_Hazelmuis_ of _Kleine Hazelmuis_ (_Muscardinus avellanarius_),
een van de aardigste, bevalligste en behendigste van alle Europeesche
Knaagdieren, even aantrekkelijk door haar sierlijke gestalte en schoone
kleur als door hare zindelijkheid, netheid en zachtmoedigheid. Zij
is ongeveer zoo groot als onze Huismuis; haar totale lengte bedraagt
14 cM., waarvan bijna de helft op den staart komt. De geheele vacht
is geelachtig rood, van onderen een weinig lichter, met uitzondering
van de borst en de keel, die wit zijn. In Nederland komt zij niet
voor, in de meeste andere landen van Middel-Europa wel. Naar het
schijnt, zijn Engeland en het zuiden van Zweden de noordelijkste,
Toscane en het noorden van Turkije de zuidelijkste afdeelingen van
haar verbreidingsgebied; verder oostwaarts dan Hongarije, Galicië
en Zevenburgen komt zij niet voor. Zij bewoont nagenoeg dezelfde
oorden als hare verwanten. Laag kreupelhout en struiken, bij voorkeur
hazelaarboschjes, zijn hare meest geliefde verblijfplaatsen.
Over dag ligt de Hazelmuis in den een of anderen schuilhoek te
slapen, des nachts gaat zij haar voedsel zoeken, dat uit noten,
eikels, harde zaden, sappige vruchten, bessen en knoppen van boomen
bestaat; het liefst echter eet zij hazelnoten, die zij op een kunstige
wijze opent en ledigt, zonder ze af te plukken of uit het napje te
verwijderen. Ook zoekt zij lijsterbessen en wordt bijgevolg niet zelden
in lijsterstrikken gevangen. Zij leeft in kleine gezelschappen, die
niet bijzonder innig met elkaar verbonden zijn. Door iedere Hazelmuis,
of door twee gezamenlijk, wordt in het dichtste struikgewas een
zacht, warm, tamelijk kunstig nest van gras, bladen, mos, worteltjes
en haren gebouwd; het dier zwerft vanhier uit iederen nacht door
zijn gebied, bijna altijd gemeenschappelijk met andere, die in de
nabijheid wonen. Het zijn echte boomdieren; zij klimmen merkwaardig
goed, zelfs langs de dunste twijgen. In Augustus werpt het wijfje 3
à 4 naakte, blinde jongen; dit gebeurt in het bolvormig zomernest,
dat altijd in het dichtste struikgewas en gewoonlijk op een afstand
van ongeveer één meter van den bodem gelegen is. De jongen groeien
buitengewoon snel, maar worden toch een volle maand door de moeder
gezoogd, hoewel zij intusschen zoo groot geworden zijn, dat zij nu
en dan het nest verlaten kunnen. Aanvankelijk blijft de familie op de
naastbijgelegen hazelaars; de dieren spelen genoegelijk met elkander
en eten intusschen noten. Bij het geringste gedruisch snellen alle
naar het nest terug om hier veiligheid te zoeken. Omstreeks het midden
van October nemen de Hazelmuizen de wijk naar de schuilhoeken, waar
zij haar wintervoorraad geborgen hebben, en maken zich van takjes,
bladen, naalden, mos en gras een bolvormig hulsel, waar zij zich
geheel inwikkelen; zij rollen zich tot een kluwen ineen en vallen
in slaap; haar winterslaap is vaster dan die van hare verwanten; men
kan ze in de hand nemen en over den grond voortrollen, zonder dat zij
eenig bewijs van leven geven. Al naar de winter streng of zacht is,
slapen zij 6 of 7 maanden en wordt haar slaap meer of minder vaak
voor korten tijd afgebroken, totdat de schoone, warme lentezon haar
tot een nieuw leven opwekt.
