VEERTIENDE ORDE.

DE STRUISEN (Struthiornithes).

De eenige [3] vertegenwoordiger van deze orde is de Struis (Struthio

camelus). Hij heeft een zeer krachtigen romp, een langen, grootendeels

naakten hals, een kleinen, platten kop, groote, schitterende oogen,

welker bovenste lid wimpers draagt, groote, onbedekte, van binnen met

haarvormige uitgroeisels bezette gehooropeningen. De snavel is recht,

middelmatig lang, stomp, van voren afgerond, aan de spits plat en met

een hoornachtigen nagel bedekt; de kaken zijn buigzaam; de mondspleet

strekt zich uit tot onder het oog; de langwerpige neusgaten bevinden

zich ongeveer in 't midden van den snavel. De pooten zijn hoog en dik,

slechts op de schenkels met eenige borstels begroeid, doch overigens

naakt; de loop is met groote schubben bekleed en draagt twee teenen;

de binnenste of grootste heeft vier leden en een grooten, breeden,

stompen nagel; de andere is ongenageld en vijfledig. De vleugels

zijn met twee sporen voorzien en tamelijk groot, maar volkomen

ongeschikt voor 't vliegen; in plaats van slagpennen dragen zij lange,

slappe, zachte, hangende veeren. Uit soortgelijke veeren bestaat de

tamelijk lange staart. Het overige lichaam, met uitzondering van

een hoornachtige opzwelling op het midden van de borst, is bedekt

met een tamelijk dicht, uit slappe, gekroesde veeren samengesteld

kleed. Bij het mannetje zijn alle kleine veeren van den romp koolzwart,

de lange vleugel- en staartveeren echter schitterend wit, de naakte

deelen van den hals hoogrood, de schenkels vleeschkleurig. Het oog

is bruin, de snavel hoorngeel. Bij het wijfje zijn de kleine veeren

bruingrijs, slechts op de vleugels en in de staartstreek zwartachtig,

de slagpennen en stuurpennen vuilwit. De jonge, onrijpe Vogels dragen,

zoodra zij voor de eerste maal veeren krijgen, een kleed overeenkomend

met dat van het wijfje. De hoogte van het volwassen mannetje bedraagt

ongeveer 2.5 M., zijn lengte, van de snavelspits tot aan het uiteinde

van den staart, minstens 2 M., zijn gewicht ongeveer 75 KG.

De Struis behoort thuis in de steppen en woestijnen van Afrika en

West-Azië. In vroegere tijden is hij ongetwijfeld veel menigvuldiger

geweest dan thans; men vond hem toen in oorden, gewesten en landen,

waar hij thans uitgeroeid is: een woestijn- of steppenvogel was hij

echter van oudsher. Hij bewoont de Sahara en de Libysche woestijn,

vele steppen van Centraal-Afrika en de zuidelijke vlakten van

dit werelddeel, bovendien echter uitgestrekte landstreken van

West-Azië. Ondanks de sterke uitbreiding van het door Europeanen

bezette gebied, die tot zijn verdrijving uit vele gewesten van Afrika,

waar hij vroeger talrijk was, aanleiding heeft gegeven, blijven er

zoovele gedeelten over, die in zijn smaak vallen, dat men het aantal

voor hem geschikte landstreken van Afrika, waar hij niet gevonden

wordt, nog steeds gering mag noemen. Zijn verbreidingskring begint

in het zuiden van Algerië en strekt zich uit over de oosthelft van

Afrika tot ver in het Kaapland.

Eenige reizigers, waaronder Lichtenstein, spreken van zeer

aanzienlijke struisvogelkudden, die zij op hun weg gezien hebben;

ook Von Heuglin meldt, dat hij in den herfst van het jaar 1852

troepen van meestal jonge Vogels ontmoet heeft, welker aantal op

50 of 60 geschat wordt. Dit is echter geen regel, maar veeleer een

uitzondering. Gewoonlijk leeft de Struis in 't zuiden zoowel als in

het noorden van het "donkere" werelddeel in troepjes van 5 à 6 stuks

of in familiën, die meestal meer hennen dan hanen bevatten. Zulk een

familie schijnt een tamelijk uitgestrekt gebied te doorkruisen en zich

hieraan met een zekere hardnekkigheid te houden. De eerste eisch, die

de Vogel aan zijn verblijfplaats stelt, is de aanwezigheid van water;

overal waar in een onbewoonde landstreek drinkplaatsen voorkomen,

vindt men altijd, zoo niet de Struisen zelve, dan toch duidelijke

kenteekenen van hun bestaan, n.l. hunne voetsporen, welke niet met

die van andere dieren verward kunnen worden. In een land, waar het

onderscheid tusschen de jaargetijden en de hieruit voortvloeiende

wijziging in het plantenleven niet zoo groot is, dat de Struis er door

tot trekken gedwongen wordt, blijft hij waarschijnlijk het geheele

jaar door; zelden overschrijdt hij de grenzen van zulk een gebied.

