Alle werkzaamheden van den Bever staan in zulk een nauw verband met

zijne gewoonten en behoeften, dat men zijn levenswijze schildert,

wanneer men deze werkzaamheden beschrijft. Evenals de meeste

Knaagdieren werken zij gedurende den nacht; alleen in zeer afgelegen

landstreken, waar zij in langen tijd geen mensch te zien krijgen,

zijn zij ook over dag aan den arbeid. "Kort na zonsondergang verlaten

zij hunne rustplaatsen, fluiten luid en laten zich met een plomp in

't water vallen. Zij zwemmen een tijdlang rond in de nabijheid van

den oever, tegen den stroom op even snel als met den stroom mede, en

houden, naarmate zij zich min of meer veilig achten, hetzij den neus en

het voorhoofd, òf den kop en den rug boven water. Na de veiligheid van

de omgeving onderzocht te hebben, gaan zij aan land, waar zij zich tot

op een afstand van 50 schreden of nog verder van den oever begeven,

om de boomen af te snijden, die zij voor hun voeding of voor hunne

bouwwerken noodig hebben." Takken, die eenige cM. dik zijn, worden in

eens door den Bever afgebeten; boomen brengt hij ten val door in den

stam een ringvormige groeve te knagen en deze aan de naar het water

gerichte zijde dieper te maken, totdat de boom naar die zijde overhelt

en in 't water valt. De sporen, die zijn arbeid op den stam achterlaat,

bestaan uit tallooze, vlakke, schelpvormige insnijdingen, die zoo glad

en scherp zijn, alsof zij met een zwak gebogen beitel uitgehouwen

werden. Soms snijden de Bevers stammen van meer dan mansdikte af,

dit doen zij ook wel in Duitschland. Takken met vele twijgen worden

vóór het wegsleepen nauwkeurig bezichtigd, in sommige gevallen in

stukken verdeeld, hinderlijke takstompjes worden afgesneden, alle

stukken hout daarna in 't water gesleept en hier ontschorst of voor

latere tijden bewaard. Eerst nadat de stok geschild is, gebruikt de

Bever hem als bouwmateriaal, haalt hem uit het water, sleept hem naar

de naastbijgelegen hut en geeft hem hier een bestemming. Van een regel

bij het rangschikken van de voor 't bouwen dienende stokken is niets

te bespeuren. Op een doelmatige wijze wordt in de behoeften voorzien,

aan een regelmatige plaatsing van de bouwstoffen echter niet gedacht:

eenige stokken liggen horizontaal, andere scheef, nog andere verticaal,

enkele steken met het eene einde ver buiten de wanden van de hut uit,

andere zijn geheel met aarde bedekt. Er wordt trouwens voortdurend

iets aan de woning veranderd, vergroot en verbeterd. Alle voor het

dichtstoppen en de bekleeding vereischte materialen, zooals aarde,

zand, leem of slib worden op verschillende wijzen, maar toch altijd

slechts met den bek en met de voorvoeten vervoerd en alleen met

de voorvoeten verwerkt. De staart wordt hierbij hoogstens voor het

behouden van het evenwicht, nooit als troffel gebruikt. Wel is het

mogelijk, dat de zware achter hem aansleepende staart, die soms niet

minder dan 2 KG. weegt, tot het gladmaken der slibbedekking bijdraagt.

Evenals bij de meeste dieren is het wijfje van den Bever bij het

bouwen met het belangrijkste deel van den arbeid belast, het mannetje

verricht hoofdzakelijk oppermanswerk. Beide arbeiden gedurende het

geheele jaar, hoewel niet altijd met denzelfden ijver. In den zomer

en in het begin van den herfst zijn zij vaker aan 't spelen dan aan

het voltooien van de woning; vóór het invallen van het koude weder

arbeiden zij daarentegen onverpoosd gedurende den geheelen nacht. Zij

hebben een fijn voorgevoel van de naderende weersgesteldheid en nemen

hiertegen de best mogelijke voorzorgsmaatregelen.

