Produced by Jeroen Hellingman and the Online Distributed
Proofreading Team at http://www.pgdp.net/
Zevende Orde.
De Knaagdieren (Rodentia).
De Knaagdieren vormen een naar alle zijden goed begrensde groep. Zij
dragen hun naam bijna met nog meer recht dan de Roofdieren den
hunnen. Twee snijtanden in iedere kaak, die tot groote knaagtanden
uitgegroeid zijn en het ontbreken der hoektanden, waardoor tusschen
snij- en maaltanden een groote ruimte ontstaat, zijn kenmerken,
die aan alle eigen zijn.
Van het uitwendig voorkomen der Knaagdieren kan weinig in 't algemeen
gezegd worden, daar deze orde zeer verschillende vormen omvat en
daarom zeer rijk is aan familiën en soorten. De voor alle geldige
kenteekenen komen tennaastenbij op het volgende neer: de romp is in de
meeste gevallen rolvormig en rust op korte pooten, die in den regel
ongelijke lengte hebben, daar de achterpooten gewoonlijk een weinig,
en dikwijls zelfs veel langer zijn dan de voorpooten; de kop is door
een korten, dikken hals met den romp verbonden; de oogen zijn groot
en puilen gewoonlijk sterk uit; de lippen zijn vleezig, met snorharen
bezet, zeer beweeglijk en van voren gespleten; de voorpooten hebben in
den regel 4, de achterpooten 5 teenen; deze zijn met meer of minder
sterke klauwen (soms ook met nagels van anderen vorm) gewapend, bij
sommige door zwemvliezen met elkander verbonden. Het haarkleed is bijna
altijd van gelijkmatige lengte, hoogstens aan de ooren tot kwastjes
of aan den (in dit geval meestal ruigen) staart tot een pluim verlengd.
De snijtanden of knaagtanden zijn aanmerkelijk grooter dan alle overige
bestanddeelen van het gebit; de bovenste zijn altijd korter, maar
breeder dan de onderste; in beide kaken zijn zij boogvormig gekromd
(de bovenste het sterkst), aan de sneede breed of puntbeitelvormig,
aan den wortel drie- of vierkantig, met een soms platte, soms gewelfde,
nu eens gladde, dan weer gegroefde oppervlakte, wit of geelachtig
of rood van kleur. Hun buitenste of voorste vlakte is met staalhard
email bedekt; de scherpe spits of de breede, op het scherpe einde
van een steekbeitel gelijkende bovenrand is uitsluitend uit genoemd
materiaal samengesteld. Het overige deel van den tand bestaat uit
een veel zachtere stof, n.l. tandbeen. Wegens het veelvuldig gebruik,
dat van deze belangrijke tanden wordt gemaakt, zouden zij na korten
tijd stomp worden of afslijten, indien zij niet een groot voorrecht
hadden boven de meeste tanden van Zoogdieren; zij groeien n.l. altijd
door. De tandwortel ligt in een tandholte, die zich tot diep in de
kaak voortzet, en bevat aan zijn geheel open (en zelfs trechtervormig
verwijd), achterste uiteinde, een blijvende kiem, die den tand van
achteren voortdurend in gelijke mate herstelt, als hij van voren
afslijt. De snede van den tand wordt vlijmscherp gehouden, doordat
de onderling tegenovergestelde tanden over elkander wrijven, zoodat
de eene langs den anderen schuurt. Daar nu de snijtanden op ongelijke
wijze met email bekleed zijn, van voren met een dikke korst, terwijl
van achteren het tandbeen onbedekt blijft, zal de top van den tand
in schuinsche, van voren naar achteren afhellende richting geslepen
worden. De zeer omvangrijke en samengestelde kauwspier moet door haar
werking de onderkaak zoowel opheffen als naar voren schuiven. In
verband hiermede is de gewrichtsknobbel van het onderkaaksbeen in
overlangsche richting, van voren naar achteren ontwikkeld. De tanden
zijn hierdoor niet tot grijpen en tot verscheuren, maar tot knagen, tot
afknabbelen geschikt. Tegen de verbazend groote krachtsinspanning, die
hiervoor vereischt wordt, zijn zij volkomen bestand. Van het voortduren
van den groei der knaagtanden kan men zich gemakkelijk overtuigen,
door bij een Knaagdier, b.v. bij een Konijn, een der knaagtanden,
b.v. van de onderkaak, af te breken. Dan groeit de tegenovergestelde
bovenkaaksnijtand, omdat hij niet meer onderhevig is aan afslijting,
schielijk aan, komt boogvormig omgekruld buiten den bek te voorschijn,
en verkrijgt, steeds groeiend en niet slijtend, een spiraalvormige
gedaante; het geheele gebit wordt hierdoor nagenoeg onbruikbaar en de
voeding zeer bemoeilijkt. Na het afbreken van een bovensnijtand zal
de tegenovergestelde ondertand zich binnen de mondholte kolossaal
verlengen en hier, door het gehemelte in zijn opwaartschen groei
gestuit, een spiraalvormige gedaante verkrijgen, of wel in de bovenkaak
doordringen. Zulke monsterachtige tanden missen natuurlijk den scherpen
rand aan den top van de kroon.--De maaltanden hebben platte kronen,
met dwars gerichte verhevenheden op de kauwvlakte, die slechts bij
enkele door knobbels vervangen zijn. De voor- en achterwaartsche
beweging van de onderkaak in aanmerking nemend, is het niet moeilijk
in te zien, dat de dwarse richting der oneffenheden, het vermalen
van harde stoffen in hooge mate bevordert.
Bij vele Knaagdieren komen wangzakken voor, die door een opening aan
de binnenzijde der lippen met de mondholte in gemeenschap staan, en
zich tot in de schouderstreek kunnen uitstrekken; bij het inzamelen
van voedsel kunnen zij als bergplaatsen dienen; een hiervoor bestemde
spier trekt deze zakken terug, als zij gevuld moeten worden.
De Knaagdieren zijn over alle werelddeelen verbreid en komen, zoover
de plantengroei zich uitstrekt, in alle klimaten, op alle breedten en
op alle hoogten voor. "Te midden van eeuwigdurende sneeuw en ijs." zegt
Blasius, "daar, waar een warme zonnestraal slechts op sommige plaatsen
en gedurende weinige weken, aan enkele planten een kortstondig en
armoedig leven mogelijk maakt, op de stille eenzame, met sneeuw bedekte
hoogten der Alpen, in de uitgestrekte onherbergzame vlakten van het
noorden, vindt men nog Knaagdieren, die geen behoefte gevoelen aan een
schoonere zon. Maar hoe rijker en weelderiger de plantenwereld is, des
te bonter en menigvuldiger wordt het leven van deze Zoogdierenorde,
die bijna geen plekje van de aarde onbewoond laat." De levenswijze
van deze algemeen verbreide dieren, is zeer verschillend.
