels. Als de felle koude begint, valt de Paardepoot-springmuis

in slaap. Bij 't naderen van den winter sluit hij de uitgangen zijner

onderaardsche galerijen zorgvuldiger af dan gewoonlijk en rolt zich

met andere dieren van zijn soort in de zacht bekleede kamer van het

hol tot een kluwen ineen.

De Alakdaga wordt tamelijk sterk vervolgd, daar de steppenbewoners

zeer veel houden van zijn vleesch. Slechts hoogst zelden houden de

nomaden van deze steppen een Alakdaga in gevangenschap, ofschoon

hij deze zeer goed verdraagt. Men heeft hem reeds meermalen levend

in Europa gehad, waar hij niet alleen voor tijdverdrijf diende, maar

ook soms voor een wetenschappelijk doel. De beste beschrijving van het

leven van dit dier in de gevangenschap, hebben wij n.l. te danken aan

den oudheidkundige Haym. Om een gouden munt uit Cyrene te verklaren,

waarop aan de eene zijde een ruiter, aan de ander echter het beroemde

kruid _Silphium_ [2] met een Zandspringer er onder afgebeeld was,

schafte Haym zich een Alakdaga aan, hield hem meer dan een jaar lang

in leven, teekende zorgvuldig op, wat er aan dit dier op te merken

viel en gaf hiervan een nauwkeurig verslag.

Gedurende de 3 of 4 eerste maanden van zijn leven in de gevangenschap,

at deze Zandspringer niets anders dan amandelen, pistaches (de

eetbare vruchten van een in Syrië en Mesopotamië inheemschen, in de

oeverlanden van de Middellandsche zee gekweekten boom, _Pistacia

vera_) en gebroken graan, zonder ooit te drinken; later gebruikte

hij ook appels, peenen en nog liever kruiden, maar alleen zulke,

die weinig geur hebben, zooals spinazie, salade, brandnetels, enz.;

hij dronk toen ook nu en dan gaarne water, hoewel men Haym gezegd

had, dat dit nooit geschiedde. Hij hield veel van brood, suiker en

soortgelijke voedingsmiddelen; kaas en alle andere melkspijzen roerde

hij nooit aan. Ten slotte gaf hij aan hennepzaad de voorkeur boven

ieder ander voedsel. Hij verbreidde volstrekt geen onaangenamen reuk,

zooals andere Knaagdieren--Muizen, Eekhoorns en Konijnen--doen; ook

was hij zoo zachtaardig, dat men hem gerust in de handen kon nemen;

hij beet nooit. Vreesachtig als een Haas, was hij zelfs bang voor

diertjes, die kleiner waren dan hij en geen kwaad konden doen. In

het koude jaargetijde had hij veel last van den lagen warmtegraad;

des winters moest men derhalve zijn hok altijd in de nabijheid van

het vuur plaatsen. Toch was niet het klimaat, maar een noodlottig

toeval de oorzaak van den dood van dit dier.

De _Springende Haas_, door de Hollandsch sprekende bewoners van

Zuid-Afrika ook wel _Aardmannetje_ genoemd (_Pedetes caffer_),

wordt tegenwoordig als vertegenwoordiger van een afzonderlijke

onder-familie beschouwd. Van de overige Spring-knaagdieren verschilt

hij aanmerkelijk door zijn gebit en ook nog in verschillende andere

opzichten. De langwerpige romp neemt van voren naar achteren allengs

in dikte toe, de hals is tamelijk dik, maar duidelijk van den romp te

onderscheiden en veel beweeglijker dan bij de verwante geslachten;

de voorpooten zijn ook bij hem nog kort, maar toch veel krachtiger

dan bij de Springmuizen; hunne vijf teenen zijn met stevige, lange,

sterk gekromde klauwen gewapend; de achterste ledematen daarentegen

zijn lange, krachtige springpooten, hebben vier teenen, die ieder

door een afzonderlijk middelvoetsbeen gedragen worden; zij dragen

stevige, breede, maar tamelijk korte, bijna hoefvormige nagels. De

middelste teen van den achterpoot is langer dan de overige teenen; de

korte buitenteen is zoo hoog geplaatst, dat hij den grond bijna niet

aanraakt. De zeer lange, krachtige, dicht en ruig behaarde, aan den

oorsprong nog dunne staart, wordt door de overvloedige beharing naar de

spits toe dikker en loopt uit in een stomp eindigenden haarkwast. Het

lange, dichte, overvloedige en zachte haarkleed van den Springhaas,

dat, wat de kleur betreft, een in 't oog loopende overeenkomst met het

vel van onzen Haas vertoont, is aan de bovenzijde roest-bruinachtig

vaalgeel (met bijmenging van zwart, omdat vele haren zwarte spitsen

hebben), aan de onderzijde echter wit. In grootte komt dit dier,

ongeveer met onzen Haas overeen: de lichaamslengte bedraagt ongeveer

60 cM.; de hierbij niet meegerekende staart is nog iets langer.