Het voedsel van de Bevers bestaat voornamelijk uit de schors en de

bladeren van verschillende boomen. Van alle takken, die ik mijne

gevangenen toewierp, kozen zij het allereerst die van den wilg uit,

en alleen wanneer deze ontbraken, namen zij takken van witte, zwarte

en ratel-populieren, esschen en berken, het minst graag die van

elzen en eiken. Harde takken, die zij met de voorvoeten aanvatten

en aanhoudend ronddraaien, ontschorsen zij zeer netjes en behendig;

zij schillen ze zoo schoon af, dat men op den van schors beroofden

tak geen sporen van de werking der tanden ontdekken kan. Spoedig

geraken zij gewoon aan brood en scheepsbeschuit, appels en peren,

en krijgen weldra een voorliefde voor vruchten.

Hoewel de houding van den Bever verschillend is, vertoont zij toch

over 't algemeen weinig afwisseling. Zittend gelijkt het dier op een

groote, plompe Muis. Bij het gaan wordt de eene poot na de andere

bewogen want de bijna over grond schurende buik laat geen snelle,

gelijkmatige beweging toe. Als hij zeer groote haast heeft, doet de

Bever sprongen, plomper en onbehendiger dan die van eenig ander, mij

bekend landzoogdier; achtereenvolgens worden hierbij het achterste

en het voorste deel van 't lichaam omhooggeheven; toch komt hij op

deze wijze vrij schielijk vooruit. Bij het zwemmen is het achterdeel

zoo diep ondergedompeld, dat alleen de neusgaten, oogen en ooren

benevens het middelste deel van den rug boven den waterspiegel komen;

het achterste deel van den rug en de staart zijn echter onder water. De

voortbeweging heeft plaats door de achterpooten tegelijkertijd, zelden

één voor één, te strekken en te buigen; de staart, die dikwijls

eveneens in de gepaste richting met kracht schoksgewijs bewogen

wordt, dient voor 't sturen; de voorpooten doen bij 't zwemmen geen

dienst. Het dier kan 2 minuten onder water blijven, voordat de behoefte

om adem te halen het noodzaakt weer aan de oppervlakte te komen.

De stem is een zwak geluid, dat nog het best een gesteun genoemd

kan worden; zij wordt gehoord, telkens als het dier een aandoening

ondervindt; weldra leert men de verschillende beteekenissen van de

voortgebrachte geluiden verstaan. Naar het schijnt, zijn het gehoor

en de reuk de hoogst ontwikkelde zinnen; de kleine oogen hebben een

tamelijk onnoozele uitdrukking; gebrekkig is het gezichtsorgaan echter

evenmin als het smaakorgaan; ook het gevoel is bij dit dier niet

onbeduidend. Over zijn verstandelijke ontwikkeling zou verschil van

meening kunnen bestaan; in ieder geval zal men echter moeten erkennen,

dat het te dezen aanzien in de orde der Knaagdieren een hooge plaats

inneemt. Eerder dan eenig ander Knaagdier schikt het zich in veranderde

omstandigheden, en leert het, zich deze op de meest voordeelige

wijze ten nutte te maken; meer dan een zijner verwanten overlegt het,

voordat het handelt, maakt het gebruik van ervaringen en leidt hieruit

gevolgtrekkingen af. Zijne woningen zijn niet kunstiger dan die van

andere Knaagdieren, steeds echter zijn zij aangelegd met een juist

besef van de eigenaardigheden van de plaats, waar zij gelegen zijn;

beschadigingen aan deze woningen worden altijd met overleg hersteld.