Niet weinige van hen houden zich in de boomen op, vele leven in den
grond sommige bewonen het water; hunne verblijfplaatsen zijn dikwijls
onderaardsche, door henzelf gegraven holen, andere hebben hun leger te
midden van het struikgewas, nog andere in het open veld. Alle zijn in
meerdere of mindere mate vlugge dieren, die, in overeenstemming met
de plaats waar zij zich ophouden, voortreffelijk loopen, òf klimmen,
òf graven, òf zwemmen. Meestal scherpzinnig, wakker en lenig, zijn
zij evenwel, naar het schijnt, niet schrander of met buitengewone
geestesgaven bedeeld. Verreweg de meeste kenmerken zich door armoede
van geest; zij kunnen wel schuw, maar niet voorzichtig of listig
zijn, en onderscheiden zich ook in andere opzichten nooit door in
't oog vallende bekwaamheden. Sommige leven bij paren, andere zijn
tot familiën en niet weinige tot groote troepen vereenigd; zij
zijn verdraagzaam tegenover andere dieren, maar bemoeien zich niet
met hen. Boosaardigheid en valschheid, wildheid en onbeschaamdheid,
willens en wetens geopenbaard, treft men slechts bij weinige aan. Als
hun een gevaar dreigt, keeren zij zoo schielijk mogelijk naar hunne
schuilplaatsen terug; slechts zeer weinige onder hen zijn schrander
genoeg, om op listige wijze vervolgingen te ontgaan. Alle Knaagdieren
voeden zich hoofdzakelijk met plantaardige stoffen: wortels,
schors, bladen, bloemen, allerlei soorten van vruchten, kruiden,
gras, melige knollen, ja zelfs houtvezels worden door hen gegeten;
de meeste maken echter ook van dierlijk voedsel gebruik, en zijn
echte alleseters. Eigenaardig is het, dat vele, die te zwak zijn,
om groote reistochten te ondernemen, of om weerstand te bieden aan
de strengheid van den winter, voorraad inzamelen en in onderaardsche
bergplaatsen bewaren. De Knaagdieren verdienen als bouwmeesters een
eereplaats onder de Zoogdieren; sommige van hen vervaardigen zeer
kunstige woningen, die reeds sedert overouden tijd de bewondering
van den mensch getrokken hebben. Niet weinige brengen den winter
door in een op den dood gelijkenden slaap, verkeeren in een toestand
van verstijving, en teren op het vet, dat zij gedurende den zomer in
hun lichaam hebben opgehoopt, en dat wegens de in ieder opzicht zeer
sterk verminderde levenswerkzaamheid tot aan het volgende voorjaar
in hunne behoeften kan voorzien.
In verhouding tot hun geringe groote, is de beteekenis van de
Knaagdieren in de huishouding der natuur zeer groot; zij zijn onze
schadelijkste en gevaarlijkste vijanden. Als zij niet een talloos leger
van vijanden tegenover zich hadden, en niet in hooge mate onderhevig
waren aan ziekten en epidemiën van velerlei aard, zouden zij de aarde
overheerschen en verwoesten. De onophoudelijke verdelgingsoorlog,
die tegen hen gevoerd wordt, heeft een tegenwicht in hunne verbazende
vruchtbaarheid en vermenigvuldigingsvermogen; maar al te dikwijls
hebben deze de overhand. Het klinkt bijna ongeloofelijk, maar is
toch waar, dat een paar Knaagdieren, binnen een tijdsverloop van
één jaar, een nakomelingschap kan hebben die uit duizend individuën
bestaat. Vriendschap kan men eigenlijk slechts voor hoogst weinige
leden van deze vormenrijke orde gevoelen, en van deze weinige zijn
slechts enkele waard getemd te worden. Belangrijker dan door de
eigenschappen, die men gedurende hun leven kan opmerken, zijn de
Knaagdieren voor ons door hun vel en hun vleesch.
In de eerste familie plaatsen wij de _Eekhoornachtigen_ (_Sciuridae_),
verdeeld over twee onderfamiliën: de _Eekhoorntjes_ en de _Marmotten_.
De romp van de _Eekhoorntjes_ (_Sciurinae_) is lang en eindigt in
een meer of minder langen, dikwijls twee-rijig behaarden staart. De
oogen zijn groot en uitpuilend, de ooren bij sommige klein, bij andere
groot, nu eens dun behaard, dan weer met een haarkwastje voorzien. De
voorpooten zijn aanmerkelijk korter dan de achterpooten. Gene hebben 4
teenen en een kort stompje op de plaats van den duim, de achterpooten
hebben vijf teenen.
Met uitzondering van Australië bewonen de Eekhoorntjes de geheele
aarde; zoowel in tamelijk ver noordwaarts gelegen gewesten, als in
de heetste landstreken tusschen de keerkringen komen zij voor; zij
leven op verschillende hoogten, sommige soorten treft men zoowel in
het gebergte als in de vlakte aan. Bosschen, of althans plaatsen waar
boomen groeien, zijn hunne meest geliefde verblijfplaatsen; verreweg
de meeste zijn echte boomdieren; eenige vestigen hun woonplaats in
onderaardsche, door henzelf gegraven holen.
Alle Eekhoorntjes bewegen zich vlug, snel en behendig, even goed op
de boomen als op den grond. Alleen de Vliegende Eekhoorntjes gevoelen
zich op den bodem niet thuis, maar zijn in staat buitengewoon groote
sprongen te doen, hoewel altijd slechts van boven naar beneden. De
meeste bewegen zich springend over den bodem en raken dezen met de
geheele zool aan. Bijna alle klimmen uitmuntend en springen over
groote tusschenruimten van den eenen boom op den anderen. Zij slapen
ineengerold en doen dit bij voorkeur op een gemakkelijke ligplaats,
die zij zich verschaffen nu eens door het graven van een onderaardsche
woning, dan weer door een leger op te slaan in een hollen boom, en
ook wel door het doelmatig inrichten van een door andere dieren of
door henzelf gebouwd nest. De Eekhoorntjes, die koude landen bewonen,
trekken zuidwaarts bij 't naderen van den winter, of vervallen in
een onafgebroken winterslaap en brengen in dit geval een meer of
minder grooten voorraad leeftocht bijeen, waarvan zij in geval van
nood gebruik maken. Hun stem bestaat uit een fluitend geluid en uit
een eigenaardig, niet nader te omschrijven gebrom, geknor en gesis.