De Springende Haas bewoont armoedige landstreken en zelfs

woestijnachtige steppen. Hij is over een groot deel van Zuid-Afrika

verbreid, komt in het westen minstens tot op de breedte van Angola en

in het oosten stellig nog in Duitsch Oost-Afrika voor. In het Kaapland

is hij op sommige plaatsen zeer veelvuldig, zoowel in bergstreken

als in open vlakten, soms vindt men deze dieren in zulk een groot

aantal bijeen, dat zij echte koloniën vormen. Op soortgelijke wijze

als zijne verwanten graaft hij onderaardsche woningen met lange

gangen, die gewoonlijk sterk vertakt en op korten afstand van de

oppervlakte gelegen zijn en naar een op grooter diepte voorkomende

kamer leiden. Meestal dient zulk een woning tot verblijfplaats aan

verscheidene paren, ja zelfs aan geheele familiën.

Daar hij, evenals de andere leden van zijn familie, een nachtdier is,

begint zijn bedrijvigheid eerst, als de avondschemering invalt. Hij

komt langzaam uit zijn woning te voorschijn, en beweegt zich op

alle vier ledematen terwijl hij zijn voedsel zoekt, dat uit wortels,

bladeren en zaden bestaat; zijn beweging verdient dan eer den naam van

kruipen dan van loopen. Bijna iedere minuut gaat hij op de achterpooten

staan luisteren, want hij is voortdurend hoogst onrustig. Wanneer hij

niet eet, poetst hij zich, en wanneer hij zich niet poetst, toont hij

zich bekommerd over zijn veiligheid. Somtijds laat hij een soort van

geknor of geblaat hooren, waarschijnlijk om zijne metgezellen bijeen te

roepen. Het voedsel brengt hij, evenals de Springmuizen, met de korte

voorpooten naar den mond. Zoo langzaam hij voortschrijdt, wanneer

hij op alle vier gaat, zoo snel is zijn uit schielijk opeenvolgende

sprongen bestaande loopbeweging. Door het strekken van de lange

achterpooten verheft hij zich boven den bodem en komt weer op de

achterpooten terecht, zonder met de voorpooten, die tegen de borst

aangedrukt blijven, den grond aan te raken. Gewoonlijk bedraagt

de sprongwijdte 2 à 3 M.; zoodra hij vervolgd wordt, vermeerdert

echter zijn snelheid zoodanig, dat de gemiddelde sprongwijdte 6 à 10

M. bedraagt.

Bij den aanvang van 't regenseizoen blijft, naar men zegt, de geheele

familie dikwijls dagen achtereen, ineengerold en dicht tegen elkander

aangedrukt, binnen haar woning. Bij goede verzorging verdraagt de

Springende Haas de gevangenis zeer goed en gedurende langen tijd;

weldra wordt hij tam en stelt vertrouwen in zijn verzorger. Wegens

zijn zindelijkheid verdient hij als huisdier aanbeveling; voedsel kan

men hem gemakkelijk verschaffen: met tarwe, brood, salade en kool is

hij best tevreden.

De Hollandsche Boeren in Zuid-Afrika vinden veel vermaak in de jacht

op dit dier; zijn vleesch wordt met smaak gegeten en het vel op

soortgelijke wijze gebruikt als dat van onzen Haas.

Om ons zoo grondig mogelijk bekend te maken met den aard der

Knaagdieren, is geen andere familie van deze orde zoo goed geschikt,

als die welke de _Muizen_ (_Muridae_) omvat. Deze familie is niet

alleen het rijkst van alle aan geslachten en soorten, maar is ook

verreweg het meest verbreid; haar verbreidingsgebied, althans dat

van sommige soorten, neemt zelfs, dank zij haar gehechtheid aan den

mensch, tot op den huidigen dag voortdurend toe. Hare leden zijn

doorgaans klein van stuk, maar zij vergoeden, meer dan wenschelijk

is, door talrijkheid, wat er aan de grootte van ieder individu te

kort komt. Om een algemeene voorstelling te geven van de geheele

familie, kan men zeggen, dat zij gekenmerkt is door den spitsen snuit,

de groote, zwarte oogen, de breede en holle, zeer schraal behaarde

ooren, den langen, behaarden of (niet minder dikwijls) onbehaarden,

en dan met schubben bedekten staart, en de sierlijke pooten, met

smalle, fijne vijfteenige voeten; voorts door de kortharige, zachte

vacht. Wat haar algemeene gedaante betreft, vertoonen echter vele

Muizen een toenadering tot andere familiën van de Knaagdieren-orde:

