merkwaardig. Volgens Tschudi vertoonen zich met het aanbreken van
den dag in de eerste plaats de oude dieren; zij steken voorzichtig
den kop buiten het hol, kijken rond, luisteren, wagen zich dan
langzaam geheel naar buiten, loopen eenige schreden omhoog, gaan op
de achterpooten zitten en plukken vervolgens gedurende eenigen tijd
zelfs het kortste gras met ongeloofelijke snelheid af. Korten tijd
daarna ziet men ook de kopjes van de jongen zich boven den ingang
van de woning verheffen; zij sluipen naar buiten, grazen een weinig,
liggen uren lang in de zon, gaan rechtop zitten en spelen lief met
elkander. Alle oogenblikken kijken zij om en letten met de grootste
opmerkzaamheid op al wat er in de omgeving voorvalt. Het eerste
dier, dat een verdacht verschijnsel opmerkt, een Roofvogel, een
Vos of een mensch, fluit luid en zwaar door den neus; sommige van
de overige herhalen dit en in een oogwenk zijn alle verdwenen. In
verscheidene gevallen heeft men van deze diertjes in plaats van
fluiten een luid gekef vernomen; dit heeft misschien tot den naam
"Mistbelleri" aanleiding gegeven. Of zij in den regel wel eigenlijke
wachten uitzetten, is nog niet uitgemaakt. Hun kleinheid vermindert
het gevaar van ontdekt te worden, terwijl bovendien het gezicht en
in nog hoogere mate het gehoor en de reuk bij hen zeer scherp zijn.
Gedurende den zomer wonen de Marmotten afzonderlijk of paarsgewijs
in haar eigen zomerwoningen, die door gangen van 1 à 4 M. lengte, met
zijgangen en vluchtopeningen voorzien, bereikt kunnen worden. Deze zijn
dikwijls zoo nauw, dat het bijna niet mogelijk schijnt er den vuist
in te steken. De losgegraven aarde werpen zij slechts voor een zeer
klein deel naar buiten; voor het meerendeel trappen of drukken zij haar
vast in de gangen, die hierdoor hard en glad worden. De uitgangen zijn
meestal onder steenen aangebracht. De kamer is niet zeer ruim. Hier
heeft, waarschijnlijk in April, de paring plaats; het wijfje werpt
6 weken later 2 à 4 jongen, die in den eersten tijd zeer zelden voor
het hol komen, dat zij tot in den volgenden zomer met de ouden deelen.
Tegen den herfst graven zij op een minder hoog gelegen plaats van 't
gebergte een winterwoning, die zelden dieper dan 1 1/2 M. onder de
oppervlakte ligt. De zomerwoning bevindt zich dikwijls niet minder
dan 2600 M. boven den zeespiegel, terwijl de winterwoning in den
regel in den gordel van de bovenste Alpenwilgen, dikwijls echter ver
onder de boomgrens ligt. Deze woning, bestemd voor de geheele familie,
die uit 5 à 15 individuën bestaat, is zeer ruim. De jager herkent het
bewoonde winterhol zoowel aan het hooi, dat er vóór verspreid ligt,
als aan de ingangsopening, die ongeveer de grootte heeft van een vuist,
maar van binnen goed met hooi, aarde en steenen verstopt is, terwijl
de gangen van de zomerwoning altijd open zijn. Als men de bouwstoffen
uit de ingangsopening wegneemt, vindt men eerst een van aarde, zand
en steenen goed gemetselde, verscheidene voeten lange galerij, de
zoogenaamde "spon". Als men deze eenige Meter ver nagaat, komt men
weldra aan een plaats, waar de gang zich in tweeën verdeelt. De eene
tak, waarin zich gewoonlijk drek en haren bevinden, is niet lang; hij
heeft waarschijnlijk de bouwstof voor het bekleeden en stevig maken
van de wanden van de hoofdgang geleverd. Deze stijgt nu langzamerhand
omhoog en komt eindelijk uit in een ruime kamer, de verblijfplaats
van de winterslapers, die dikwijls 8 à 10 M. boven den ingang van het
hol gelegen is. Meestal is de kamer eirond of bakovenvormig, met kort,
zacht, dor, gewoonlijk roodbruin hooi gevuld, dat gedeeltelijk ieder
jaar vernieuwd wordt. Reeds in Augustus n.l. beginnen de schrandere
diertjes gras af te bijten, te drogen en met den bek naar het hol
te vervoeren; zij hoopen er hier zulk een grooten voorraad van op,
dat een man het dikwijls niet alleen zou kunnen wegdragen. Vroeger
werden van dezen hooioogst curieuze fabelen verteld. Men zei, dat een
Marmot op den grond ging liggen, zich met hooi beladen en vervolgens
bij wijze van een slede naar het hol trekken liet. Aanleiding tot
dit verhaal vond men in het feit, dat bij vele Marmotten het haar
van den rug geheel afgesleten is, wat echter alleen een gevolg is
van het kruipen door de nauwe gangen van het hol.--Behalve de beide
genoemde woningen heeft de Marmot nog afzonderlijke vluchtgangen,
waarin zij zich verbergt, als haar gevaar dreigt. Als zij haar hol
niet bereiken kan, verbergt zij zich onder steenen en in rotskloven.