De meeste soorten werpen, naar het schijnt, ieder jaar meer dan
éénmaal jongen. Vóór en na den paartijd houdt het mannetje zich
dikwijls geruimen tijd bij het wijfje op; ook helpt hij haar wel bij
het bouwen van de meer of minder kunstige woning, waarin zij later
haar kroost zal verzorgen. Het aantal jongen in iederen worp wisselt
af van twee tot zeven. De kleintjes komen nagenoeg kaal en blind ter
wereld en hebben daarom behoefte aan een warm leger en een zorgvuldige
verpleging. Jong uit het nest genomen Eekhoorntjes laten zich zonder
bijzondere moeite temmen; bijna altijd komt echter op meer gevorderden
leeftijd de weerspannige en knorrige aard, die aan vele Knaagdieren
eigen schijnt te zijn, voor den dag; zij worden boosaardig en toonen
lust tot bijten.
Hoewel alle Eekhoorntjes bij voorkeur (en gedurende sommige tijden
uitsluitend) plantaardig voedsel gebruiken, versmaden zij echter,
evenals tal van andere Knaagdieren, het dierlijk voedsel niet;
zij overvallen zwakke Zoogdieren en maken ijverig jacht op Vogels,
welker nesten zij op onmeedoogende wijze plunderen. Ofschoon het vel
van verscheidene soorten van Eekhoorntjes als pelswerk dienst doet
en men op sommige plaatsen het vleesch van deze dieren eet, kan toch
dit geringe nut niet opwegen tegen de schade, die zij toebrengen aan
de door ons gekweekte planten en aan de nuttige Vogels.
Verreweg de meeste leden van de eerste onderfamilie behooren tot
het slechts in Australië ontbrekende geslacht der _Dag-eekhoorntjes_
(_Sciurus_). Alle soorten van deze groep stemmen zoozeer met elkander
overeen, wat gestalte, lichaamsbouw, levenswijze en aard betreft,
dat het volkomen voldoende is, onzen Eekhoorn en zijn levenswijze te
beschrijven, om een voorstelling te verkrijgen van het leven van al
zijne verwanten.
De _Eekhoorn_ of _Eeker_ (_Sciurus vulgaris_) is een van de weinige
Knaagdieren, waarmede de mensch vriendschap gesloten heeft, en die
hij, in weerwil van sommige onaangename eigenschappen, gaarne als
huisgenoot aanneemt, heeft zelfs in de oogen van den dichter een
bevallige gestalte. Dit werd reeds gevoeld door de Grieken, aan
wie wij den wetenschappelijken naam van het Eekhoorntje ontleend
hebben. Deze naam beteekent: "die zich met den staart overschaduwt",
en onwillekeurig moet ieder, die de beteekenis van het woord _Sciurus_
kent, aan het beweeglijke diertje denken, zooals het daar in de
hoogte zit, boven op de hoogste boomkronen. Rückert heeft het wakkere
schepseltje bezongen op zulk een wijze, dat de natuuronderzoeker het
hem niet verbeteren kan.
De lichaamslengte van het Eekhoorntje bedraagt, zonder den 20
cM. langen staart, 25 cM., de schouderhoogte 10 cM. en het gewicht van
het volwassen dier een weinig meer dan 0.25 KG. De vacht biedt groote
verscheidenheid aan, al naar men het dier 's zomers of 's winters,
in het noorden of in het zuiden beschouwt. In den zomer is de kleur
van de bovendeelen bruinachtig rood, aan de zijden van den kop met
grijs gemengd, aan de onderzijde (te beginnen bij de kin) wit; in den
winter is het haarkleed aan de rugzijde bruinrood met grijsachtig wit
gemengd, aan de buikzijde wit. In Siberië en Noord-Europa echter is
het winterkleed van den Eekhoorn geheel en al witachtig grijs, terwijl
het zomerkleed gelijkt op dat van het bij ons levende dier. Dikwijls
ziet men in de bosschen van Middel-Europa ook zwarte exemplaren; deze
behooren echter niet tot een bijzondere soort, want bij de jongen van
een worp treft men dikwijls roode en zwarte voorwerpen aan. Witte of
gevlekte Eekhoorntjes zijn zeer zeldzaam, zoo ook die met witten of
halfwitten staart enz. De staart is zeer ruig en tweerijig behaard; het
oor is versierd met een pluim van lange haren; de voetzolen zijn naakt.
Ons Eekhoorntje is aan de Grieken en Spanjaarden even goed bekend
als aan de Siberiërs en Laplanders. Zijn verbreidingsgebied strekt
zich uit over geheel Europa, en reikt voorts over den Kaukasus en den
Oeral, door het geheele zuiden van Siberië tot aan den Altaï en tot
in Achter-Azië. Het dier is echter niet overal en ook niet in alle
jaren even menigvuldig. Hoogstammige, droge en schaduwrijke wouden
vormen zijne meest bevoorrechte verblijfplaatsen; nat weer is hem
even onaangenaam als zonneschijn. Wanneer het ooft en de noten rijp
zijn, bezoekt hij de tuinen van het dorp, doch slechts dan, als zij
met het woud verbonden zijn door kreupelboschjes, of althans door
struiken. Daar waar vele sparrekegels en denneappels rijp worden,
vestigt hij zich voor goed; hier heeft hij één of meer woningen,
gewoonlijk zijn dit oude kraaiennesten, welker inrichting hij
naar zijne behoeften op kunstige wijze veranderd heeft. Voor een
kortstondiger verblijf gebruikt hij de verlaten nesten van Eksters,
Kraaien en Roofvogels, zooals zij zijn. De woningen echter, die als
nachtverblijf, als toevluchtsoord bij slecht weder en als kraamkamer
voor het wijfje dienen, worden opzettelijk voor dit doel gebouwd,
hoewel hierbij dikwijls wordt gebruik gemaakt van de materialen,
die door de Vogels bijeengebracht zijn. Sommigen meenen opgemerkt
te hebben, dat ieder Eekhoorntje minstens vier nesten heeft; met
zekerheid is dit echter nog niet gebleken. Gaten in boomen, het
liefst holle boomstammen, worden eveneens door hem bezocht, en in
sommige gevallen tot woning ingericht. De open en bloot liggende
nesten komen gewoonlijk voor in een vork, dicht bij den hoofdstam
van den boom; hun vloer is gebouwd als die van een groot vogelnest,
van boven is het echter beschut door een plat, kegelvormig dak, op
dat van een eksternest gelijkend en dicht genoeg om het binnendringen
van den regen te verhinderen. De hoofdingang is naar beneden gericht,
gewoonlijk naar het oosten, een iets kleiner vluchtgat bevindt zich
dicht bij den stam. Van binnen is het nest aan alle zijden met een warm
kussen van zacht mos gevoerd. De buitenwand bestaat uit dunne en dikke
twijgen, die kruiselings door elkander gestoken zijn. Den stevigen,
met aarde en leem bekleeden bodem van een verlaten kraaiennest gebruikt
het Eekhoorntje gaarne als grondslag van zijn woning.
