de Eekhoornachtigen vormen, onderscheiden zich van de Eekhoorns in
engeren zin door den loggeren, meer ineengedrongen romp, den korteren
staart en door eigenaardigheden van het gebit. Deze diergroep omvat
een tamelijk groot aantal soorten, die over Middel-Europa, Noord-Azië
en Noord-Amerika verbreid zijn. De meeste bewonen de vlakten, eenige
echter leven juist in de hoogste bergen van hun vaderland. Zij houden
zich op in droge, leemachtige, zandige of steenachtige gewesten, in
grasrijke vlakten en steppen, in bouwlanden en tuinen; de Marmotten,
die in de gebergten leven, geven echter aan de weiden, die boven de
grens van den boomgroei gelegen zijn, of aan de ravijnen en rotsdalen,
die tusschen deze grens en de sneeuwgrens voorkomen, de voorkeur
boven de genoemde vlakten. Alle soorten hebben vaste woonplaatsen
en trekken niet van het eene oord naar het andere. Zij graven diepe,
onderaardsche woningen en leven hier in gezelschappen, die dikwijls
uit een verbazend groot aantal individuën bestaan. Sommige hebben
meer dan één woning, en maken van de eene of de andere gebruik, al
naar het jaargetijde, of al naar de werkzaamheden, die zij juist dan
te verrichten hebben. Andere blijven jaar in jaar uit in hetzelfde
hol. Alle leven op den bodem; hoewel hare bewegingen ook nog snel en
vlug zijn, staan zij toch in dit opzicht bij de eigenlijke Eekhoorns
achter; eenige soorten komen ons zelfs log voor. Gras, kruiden, malsche
spruiten, jonge planten, zaden, veldvruchten, bessen, wortels, knollen
en bollen verschaffen haar voedsel; alleen die soorten, welke zich
met veel moeite in de boomen en struiken naar boven kunnen begeven,
eten jonge boombladeren en knoppen. Waarschijnlijk gebruiken ook zij,
behalve planten, Insecten en Zoogdieren tot voedsel, en verschalken
zij soms Vogels, die zich niet vlug kunnen bewegen, of plunderen hunne
nesten. Sommige soorten zijn schadelijk in koornvelden en tuinen;
het door haar veroorzaakte nadeel is echter niet belangrijk. Bij
het eten zitten zij als de Eekhoorntjes op haar achterwerk en
brengen het voedsel met de voorpooten naar den mond. Zoodra de
vruchten rijp zijn, beginnen zij winterprovisie te verzamelen en
hare onderaardsche voorraadschuren te vullen met grassen, bladen,
zaden en graanvruchten. Als de winter komt, verschuilen zij zich in
hare holen en vervallen hier in een diepen, onafgebroken winterslaap.
Haar stem bestaat uit een meer of minder luid gefluit of gekef,
en een soort van geknor, dat, wanneer het zacht is, een tevredene
gemoedstemming te kennen geeft, maar anders toorn verraadt. Vele
soorten zijn hoogst opmerkzaam, voorzichtig en waakzaam, schuw
en vreesachtig; zij zetten wachten uit tot vermeerdering van de
veiligheid van het gezelschap, en vluchten bij het geringste vermoeden
van een naderend gevaar ten spoedigste naar hare onderaardsche
schuilplaatsen. Haar verstand blijkt hieruit, dat zij gemakkelijk
en in vrij hooge mate getemd kunnen worden. De meeste leeren hare
verzorgers kennen en worden zeer gemeenzaam; eenige geven zelfs
bewijzen van volgzaamheid en leerzaamheid, en laten zich tot het doen
van verscheidene kunstjes africhten.
Zij vermenigvuldigen zich zeer sterk. Wel werpen zij gemiddeld slechts
eens 't jaar jongen, maar elke worp bestaat uit 3 à 10 stuks.
Van sommige wordt het vel gebruikt, van andere wordt het vleesch
gegeten; ook zijn zij geschikt om, als huisgenooten van den mensch, tot
zijn tijdverdrijf te dienen; ander voordeel verschaffen zij ons niet.