Hoewel de krachtig gespierde pooten den Struis het gemis van

vliegorganen niet vergoeden, verschaffen zij hem toch een geschiktheid

tot beweging, die werkelijk verbazing wekt. Andersson verzekert,

dat de Struis bij vervolging over een geringen afstand zoo snel kan

loopen, dat hij voor het afleggen van een weg van een Engelsche mijl

misschien niet meer dan een halve minuut noodig heeft; hij doet dan

niet zelden stappen van 4 à 4.5 M.; nauwelijks ziet men zijne pooten

met den grond in aanraking komen. Deze opgave is stellig overdreven,

hoewel het niet ontkend kan worden, dat, althans bij koel weder en

gedurende een niet te langen tijd, de snelheid van den Struis, die

van een renpaard niet slechts evenaart, maar zelfs overtreft.

Van de zintuigen van den Struis is ongetwijfeld dat van het gezicht het

best ontwikkeld. Zijn oog is werkelijk fraai en zijn gezichtsvermogen

buitengewoon groot. Volgens de berichten van alle onderzoekers,

die dezen reusachtigen Vogel in de vrije natuur hebben nagegaan,

kan men uit zijne gebaren duidelijk opmaken, dat hij op mijlen

afstands zijn kaal gebied kan overzien. Het gehoor en de reuk

komen in de tweede plaats in aanmerking; het gevoel en de smaak

schijnen zeer weinig ontwikkeld te zijn. Ongetwijfeld is hij zeer

schuw; met snelle schreden maakt hij zich uit de voeten bij iedere

verschijning, die hem vreemd is; over de werkelijke beteekenis van

het gevaar schijnt hij echter geen oordeel te kunnen vellen, daar

hij zich ook door dieren, die voor hem onschadelijk zijn, van zijn

stuk laat brengen. Dat hij zich bij de Zebra-kudden ophoudt en van

de voorzichtigheid dezer schrandere dieren partij schijnt te trekken,

pleit geenszins voor zijn verstand, want de Zebra's sluiten zich bij

hem aan en niet omgekeerd; zij doen hun voordeel met de waarschuwingen

van den Vogel, die, door zijn hoogte geroepen schijnend voor het ambt

van schildwacht, wegsnelt, zoodra hij iets buitengewoons opmerkt. De

handelingen van de gevangen Struisen voeren tot het besluit, dat hunne

geestvermogens beperkt zijn. Hoewel zijn aan hun verzorger en nog meer

aan een bepaalde verblijfplaats gewoon geraken, kunnen zij nergens

toe afgericht worden en volgen blindelings een plotseling opkomende

ingeving van hunne zwakke hersenen. Door kastijding kan men hen wel

voor een oogenblik afschrikken, maar geen verbetering bewerken.

Plantaardige stoffen vormen het voornaamste, maar niet het eenige

voedsel van den Struis. In de vrije natuur graast hij op de wijze van

een Kalkoen, door gras, kruiden en bladen af te plukken of zaden,

Insecten en kleine Gewervelde Dieren van den grond op te pikken;

in de gevangenschap slikt hij alles door, wat hij krijgen kan. Hij

schijnt bezield met een onweerstaanbare neiging om alles wat niet

spijkervast is, los te rukken, weg te nemen en zoo mogelijk te

verzwelgen. Een bont gekleurde potscherf, een steen of een ander

oneetbaar voorwerp, dat zijn aandacht trekt, wordt verslonden, alsof

het een stuk brood is. Berchon vond in de maag van een door hem

ontleden Struis een verzameling van dergelijke stoffen, waarvan het

gewicht 4.228 KG. bedroeg: 3.5 KG. zand, werk en lompen, 3 stukken

ijzer, 9 Engelsche koperen munten, 1 koperen deurhengsel, 2 ijzeren

sleutels, 17 koperen en 20 ijzeren spijkers, looden kogels, knoopen,

bellen, kiezelsteentjes enz. Kleine Gewervelde Dieren worden met smaak

verorberd. Mijne gevangene Struisen te Khartoem aten eenige kuikentjes

op, die zich onvoorzichtig in hun nabijheid hadden gewaagd; Methuen

merkte hetzelfde op. "Een Eend had een schaar van hoopvolle jongen ter

wereld gebracht en leidde ze met moederlijken trots in den hoenderhof

rond. Hier ontmoetten zij den Struis, die met statige schreden heen

en weer stapte; deze slikte achtereenvolgens alle eendjes in, alsof

het oesters waren".