Het kost moeite een Hazelmuis te vangen, zoolang zij volkomen
wakker is; slechts bij toeval geraakt zij in de een of andere val;
deze plaats men daar, waar zij zich het liefst ophoudt, en wordt
met noten of met ander voedsel als lokaas voorzien. Gemakkelijker
verkrijgt men ze in 't laatste gedeelte van den herfst of in den
winter bij het opharken van 't loof of bij het uitroeien van de
wortelspruiten. Zoodra men de Hazelmuis in de hand heeft, is zij
zoo goed als getemd. Nooit waagt zij het, weerstand te bieden aan
haar overweldiger, nooit tracht zij te bijten; de grootste angst
ontlokt haar alleen een piepend of helder sissend geluid. Weldra
echter schikt zij zich in het onvermijdelijke, laat zich bedaard
naar huis dragen, en voegt zich geheel en al naar den wil van den
mensch; zij verliest ook haar schuwheid, maar niet de aangeboren
schuchterheid en vreesachtigheid. Men voedt haar met noten, pitten van
ooft, ooft en brood, ook wel met tarwekorrels. Zij eet spaarzaam en
bescheiden, aanvankelijk alleen 's nachts. Haar buitengewoon groote
zindelijkheid, de vriendelijke en verdraagzame wijze, waarop zij met
hare soortgenooten omgaat, hare aardige bewegingen en grappige gebaren
maken haar tot een lieveling van den mensch. In Engeland wordt zij
als kamerdier in gewone vogelkooien gehouden, en komt zij, evenals
kamervogels, aan de markt. Men kan haar in de mooiste kamers houden,
want zij verbreidt volstrekt geen onaangename lucht; alleen in den
zomer merkt men bij haar een muskusachtigen reuk op, die echter zoo
zwak is, dat men er geen hinder van heeft.
Ook in de gevangenschap houdt de Hazelmuis winterslaap, als het vertrek
niet altijd gelijkmatig warm gehouden wordt. Zij tracht dan een nestje
te bouwen en omhult zich hiermede, of gaat eenvoudig in den een of
anderen hoek van haar kooi slapen. Als men haar in de warmte brengt,
o.a. reeds, als men haar in de warme hand neemt, ontwaakt zij, om
echter kort daarna weer in te slapen.
Hoewel de _Bever_ in belangrijke opzichten overeenstemt met de tot
dusver beschreven Knaagdieren, verschilt hij toch in andere punten
zoo belangrijk van hen en van de overige leden der orde, dat hij
als vertegenwoordiger van een afzonderlijke familie (_Castoridae_)
beschouwd moet worden. Deze familie omvat behalve onzen Bever hoogstens
eenige voorwereldlijke soorten van Knaagdieren, die door hunne thans
levende verwanten vervangen zijn; onder de Knaagdieren van onzen
tijd zijn er wel enkele, die aan de Bever herinneren, maar geene,
die werkelijk op hem gelijken.
Reeds sedert overouden tijd heeft de Bever de aandacht van de
natuuronderzoekers tot zich getrokken; door de oude schrijvers wordt
hij onder de namen _Castor_ en _Fiber_ vaak vermeld. Van hen vernemen
wij echter niet veel en geen zeer nauwkeurige berichten over zijn
levenswijs. Zij leeren ons wel, dat dit dier vroeger veel algemeener
verbreid was, dan thans; waarschijnlijk is van geen andere diersoort
het aantal vertegenwoordigers zoo schielijk verminderd als van dit
hooggeschatte Knaagdier. Het door den Bever bewoonde gebied omvat ook
thans nog gedeelten van drie werelddeelen, en strekt zich uit over
alle landen, die tusschen 33° en 68° N.B. gelegen zijn; in vroegere
tijdperken moet het echter veel uitgestrekter geweest zijn. In een
der teekens van het Egyptische hiëroglyphenschrift heeft men den
Bever meenen te herkennen; hieruit zou voortvloeien, dat hij Afrika
bewoond heeft. Door de godsdienstige voorschriften van de Indische
Magiërs was het verboden hem te dooden: bijgevolg moet hij ook in
Indië inheemsch geweest zijn.