De eerste groep van de Marmotachtige Knaagdieren omvat de _Ziesels_
(_Spermophilus_). Van deze verdient, als bewoner van Middel-Europa,
vermelding de _Gewone Ziesel_ (_Spermophilus citillus_), een aardig
diertje, bijna van de grootte van een Hamster (hoogstens 24 cM. lang,
zonder den 7 cM. langen staart; schouderhoogte omstreeks 9 cM.), maar
met veel slankeren romp en bevalliger kopje. Hij heeft een losse,
uit tamelijk stijve haren bestaande vacht, die aan de bovenzijde
geelachtig grijs is, met onregelmatige roestgele golflijnen en fijne
vlekjes, aan de onderzijde roestgeel, aan de kin en het voorste deel
van den hals wit.
De Ziesel komt voornamelijk in het oosten van Europa voor. Albertus
Magnus heeft hem waargenomen in de nabijheid van Regensburg, waar
hij thans niet meer gevonden wordt; in den laatsten tijd breidt
zijn woongebied zich in Silezië hoe langer hoe verder naar 't westen
uit. Voor omstreeks 60 jaren kende men hem daar niet, sedert 50 jaren
echter is hij reeds in het westelijk deel van de provincie, en wel in
het regeeringsdistrict Liegnitz doorgedrongen en schrijdt vanhier uit
verder westwaarts voort. Naar het schijnt, heeft hij van alle verwante
soorten het uitgestrektste verbreidingsgebied. Met zekerheid kent men
hem als bewoner van het zuiden en midden van Rusland, van Galicië,
Silezië en Hongarije, Stiermarken, Moravië en Boheme, Karinthië,
Krain. Op de meeste plaatsen, waar de Ziesel zich ophoudt, komt hij
veelvoudig voor; soms veroorzaakt hij een aanmerkelijke schade aan den
landbouw. Droge, boomlooze gewesten strekken hem tot verblijfplaats,
vooral houdt hij van een samenhangenden zand- of leembodem, dus van
akkergrond en uitgestrekte grasvlakten. In den laatsten tijd is hij
volgens Herklotz, begonnen zich te vestigen in streken, die door
spoorwegen doorsneden worden; daar de spoordijken hem het graven
gemakkelijk maken, en voor regenbuien eenigszins beveiligen. Deze
dieren leven steeds gezellig, maar ieder hunner graaft zich zijn eigen
hol in den grond, het mannetje dichter bij de oppervlakte, het wijfje
dieper. De kamer ligt 1 à 1.5 M. onder de oppervlakte van den bodem,
is van langwerpig ronden vorm, heeft ongeveer 30 cM. middellijn
en wordt met droog gras gevoerd. Naar boven leidt altijd slechts
een enkele, nauwe gang, vóór welker opening een kleine hoop aarde
opgeworpen is. Andere ruimten van de onderaardsche woning dienen als
bewaarplaatsen van den wintervoorraad, die in den herfst bijeengebracht
wordt. Het hol, waarin het wijfje in de lente, gewoonlijk in April of
Mei, hare 3 à 8 hulpbehoevende, naakte en blinde jongen ter wereld
brengt is, om het teer geliefde kroost voldoende te beveiligen,
altijd dieper aangelegd dan het gewone, tot woning dienende hol.
"Ofschoon de Ziesel zeer wantrouwig en voorzichtig is," schrijft
Herklotz, "geraakt hij toch aan dikwijls herhaalde storingen gewoon,
zoodat deze hem ten slotte in 't geheel niet meer hinderen. Op een
Hongaarschen spoorweg ontdekte ik aan het einde van een ten deele
in 't puin bedolven dwarslegger, een in den spoordijk doordringend
Zieselhol, waaraan ik door den reuk kon bemerken, dat het bewoond
werd. Om mij hiervan volkomen te overtuigen, ging ik op de loer liggen,
en het duurde niet lang of de Ziesel kwam te voorschijn. Een half
uur later kwam de trein aansnorren, de Ziesel schoot in zijn hol,
maar bleef met het halve lijf er buiten, liet rustig den trein over
zich heen ratelen, kwam toen dadelijk weer te voorschijn en hervatte
zijne vroegere bezigheden."