Het gedrag van den gevangen Bever tegen andere dieren is onvriendelijk;

tegenover den mensch zijn zij op zijn minst genomen koel. Die, welke

goed behandeld worden, dulden ten slotte, dat men ze liefkoost, zij

gaan ook wel naar hun oppasser toe om hem als 't ware te begroeten;

tegen iederen dwang verzetten zij zich evenwel. Dat vrouwen en kinderen

goedgeefs zijn, hebben zulke in de diergaarde levende Bevers spoedig

geleerd; zij verschijnen daarom, als vrouwen en kinderen voorbijgaan,

niet alleen vroeger dan gewoonlijk voor hun woning, maar bedelen ook,

op de achterpooten staande, om eetwaren; handig nemen zij met de

voorpooten appels, noten, suiker en brood aan; ieder die een beweging

maakt, alsof hij, hun iets geven wil, en dit niet doet, of die hen

plaagt, slaan zij echter op de vingers.

Bevers, die jong gevangen zijn, kunnen zeer tam worden. In vele

berichten van schrijvers over Amerika wordt melding gemaakt van

Bevers, die in de dorpen van de Indianen in zekeren zin als huisdieren

worden gehouden, of die in het bezit van de bedoelde schrijvers zelf

waren. "Ik zag", zegt La Hontan, "in deze dorpen niets wat zoozeer mijn

aandacht trok als Bevers die, zoowel in de beek als in het kreupelhout,

ongestoord heen en weer liepen en zoo tam waren als Honden." Hearne

had verscheidene Bevers zoo mak gemaakt, dat zij kwamen, als hij ze

riep, hem als Honden naliepen en blijde waren, als zij geliefkoosd

werden. Het gezelschap van de Indiaansche vrouwen en kinderen beviel

hun, naar het scheen, zeer goed; zij waren onrustig, wanneer de

menschen te lang wegbleven, en toonden blijdschap bij hun terugkomst.

De paring van de Bevers heeft in verschillende maanden plaats,

al naar het land dat zij bewonen. Volgens sommigen gebeurt dit in

't begin van den winter, volgens anderen in Februari of Maart. Na

een draagtijd van zes weken werpt het wijfje in een droog hol 2 of 3

behaarde, maar nog blinde jongen; na 8 dagen openen deze de oogen en

worden zij door de moeder medegenomen naar het water; soms geschiedt

dit echter eerst een paar dagen later.

Behalve _Vorst_ Schwartzenberg, die op de Wereldtentoonstelling te

Weenen een Beverpaar toonde, houdt tegenwoordig niemand zich met

het fokken van Bevers bezig, hoewel dit bedrijf zoowel aangenaam

als voordeelig is, en ook geen bijzondere bezwaren oplevert. Een

paar Bevers, dat in het jaar 1773 op Rothenhof was gebracht, had

zich zoo sterk vermenigvuldigd, dat het gezin 6 jaren later uit 14,

10 jaren later uit 25 leden bestond; toen werd de fokkerij echter

beperkt, daar de Bevers, die in de vrije natuur waren gebracht, hier

veel schade aanrichtten. Te Nymphenburg, in Beieren, werden eveneens

Bevers gehouden; het bleek, dat enkele van deze dieren 50 jaren lang

in de gevangenschap in 't leven bleven.