"De Bevers," schrijft Prof. Harting in "de Bouwkunst der Dieren,"
"leefden eenmaal in alle Europeesche landen, ook in ons vaderland,
gelijk sommige plaatsnamen nog getuigen, zooals die van Beverwijk,
Bevervoord, waar zij vermoedelijk menigvuldiger waren dan elders. Onze
van talrijke wateren doorsneden bodem, waarop eertijds dichte wouden
welig tierden, leverde trouwens aan de Bevers een verblijfplaats
op, even gunstig als het tegenwoordige Canada. Nog voor niet zeer
langen tijd werden enkele Bevers langs de Waal, de Maas en de IJsel
aangetroffen. Zoo werden te Gorinchem twee ouden met zes jongen
gevangen; in 1757 schoot men er een in den IJsel bij het buitenverblijf
Middachten, op den weg van Zutphen naar Arnhem; in 1770 werd, bij
het op één uur van 's Hertogenbosch gelegen dorp Hedel, een Bever
geschoten, die zich gedurende zes of zeven jaren in den omtrek had
opgehouden en daar veel graan en jong hout bedorven had. De laatste
Bever, die, voor zoover mij bekend is, hier te lande gevangen werd,
is die, welke het onderwerp der Akademische Dissertatie van A. C. Bonn
heeft uitgemaakt. Deze Bever werd den 17den December 1799 bij Epse,
aan den oostelijken oever van de rivier den IJsel, op een half uur
afstand van Deventer, in een otterstap gevangen." "Hij had aldaar
in de nabijheid uit wilgentakken, biezen en slib eene zes voet (1.8
M.) hooge hut gebouwd; de hoeveelheid van het daartoe gebezigde
hout was zoo groot, dat twee Paarden het ter nauwernood vervoeren
konden." "Echter was dit niet de laatste Bever, die deze streken
bewoond heeft, want twee jaren later werd door eenige schippers
en andere lieden op een plaats bij den IJsel, drie uren gaans van
Doesburg gelegen, een dergelijk, ofschoon kleiner, dier gezien,
dat wellicht het wijfje van eerstgenoemde is geweest." "Het blijkt
uit de Kameraarsrekeningen van Deventer," schrijft P. C. Molhuijsen,
"dat deze dieren in vroegeren tijd zeer talrijk moeten geweest zijn. In
de rekening van 1454 is het eerst door ons opgemerkt, dat de stedelijke
regeering een premie voor het vangen gaf. Ruim twintig jaren lang komt
deze vermelding voor op den post van uitgaven, en bij een nauwkeurige
optelling zou men het getal zeer aanzienlijk kunnen vinden, waarbij
wij nog in het oog moeten houden, dat sommige rekeningen uit dat
tijdvak ontbreken. Bij een vluchtig overzicht zijn b.v. in het jaar
1454 opgemerkt vier, in 1467 veel meer, waaronder één op de Worp werd
gevangen, in 1468 twee, in 1469 vier, waaronder een op de Stadsweerden,
in 1474 drie jonge op de Landeweer in de Ouden IJsel, en nog vijf,
in 1472 niet minder dan dertien, zoo oude als jonge".... Uit het
register der Stadsrekeningen van Zutphen blijkt, dat van wege de
stad aan de visschers op den IJsel geld verstrekt werd voor door
hen geleverde Bevers en dat 1465 tot 1550, alzoo in 85 jaren, alleen
bij Zutphen, dus waarschijnlijk op een oeverlengte van 3 uren gaans
(de bochten niet medegerekend) op den IJsel gedood werden 66 Bevers,
éénmaal 6 jongen te gelijk. (H. J. H. Groneman.)