Dit wakkere diertje is buiten kijf een der voornaamste
aantrekkelijkheden van onze bosschen. Bij stil, helder weder
beweegt het zich onverpoosd, en blijft intusschen zooveel mogelijk
in de boomen, die hem te allen tijde voedsel en beschutting bieden;
somtijds gaat het op zijn gemak bij den stam naar beneden, en loopt
naar den boom, dien het beklimmen wil. Dikwijls doet de Eekhoorn
dit alleen voor de aardigheid, want hij behoeft, als hij zulks niet
wenscht, in 't geheel niet op den grond te komen. Hij is de Aap van
onze bosschen en bezit vele eigenschappen welke herinneren aan die
van den genoemden, nukkigen tropenbewoner. Er zijn waarschijnlijk
maar weinige Zoogdieren, die zoolang achtereen in beweging zijn en
zoo kort op dezelfde plaats blijven als de Eekhoorn bij tamelijk
goed weder. Voortdurend gaat hij van den eenen boom op den anderen,
van kroon tot kroon, van tak tot tak; zelfs op den grond is hij
alles behalve vreemd en onbeholpen. Nooit stapt of draaft hij;
altijd beweegt hij zich huppelend met groote of kleine sprongen;
hij doet dit zoo snel, dat een Hond moeite heeft om hem in te halen,
en een mensch reeds na korten tijd de vervolging moet opgeven. De
sterkste bewijzen van behendigheid geeft hij echter eerst bij het
klimmen. Met ongeloofelijke vastheid en snelheid sluipt hij bij de
boomstammen omhoog, zelfs bij de gladste. De lange, scherpe klauwen
aan de vingervormige teenen bewijzen hem hierbij voortreffelijke
diensten. Hij haakt zich aan de boomschors vast en doet dit met alle
vier pooten tegelijk. Dan zet hij zich af voor een nieuwen sprong en
schiet verder naar boven; de eene sprong volgt echter zoo schielijk op
den anderen, dat het omhoogstijgen zonder tusschenpoozen plaats heeft;
men zou kunnen meenen, dat het dier bij den stam omhoogglijdt. De
klimbeweging veroorzaakt een op een afstand hoorbaar geritsel, waarin
men de verschillende oogenblikken van stilstand en de opeenvolgende
sprongen niet onderscheiden kan. Gewoonlijk stijgt het dier zonder
rust te nemen tot in de kroon van den boom, niet zelden tot in den
top; daar loopt hij dan langs den een of anderen, waterpas liggende
tak naar den buitenkant van de kroon en springt van hier gewoonlijk
in den top van een tak van een anderen boom, over tusschenruimten van
4 of 5 M., altijd van boven naar beneden. Van de noodzakelijkheid van
den tweerijig behaarden staart voor 't springen heeft men zich door
een wreede proefneming overtuigd; men heeft aan gevangen Eekhoorntjes
den staart afgehouwen en opgemerkt, dat het verminkte dier niet half
zoo ver meer springen kon, als vroeger. Ook het zwemmen verstaat de
Eekhoorn uitmuntend, ofschoon hij niet gaarne te water gaat.
Als de Eekhoorn geen stoornis behoeft te duchten, zoekt hij gedurende
zijne zwerftochten voortdurend voedsel. Al naar het jaargetijde eet
hij vruchten of zaden, knoppen, twijgen en paddestoelen. De zaden van
dennen, sparren en zilversparren, knoppen en jonge uitspruitsels zullen
wel het hoofdbestanddeel van zijn voedsel uitmaken. Hij bijt de kegels
van onze naaldboomen bij den steel af, gaat op zijne achterpooten
zitten, brengt den kegel met de voorpooten naar den bek, draait hem
onophoudelijk rond en bijt nu met zijne uitmuntende tanden de eene
schub na de andere er af, zoodat de zaden blootliggen, die hij dan
met de tong opneemt en in den bek brengt. Aardig is het naar hem te
zien, wanneer hij hazelnooten, zijn lievelingsspijs, in overvloed kan
krijgen. Bittere zaden, b.v. van amandels, zijn voor hem vergiftig:
twee bittere amandelen zijn voldoende om hem te dooden.
Schadelijk voor de boschkultuur wordt de Eekhoorn vooral door het
opeten van de zaadlobben der pas ontkiemde beukels, eikels en zaden van
naaldboomen; zelfs tamelijk ver ontwikkelde jonge eiken worden door
hem uitgegraven om er de wortels en de zaadlobben van te verslinden;
verder doet hij schade, door zich te voeden met de zaden van boomen,
die voor het aanleggen van bosschen noodig zijn, door het afknagen
van de blad- en bloemknoppen van naaldboomen, door het spiraalvormig
afschellen van de schors van berkenstammen, en ook door andere
naaldboomen, alsmede haagbeuken, beuken, eiken enz. te ontschorsen;
voorts geeft hij aanleiding tot vermindering van het aantal Vogels,
die door het verdelgen van schadelijke Insecten voor de boschkultuur
nuttig zijn. Hiertegenover staat als nut van den Eekhoorn alleen,
dat hij in 't voorjaar, als de boomzaden schaarsch zijn, zich met de
zoo schadelijke Meikevers voedt.
Wanneer het dier voedsel in overvloed kan krijgen, verzamelt het
voorraad voor latere tijden van schaarschte. In de spleten en gaten
van holle boomen en boomwortels, in door hemzelf gegraven holen,
onder struiken en steenen, in een van zijne nesten en op andere
dergelijke plaatsen legt het zijne voorraadschuren aan; dikwijls
sleept het de voor proviand bestemde noten, graankorrels en zaden over
groote afstanden naar de bedoelde bergplaatsen. In de bosschen van
het zuid-oosten van Siberië bewaart de Eekhoorn ook paddestoelen;
hij doet dit op een hoogst eigenaardige wijze. "Zij zijn," merkt
Radde op, "zoo weinig zelfzuchtig, dat zij den voorraad paddestoelen
niet opbergen, maar aan de naalden of in de lorkenwouden aan de
kleine takjes steken, ze daar droog laten worden, om in tijden van
hongersnood hunne doortrekkende soortgenooten van dienst te zijn."