Behalve de mensch, heeft de Bever weinig vijanden. Zijn voorzichtigheid

doet hem zelfs den behendigen jager gelukkig ontgaan. Nadat hij eens

verontrust is, zoekt hij bij het geringste gevaar het water op, dat

hem tamelijk goed beveiligt. De Noord-Amerikaansche trappers (zoo

genoemd naar de vallen--in 't Engelsch "traps"--, die zij gebruiken

om wild te vangen) beweren, dat de Bevers daar, waar zij in grooten

getale bijeen wonen, wachten uitzetten, die de overige leden van het

gezelschap voor een naderend gevaar waarschuwen door een signaal,

bestaande uit het geluid, dat door het slaan met den staart tegen de

oppervlakte van het water veroorzaakt wordt. De beteekenis van deze

mededeeling is eigenlijk, dat een vijand door een vereeniging van

verscheidene voorzichtige dieren gemakkelijker wordt waargenomen,

dan door ieder van hen afzonderlijk; dat dus ieder van de leden van

het gezelschap de hierboven bedoelde wachtdienst verricht. Daar het

plassend geluid, dat het slaan met den staart op den waterspiegel

veroorzaakt, alleen dan wordt gehoord, als de Bever zich plotseling

te water begeeft en onderduikt, en dit in den regel dan geschiedt,

als hij een gevaar meent op te merken, letten trouwens alle zijne

metgezellen op dit verre waarneembare gedruisch, en verdwijnen,

zoodra zij het vernemen, in de diepte. In Amerika doodt men den Bever

vooral met het geweer, maar vangt hem bovendien in allerlei soorten

van vallen. In den winter hakt men gaten in 't ijs en slaat de Bevers

dood, wanneer zij daarin komen om te ademen. Ook neemt men wel eens

de ijslaag weg van het bij de beverhutten gelegen deel van de rivier

of beek, bedekt dit met een stevig net, breekt vervolgens de hutten

open en jaagt de verschrikte dieren in het net.

Het voordeel, dat de Bevers opleveren, weegt ten naastenbij op tegen de

schade, die zij aanrichten. Men moet hierbij in 't oog houden, dat zij

bij voorkeur onbevolkte landstreken bewonen, en het liefst zich bepalen

tot het afsnijden van dunne takken van boomsoorten, die spoedig weder

aangroeien. Niet alleen de aangerichte vernielingen, maar ook alle

moeite en bezwaren van de jacht worden daarentegen door het vel en

het vleesch van het dier, en in nog hoogere mate door het bevergeil,

zeer rijkelijk vergoed. Uit Amerika komen ieder jaar omstreeks 150.000

vellen in den handel, ter gezamenlijke waarde van 1.800.000 gulden;

ieder vel brengt, al naar de kwaliteit, 12 à 36 gulden op.

Bij de Amerikaansche wilden staat de Bever in zeer hoog aanzien. Zij

schrijven hem bijna evenveel verstand toe als den mensch en gelooven,

dat dit voortreffelijke dier een onsterfelijke ziel heeft,--om van

andere sprookjes maar te zwijgen.

De _Spring-knaagdieren_ (_Dipodidae_), herinneren door hun

lichaamsbouw duidelijk aan de Kengoeroes. Bij beide komt dezelfde

wanverhouding tusschen het voorste en het achterste deel van

den romp voor. Het achterste deel van het lichaam is buitengewoon

krachtig ontwikkeld: de achterpooten zijn wel driemaal zoolang als de

voorste; de staart is naar verhouding zeer lang, aan het achterste

gedeelte gewoonlijk tweerijig behaard, zoodat hij in een kwast

uitloopt. De Spring-Knaagdieren verschillen echter aanmerkelijk

van de Spring-buideldieren wat den kop betreft. Deze is bij de

eerstgenoemde zeer dik; de hieraan groeiende snorren zijn naar

verhouding de langste die bij eenig Zoogdier voorkomen: dikwijls

zijn zij even lang als het geheele lichaam. De groote oogen wijzen op

een nachtelijke levenswijze, maar zijn levendig en fraai, zooals bij

weinige andere nachtdieren; dat het gehoor niet minder goed ontwikkeld

is, blijkt uit de overeindstaande, lepelvormige ooren, welker lengte

afwisselt van één derde tot de geheele lengte van den kop. De hals

is zeer dik en onbeweeglijk, de romp mag wel slank heeten. Aan de

kleine voorpooten komen gewoonlijk 5 teenen voor, aan de achterpooten

3. De vacht is dicht en zacht, haar kleur gelijkt op die van het

zand. De naast elkander gelegen beenderen, die bij de meeste andere

Zoogdieren den middelvoet vormen, zijn vergroeid tot één enkel been,

aan welks uiteinde de van elkander afgezonderde gewrichtsknobbels

voor de teenen voorkomen.