stekelig bovenhaar herinnert aan de Stekelzwijnen; echte zwemvoeten,

korte ooren en pooten doen aan de Bevers denken; een dicht behaarde

staart roept ons het beeld van den Eekhoorn voor den geest enz. In

overeenstemming met deze uitwendig zichtbare afwijkingen van den

algemeenen vorm, is ook de bouw van het gebit in mindere of meerdere

mate gewijzigd.

De Muizen zijn wereldburgers, tot groote schade voor de menschheid. In

alle werelddeelen komen leden van deze familie voor; de weinig

talrijke, gelukkige eilanden, die tot dusver van een bezoek van de

genoemde Knaagdieren verschoond bleven, zullen vroeger of later nog

wel bevolkt worden door één soort, die door haar reislust reeds een

ontzaglijk groot verbreidingsgebied heeft verkregen. De Muizen bewonen

alle landstreken en alle klimaten; wel geven zij de voorkeur aan de

vlakten van gematigde en warme gewesten boven het gure hoogland en

het koude noorden; maar ook hier worden zij gevonden tot daar, waar de

plantengroei ophoudt; zij komen dus ook nog voor in de onmiddellijke

nabijheid van de eeuwigdurende sneeuw der gebergten. Goed bebouwde

landerijen, vruchtbare akkers, plantages worden onvoorwaardelijk door

haar het liefst als woonplaats gekozen; moerassige plaatsen, oevers van

rivieren en beken, verschaffen haar echter evenzeer het noodige; zelfs

op dorre, droge, met weinig gras en struikgewas begroeide vlakten,

zien zij nog kans om in haar levensonderhoud te voorzien. Eenige

vermijden de nabijheid van plaatsen, waar de mensch zich gevestigd

heeft; andere dringen zich als ongenoode gasten aan hem op, en volgen

hem overal, waar hij zich metterwoon nederzet, zelfs naar overzeesche

gewesten. Zij bevolken huis en hof, schuur en stal, tuin en veld,

weide en bosch, overal richten zij met de scherpe werktuigen harer

vraatzucht schade en onheil aan. Er zijn er maar weinige onder,

die eenzaam of bij paren leven; de meeste houden van gezelligheid;

sommige soorten vormen soms ontzaglijk groote scharen. Bijna alle

soorten vermenigvuldigen zich buitengewoon sterk, want het aantal

jongen van een enkelen worp wisselt van 6 tot 21 af; de meeste planten

zich ieder verscheidene malen voort, zelfs in den winter.

De Muizen plagen en kwellen den mensch op allerlei wijzen; hare

eigenschappen stellen haar, naar 't schijnt, juist hiertoe, in

staat. Vlug en behendig in hare bewegingen, kunnen zij uitmuntend

loopen, springen, klimmen, zwemmen; zij zien kans haar lichaam door de

nauwste openingen heen te wringen; wanneer zij geen toegangsopeningen

vinden, maken zij die met haar scherp gebit. Zij zijn tamelijk

schrander en voorzichtig, maar tevens driest, brutaal, onbeschaamd,

listig en moedig; hare zinnen zijn over 't geheel genomen fijn,

hoewel de reuk en het gehoor verreweg de overhand hebben. Haar

voedsel bestaat uit alle eetbare voortbrengselen van het planten-

en dierenrijk: zaden, vruchten, wortels, schors, kruiden, gras,

bloemen vormen haar gewone voedsel; niet minder graag echter eten

zij Insecten, vleesch, vet, bloed en melk, boter en kaas, huiden en

beenderen; wat zij niet opeten kunnen, knagen zij toch stuk, zooals

b.v. papier en hout. Water drinken zij over 't algemeen slechts zelden:

daarentegen zijn zij buitengewoon verlekkerd op alle vloeistoffen

die voedingsmiddelen bevatten, en wenden allerlei listen aan om ze

te verkrijgen. Zij vernielen altijd veel meer, dan zij gebruiken;