In Engeland is de Bever reeds sedert 500 jaren uitgeroeid. Scaliger
en Buffon maken melding van verscheidene door den Bever bewoonde
gewesten in Frankrijk, waar hij thans alleen voorkomt op het eiland
Camargue, dat door de Rhônemondingen ("Le grand" en "Le petit Rhône")
wordt ingesloten. Nog in October 1894 werden hier door visschers in
hunne netten vijf Bevers gevangen. "Naarmate de ontginning van het
deltaland voortschrijdt, wordt de Bever naar de overblijvende woeste
streken teruggedrongen; hierdoor, en door de jacht voortdurend op hem
gemaakt, is het aantal reeds te zeer afgenomen om nog het bestaan van
ware koloniën toe te laten. Men vindt hem nu nog alleen paarsgewijze
of als afzonderlijke families verspreid over de geheele delta, meer
bepaald in de 'petit Rhône' tusschen Fourques en Sylvéréal. Ook wordt
er nu en dan nog wel eens een enkele gevangen in de Gardon, die in den
"petit Rhône" uitmondt. Boven Pont-du-Gars komt hij niet meer." In
Strabo's tijd kwamen ook nog in Spanje Bevers voor. Volgens Geszner
werden zij eertijds in de delta van de Po gevonden.
Tegenwoordig vindt men hem in Duitschland nog aan de Elbe; nu en dan
treft men hem aan in het deel der rivier, dat ongeveer begrensd wordt
aan de eene zijde door Wartenburg boven Wittenberg en aan de andere
door Maagdenburg. Met volle zekerheid kan hij echter beschouwd worden
als voortdurende bewoner van een onder Aken gelegen deel der rivier,
vooral in de opperhoutvesterdistricten Steckby en Tochheim alsmede
Grünewald (tegenover Schönebeck) aan den rechteroever en Lödderitz aan
den linkeroever, waar men het aantal dezer Knaagdieren op 60 stuks
begroot. De Bevers komen van oudsher ook geregeld voor in de Saale,
te beginnen bij haar uitmonding in de Elbe, tot bij Trabitz (beneden
Kalbe); op dit gebied leven tegenwoordig misschien 15 stuks. Op
de genoemde plaatsen behoort de Bever thuis, en men kan er niet
alleen ten allen tijde de sporen zijner werkzaamheid waarnemen,
maar ook nu en dan hem zelf aan 't werk zien. Enkele exemplaren
worden nu en dan waargenomen in de oeverlanden van den Salzach, op de
Oostenrijksch-Beiersche grens, en vroeger ook bij de Möhne (een aan de
rechterzijde gelegen bij-riviertje van den Ruhr) in Westfalen (op de
laatstgenoemde plaats echter sedert 1877 niet meer). Van alle landen
van Europa zijn Bosnië, Rusland en Skandinavië (vooral Noorwegen) die,
waar de Bevers thans nog het veelvuldigst leven. In Rusland vindt
men ze vooral in de noordelijke bij-rivieren van den Pripet, in het
gouvernement Minsk.--Veel talrijker dan in Europa zijn de Bevers in
Azië. In grooten getale bewonen zij de groote rivieren van Middel-
en Noord-Siberië; naar men zegt, komen zij ook voor in de rivieren,
die zich in de Kaspische zee uitstorten. Zeker is het, dat zij gevonden
worden in de bij-rivieren van den Koeban, aan de noordelijke helling
van den Kaukasus, zoo ook in Mesopotamië. In Amerika waren de Bevers
algemeen; door de hevige vervolging, waaraan zij blootstaan, is hun
aantal reeds zeer afgenomen. Audubon noemde in 1849 alleen nog maar
Labrador, Newfoundland, Canada en enkele gewesten van de staten Maine
en Massachusetts als deelen van het door den Bever bewoonde gebied,
maar voegt er bij, dat er ook in verscheidene andere, weinig bebouwde
gewesten van de Vereenigde Staten enkele exemplaren gevonden worden.