Uit deze voorzorgsmaatregelen met het oog op den winter blijkt, hoe
buitengewoon gevoelig de Eekhoorntjes voor den invloed van het weder
zijn. Wanneer de zon wat meer warmte geeft dan gewoonlijk, houden zij
hun middagslaapje in hun nest en zwerven dan alleen des morgens en des
avonds in het bosch rond; nog veel meer echter schuwen zij regenbuien,
hevige onweders, stormen en vooral sneeuwjacht. Klaarblijkelijk hebben
zij een voorgevoel van aanstaande weersveranderingen. Reeds een halven
dag vóórdat de gevreesde weersgesteldheid begint, geven zij bewijzen
van onrust, door voortdurend in de boomen rond te springen en door een
zeer eigenaardig gefluit en geschreeuw, dat men anders alleen van hen
hoort, wanneer zij zeer opgewonden zijn. Zoodra de eerste voorboden van
het slechte weder zich vertoonen, verschuilen zij zich in hunne nesten
(dikwijls verscheidene in één nest) en laten, nadat zij de opening aan
de windzijde zorgvuldig dichtgemaakt hebben, op hun gemak ineengerold,
de bui uitrazen. Een ongunstig najaar wordt voor hen noodlottig, omdat
zij dan reeds in den herfst den voor den winter bestemden voorraad
opgebruiken. Wanneer nu de hieropvolgende winter eenigermate streng
is, worden onze dieren in grooten getale er het slachtoffer van.
Zoodra de nacht invalt, begeeft het Eekhoorntje, dat een blijvende
bewoner is van een oord, zich naar zijn nest en slaapt hier, zoolang
het donker is; toch kan het ook gedurende de duisternis zeer goed den
weg vinden. Lenz liet eens door twee daglooners een lange ladder in het
bosch dragen en tegen een boom plaatsen, waarop zich een nest met jonge
Eekhoorntjes bevond. Alles geschiedde zoo stil mogelijk. De lantaarn
bleef beneden bij de dragers en Lenz klom naar boven. Zoodra hij het
nest met de hand aanraakte, snelden de bewoners hiervan zoo vlug als de
wind naar buiten; voor zoover men kon nagaan, gingen er twee hooger op
in den boom, één bij den stam langs naar beneden en één door de lucht
naar den bodem; in een oogwenk was alles in de nabijheid weer stil.
Schrik geeft de Eekhoorn te kennen door de klanken: "Doek, doek". Als
hij zich op zijn gemak gevoelt of slechts in geringe mate ontevreden
is, laat hij een eigenaardig gemor of geknor hooren, dat niet goed
door klankteekens kan worden weergegeven. Buitengewone vreugde of
opgewondenheid drukt hij uit door te fluiten. Alle zinnen, vooral het
gezicht, het gehoor en de reuk, zijn scherp: bovendien moet ook het
gevoel zeer fijn ontwikkeld zijn, daar anders het vooruitvoelen van
weersveranderingen voor ons onverklaarbaar zou blijven; ook de smaak
moet, volgens opmerkingen, die men bij gevangen dieren gedaan heeft,
van eenige beteekenis zijn. Dat het dier goede geestvermogens bezit,
blijkt uit zijn goed geheugen en uit de list en slimheid, waarmede
het aan zijne vijanden weet te ontkomen. Bliksemsnel begeeft het zich
naar den hoogsten boom, die zich in de nabijheid bevindt, loopt bijna
altijd aan de zijde, die van den vijand afgewend is, bij den stam
omhoog tot aan de eerste gaffelvormige verdeeling, komt dan hoogstens
met zijn kopje te voorschijn, kruipt in elkander, verbergt zich zoo
goed, als de omstandigheden dit toelaten, en tracht zoo veel mogelijk
onzichtbaar te blijven, terwijl het zich uit de voeten maakt.
Vier weken na de paring werpt het wijfje in het zachtste, doelmatigst
gelegen nest 3 à 7 jongen, die ongeveer 9 dagen lang blind blijven en
door de moeder met groote liefde verzorgd worden. Nadat zij gespeend
zijn, brengt de moeder, en misschien ook de vader, hun eenige dagen
achtereen voedsel; daarna laten de ouders de kleintjes aan hun lot
over. De jongen blijven nog eenigen tijd bijeen, spelen aardig met
elkander en nemen zeer schielijk de gewoonten van de volwassenen
aan. In Juni heeft de oude reeds voor de tweede maal jongen; als ook
deze zoo ver zijn, dat zij met haar rondzwerven kunnen, vereenigen de
jongen van beide worpen en hun moeder zich tot een bende, die soms
uit 12 à 16 leden bestaat, en die men van nu af in een en 't zelfde
deel van 't woud ziet arbeiden.
Het Eekhorentje is buitengewoon zindelijk; het belekt en poetst
zich voortdurend. Om deze reden is het zeer goed geschikt om in de
kamer gehouden te worden. Voor dit doel worden de jongen uit het nest
genomen, wanneer zij half volwassen zijn; men voedert ze met melk en
wittebrood, totdat men ze noten en zaden kan geven.
In hun jeugd zijn alle Eekhoorntjes wakkere, vroolijke en volkomen
onschadelijke diertjes, die gaarne hebben, dat men ze vleit en
liefkoost. Zij herkennen hun verzorger en houden van hem; ook toonen
zij eenige leerzaamheid door te komen, als hij roept. Ongelukkig worden
bijna alle, zelfs de tamste, valsch of althans tot bijten geneigd,
wanneer zij ouder worden.