De bewegingen van de Marmot zijn zonderling. Haar gang is een hoogst
eigenaardig gewaggel, waarbij de buik bijna of geheel over den grond
sleept, en dat daarom een breed spoor achterlaat. Eigenlijke sprongen
heb ik de Marmotten, mijne gevangenen althans, nooit zien doen;
hiervoor zijn zij te log. Hoogst zonderling ziet het dier er uit, als
het opzit; het rust dan kaarsrecht op zijn achterste, stijf als een
stok; het heeft den staart loodrecht van 't lichaam afgebogen, laat de
voorarmen slap naar beneden hangen en kijkt opmerkzaam de wereld rond.
Frissche en sappige Alpenplanten, kruiden en wortels vormen het
voedsel van de Marmot. Zelden gaat zij naar de drinkplaats, maar als
zij er komt, drinkt zij veel op eens, smakt intusschen en richt na
elken slok den kop omhoog, evenals de Hoenderen en de Ganzen. Uit
de mededeelingen van verscheidene onderzoekers schijnt te blijken,
dat de Marmot een voorgevoel van weersveranderingen heeft.
Evenals de meeste winterslapers zijn de Marmotten in den nazomer
en in den herfst buitengewoon vet. Zoodra de eerste vorst aanvangt,
houden zij op met eten, maar drinken nog veel en dikwijls, ontlasten
zich vervolgens van hunne uitwerpselen en betrekken nu familiesgewijs
de winterwoningen. De kamer, welker zijwanden en bodem met een dikke
laag droog hooi gevoerd zijn, is het gemeenschappelijke leger van
het geheele gezelschap. Hier rusten de leden van het gezin dicht
bijeen. Alle levenswerkzaamheden zijn tot op het allergeringste
bedrag verminderd; ieder dier blijft bewegingloos en koud, door een
op den dood gelijkende verstijving bevangen, in de eens aangenomen
houding liggen; duidelijke bewijzen van leven zijn niet meer waar
te nemen. De temperatuur van het bloed is verminderd tot op die van
de lucht, welke het hol vult; de ademhalingen hebben slechts 15 maal
per uur plaats. Als men een Marmot, die in winterslaap verkeert, uit
haar hol neemt, en haar in een verwarmd vertrek brengt, wordt eerst,
zoodra haar lichaamstemperatuur tot 21° C. gestegen is, de ademhaling
duidelijker, bij 25° begint zij te snorken, bij 27.5° strekt zij de
ledematen uit, bij 31° C. ontwaakt zij, beweegt zich als bedwelmd
heen en weer, komt langzamerhand bij en begint eindelijk te eten. In
het voorjaar komen de Marmotten in zeer vermagerden toestand voor de
opening van haar winterwoning, zien smachtend uit naar iets eetbaars,
en moeten dikwijls ver loopen, om aan de hoeken en kanten der bergen,
daar waar de wind de sneeuw heeft doen verstuiven, een weinig verdord
gras te vinden.--De jacht en de vangst van de Marmot bieden vele
moeilijkheden aan. De naderende jager wordt bijna altijd door het een
of ander lid van het gezelschap bemerkt en den overigen door een luid
gefluit aangekondigd. Men vangt ze in allerlei vallen; ook graaft men
ze soms in 't begin van den winter op. Terecht is in vele Zwitsersche
kantons het opgraven van de Marmotten verboden, daar zij door deze
handelwijze na verloop van korten tijd geheel en al uitgeroeid zouden
worden; de eigenlijke jacht daarentegen wordt voor haar nooit zeer
gevaarlijk. In gevallen van uitersten nood verdedigen de Marmotten
zich moedig en vastberaden tegen hare vijanden door hevig te bijten
of van hare stevige klauwen gebruik te maken.