De _Bever_ (_Castor fiber_) is een van de grootste Knaagdieren. De
lichaamslengte van het volwassen mannetje bedraagt, zonder den 30
cM. langen staart, 75 à 95 cM., de schouderhoogte 30 cM., het gewicht
20 à 30 KG. De romp is plomp en forsch, van achteren aanmerkelijk
dikker dan van voren, de rug gewelfd, de buik hangend, de hals kort en
dik, de kop van achteren breed, naar voren smaller wordend, met platte
kruin en korten, stompen snoet; de pooten zijn kort en zeer krachtig,
de achterste iets langer dan de voorste; de voeten hebben vijf teenen;
die van de achtervoeten zijn tot de klauwen door een breed zwemvlies
vereenigd. De staart is aan den wortel rond, in het midden van boven
naar onderen plat gedrukt, soms wel 20 cM. breed, aan de spits stomp
afgerond; de randen van het platte gedeelte zou men bijna scherp
kunnen noemen. De ooren zijn klein en kort, van binnen en van buiten
behaard, en kunnen zóó tegen den kop aangelegd worden, dat zij de
gehoorgang bijna volkomen afsluiten. De kleine oogen zijn voorzien
van een wenkvlies, d.w.z. van een derde doorschijnend ooglid, dat, van
den binnenhoek van het oog uitgaande, onder de beide andere oogleden
langs over den oogbol kan worden geschoven, evenals bij de Vogels. De
pupil is langwerpig en verticaal geplaatst. De neusgaten kunnen door
de sterk gezwollen neusvleugels gesloten worden. Het haarkleed bestaat
uit buitengewoon dicht (bij wijze van vlokjes) bijeen geplaatste,
zijdeachtige wolharen, en meer verspreide, lange, stevige, stijve en
glanzige bovenharen, die aan den kop en het achterste deel van den
rug kort, op de overige lichaamsdeelen meer dan 5 cM lang zijn. De
bovenzijde is donker kastanjebruin, meer of min naar grijs zweemend;
de onderzijde is lichter van kleur; elk wolhaartje is aan den wortel
zilvergrijs, hoogerop geelachtig bruin. De staart is aan den wortel
zeer lang behaard, overigens echter kaal en hier met langwerpig ronde,
bijna zeshoekige, platte hoornplaatjes bedekt, waartusschen enkele
korte, stijve haren te voorschijn komen. De kleur van de vacht wijkt
soms van de zoo even aangeduide af. Zeer zelden treft men witte en
gevlekte Bevers aan.
De zeer groote en stevige, aan de voorzijde platte, gladde, op
de dwarse doorsnede bijna driehoekige, aan de spits beitelvormige
knaagtanden, steken ver buiten de kaken uit. Bij beide geslachten
komen aan den onderbuik, in de liesstreek onder de huid verborgen,
twee eigenaardige klierzakken voor, welker binnenste oppervlakte
een vreemdsoortige stof, het _bevergeil_ (_Castoreum_) afscheidt;
deze donkerroodachtig, geelachtig of zwartachtig bruine specie is
aanvankelijk week, maar droogt weldra op tot een hars gelijkende
massa; zij heeft een eigenaardigen, doordringenden, sterk aan phenol
herinnerenden reuk, die door slechts weinige menschen aangenaam
gevonden wordt, en een bitteren, balsemachtigen smaak. In vroegeren
tijd werd zij als krampstillend middel veelvuldig voorgeschreven,
tegenwoordig komt zij meer en meer in onbruik. Achter de beide
bevergeilzakken bevinden zich twee dergelijke zakken, die echter geen
_castoreum_, maar een olie- of vetachtige stof afscheiden.