Malsche kruiden en wortels, graansoorten, peulvruchten en allerlei
bessen, maken het gewone voedsel van den Ziesel uit. Tegen den aanvang
van den herfst begint hij voorraad in te zamelen, die hij op de
wijze van den Hamster in de wangzakken naar zijn hol vervoert. Als
de gelegenheid zich voordoet, wordt de Ziesel ook gevaarlijk voor
Muizen en voor Vogels die op den grond nestelen; want hij ontrooft
hun niet alleen de eieren, maar overvalt zelfs de volwassen Vogels,
als zij niet voorzichtig zijn, brengt ze een paar beten toe, vreet hun
de hersenen uit den kop en verslindt ze daarna geheel, met uitzondering
van de huid. Het voedsel houdt hij zeer sierlijk tusschen de voorpooten
vast en eet het op, terwijl hij in half opgerichte houding op zijn
achterwerk zit.
De schade, die de Ziesel door zijne dieverijen veroorzaakt,
wordt alleen dan merkbaar, als het dier zich buitengewoon
sterk vermenigvuldigt. Maar de Hermelijnen, Wezels, Bunzingen en
Steenmarters, de Valken, Kraaien, Reigers en Trappen, zelfs de Katten,
de Rattenvangers en andere bekende verdelgers van Knaagdieren maken
ijverig jacht op hem. De Groote Trap o.a. vervolgt den Ziesel met
evenveel ijver als behendigheid, doodt hem door een snavelhouw
en verslindt hem met huid en haar. Ook de hand van den mensch is
tegen hem; hij wordt vervolgd zoowel wegens zijn vel, als om zijn
smakelijk vleesch; men vangt hem in strikken en vallen, graaft hem
uit of dwingt hem zijn hol te verlaten door er water in te gieten,
enz. Hierdoor wordt aan de sterke vermenigvuldiging van den Ziesel
paal en perk gesteld.
Het is niet moeielijk den Ziesel levend te vangen. De spade brengt het
in zijn hol verborgen dier spoedig aan 't daglicht, of de arglistig
voor den ingang geplaatste val doet hem bij het verlaten zijner woning
de vrijheid verliezen. In dit geval gedraagt de Ziesel zich op een
zeer beminnelijke wijze. Hij maakt van den nood een deugd en sluit
langzamerhand vriendschap met den hem opgedrongen meester. Toch toont
hij niet zelden de eigenaardige streken van de Knaagdieren door duchtig
te bijten. Als hij goed behandeld wordt, kan de Ziesel verscheidene
jaren lang als gevangene in 't leven blijven. Met de Hazelmuis is
hij wel een van de aardigste dieren, die men in de kamer houden kan.
De in Noord-Amerika levende _Prairie-hond_ (_Cynomys ludovicianus_)
verbindt in zekeren zin de Ziesels met de eigelijke Marmotten;
hoewel hij streng genomen tot gene behoort, gelijkt hij toch meer op
deze. De romp is ineengedrongen, de kop groot, de staart zeer kort,
ruig, van boven en aan de zijden gelijkmatig behaard; de wangzakken
zijn onbeduidend. Volwassen Prairie-honden kunnen, met inbegrip
van den ongeveer 7 cM. langen staart, een lengte van ongeveer 40
cM. bereiken. De kleur van de bovenzijde is licht roodachtig bruin,
met grijs en een zwartachtige tint gemengd, die van de onderzijde is
vuilwit, de korte staart is aan de spits bruin gestreept.
