TWEEDE ONDERKLASSE.

DE HAGEDISVOGELS (Saururae).

De oudste, thans bekende fossiele Vogels zijn gevonden bij

Solnhofen in Beieren, in de zachte, fijnkorrelige kalksteen, die

"lithografische steen" wordt genoemd, omdat de steendrukkers hem

voor hun bedrijf gebruiken. Deze Vogels hebben daarom nevens den

geslachtsnaam Archaeopteryx (Oudvleugel) den soortnaam lithographica

ontvangen. Zij behooren tot de Jura-periode en komen reeds niet

meer voor in de lagen van de daarop volgende Krijtformatie, welker

fossiele Vogels aan Sterns, Duikers, Aalscholvervogels (Graculavus,

Scaniornis), Pluviervogels (Palaeotringa) en Kraanvogels (Telmatornis)

herinneren, hoewel zij voor 't meerendeel een met tanden gewapenden bek

hebben. Deze maakten op hun beurt, vóór den aanvang van het nu volgende

Tertiaire tijdvak, plaats voor Vogels, die ook door hun tandeloozen

snavel meer met de thans bestaande overeenstemmen. Aan de pennen van

vleugels en staart herkent men Archaeopteryx reeds bij oppervlakkig

onderzoek als een Vogel. Door nauwkeuriger beschouwing wordt dit

oordeel bevestigd, hoewel dan tevens een aantal eigenaardigheden in 't

oog vallen, die bij de thans levende Vogels, niet voorkomen, maar voor

't meerendeel wel bij Vogel-embryonen en gedeeltelijk bij Reptiliën

aanwezig zijn. De schedel wijkt alleen door tanden, die in tandkassen

van de kaakbeenderen bevestigd zijn, van dien der thans levende Vogels

af. De wervellichamen zijn, evenals bij Ichthyornis en bij de laagst

ontwikkelde Reptiliën en Amphibiën, van voren zoowel als van achteren

uitgehold en niet, zooals bij de hedendaagsche Vogels van voren en

van achteren zadelvormig. Aan de ribben ontbreken de haakvormige

uitsteeksels. Evenals bij vele Reptiliën, komen ook bij Archaeopteryx

"buikribben" voor. De staart wijkt in vele opzichten af van dien der

Vogels uit latere tijdperken. Bij deze is hij steeds uit een gering

aantal wervels samengesteld en loopt uit in een ploegschaarvormige,

vertikale beenplaat (pygostyl), die trouwens ontstaan is door

vergroeiing van een aantal embryonale wervels. Waaiersgewijs is de

huid van den pygostyl met stuurpennen bezet. Bij Archaeopteryx komen

20 langwerpige staartwervels voor, welker gezamenlijke lengte die

van den romp overtreft; zoowel deze als de overige wervels vertoonen

duidelijk vogelkenmerken. Het geheel gelijkt op een hagedissenstaart:

de pennen zijn er op soortgelijke wijze aan gehecht, als de baarden

aan de schaft van een veer: bij iederen staartwervel behooren twee

stuurpennen. Op grond van deze eigenaardigheid heeft Fürbringer, in

navolging van Haeckel, den Archaeopteryx onder den naam Saururae (=

Hagedisstaarten) of Hagedisvogels als een afzonderlijke onderklasse

aan de overige of Echte Vogels (Ornithurae = Vogelstaarten)

tegenovergesteld. Van den niet volledig bekenden schoudergordel maakt

een echt vogelvorkbeen deel uit. Het borstbeen ontbreekt aan beide

tot dusver bekende skeletten, zoowel aan dat, hetwelk in 1861 op

den Langaltheimer Haardt bij Solnhofen gevonden en voor £600 aan het

Britsch museum te Londen verkocht werd, als aan het fossiel, dat in

1877 op 3 1/2 uur afstands van het vorige bij Eichstätt werd ontdekt

en waarvoor het Museum van de Berlijnsche universiteit 20.000 Mark

besteedde. De vleugel bezit 10 lange armpennen en 6 à 7 niet minder

goed ontwikkelde handpennen. Vogelachtig is voorts het geheele bovenste

deel van het vleugelskelet, bovendien de aanwezigheid van slechts een

rij handwortelbeenderen en van slechts 3 vingers. Deze zijn echter

niet met elkander vergroeid en komen in maaksel geheel met die der

Krokodillen en Hagedissen overeen; zij zijn met klauwen gewapend en,

behalve voor 't vliegen, ook voor 't gaan op den bodem geschikt. Ook

aan het bekken merkt men vele Reptielachtige eigenaardigheden op; de

pooten zijn echter geheel volgens het vogeltype gebouwd. Zeker weet

men, dat aan den hals een uit veeren samengestelde kraag voorkwam en

dat de onderschenkel lange veeren droeg; deze hebben zelfs aanleiding

gegeven tot het vermoeden, dat Archaeopteryx de vleugels en de

pooten beide voor het vliegen gebruikte. Archaeopteryx hield, wat

grootte betreft, ongeveer het midden tusschen een Duif en een Hoen,

klauterde waarschijnlijk met behulp van zijne scherpe klauwen behendig

bij boomen en rotswanden omhoog en kon zich ongetwijfeld vrij in de

lucht bewegen, hoewel hij misschien geen meester in 't vliegen is

geweest. Op een te Solnhofen gevonden steenplaat ziet men een dubbele

reeks van voetsporen met een groeve er tusschen. Volgens sommigen zou

hieruit blijken, dat de Jurassische Oervogel met opgericht lichaam

over het zeestrand wandelde.

Het Leven der Dieren: Deel 2, Hoofdstuk 11 tot 14: Hoenderkoeten; Nandoes; Kasuarisvogels; Struisen; Hagedisvogels · 第 5 / 6 题