De Bevers leven tegenwoordig meestal paarsgewijs en vereenigen zich
slechts in de stilste streken tot meer of minder groote familiën. In
alle bevolkte landen bewonen zij, evenals de Vischotters, meestal
eenvoudige, onderaardsche gangen, en denken zij er niet aan zich hutten
te bouwen. Toch heeft men er nog in deze eeuw gevonden in de omstreken
van de stadjes Barby en Aken (tusschen Wittenberg en Maagdenburg),
op korten afstand van de plaats waar het riviertje de Nuthe zich in de
Elbe stort. Hier vindt men een eenzame, met wilgen begroeide streek,
die door het slechts 4 à 8 schreden breede riviertje doorstroomd
wordt en sedert onheugelijke tijden Biberlacht ("Beverpoel") wordt
genoemd. Vele jaren achtereen heeft de opperhoutvester von Meijerinck
hier de Bevers nagegaan; in een in 1827 verschenen geschrift deelt hij
over hen het volgende mede: "Er wonen thans (in 1822) nog verscheidene
paren Bevers in holen, die op soortgelijke wijze ingericht zijn als een
Dassenhol, een lengte van 30 à 40 schreden hebben en op gelijke hoogte
met den waterspiegel liggen; op het land hebben zij uitgangen. In de
nabijheid van de holen richten de Bevers hutten, zoogenaamde 'burgen'
op. Deze zijn 2.5 à 3 M. hoog en uit dikke, kunsteloos tot een hoop
opeengestapelde stokken samengesteld; dit hout bijten de dieren van de
naburige boomen af en schillen het, omdat zij de schors als voedsel
gebruiken. In den herfst bedekken de Bevers den houthoop met klei en
andere grondsoorten van den rivieroever. De hut heeft de gedaante van
een bakoven en dient niet als woning, maar alleen als toevluchtsoord,
wanneer de hooge waterstand hen uit hunne gangen verdrijft. In den
zomer van het genoemde jaar toen de kolonie uit 15 à 20 jonge en oude
dieren bestond, bemerkte men, dat zij dammen opwierpen. De Nuthe
was toen zóó ondiep, dat de uitgangen van de holen aan den oever
overal zichtbaar werden en het water daaronder nog slechts weinige
cM. diep was. De Bevers hadden een plaats uitgekozen, waar zich in
het midden van het riviertje een kleine verhevenheid bevindt; hier
begonnen zij aan weerszijden dikke takken in 't water te werpen, en
de tusschenruimten met slijk en biezen te vullen; boven den hierdoor
ontstanen dam was de waterspiegel 30 cM. hooger dan er beneden. De
dam werd meermalen vernield, in den regel was hij echter telkens den
volgenden dag weder hersteld. Toen het hooge water van de Elbe in de
Nuthe doordrong en tot boven de woningen der Bevers steeg, waren zij
ook over dag te zien. Zij lagen dan meestal boven op den hut of op
de naburige knotwilgen."
Aan de mededeelingen van andere onderzoekers ontleenen wij het
volgende: Na rijp beraad kiezen de dieren een riviertje of beek
uit, welker oevers hun een overvloed van wilgen kunnen verschaffen
en hun voor het aanleggen van hunne woningen en hutten bijzonder
geschikt voorkomen. De eenzaam levende individuën bewonen eenvoudige,
onderaardsche holen in den trant van die van den Vischotter. Een of
meer gangen van verschillende lengte (meestal 2 à 6 M.), die alle onder
water uitkomen, leiden naar een ruime, meer of minder hoog boven den
waterspiegel gelegen woning. Deze bestaat gewoonlijk slechts uit één
woonkamer, die netjes en zorgvuldig met in fijne vezels verdeeld hout
gevuld is, en als slaapplaats, bij uitzondering ook als kraamkamer
dient. Gezelschappen, die gewoonlijk uit twee of meer familiën bestaan,
bouwen in den regel hutten, en leggen, als dit noodig is, dammen aan
om het water op te stuwen en op gelijkmatige hoogte te houden. Sommige
van deze dammen zijn 150 à 200 M. lang, 2 à 3 M. hoog, van onderen 4
à 6 M., van boven nog 1 à 2 M. dik. Zij bestaan uit stokken, welker
dikte afwisselt tusschen die van een arm en die van een dij; zij
zijn 1 à 2 M. lang, worden met het eene einde in den bodem bevestigd,
steken met het andere boven het water uit, zijn door dunnere takken
met elkander verbonden, waarna de tusschenruimten met riet, klei en
zand op zulk een wijze dichtgemaakt worden, dat aan de stroomzijde
de dam bijna loodrecht is, terwijl aan de tegenovergestelde zijde
een glooiing ontstaat. Vervolgens worden nog loopgangen of kanalen
aangelegd, waardoor de voor huttenbouw en voeding noodige stoffen
gemakkelijker uit de vijvers, die boven de dammen ontstaan, naar het
beneden den dam gelegen water gesleept of gevlot kunnen worden.