Voor den Alpenbewoner is dit kleine dier van belang, omdat het hem
voedsel verschaft; bovendien levert het hem geneesmiddelen voor
allerlei ziekten.
Om Marmotten in gevangenschap te houden en te temmen, doet men het best
de jongen te nemen, wanneer zij voor de eerste maal uitgaan, hoewel
het moeilijk is ze aan hun moeder te ontrooven. Zeer jong gevangen
Marmotten, die nog gezoogd worden, zijn moeilijk groot te brengen
en bezwijken gewoonlijk spoedig, zelfs bij de beste verzorging;
de halfwassen dieren kunnen gemakkelijk gevoederd en lang in 't
leven gehouden worden. Hun voedsel bestaat in den gevangen staat uit
verschillende plantaardige stoffen en uit melk. Als men zich met hen
bemoeit, worden zij weldra bijzonder tam, zijn gehoorzaam en leerzaam,
leeren hun verzorger kennen, komen, wanneer hij hen roept, nemen
allerlei standen aan, springen in opgerichte houding rond, loopen
met een stok, enz. Het onschadelijke en gezellige dier wordt dan de
lieveling van jong en oud, ook wegens zijn zindelijkheid en netheid.
Op de familie van de Eekhoornachtigen laten wij een groep van
lieftallige, kleine Knaagdieren volgen, die men onder den naam
_Slaapmuizen_ (_Myoxidae_) kan samenvatten. Haar gestalte en haar
aard wettigen haar plaatsing in de nabijheid van de Eekhoorns, van
welke zij zich echter door eigenaardigheden van den lichaamsbouw
duidelijk onderscheiden. Zij hebben een smallen kop, met een meer
of minder spits toeloopenden snuit, tamelijk groote oogen en groote,
onbehaarde, vliezige ooren, een gedrongen romp, matig lange ledematen,
fijn gebouwde voeten; de voorste hebben 4 teenen en in plaats van den
duim, een wratje, dat een platten nagel draagt; aan de achtervoeten
komen 5 teenen voor; de staart is middelmatig lang, dicht, ruig en
tweerijig behaard; de vacht is goed gevuld en zachtharig.
Men kent tot dusver ternauwernood meer dan een half dozijn goed
omschreven soorten van deze familie; alle zijn bewoners van de
Oude Wereld. Heuvelachtige of bergachtige gewesten, en hierin meer
bepaaldelijk wouden en woudzoomen, kreupelbosschen en tuinen, zijn
hare verblijfplaatsen. Zij leven op en in de boomen, minder dikwijls
in door haar zelf gegraven holen in den grond, tusschen boomwortels of
in spleten van rotsen en muren; in alle gevallen verbergen zij zich
zooveel mogelijk. Verreweg de meeste slapen over dag, en gaan alleen
gedurende de duisternis haar voedsel zoeken. Om deze reden krijgt men
ze slechts zelden en alleen bij toeval te zien. Wanneer zij den slaap
uit hebben, maken zij zeer vlugge bewegingen. Zij kunnen uitmuntend
loopen en nog beter klimmen, maar kunnen niet, zooals de Eekhoorns,
bijzonder groote sprongen doen.