De naam "Prairiehond," die langzamerhand burgerrecht heeft gekregen, is
aan dit dier gegeven door de oude Canadeesche trappers of pelsjagers,
die het ontdekten, en welker aandacht vooral getrokken werd door het
blaffend geluid, dat het laat hooren. In zijn uitwendig voorkomen is
niets, wat aan den Hond herinnert. Zijne uitgestrekte verblijfplaatsen,
die men, wegens hun omvang "dorpen" noemt, worden geregeld gevonden
op eenigszins laag gelegen weiden, waar een sierlijke grassoort
een prachtig tapijt vormt en tevens aan de dieren het verkrijgen van
voedsel gemakkelijk maakt. "Tot welk een ongeloofelijke uitgestrektheid
de koloniën van deze vreedzame bodembewoners zijn aangegroeid," zegt
Balduin Möllhausen, "bemerkt men het best, wanneer men voortdurend,
dagen achtereen tusschen de kleine heuvels doortrekt, die ieder aan
twee of meer van deze dieren tot woonplaats dienen. De woningen zijn
gewoonlijk 5 à 6 M. van elkander verwijderd; iedere kleine heuvel, die
zich voor den ingang van zulk een woning verheft, bestaat vermoedelijk
uit een flinke wagenvracht aarde, die langzamerhand door de bewoners
uit de onderaardsche gangen aan de oppervlakte is gebracht. Sommige
woningen hebben één, andere twee ingangen. Een vastgetreden pad
leidt van de eene woning naar de andere; dit ziende, komt men tot het
vermoeden, dat er tusschen deze vlugge diertjes een innige vriendschap
moet bestaan. Tot de keuze van een plaats voor het aanleggen hunner
'steden' schijnen zij bepaald te worden door de aanwezigheid van een
korte grassoort met gekroesde bladen, die vooral op hoogvlakten tiert,
en die, met den wortel van een andere plantensoort, het eenige voedsel
van deze diertjes uitmaakt. Zelfs op de hoogvlakten van Nieuw-Mexico,
waar vele mijlen in 't rond geen druppel water te vinden is, treft
men dicht bevolkte vrijstaten van deze diersoort aan. Daar er in deze
streken verscheidene maanden achtereen geen regen valt, en men ook, om
het grondwater te bereiken, meer dan 30 M. diep moet graven, mag men
wel aannemen, dat de Prairie-honden geen ander water noodig hebben,
dan dat hetwelk door een sterken dauw van tijd tot tijd op de fijne
grashalmen wordt neergeslagen. Als de Prairie-hond den tijd voelt
naderen, waarin hij den winterslaap zal aanvangen, hetgeen gewoonlijk
in de laatste dagen van October geschiedt, sluit hij alle uitgangen
van zijn woning om zich tegen de koude winterlucht te beveiligen, en
geeft zich aan den slaap over, om niet eerder de onderwereld weder
te verlaten dan in de lentedagen, als de warmte hem tot een nieuw,
vroolijk leven opwekt. Volgens de verhalen van de Indianen, opent
hij dikwijls reeds de deuren zijner woning als het weder nog koud
is. Dit wordt dan beschouwd als een betrouwbaar voorteeken van de
spoedige komst van warme dagen.
"Zulk een kolonie levert een merkwaardig schouwspel op, als het
gelukt, haar tot op korten afstand te naderen, zonder door de wachten
opgemerkt te worden. Zoover het oog reikt, ziet men overal leven en
beweging; bijna op iederen heuvel zit rechtop als een Eekhoorntje, de
kleine, geelachtig bruine Marmot; het naar boven gerichte staartje is
voortdurend in beweging en de fijne, blaffende stemmetjes van de vele
duizenden dieren, vereenigen zich tot een gonzend gedruisch. Als de
toeschouwer nog eenige schreden naderbij komt, hoort en onderscheidt
hij de zwaardere stem van de oude en ervaren hoofden; maar op
eens, als door een tooverslag, is al dit leven van de oppervlakte
verdwenen. Slechts hier en daar komt uit de opening van een hol de kop
van een verspieder te voorschijn, die door een aanhoudend, uitdagend
geblaf, zijne verwanten voor de gevaarlijke nabijheid van een mensch
waarschuwt. Als men dan gaat liggen, en zonder zich te bewegen met
geduld acht geeft op hetgeen er in de naaste omgeving voorvalt,
zal men na verloop van korten tijd de schildwacht weder zijn plaats
op den heuvel voor zijn deur zien innemen; door onophoudelijk te
blaffen, maakt hij zijne soortgenooten bekend met het ophouden van het
gevaar. Hij lokt daardoor de eene voor, de andere na uit de donkere
gangen aan de oppervlakte, waar weldra de vreedzame werkzaamheden
van deze gezellige dieren op nieuw een aanvang nemen. Uren lang zou
men, zonder verveling, dit aanhoudend afwisselend tafereel kunnen
beschouwen; 't is te begrijpen, dat menigeen dan de wensch in zich
voelt opkomen, de taal van deze dieren te leeren verstaan, om hunne
gesprekken te kunnen afluisteren en in hun gedachtenkring door te
dringen."