De volgende beschrijving van de inrichting en het doel der hut
is ontleend aan Prof. Harting's "Bouwkunst der Dieren": "Het dak
steekt als een gewelf hoog boven het water uit en is van een luchtgat
voorzien. De vloer ligt van binnen steeds boven den waterspiegel. Hij
is begroeid met riet en bestrooid met houtspaanders. In dien vloer
is een opening, waardoor de bewoners der hut onder het water door
naar buiten kunnen geraken. Gewoonlijk bestaat zulk een hut slechts
uit één enkele holte of kamer, welke dan tot woonplaats verstrekt aan
twee beverfamiliën, namelijk vier ouden en zes tot acht jongen. Niet
zelden gebeurt het echter ook, dat een hut in een zeker aantal kamers
gescheiden is, die alle door een gemeenschappelijk dak overdekt worden,
doch nimmer verdiepingsgewijs boven, maar steeds nevens elkander zijn
aangelegd. Elke kamer heeft dan ook haar eigen opening of deur naar
buiten. Zoo b.v. zag Hearne op een eilandje zulk een groot gebouw,
dat inwendig uit niet minder dan twaalf afdeelingen bestond.
"Wanneer men nu in aanmerking neemt, dat op sommige plaatsen honderd
en meer dezer koepelvormige woningen zich langs den oever verheffen,
dan kan men zich begrijpen, hoe lieden, die deze voor het eerst zien,
en met de levenswijs der Bevers onbekend zijn, daarin voortbrengselen
van een nog op een lagen trap staande menschelijke bouwkunst meenden te
herkennen, gelijk Möllhausen verhaalt van de lieden, die de expeditie
van luitenant Whippler vergezelden, waaraan ook hij deelnam.
"In Europa kiezen de Bevers bij voorkeur wilgen, populieren en berken;
in Amerika bezigen zij ook verwante soorten en bovendien magnoliën,
de rondbladige esch, sassafras enz. Met de schors van dezelfde boomen
voeden zij zich. Hun voorraad van stammen en takken laten zij vóór
hun woning in 't water liggen en halen daarvan al naar hun behoefte
naar binnen, schillen het daar op hun gemak af en werpen het overige
weder in het water. Cartwright zag zulke magazijnen, die meer dan
een karrevracht hout bevatten.
"De hutten der Bevers dienen eigenlijk alleen tot hun
winterverblijf. Wanneer de dooi in de lente het water sterk doet
rijzen en hen met overstrooming bedreigt, dan verlaten zij de
hutten. De mannetjes blijven den geheelen zomer buiten, zwerven rond
en slapen op te samen gebrachte takken; de wijfjes keeren weder naar
de hutten terug, wanneer het water daalt en werpen aldaar in Juni
hare jongen. Tegen den herfst begeven zich ook de mannetjes naar hun
woning; te zamen herstellen zij dan de oude of bouwen een nieuwe hut
en verzamelen vervolgens hun wintervoorraad."