De Spring-knaagdieren zijn hoofdzakelijk bewoners van Afrika en Azië;

van eenige soorten strekt zich het verbreidingsgebied echter tot in

Zuid-Europa uit; één geslacht of onderfamilie behoort in Noord-Amerika

thuis. Zij zijn bewoners van het droge, vrije veld, van de grasrijke

steppe en van de dorre zandwoestijn; het zijn eigenlijk woestijndieren,

zooals ook uit hun kleur oogenblikkelijk blijkt. Op leemachtigen

of zandigen bodem, in de lage landen, zeldzamer op hoogten of aan

dicht met kreupelhout begroeide weidezoomen en in de nabijheid van

bouwland vestigen zij zich in door hen zelf gegraven holen met vele

vertakte, doch meestal op zeer korten afstand van de oppervlakte

gelegen pijpen, die altijd talrijke uitgangen hebben. Over dag

in hunne holen verborgen, vertoonen zij zich na zonsondergang en

leiden dan een vroolijk leven. Hun voedsel bestaat uit wortels,

bollen, allerlei graansoorten en zaden, vruchten, bladen, gras en

kruiden. Eenige verslinden ook Insecten, ja zelfs kleine Vogels,

gebruiken zelfs aas als voedsel en eten in sommige gevallen elkander

op. Het voedsel brengen zij met de voorpooten naar den mond, terwijl

zij in half opgerichte houding op het achterste deel van den romp en

op den staart steunen.

Hunne bewegingen zijn zeer eigenaardig. De bedaarde gang verschilt van

die der Kengoeroes in zoover, dat zij schielijk achtereen den eenen

achterpoot vóór den anderen plaatsen; de snelle loop geschiedt echter

sprongsgewijs; door het strekken van de krachtige achterpooten wordt

het lichaam ver boven den grond verheven, terwijl intusschen met den

tweerijig behaarden staart de richting van den sprong geregeld en zoo

het evenwicht bewaard wordt. Daarbij leggen zij de voorpooten tegen de

kin aan, of kruisen ze, gelijk een hardloopend mensch over de borst;

dan is het, alsof zij maar twee pooten hebben. De grootste soorten

kunnen kolossale sprongen doen; want bij al deze dieren bedraagt de

sprongwijdte het twintigvoud van hun lichaamslengte. De eene sprong

volgt onmiddellijk op den anderen; als zij haastig vluchten, ziet

men eigenlijk niets anders dan een geel voorwerp, dat volgens vlakke

bogen als een pijl door de lucht schiet. Met even groote behendigheid

graven zij in den bodem, in weerwil van de zwakheid hunner voorpooten,

die hoofdzakelijk dezen arbeid moeten verrichten. Terwijl zij grazen,

gaan zij, ook weder evenals de Kengoeroes, op vier pooten; deze

beweging is echter zeer langzaam en wordt nimmer lang voortgezet. Bij

het zitten rusten zij op de zolen van de achtervoeten.

Bij alle soorten zijn de zinnen scherp, vooral hebben zij een fijn

gehoor en kunnen op grooten afstand zien; hierdoor kunnen zij aan

dreigende gevaren gemakkelijk ontkomen. Uiterst vreesachtig, schuw

en haastig, trachten zij bij iedere storing zoo schielijk mogelijk

hun hol te bereiken of slaan, wanneer hun dit niet mogelijk is,

met razende snelheid op de vlucht. De grootste soort verdedigt

zich in gevallen van uitersten nood, op de wijze der Kengoeroes,

met de achterpooten; de kleinere soorten daarentegen maken, als zij

gegrepen worden, nooit van hunne natuurlijke wapens gebruik. Hun stem

bestaat uit een soort van gehuil, dat op het geschreeuw van jonge

Katten gelijkt, bij andere leden der familie ook wel uit een dof

geknor. Men hoort echter over 't algemeen slechts zelden een geluid

van hen. Bij geringen warmtegraad vervallen zij in winterslaap, of

verstijven althans gedurende korten tijd; zij verzamelen echter geen

wintervoorraad, gelijk andere Knaagdieren doen.