Een opmerkelijk feit, voor welks juistheid verscheidene
natuuronderzoekers ons borg staan, is, dat de woningen der
Prairie-honden ook aan twee gevaarlijke vijanden van kleine Knaagdieren
huisvesting verschaffen. Het is volstrekt geen zeldzaamheid, Marmotten,
Aarduilen en Ratelslangen door dezelfde opening naar binnen te
zien gaan.
"Ieder die met de prairie en hare bewoners goed bekend is", schrijft
Finsch, "weet, dat deze dieren vreedzaam in een en 't zelfde hol
bijeenwonen. De dierenopzetters in het verre westen, kiezen met
voorliefde dit klaverblad als voorbeeld voor een dierengroep, die
onder den naam van 'de gelukkige familie' bij de vreemdelingen niet
weinig verwondering wekt."
Van de gevangen Prairie-honden bericht Haacke onder meer het volgende:
"Er zijn waarschijnlijk niet veel dieren, welker leven in den gevangen
staat zich zoo gemakkelijk tot een nagenoeg met de natuur overeenkomend
beeld van hun leven in den vrijen staat laat inrichten, als dat
van de Prairie-honden, welker kunstige woningen en merkwaardige
werkzaamheden met groote belangstelling door vele bezoekers van
den Frankforter dierentuin worden nagegaan. Nauwelijks waren in den
vorigen zomer de dieren weer toegelaten in ons Prairie-honden-park, dat
door eenige nieuwe inrichtingen verbeterd was, of hun onderaardsche
arbeid nam een aanvang. Des namiddags waren de dieren in 't park
toegelaten, den volgenden nacht reeds konden zij in hunne nieuwe
holen slapen. Bij het uitgraven van zijn hol gaat de Prairie-hond met
groote omzichtigheid te werk. Nooit begint hij te graven op den bodem
van den onderaardschen gang die hij verlengen wil, want daardoor
zou hij zich den uitweg versperren of althans zeer bemoeilijken;
steeds begint hij zijn arbeid in de onmiddellijke nabijheid van
den ingang. Hier wordt de aarde die van een vorigen keer is blijven
liggen, met de voorpooten onder den buik van het dier geschoven en
vervolgens met de achterpooten naar buiten geslingerd; zoo verdwijnt
het dier, dat afwisselend met de voor- en achterpooten arbeidt,
langzamerhand in de diepte. Met het graven der gangen is echter het
bouwen van de woning niet afgeloopen. Een belangrijk deel van den
hiervoor vereischten arbeid is het opwerpen van een ringwal om de
uitgangsopening, waardoor het hol tegen overstrooming gevrijwaard
wordt. Met dit doel wordt de uitgegraven aarde bijeengebracht. Al
wat te ver was voortgesmeten, wordt door de achterpooten weer in de
buurt van den ingang van het hol geworpen; daarna schuift het dier,
omdat hier degelijk werk verricht moet worden, de aarde zorgvuldig
met de voorpooten voor zich uit, en hoopt haar rondom den ingang
op. Om te maken dat zij hier blijft liggen en een flinken wal vormt,
wordt zij netjes met den neus vastgestampt; om de beste uitkomst te
verkrijgen, worden regendagen gekozen voor het stevig maken van den
wal en van de wanden van den ingang; men ziet op zulke dagen rondom
den ingang overal de indruksels van den neus van het dier.