In gematigde gewesten vervallen zij bij den aanvang van den winter in
een toestand van verstijving, en brengen den winter slapend in hare
nesten door. Sommige verzamelen voorraad voor dezen tijd, en maken
hiervan gebruik, wanneer zij tijdelijk wakker zijn; andere hebben dit
niet eens noodig, daar zij zich vooraf zoozeer gemest hebben, dat zij
op haar vet kunnen teren. Haar voedsel bestaat uit allerlei vruchten
en zaden; de meeste gebruiken echter ook Insecten, benevens eieren
en jongen van Vogels. Bij het eten zitten zij, evenals de Eekhoorns,
op haar achterwerk, en brengen de spijzen met de voorpooten naar den
mond. Een noemenswaard voordeel verschaffen de Slaapmuizen ons niet;
wel kunnen zij ons benadeelen door hare rooverijen in tuinen.
Het eerste geslacht is dat der _Relmuizen_ of _Zevenslapers_
(_Myoxus_). zoo genoemd naar de meest bekende van de beide hiertoe
behoorende soorten: de _Gewone Relmuis_ of _Zevenslaper_ (_Myoxus
glis_), Duitsch: _Bilch_, Fransch: _Loir_ (afgebeeld op p. 284). De
naam van dit in Zuid- en Oost-Europa voorkomend dier is meer algemeen
bekend dan zijn gestalte en zijn uitzicht. In de oude geschiedboeken
wordt vermeld, dat deze dieren lievelingen waren van de Romeinen,
die bepaalde inrichtingen hadden voor hun verzorging. Eiken- en
beukenboschjes omgaf men met gladde muren, waarlangs de Zevenslapers
niet konden opklimmen; binnen deze omheining legde men verscheidene
holen aan voor rust- en slaapplaatsen; met eikels en kastanjes voederde
men de dieren, om ze ten slotte in groote aarden potten, van 2 voet
middellijn, glirariën genaamd, geheel vet te mesten. De opgravingen
te Herculaneum hebben ons de glirariën, die voor de laatste mesting
bestemd waren, doen kennen als half bolvormige schalen, met veel
luchtgaten, die langs de binnenwanden met terrasvormige oneffenheden
voorzien waren om de dieren gelegenheid tot klimmen te geven; van boven
waren zij met een nauwmazig traliewerk van metaal gesloten. Hierin
werden verscheidene Zevenslapers opgesloten en rijkelijk van voedsel
voorzien. De gemeste dieren prijkten, na gebraden te zijn, als een
groote lekkernij op den disch van rijke fijnproevers.
De Zevenslaper bereikt een lichaamslengte van 16 cM., zonder den
13 cM. langen staart. De zachte, tamelijk dichte vacht is aan de
bovenzijde eenkleurig aschgrauw, overtogen met een zwartachtig bruin
waas, dat meer of minder donker kan zijn; hiervan is de melkwitte en
als zilver glinsterende kleur van de onderzijde van den romp en van
de binnenzijde der pooten scherp afgescheiden.
Het verbreidingsgebied van den Zevenslaper reikt van Spanje,
Griekenland en Italië tot Zuid- en Middel-Duitschland. In Oostenrijk,
Stiermarken, Karinthië, Moravië, Silezië, Bohemen en Beieren komt hij
veelvuldig voor; in Kroatië, Hongarije en Zuid-Rusland is hij algemeen;
in het noorden van Europa, en reeds in 't noorden van Duitschland,
in Nederland, Engeland en Denemarken ontbreekt hij. Hoofdzakelijk
bewoont hij het Middelgebergte, bij voorkeur droge eiken- en
beukenbosschen. Over dag houdt hij zich verscholen, tegen den avond
komt hij uit zijne schuilplaatsen te voorschijn, zwerft 's nachts
rond en zoekt zijn voedsel. Zoo leeft hij zoolang de zomer duurt.