door deze hebbelijkheid worden zij de onaangenaamste vijanden van den

mensch. Slechts zeer weinig Muizen zijn onschadelijke dieren en hebben

wegens haar sierlijke gestalte, de bevalligheid van hare bewegingen

en haar innemend uiterlijk genade in onze oogen gevonden. Dit geldt

vooral van de knapste bouwkunstenaars van deze familie, die boven alle

Zoogdieren uitmunten door de kunstige nesten, die zij vervaardigen,

en die door haar gering aantal en de kleine hoeveelheid voedsel,

welke zij noodig hebben, niet veel last veroorzaken. Eenige soorten,

die gewesten van den kouden en gematigden aardgordel bewonen, houden

winterslaap en brengen vooraf wintervoorraad bijeen; andere ondernemen,

tot tallooze scharen vereenigd, van tijd tot tijd verhuizingen,

die echter in den regel noodlottig voor haar zijn.

Voor de gevangenschap zijn weinig soorten geschikt; want slechts

een gering aantal laten zich gemakkelijk temmen en zijn verdraagzaam

ten opzichte van hare soortgenooten. De overige zijn ook in de kooi

onaangename, onverdraagzame, bijtlustige gasten, die de vriendschap,

welke men haar bewijst, en de verzorging, die zij vereischen, slecht

vergelden. Nuttig in den eigelijken zin van 't woord zijn de Muizen

nooit, want hoewel men van sommige soorten het vel gebruikt, of zelfs

het vleesch eet, komen deze geringe voordeelen niet in aanmerking

nevens de ontzaglijke schade, die deze familie als geheel beschouwd

aanricht.

De _Renmuizen_ worden in een afzonderlijke onderfamilie

(_Merionidinae_) geplaatst, omdat zij zich door verschillende

eigenaardigheden van alle overige leden der familie onderscheiden;

het meest valt hiervan in 't oog de van voren tot achteren dicht

behaarde staart.

Haar verbreidingsgebied is beperkt tot Afrika, het zuiden van Azië

en het zuidoosten van Europa. Bij voorkeur bewonen zij gewesten, die

in cultuur gebracht zijn; zij komen echter ook in de dorste vlakten

en steppen voor, dikwijls zelfs in buitengewoon grooten getale. De

meeste graven op tamelijk geringen afstand van de oppervlakte

onderaardsche gangen, waarin zij den dag doorbrengen. Hare bewegingen

zijn buitengewoon snel en vlug; enkele kunnen, naar het schijnt,

groote sprongen doen.

Wegens de verwoestingen, die de Renmuizen aanrichten op de akkers,

worden zij door de bewoners van de landen, waar zij voorkomen,

evenzeer gehaat en vervolgd als onze Ratten.

De _Zand-Renmuis_ (_Psammomys obesus_) heeft ongeveer de grootte van

onze Bruine Rat, maar een veel korteren staart, daar deze slechts 13

cM. lang is bij een totale lichaamslengte van 32 cM.; van boven is

zij roodachtig zandkleurig, zwart gesprenkeld, aan de zijden en van

onderen lichtgeel.

In Egypte ziet men deze Muis op zandige plaatsen van de Woestijn; zeer

veelvuldig is zij ook op de hoopen puin, die alle steden van het rijk

der Pharaonen omgeven. Zij legt onderaardsche gangen en galerijen aan,

die veelvuldig vertakt en tamelijk diep zijn; het liefst doet zij dit

onder en tusschen het lage kreupelhout en de weinig talrijke, kruipende

planten, die de door haar bewoonde plaatsen schraal genoeg bedekken

en haar tevens het dagelijksch brood verschaffen. Daar zij zich ook

over dag voor haar woning vertoont, kan men haar gemakkelijk leeren

kennen. Dikwijls ziet men 10 à 15 van deze dieren tegelijk rondloopen,

met elkander spelen en aan de een of andere plant knabbelen. De

Zand-renmuis is van die leden der Knaagdieren-orde, welke men voor

de gezelligheid gevangen houdt, een van de aardigste. Zij wordt

merkwaardig tam, komt uit haar hok, loopt onbevreesd op de tafel

rond, laat toe, dat men haar aanraakt en in de hand neemt, zonder

aanstalten te maken om te bijten. De groote, niet sterk uitpuilende

oogen en de fraaie vacht dragen veel bij tot den aangenamen indruk,

dien dit dier op den toeschouwer maakt; ook de dichtbehaarde staart,

met een zwarten haarkwast aan de spits, staat haar goed.

Het Leven der Dieren: Deel 1, Hoofdstuk 07: De Knaagdieren · 第 6 / 20 段