"Met het oog op de weersveranderingen brengt de Prairie-hond nu en dan
tijdelijke wijzigingen aan in zijn woning. Toen het in October koud
werd, maakten onze Prairie-honden drie van de vijf toegangsopeningen
tot hun hol dicht. Voor dit doel werden de wallen gedeeltelijk
afgebroken. Juist het tegendeel geschiedde, naar mij bleek, in den
zomer, als de zon na eenige regendagen veel warmte gaf en er voor het
uitdrogen van de woning gezorgd moest worden. Toen werden er, om het
ontwijken van den waterdamp te bevorderen, luchtgangen gegraven. Om
het hol bewoonbaar te maken, moet het leger van het dier met hooi
en dergelijke materialen bekleed worden. Bij droog weder werpen
wij onze Prairie-honden een handvol hooi toe. Met de voorpooten en
den bek maken de dieren van het hooi boschjes, die zoo dik zijn,
dat zij ze bijna niet met den mond kunnen vasthouden en verdwijnen
hiermede in de diepte. Op soortgelijke wijze handelen zij met papier;
geheele couranten worden tot een prop samengevouwen en in het hol
gesleept. Als het hooi van het leger te vochtig geworden is, nemen
zij het weg en vervangen het door nieuw hooi."
Wat de Prairie-hond is in de Nieuwe Wereld, is de _Bobak_ (_Arctomys
bobac_) in de Oude Wereld: een bewoner van de vlakte. De lichaamslengte
van dit dier, dat men eerst in den laatsten tijd van de Marmot der
Alpen heeft leeren onderscheiden, bedraagt 37 cM., zonder den 9
cM. langen staart; de tamelijk dichte vacht is vaal roestgeel. De
jongen zijn doffer van kleur dan de ouden.
Het verbreidingsgebied van den Bobak strekt zich uit van 't zuiden
van Polen en Galicië over een deel van Centraal-Azië tot aan den Amoer
en misschien tot Kamtschatka en over den Himalaja tot in Sikkim. Hij
bewoont vlakten en steenachtige heuvels; zoowel bosschen als zandige
streken worden door hem gemeden, omdat deze hem het graven van
zijne diepe woningen niet veroorloven. Adams vond hem in de breedste
dalen van Kasjmir nog op hoogten van 2000 en zelfs van 3000 M. boven
den zeespiegel. Hier houdt hij zich op in vruchtbare vlakten, waar
gedurende den zomer een plantenkleed, dat veel afwisseling vertoont
maar niet hoog opgroeit, den bodem bedekt. Altijd en overal leeft
hij in gezelschappen, die uit een groot aantal individuën bestaan,
en geeft hierdoor aan vele gewesten een eigenaardig voorkomen:
tallooze heuvels, die men in de grassteppen van Centraal-Azië,
opmerkt, danken hun ontstaan hoofdzakelijk aan deze Marmotten, die
door hun bedrijvigheid den reiziger weten te boeien, en door hun
vleesch voor de menschen en voor vele dieren, die de steppe bewonen,
van groot belang zijn.
Boven op de hoogste steengruishoopen der Alpen, waar geen boom, geen
struik meer groeit, waar geen Rund meer komt en waar de Geiten en
Schapen zich maar zelden vertoonen, zelfs op de kleine rotseilanden
midden tusschen de groote gletschers, waar de sneeuw slechts gedurende
hoogstens zes weken ieder jaar door de warme zonnestralen wordt
weggevaagd: daar woont een reeds sinds overouden tijd bekend lid
van de familie, wiens leven wel is waar, wat de hoofdzaken betreft,
overeenstemt met dat van zijne vroeger beschrevene verwanten, maar
wegens zijn eigenaardige woonplaats in vele opzichten er ook van
afwijkt. De Romeinen noemden dit dier _Alpenmuis_, de Savoyaarden
noemen het _Marmotta_, de bewoners van Engadin _Marmotella_. Van deze
namen zijn zoowel het Nederlandsche woord _Marmot_, als het Duitsche
woord _Murmelthier_ nabootsingen. In Bern heet het _Murmeli_, in
Wallis _Murmentli_ en _Mistbelleri_, in Gauwbunderland _Marbetle_
of _Murbentle_, in Glarus _Munk_.