Waarschijnlijk zijn weinig Knaagdieren vraatzuchtiger dan de
Zevenslapers. Hij vreet zoolang hij iets te vreten heeft. Eikels,
beukenoten en hazelnoten maken misschien zijn gewone voedsel uit;
walnoten, kastanjes, zoet en saprijk ooft worden echter ook niet
versmaad; dierlijk voedsel is, naar het schijnt, onontbeerlijk voor
hem; althans hij overvalt, doodt en verslindt ieder klein dier, dat
hij overmeesteren kan. Voortdurend hoort men het kraken van de noten,
die hij stuk maakt, en het vallen van de uitgevreten vruchten, die hij
naar beneden werpt. Als de herfst komt, begint hij winterproviand in te
zamelen en deze in zijne holen op te bergen. In dezen tijd is hij al
"zoo vet als modder", maar blijft toch nog zoo lang mogelijk eten;
daarna denkt hij aan het gereedmaken van zijn winterkwartier. Met
dit doel bouwt hij in diepe holen in den grond, in gaten en spleten
van rotsen en oude muren en ook wel in diepe holten van boomstammen
een nest van zacht mos, rolt zich, gewoonlijk in gezelschap van
verscheidene soortgenooten, in dit nest op, en valt, reeds lang,
voordat de thermometer vorst aanwijst, in een diepen slaap, in de
koude bergstreken reeds in Augustus, in de warmere vlakte eerst tegen
October. Men merkt nu bij hem de gevoelloosheid van alle winterslapers
op; misschien heeft hij wel de meest vaste slaap van hen allen. Men
kan hem gerust uit het nest nemen en wegdragen; hij blijft koud
en beweegt zich niet. In de warme kamer ontwaakt hij langzamerhand,
maakt bewegingen met de pooten, beweegt zich hoe langer hoe meer, maar
ziet er ook thans nog zeer slaperig uit. In de vrije natuur ontwaakt
hij soms vanzelf gedurende den winter en gebruikt dan een deel van
zijn voedselvoorraad, eigenlijk zonder te weten, wat hij doet. In
den regel ontwaakt de Zevenslaper eerst zeer laat in 't voorjaar,
zelden voor het einde van April. Zijn winterslaap duurt volle zeven
maanden; hij draagt zijn naam dus te recht.
De Zevenslaper heeft veel te lijden van zijne talrijke vijanden. De
Boommarter en de Bunzing, de Wilde Kat en de Wezel, de Ooruil en
de Uil zijn wel de ergste van zijne vervolgers, en hoewel hij zich,
zelfs tegen de sterkste vijanden met veel moed verdedigt, delft hij
toch het onderspit. Daar waar hij veelvuldig voorkomt, maakt de mensch
ijverig jacht op hem, ten deele om zijn vleesch, ten deele om zijn
vel; hij wordt meestal in kunstmatige winterwoningen, in kuilen of in
andere vallen gelokt. In Beneden-Krain vangen de boeren hem in vallen
met springveeren, waarin zij als lokaas een sappige peer of pruim
leggen. Bovendien begraaft men vaten in den grond, die gedeeltelijk
met ooft gevuld zijn en van boven slechts één toegangsopening hebben,
n.l. een buis, waarin op zulk een wijze ijzerdraden zijn aangebracht,
dat de Zevenslaper wel in het vat doordringen kan, maar er niet weer
uit kan komen. Hierin vangt men deze dieren soms in zoo grooten getale,
dat menige jager gedurende één herfst er 200 à 400 stuks buit maakt.
De Zevenslaper wordt betrekkelijk zelden in gevangenschap
gehouden. Zijn gemoedsaard is niet bepaald aangenaam, zijn grootste
deugd is zindelijkheid; voor 't overige is hij niet geschikt om de
belangstelling van zijn verzorger te behouden. Voortdurend verkeert
hij in een prikkelbare stemming, sluit volstrekt geen vriendschap met
den mensch, maar bromt woedend met een eigenaardige, snorkende stem
tegen ieder die zich verstout, hem te naderen. Ook de jongen, die in
gevangenschap geboren worden, zijn en blijven even onbeminnelijk als
de oude dieren.