In de gevangenschap zijn de Spring-Knaagdieren zeer aardige en

bevallige gasten van den mensch; hunne goedaardigheid, zachtmoedigheid

en argeloosheid doen hen ieders vriendschap verwerven.

Bijna alle soorten zijn volkomen onschadelijk. De woestijn, die voor

ieder open staat, biedt hen zooveel voedsel, dat zij er geen behoefte

aan gevoelen, de bezittingen van den mensch te plunderen.

De _Amerikaansche Springmuis_ (_Jaculus hudsonius_) is de eenige

vertegenwoordiger van haar geslacht en van haar onderfamilie. Door

haar lichaamsbouw gelijkt zij op hare naaste verwanten in de Oude

Wereld, door den vorm en de beharing van den staart herinnert zij

echter ook aan de gewone Muizen. In grootte komt zij ongeveer overeen

met de Boschmuis; haar lichaamslengte bedraagt tennaastenbij 8 cM,

zonder den 13 cM. langen staart. Het gladde en dichte haarkleed is

aan de bovenzijde donker leder-bruin met bruingeel gemengd.

Het hooge noorden van Amerika is het vaderland van dit dier. Het komt

voor in alle gewesten die pelterijen leveren, van den Missouri tot in

Labrador en van de oevers van den Atlantischen tot aan die van den

Stillen Oceaan. Hier woont het in de met dicht struikgewas bezette

weideranden en in de nabijheid van bosschen; over dag blijft het

verborgen, des nachts zwerft het bij gezelschappen rond. Zijne holen

zijn ongeveer 50 cM. diep, in het koude jaargetijde soms dieper. Vóór

den aanvang van den winter vervaardigt het een nest van leem, dat op

een hollen kogel gelijkt, rolt zich hierin samen, met den staart om

het lichaam gewikkeld en blijft zoo in een toestand van verstijving

liggen, tot de lente komt. Men verhaalt, dat een tuinman in Maart

bij het omspitten van den grond een kluit vond ter grootte van een

kegelbal, die wegens zijn regelmatigen vorm verwondering wekte; de

tuinman sloeg den bal met de spade in twee stukken en vond hierin

een diertje, dat zich opgerold had, ongeveer als een kuiken in een

ei. Dit was de Amerikaansche Springmuis in haar winterkwartier. In

den zomer is zij zeer vlug, zij springt buitengewoon behendig en

snel op de achterpooten rond. In het bosch kan men haar, naar beweerd

wordt, in 't geheel niet vangen. Met gemak springt zij hier over lage

struiken heen, die de mensch niet zoo gemakkelijk overschrijden kan,

en weet dan altijd een veilig plaatsje te vinden. Audubon betwijfelt,

of eenig Zoogdier haar in behendigheid evenaart.

Naar men zegt, kan het aardige diertje zonder moeite in 't leven

gehouden worden.