De Edelmarter is de ergste vijand van den Eekhoorn. Den Vos gelukt
het maar zelden deze prooi te bekruipen. Aan Wouwen, Haviken en groote
Uilen ontkomt de Eekhoorn door, zoodra de Vogel hem te lijf wil gaan,
schielijk volgens een schroeflijn om den boomstam heen naar boven
te klimmen. Daar de Vogels bij 't vliegen natuurlijk veel grootere
kringen moeten beschrijven, bereikt de vervolgde eindelijk een holte,
een dichte boomkruin, waar hij veilig is. Meer bezwaren heeft hij
te overwinnen, wanneer hij voor den Edelmarter vluchten moet. Deze
moordzuchtige roover is in 't klimmen even goed ervaren als zijn
slachtoffer; hij volgt het op den voet, in de boomkronen zoowel
als op den grond, kruipt het na, zelfs in de holen, waarin het een
schuilplaats zoekt, of in het door dikke wanden begrensde nest. Onder
angstig geschreeuw en gefluit vlucht de Eekhoorn voor den Marter; de
behendige roover jaagt hem achterna, en beide wedijveren als 't ware
in 't maken van prachtige sprongen. De eenige kans op redding, die
er voor den Eekhoorn bestaat, berust op zijn geschiktheid om zonder
bezwaar uit den top van den hoogsten boom op den grond te springen,
schielijk een eind vooruit te snellen om een nieuwen boom te bereiken,
waar hij, zoo noodig het oude spel zal herhalen. Men ziet hem derhalve,
als de Edelmarter hem vervolgt, zoo vlug mogelijk naar boven klauteren,
en intusschen steeds op de reeds aangeduide wijze een schroeflijn
volgen, om altijd min of meer door den stam gedekt te zijn. Steeds
klimt de Edelmarter ijverig achter hem aan; beide klimmen ongeloofelijk
snel naar het hoogste deel van de kroon. Reeds schijnt de Edelmarter
het ingehaald te hebben,--op eens doet de eekhoorn uit den hoogsten
top een geweldigen, boogvormigen sprong in de lucht, strekt, alle
ledematen in horizontale richting zijwaarts, snort door de lucht naar
beneden, komt behouden op den bodem aan en ijlt nu angstig voort,
zoo schielijk hij kan, om zoo mogelijk een betere schuilplaats te
zoeken. Zoo'n sprong kan de Edelmarter niet doen, toch bereikt hij
in den regel spoedig zijn doel, omdat hij de vervolging niet opgeeft,
maar zoo lang jaagt tot het slachtoffer geheel uitgeput is en zich moet
overgeven.--Jonge Eekhoorntjes zijn aan veel meer gevaren blootgesteld
dan de oude; die, welke pas zelfstandig geworden zijn, kunnen zelfs
door een behendig klimmend mensch achterhaald worden. Als jongens
zochten wij zulke diertjes en klauterden hen in de boomen na; meer
dan eens werd de onverschilligheid, waarmede zij ons lieten naderen,
hun noodlottig. Zoodra wij den tak, waarop zij zaten, konden bereiken,
waren zij verloren. Wij bewogen den tak met geweld heen en weer; het
verschrikte diertje was gewoonlijk nergens anders op bedacht, dan om
zich stevig vast te houden, uit vrees voor den val. Nu gingen wij al
verder en verder naar den omtrek van de kroon, voortdurend den tak
schuddend, totdat wij met een vluggen greep het diertje konden pakken.
De boeren aan de oevers van de Lena houden zich van het begin van
Maart tot in het midden van April voortdurend met de vangst van
Eekhoorns bezig; er zijn er, die meer dan 1000 vallen plaatsen. De
Toengoesen schieten ze met stompe pijlen, om het vel niet te bederven,
of gebruiken buksen met nauwen loop, met kogels ter grootte van een
erwt, en dooden het dier door het in den kop te treffen. Volgens
mondelinge mededeelingen van Radde is de Eekhoornjacht in het
zuidoosten van Siberië even onderhoudend als opwindend. Het gevangen
wild beloont den jager voor zijn moeite, want het vel, dat onder den
naam _petit gris_ (_grauwerk_, _feh_) bekend is, wordt als pelswerk
zeer geschat; de handel in dit artikel houdt een groot aantal menschen
bezig. De mooiste vellen komen uit Siberië; zij zijn des te donkerder
en kostbaarder, naarmate zij uit verder oostwaarts gelegen gewesten
afkomstig zijn; aan deze zijde van den Oeral zijn zij lichter van
kleur. Het ruggedeelte en het buikgedeelte van deze vellen worden
afzonderlijk verwerkt. Rusland en Siberië leveren jaarlijks 6 à
7 millioen vellen ter waarde van 1.800.000 gulden; slechts 2 à 3
millioen vellen komen in West-Europa ter markt, de overige worden in
't land zelf gebruikt of gaan naar China. Bovendien worden de staarten
afzonderlijk verwerkt tot "boa's"; van de staartharen maakt men goede
schilderspenseelen. Het witte, malsche, smakelijke vleesch wordt door
deskundigen overal gaarne gegeten.
Ook de wouden van Amerika, Afrika en Indië worden vervroolijkt door de
tegenwoordigheid van Eekhoorntjes, die ten deele zeer fraai gekleurd
zijn; door hunne vlugge bewegingen trekken zij dikwijls niet minder dan
de Apen de aandacht van den onderzoeker. Bovendien laten sommige zich
zonder bezwaar in een hok verzorgen, waardoor men in de gelegenheid
is allerlei eigenaardigheden van deze dieren op te merken, die in
't geheel niet waargenomen kunnen worden bij die, welke in vrijen
toestand in de wildernis leven. Een betrekkelijk zeer klein Afrikaansch
Eekhoorntje werd een tijdlang door Pechuel-Loesche aan de Loango-kust
verzorgd en nagegaan. Hij schrijft hierover: "Een allerliefst
Eekhoorntje met roestgele vacht, versierd met twee dubbele, zwarte
en witte zijdestrepen, werd mij eens levend ten geschenke gegeven. De
inboorlingen noemden het _Mkaka_. Blijkbaar was het geheel volwassen,
toch was het niet grooter dan een flinke Muis, zoodat men het in de
holle hand bergen kon. Binnen weinige dagen werd het zoo tam, dat
het zich voortaan vrij in de kamer mocht bewegen. Met het vroolijk en
zacht geroep van 'tik, tak,' dat telkens met een opwaartsche beweging
van den staart gepaard ging, begeleidde het zijne grappige spelen;
des nachts was het echter vlugger dan over dag. Zijne liefhebberijen
veranderden buitengewoon snel. Een tijdlang koos het, wanneer het
nu en dan ging zitten, bij voorkeur mijn inktpot als rustplaats uit,
poetste en kamde zich, en volgde intusschen al mijne bewegingen met
zijne schrandere oogjes. Als ik de pen indoopte, sprong het altijd
op mijn hand over, en wanneer ik deze terugtrok, nam het zijn vorige
plaats weer in. Daarna vond het mijn hoofd voor zetel geschikt, later
mijn schouder, kroop intusschen ook in het geopende hemd, in een van
mijne zakken, zoodat ik bij 't opstaan altijd vooraf nagaan moest,
of ik het kleine schepseltje, dat dikwijls onder de bedrijven in slaap
viel, niet op de een of andere plaats bij mij had. Als slaapplaats had
ik het een uitgeholde adansonia-vrucht aangewezen, die op een veilige
hoogte was opgehangen. Voortdurend was het bezig deze ruimte te vullen,
met zachte lapjes, pluisjes van watten en groote vlokken heede, die
het uit de kamer van mijn buurman wegnam, en naar boven vervoerde,
door langs een als ladder dienenden stok of langs het rieten beschot
omhoog te klauteren.