Dit dier is ons tegenwoordig vreemder, dan het vroeger was. De arme
Savoyaardenjongens mogen niet meer zwerven; vroeger trokken zij tot
in ons land en nog verder noordwaarts met hun tammen Marmot op den
rug, om door de eenvoudige voorstellingen, die zij met hun eenige
bezitting in dorpen en steden gaven, eenige centen op te halen. Het
is met de Marmot gegaan als met het Kameel, den Aap en den Beer: zij
heeft opgehouden een bron van vreugde voor de dorpsjeugd te zijn;
men moet thans tamelijk ver reizen, tot in de dalen der Alpen, om
nog een levende Marmot te zien.
De _Marmot_ (_Arctomys marmota_) kan, met inbegrip van den
11 cM. langen staart, een lengte van 62 cM. bereiken, bij een
schouderhoogte van 15 cM. Door gestalte en lichaamsbouw gelijkt zij op
hare verwanten. De beharing, die uit kort wolhaar en langer bovenhaar
bestaat, is dicht, overvloedig en tamelijk lang; de kleur is aan de
bovenzijde in meerdere of mindere mate bruinzwart, op de kruin en het
achterhoofd afgebroken door eenige witachtige stippen, in den nek,
aan den wortel van den staart en aan de geheele onderzijde donker
roodachtig bruin, aan de pooten, de zijden van den romp en aan het
achterwerk nog lichter, aan den snuit en aan de voeten roestgeelachtig
wit. De oogen en de klauwen zijn zwart, de snijtanden bruinachtig
geel. Men treft ook geheel zwarte of witte en parelkleurig wit gevlekte
exemplaren aan.
Uit onderzoekingen van den laatsten tijd is gebleken, dat de Marmot
uitsluitend Europa bewoont. Zij houdt zich op in de hooge gebergten,
in de Alpen, Pyreneën en Karpaten, en meer bepaaldelijk in de hoogst
gelegen gedeelten, in de weiden die in de onmiddellijke nabijheid van
de eeuwigdurende ijs- en sneeuwvelden gelegen zijn, en daalt over 't
algemeen niet lager dan tot de boomgrens af. Als verblijfplaats kiest
zij vrije ruimten, die aan alle zijden door steile rotswanden begrensd
zijn of kleine, nauwe bergkloven tusschen alleenstaande spitsen,
bij voorkeur oorden, die zoo ver mogelijk van de tooneelen van 's
menschen bedrijvigheid verwijderd zijn. Hoe eenzamer het gebergte is,
des te veelvuldiger komt zij voor; daar waar de mensch druk verkeert,
is zij reeds uitgeroeid. In den regel bewoont zij alleen de naar 't
zuiden, oosten en westen gekeerde bergvlakten en hellingen, omdat zij,
evenals de meeste dagdieren, veel van de zonnestralen houdt. Hier
heeft zij hare holen gegraven, sommige klein en eenvoudig, andere
dieper en op ruimer schaal aangelegd, gene voor den zomer bestemd,
deze voor den winter, gene tot beschutting tegen voorbijgaande
gevaren of ongunstige weersveranderingen, deze om als schuilplaats te
dienen gedurende den vreeselijk strengen winter, die hierboven 6, 8,
ja zelfs 10 maanden lang den schepter zwaait. Minstens twee derden
van het jaar verslaapt dit merkwaardige wezen, soms nog veel meer,
want op zijne hoogst gelegen woonplaatsen duren zijn groei en zijn
leven boven den grond ternauwernood een zesde deel van het jaar.