De _Boomslaper_ (_Myoxus dryas_) kan men aanmerken als een
overgangsvorm tusschen de Zevenslapers en de Tuinslapers; hij bereikt
in 't geheel een lengte van 17 cM., waarvan ongeveer de helft op
den staart komt; op den kop en aan de rugzijde van den romp is zijn
kleur roodachtig bruin of bruinachtig grijs; de witte kleur van de
onderdeelen is er scherp van afgescheiden. Onder de oogen begint een
zwarte streep, deze omvat, breeder wordend, de oogen en zet zich voort
tot aan de ooren. De staart is van boven donker bruinachtig grijs,
van onderen wit.
Het verbreidingsgebied van den Boomslaper strekt zich uit van
Zuid-Rusland westwaarts tot Hongarije, Neder-Oostenrijk en Silezië;
in de westelijkste van deze landen komt hij echter slechts zelden
voor. Zijn levenswijze stemt, voor zoover men weet, in hoofdzaak met
die van de Zevenslapers en Tuinslapers overeen.
De _Tuinslapers_ (_Eliomys_) verschillen voornamelijk door hun gebit
van de Zevenslapers. Bij deze hebben de kiezen van zes tot acht
dwarsstrepen en slijten vlak af; bij de Tuinslapers is het aantal
dwarsstrepen geringer en wordt de kroonvlakte van de kiezen door het
afslijten eenigszins uitgehold. Uitwendig zijn de Tuinslapers kenbaar
aan den staart, die aan den wortel met kort, aanliggend haar begroeid,
aan de spits lang behaard, ruig en tweekleurig is. Evenals de leden van
het vorige geslacht, verschillen zij van die van het volgende, doordat
de bovenzijde van 't lichaam een andere kleur heeft dan de onderzijde.
De _Tuinslaper_ of _Groote Hazelmuis_ (_Eliomys nitela_, afgebeeld
op p. 284) (niet te verwarren met de Echte Hazelmuizen, die tot het
volgende geslacht behooren) bereikt een lichaamslengte van hoogstens
14 cM., zonder den 9.5 cM. langen staart. De kop is, evenals de
bovenzijde van den romp, roodachtig grijsbruin, de onderzijde wit.
De Groote Hazelmuis, die reeds in den ouden tijd aan de Romeinen
onder den naam _Nitela_ bekend was, behoort hoofdzakelijk thuis
in de gematigde gewesten van Middel- en West-Europa. In Nederland
komt zij niet voor, wel echter in België, Frankrijk, Zwitserland,
Italië, Duitschland, Hongarije, Galicië, Zevenbergen en de Russische
Oostzee-provinciën. In Duitschland is zij in sommige streken, b.v. in
de Hartz, zeer veelvuldig. Haar voedsel is gelijk aan dat van den
Zevenslaper. Zij doet zich echter in de huizen der bergbewoners
te goed aan vet, boter, spek en ham; ook eet zij eieren en jonge
Vogels en doet dit vaker dan haar langzamere stamgenoot, die veel
minder goed kan springen en klimmen. Haar nest verschilt van dat van
't laatstgenoemde dier, doordat het vrij opgehangen is tusschen
boomtakken; zij maakt echter als schuilhoek ook wel gebruik van
gaten in muren, van verlaten rattennesten en mollengangen en van
andere holen in het gesteente en in den grond. Opmerkelijk is het,
dat de overigens zeer zindelijke Tuinslaper weinig zorg draagt voor
zijn nest, zoodat dit in den regel in de hoogste mate vuil is.
Voor den winterslaap zoekt de Groote Hazelmuis droge en gedekte
gaten in boomen of in muren en ook wel mollengangen op; ook begeeft
zij zich soms naar de in 't woud staande boerderijen, tuinhuizen,
schuren, hooischuren, kolenbrandershutten en andere gebouwen en
vindt daar allicht een geschikte slaapplaats. Gewoonlijk slapen
verscheidene van deze dieren bij elkander in één nest, het geheele
gezelschap dicht ineengerold, bijna tot één klomp vereenigd. Zij slapen
onafgebroken, maar niet zoo vast als andere dieren met winterslaap;
want telkens als het weder zacht wordt, ontwaken zij, gebruiken iets
van hun wintervoorraad en slapen eerst weder in, wanneer de koude op
nieuw begint.