"Wegens zijne bedrijvigheid en zucht naar veranderingen kwam het nooit
tot rust en schiep het nooit lang behagen in de zaken, die het tot
stand had gebracht. Het had nauwelijks een week gebruik gemaakt van
het zachte nest, of het begon al reeds de met moeite bijeengebrachte
bekleeding te versleepen en over te brengen naar een verleidelijk
hoekje op mijn boekenplank; nadat deze eenigen tijd als slaapplaats had
gediend, werd een derde nest aangelegd in een zak van de jas, die naast
mijn schrijfstoel aan den muur hing. Daar achtte het zich gedurende
geruimen tijd goed geborgen; ik meende dat het eindelijk tot rust zou
zijn gekomen. Toen ik echter op een goeden keer mijne waterlaarzen
wilde aantrekken, die ik, om ze tegen de Ratten te beveiligen, aan
een over een dakspant geslagen touw had opgehangen en die dus vrij
in de lucht zweefden, vond ik een van deze ingericht tot woning voor
mijn Eekhoorntje en tot het boveneinde gevuld met heede, watten en
vederen. Toen ontdekte ik ook, dat mijn rustelooze lieveling, evenals
de Ziesels de manie had allerlei glinsterende en gladde voorwerpen
te verzamelen: percussions, patroonhulzen, bontgekleurde scherven
en andere fraaiigheden, en ook de vingerhoed, die ik sedert geruimen
tijd miste, kwamen uit de laars te voorschijn. Voor het overige deed
het niet veel kwaad."
De grootste en de kleinste Eekhoornsoort komen beide in den
Oost-Indischen archipel voor. De _Reuzen-eekhoorn_ (_Sciurus maximus_)
heeft een lichaamslengte van 43 cM. met een staart van gelijke
lengte, terwijl de op Sumatra en Borneo inheemsch _Dwerg-eekhoorn_
(_Sciurus exilis_) zonder den 6 cM. langen staart, 6.5 cM. lang
is. Van alle zoö-geographische rijken is trouwens het Oostersche
gebied het rijkst aan Eekhoorns; niet minder dan 50 van de 100 à
120 tot dusver bekende soorten van het geslacht (_Sciurus_) komen in
dit gebied voor. Merkwaardig is hetgeen Wallace van deze dieren zegt,
naar aanleiding van een bezoek door hem gebracht aan den heuvel Boekit
Seboentang bij Palembang, die voor de begraafplaats van den stamvader
der voormalige Palembangsche vorsten wordt gehouden: "Op een plaats,
die ongeveer drie palen van de stad verwijderd is [1], rijst de
grond tot een kleinen heuvel, die door de inboorlingen als heilig
wordt beschouwd; eenige fraaie boomen, bevolkt door een kolonie van
half tam geworden Eekhoorntjes beschaduwen hem. Wanneer iemand hun
eenige broodkruimels, of eene of andere vrucht voorhoudt, komen zij
snel langs den stam naar beneden, grissen het aangeboden hapje uit
zijn vingers weg, en zijn in een oogwenk weder verdwenen. Zij dragen
hunne staarten recht omhoog, en het haar, dat grijs, geel en bruin
geringd is, spreidt zich gelijkmatig straalswijze rondom hen uit,
en geeft hun een allerliefst voorkomen. Zij bewegen zich eenigermate
op de wijze van Muizen, en gaan voort met kleine rukken, terwijl zij,
alvorens zich verder te wagen, met hunne groote, zwarte oogen strak
rondom zich staren. De wijze waarop de Maleiers zich dikwijls het
vertrouwen van wilde dieren weten te verwerven, vormt een aangenamen
trek in hun karakter, en is tot op zekere hoogte te verklaren uit de
kalme bedaardheid hunner manieren, en de voorkeur die zij aan rust
boven beweging geven. De kinderen zijn gehoorzaam aan de wenschen
hunner ouders, en schijnen niets te gevoelen van de neiging tot
kattekwaad, die men bij Europeesche jongens opmerkt. Hoe lang zouden
wel tamme Eekhoorns de boomen kunnen bewonen in de nabijheid van
een Engelsch dorp, al ware het zelfs vlak bij de kerk? De dorpsjeugd
zou, zoo zij ze niet strikte om ze in draaikooien op te sluiten, met
allerlei voorwerpen op hen mikken en hen spoedig verdrijven. Nooit
heb ik gehoord, dat deze aardige diertjes in Engeland op zoodanige
wijze werden tam gemaakt; doch ik geloof, dat dit gemakkelijk in het
park van ieder heerenhuis zou kunnen gebeuren, en dat tamme Eekhoorns
hier een even aardige en aantrekkelijke, als buitengewone vertooning
zouden opleveren."
Ook de Eekhoorns van Java en Sumatra echter, halen zich de vervolging
van den mensch op den hals door de schade, die zij aanrichten. Zoo
wordt van den _Tweekleurigen_ en van den _Zwartgevlekten Eekhoorn_
(_Sciurus bicolor_ en _S. nigro-vittatus_) bericht, dat zij voor de
koffieplantages lastige gasten zijn, omdat zij het sappige gedeelte
van den vruchtwand der koffiebessen verslinden. Een andere Eekhoorn
doet schade aan de Vijgeboomen, door het afknagen der eindknoppen, enz.
Op de Dag-eekhoorns moeten wij de nachtelijk levende _Vliegende
Eekhoorns_ (_Pteromys_) laten volgen. Zij onderscheiden zich van
de leden van 't vorige geslacht vooral door de breede fladder-huid,
die hunne ledematen, met uitzondering van de voor- en achtervoeten,
aaneenverbindt. Door dit valscherm zijn de Vliegende Eekhoorns in
staat, om met gemak zeer groote sprongen in schuinsche richting
van boven naar beneden te doen; het bestaat uit een stevige huid,
die aan de voorste en achterste ledematen en aan beide zijden
van den romp bevestigd is, aan de rugzijde is zij dicht, aan de
buikzijde echter dun behaard. Bovendien wordt het voorste deel
van de fladderhuid nog gesteund door een beenige spoor aan den
handwortel. De staart, een krachtig stuurorgaan, is altijd flink
ontwikkeld; bij de verschillende soorten echter ongelijk behaard,
bij die van de eene groep n.l. eenvoudig ruig, bij die van de andere
bovendien tweerijig. Hierbij komen nog geringe verschillen in de
samenstelling van het gebit.
De _Tagoean_ (_Pteromys petaurista_), het grootste lid van de geheele
familie, komt in lichaamsomvang ongeveer overeen met een Huiskat. De
fladderhuid begint aan de voorpooten, en strekt zich langs de zijden
van het lichaam uit tot de achterste ledematen; bovendien is nog
een klein verlengstuk van deze huid tusschen de voorpooten en het
achterste deel van den kop, en tusschen de achterpooten en het begin
van den staart aanwezig. In den toestand van rust wordt de fladderhuid
geplooid en tegen den romp aangelegd. Aan de bovenzijde van den kop,
op den rug en aan den wortel van den staart is de haarkleur een
mengsel van grijs en zwart. Aan de geheele onderzijde heeft de vacht
een vuil witachtig grijze kleur. De kleur van de fladderhuid wisselt
af van zwartbruin tot kastanjebruin aan de bovenzijde, de randen zijn
licht aschgrauw, de onderzijde is grijs met een eenigszins geelachtige
tint. De staart is zwart.