Over de _Echte Springmuizen_ (_Dipodinae_) is men beter onderricht. Men

kan ze als typische vertegenwoordigers van de familie beschouwen, want

zij vertoonen al hare eigenaardigheden het duidelijkst. Haselquist

merkt niet onaardig op, dat zij er uitzien, alsof zij uit stukken

van verschillende dieren zijn samengesteld. "Men zou kunnen zeggen,

dat dit diertje den kop heeft van den Haas, den snorrebaard van den

Eekhoorn, den snuit van het Zwijn, den romp en de voorvoeten van de

Muis, de achtervoeten van den Vogel en den staart van den Leeuw." In

de eerste plaats valt de kop in 't oog: er blijkt onmiddellijk uit,

dat de Springmuizen echte woestijnbewoners zijn. Voor alle zintuigen

is de noodige ruimte aanwezig. De oorschelpen zijn groot en vliezig, of

althans uiterst dun behaard, de oogen groot, levendig en zacht, zooals

bij vele andere woestijnbewoners, die een nachtelijke levenswijze

hebben, de neusgaten wijd; ook de organen voor den tastzin zijn

goed ontwikkeld: aan weerszijden van den kop steken verbazend lange

snorren uit. De hals is buitengewoon kort en weinig beweeglijk,

de staart daarentegen zeer lang, meestal langer, soms veel langer

dan de romp: het voorste gedeelte is rond, overal gelijkmatig kort

behaard, de staartspits echter meestal met twee rijen van langere

borstelharen bezet, waardoor de staart eenige overeenkomst met een

pijl verkrijgt. De zeer korte voorpooten, zijn gedurende het springen

zoo tegen het lichaam aangedrukt en in de vacht verborgen, dat hierin

een reden te vinden is voor de oude benaming "Tweevoet"; zij hebben

slechts vier teenen met middelmatig lange, gekromde en scherpe klauwen,

en op de plaats van den duim een wratje, dat soms met een nagel

voorzien is, soms echter niet. De achterpooten zijn wel zesmaal zoo

lang als de voorpooten, omdat zoowel het onderbeen als de middelvoet

buitengewoon sterk verlengd zijn. Het haarkleed bestaat uit zachte,

zijdeachtige haren; ieder haar van den rug is van onderen blauwachtig

grijs, hoogerop zandkleurig, aan de spits echter zwart of donkerbruin;

aan de onderdeelen is de vacht altijd wit, met overlangsche strepen

aan de zijden. Een merkwaardig verschijnsel, dat men bij vele snel

loopende dieren opmerkt en ook bij de Springmuizen aantreft, is,

dat de voeten de eenvoudigst mogelijke samenstelling hebben, en

slechts uiterst weinig beweeglijk zijn. De 3, 4 of 5 buitengewoon

korte teenen van de springpooten hebben in den regel slechts twee

leden; zij kunnen niet zijdelings bewogen, maar alleen gezamenlijk

een weinig gebogen en gestrekt worden. Bij het loopen komt alleen

de uiterste spits van het nagellid met den grond in aanraking; door

een veerkrachtige, kraakbeenige massa, wordt zij echter gevrijwaard

tegen den invloed van schokken bij den sprong.

Als vertegenwoordiger van dit geslacht kies ik

de _Woestijn-springmuis_, de _Djerboa_ der Arabieren (_Dipus

aegyptius_), een allerliefst diertje van 17 cM. lengte, waarbij nog

gevoegd moet worden 21 cM. voor den staart (zonder den haarkwast). De

Woestijn-springmuizen, waarschijnlijk wel de Egyptische, waren reeds

aan de ouden goed bekend. Dikwijls wordt in de werken van Grieksche en

Romeinsche schrijvers van deze dieren melding gemaakt, altijd onder

den naam van "tweevoetige Muizen", welke naam daarom ook thans nog

tot aanduiding van het geslacht dient.

Het verbreidingsgebied van de Woestijn-springmuis omvat het

grootste deel van Noord-Oost-Afrika, en het aangrenzende deel van

West-Azië. Kale, droge vlakten, steppen en zandwoestijnen worden door

haar bewoond; zij bevolkt de dorste en eenzaamste landschappen, en

leeft in streken waar, naar men zou zeggen, geen dier het noodige voor

zijn levensonderhoud kan vinden. Op deze met harde grassen begroeide,

naargeestige vlakten treft men ze soms tot groote gezelschappen

vereenigd aan. Zij komt hier voor nevens het Woestijnhoen, de

kleine Woestijn-leeuwerik en de isabelkleurige Woestijnlooper; het

is moeielijk te begrijpen, dat ook de Springmuizen voedsel vinden

daar, waar de genoemde Vogels, die, behalve zaden, toch ook veel

Insecten eten, ter nauwernood aan den kost kunnen komen. In den harden

grindgrond graven onze Knaagdieren sterk vertakte, maar tamelijk dicht

bij de oppervlakte gelegen gangen, waarin zij zich bij het geringste

gevaar verschuilen.

Het Leven der Dieren: Deel 1, Hoofdstuk 07: De Knaagdieren · 第 5 / 20 段