De Groote Hazelmuis wordt zeer ongaarne gezien in tuinen, waar
fijne soorten van ooft gekweekt worden. Eén enkel dier is in staat
om de geheele perziken- of abrikozenoogst te vernielen. Bij hare
snoeperijen geeft zij bewijzen van een buitengewoon fijnen smaak. Zij
zoekt de beste en sappigste vruchten uit, knaagt echter ook andere om
ze te keuren, en vernielt op deze wijze veel meer, dan zij eigenlijk
opeet. Daar zij den mensch niet anders dan schade veroorzaakt en zoomin
door haar vleesch als door haar vel eenig nut doet, wordt zij door de
eigenaars van tuinen ijverig vervolgd. Het best kan men haar vangen
in draadstrikken, die men vóór de leiboomen ophangt, of in kleine
klemmen, die op een geschikte plaats neergelegd worden. Maar beter
nog dan door zulke vallen, wordt de tuin voor deze brutale gauwdieven
beveiligd door een goede Kat. Marters, Wezels, Ooruilen en Uilen maken
ijverig jacht op de Hazelmuis. Daarom is het voor eigenaars van tuinen,
die dicht bij het woud wonen, zeer raadzaam, alle bondgenooten in
den strijd tegen schadelijke Knaagdieren zooveel mogelijk te sparen.
De Groote Hazelmuis is, evenmin als de Zevenslaper, geschikt om
getemd te worden. Zelden geraakt zij aan den mensch gewend en bij
iedere verrassing maakt zij onmiddellijk, en dikwijls op een wijze,
die voor den aangevallene hoogst pijnlijk is, van hare scherpe
tanden gebruik. Van den roofgierigen aard dezer dieren kan men
zich gemakkelijk overtuigen door na te gaan, hoe zij zich in de
gevangenschap gedragen. Zij vereenigen den bloeddorst van de Wezel
met de vraatzucht van de andere Relmuizen, vallen met ware woede op
ieder Gewerveld Dier aan, dat men in haar hok brengt, dooden in een
oogwenk een Vogel, maken binnen weinige minuten voor goed een einde
aan den tegenstand van een bijtlustige Muis en vallen zelfs elkander
aan. "Wanneer verscheidene Tuinslapers bij elkander opgesloten worden,"
zegt Weber, "moeten zij voortdurend rijkelijk voorzien worden met
voedsel--noten, beukenoten, ooft, wittebrood, hennep, lijnzaad
enz.,--en met drinkwater; bovendien moet men door het matig warm
houden van de ruimte, waarin de dieren zich bevinden, er voor zorgen,
dat zij wakker blijven, en niet in winterslaap vervallen. De honger
heeft onvermijdelijk een strijd tusschen hen tengevolge, waarvan het
einde steeds is, dat de eene kampioen sneuvelt en door den anderen
wordt opgegeten. De winterslaap wordt voor het dier, dat er door
bevangen wordt, even noodlottig als de nederlaag voor den overwonnen
strijder. Als van verscheidene in eenzelfde hok opgesloten Tuinslapers
er een in winterslaap vervalt, terwijl de overige nog wakker zijn,
dan is hij verloren; hij wordt door zijne verraderlijke kameraads
doodgebeten en verslonden. Iets dergelijks geschiedt, als verscheidene
in winterslaap verkeerende Tuinslapers achtereenvolgens wakker worden;
die, welke het eerst ontwaakt, doodt den eenen weerloozen slaper na
den anderen. De gewone dagelijksche slaap levert minder gevaar op,
omdat het aangevallen dier spoedig ontwaakt en zijn leven verdedigt."
Het derde geslacht van de familie der Slaapmuizen omvat de
_Hazelmuizen_ (_Muscardinus_), die hoofdzakelijk door haar gebit,
en meer bepaaldelijk door het aantal dwarsstrepen op de kiezen,
van de leden der beide vorige geslachten verschillen. Bovendien zijn
de boven- en onderzijde nagenoeg gelijk van kleur en is de staart,
evenals bij de Zevenslapers, over zijn geheele lengte gelijkmatig
behaard, hier echter tamelijk kort.