De Tagoean bewoont alle gewesten van Oost-Indië en Ceylon, waar
uitgestrekte bosschen voorkomen; daar leeft hij afzonderlijk of bij
paren in de dichtste deelen van het woud, en bij voorkeur op de hoogste
boomen. Over dag slaapt hij in holle boomen, des nachts komt hij te
voorschijn, klimt en springt met buitengewone snelheid, behendigheid
en zekerheid van beweging in de boomkronen rond, of maakt zeer groote
sprongen van boven naar beneden om naburige boomen te bereiken. Daarbij
strekt hij zijne ledematen in horizontale richting zijwaarts en spant
hierdoor de fladderhuid tot een groot valscherm uit. De staart wordt
als stuurorgaan gebruikt en stelt het dier, naar men beweert, in staat
om door een plotselinge wending gedurende den sprong de richting van de
beweging te veranderen. Sanderson weerspreekt deze bewering en zegt,
dat het dier niet meer van de gekozen richting kan afwijken, nadat
het den sprong heeft aangevangen; de inboorlingen wachten het aan
het eindpunt van den sprong op en dooden het met een stokslag. Naar
men verhaalt, is de snelheid, waarmede deze dieren springen en andere
bewegingen maken, zoo buitengewoon groot, dat het oog hen bijna niet
volgen kan.
In noordelijke gewesten komen Vliegende Eekhoorns voor met tweerijig
behaarden, langen, ruigen staart. Tot deze groep behoort de _Gewone
Vliegende Eekhoorn_, de _Ljoetaga_ der Russen (_Pteromys volans_),
die het noordelijke deel van Oost-Europa en bijna geheel Siberië
bewoont. Dit dier is aanmerkelijk kleiner dan ons Eekhoorntje; zijn
romp is zonder den 10 cM. langen, staart, slechts 16 cM. lang. De
dichte en voor 't gevoel zijdeachtige vacht is in den zomer aan
de bovenzijde vaalbruin; de bovenzijde van de "vlieghuid" en de
buitenzijde van de pooten zijn donkerder grijsbruin, de onderdeelen
zijn wit. In den winter wordt de vacht langer, dichter en lichter
van kleur; de bovendeelen en de staart zijn dan zilvergrijs.
Het Gewone Vliegende Eekhoorntje bewoont groote berkenbosschen of
gemengde bosschen, waarin sparren, dennen en berken met elkander
afwisselen. De berken schijnen voor zijn leven noodzakelijk te
zijn; hierop wijst ook de kleur van de vacht, die over 't geheel
genomen evenzeer gelijkt op die van den berkenbast, als de kleur
van ons Eekhoorntje gelijkt op die van de schors van dennen en
sparren. Ofschoon het vel van den Ljoetaga als pelterij weinig waarde
heeft, wordt het toch door de Chineezen voor dit doel gebruikt. Iederen
winter worden een groot aantal van deze dieren gedood; hun aantal
neemt dan ook sterk af; uit vele streken waar zij vroeger veelvuldig
voorkwamen, zijn zij bijna geheel verdwenen; misschien komen zij er
echter nog talrijker voor, dan men meent.
Hun voedsel bestaat uit noten en zaden van allerlei boomen, bessen,
knoppen, jonge spruiten en katjes van berken. Als de koude aanvangt,
vervallen zij in een afgebroken winterslaap: gedurende de koude dagen
slapen zij; als het weder zachter is, loopen zij iederen dag minstens
een paar uur rond.
Een merkwaardig geslacht is dat van de _Aard-eekhoorns_
(_Tamias_). Door het bezit van wangzakken, die zich tot aan het
achterhoofd uitstrekken, en door hun meer of minder onderaardsche
levenswijze vormen zij een overgang van de Eekhoorns tot de Ziesels;
zij stemmen echter meer met gene dan met deze overeen. De dun behaarde
staart is een weinig korter dan het overige lichaam; de vacht is kort
en niet zeer zacht, op den rug gewoonlijk met duidelijke, overlangsche
streepen geteekend. De weinige, hiertoe behoorende soorten bewonen
Oost-Europa, Siberië en Noord-Amerika.
De _Boeroendoek_ of _Gestreepte Siberische Aard-eekhoorn_ (_Tamias
striatus_) is aanmerkelijk kleiner, maar plomper gebouwd dan onze
Eekhoorn. De kleur van de korte, ruige, dicht aanliggende vacht is aan
den kop, den hals en de zijden van den romp geelachtig, en bevat vele
lange haren met witte spitsen; over den rug loopen vijf overlangsche,
zwarte streepen, die strooken van ongelijke breedte begrenzen: de
middelste is boven de ruggegraat gelegen, de beide volgende strekken
zich van den kop tot aan de achterpooten uit, daartusschen bevindt
zich een bleekgele strook. De geheele onderzijde is geelachtig wit.
Het vaderland van den Aard-eekhoorn van de Oude Wereld bestaat uit een
groot deel van Noord-Azië en een klein stuk van Oost-Europa. Hij is een
woudbewoner en komt zoowel in naaldboombosschen als in beukenbosschen
voor, het veelvuldigst echter daar, waar vele Russische ceders of
arven groeien, welker (ook voor den mensch) bruikbare zaden, hij
gaarne eet. Onder de wortels van deze boomen graaft hij zijn tamelijk
kunsteloos, eenvoudig hol, dat uit het eigenlijke nest en één, twee
of drie voorraadkamers bestaat, welke ruimten het dier door een lange
gekronkelde gang kan bereiken. Het voedt zich met zaden en bessen,
maar vooral met noten en graankorrels; van deze beide voedingsmiddelen
bevatten zijne voorraadschuren in sommige winters 5 à 8 KG., welke
proviand in de wangzakken er heen wordt gebracht.
De Aard-eekhoorns worden door de landbouwers niet gaarne
gezien. Evenals de Muizen begeven zij zich naar de graanschuren en
richten hier, wanneer zij zeer talrijk zijn, groote schade aan. Hunne
gevulde voorraadschuren worden, evenals in andere landen die van de
Hamsters, opgegraven en geledigd. De Siberiërs trekken ook partij
van het vel van deze dieren, dat naar China wordt gezonden, waar het
gebruikt wordt voor het boorden en garneeren van andere pelterijen.
De Aard-eekhoorns zijn door hunne fraaie kleur en sierlijke, vlugge
bewegingen geschikt om de belangstelling te wekken van hen, die gaarne
dieren in gevangenschap houden. Volkomen tam worden zij nooit, altijd
blijven zij vreesachtig en toonen lust tot bijten.