Vraatzuchtig kan men den Struis evenwel niet noemen, want de

hoeveelheid voedsel, die hij gebruikt, staat volstrekt niet in

verhouding tot zijn grootte. Dat hij met weinig tevreden is, zou

men reeds kunnen afleiden uit de armoede van de door hem bewoonde

landstreken; het is dikwijls onbegrijpelijk, hoe zulk een groote Vogel

hier aan den kost kan komen. Door de bewegingen, die hij gedurende

het eten maakt, schijnt hij gulzig, zonder het werkelijk te zijn. De

hoeveelheid water, die hij iederen dag gebruikt, is echter zeer groot.

Met de voortplanting van de Struisen is men eerst door waarnemingen aan

gevangen exemplaren nauwkeurig bekend geworden. Verscheidene hennen

leggen eieren in hetzelfde nest; in den regel worden deze echter

door den haan uitgebroed; slechts bij uitzondering nemen de wijfjes

deel aan deze verrichting. In het eene gewest heeft zij vroeger, in

het andere later plaats; altijd en overal geschiedt zij echter kort

voor den aanvang van de lente, die het terrein zeer geschikt maakt

om voedsel aan de jongen te verschaffen. In de koelste gedeelten

van het door Struisen bewoonde gebied, worden de eieren over dag

even geregeld bebroed als gedurende den nacht; in warmere gewesten

kan de Vogel zonder bezwaar uren lang het nest verlaten; gewoonlijk

worden de eieren vooraf met zand bedekt. "Eens, maar ook niet meer

dan eens", zegt Tristram, "had ik het geluk het nest van een Struis

te vinden. Door onze verrekijkers zagen wij twee Vogels geruimen

tijd op dezelfde plek blijven, hetgeen ons aanleiding gaf daarheen te

rijden. De voetsporen, die moeielijk te volgen waren, leidden naar de

plaats, waar wij de Struisen hadden zien staan. Twee Arabieren groeven

met de handen het zand, dat hier platgetrapt was, weg en vonden weldra,

op een diepte van ongeveer 60 cM., vier versche eieren".

De eieren zijn grooter dan die van eenigen anderen thans levenden

Vogel. Hun lengte wisselt af van 140 tot 155 mM., hun middellijn op

de dikste plaats van 110 tot 127 mM.; de eieren van Struisen, die in

gevangenschap leven, zijn kleiner en komen veelvuldiger in den handel

voor. Zij zijn fraai eivormig, aan beide einden bijna even sterk

afgerond; de glanzige, geelachtig witte schaal is zeer hard en dik

en licht geelachtig geteekend of gemarmerd. Een ei weegt gemiddeld

1442 gram, dus zooveel als 25 hoendereieren. De dooier smaakt goed,

doch veel minder aangenaam dan die van een kippenei. De eieren, die

men in de nabijheid van het nest vindt, worden gelegd, terwijl het

mannetje reeds aan 't broeden is. Na een broedtijd van 45 à 52 dagen

komen de jongen uit den dop; onmiddellijk nadat zij droog geworden

zijn, neemt de oude Vogel ze mede naar de weide. Het zijn allerliefste

diertjes, maar hun uiterlijk is vreemdsoortig, daar zij meer op Egels

dan op Vogels gelijken. Hun lichaam is namelijk niet met veeren,

maar met stijve, hoornachtige spitsen bedekt, die in alle richtingen

uitstralen en aan stekels herinneren. Zij bewegen zich als jongen

van Trappen of Hoenderen. Even vlug en behendig als deze, loopen zij

rond onmiddellijk na het verlaten van het ei en zijn dadelijk geschikt

om hun voedsel te zoeken. Toch worden zij zorgvuldig gehoed door hun

vader. Deze toont reeds gedurende het broeden een warme liefde voor

de eieren, verweert zich dapper tegen betrekkelijk sterke vijanden

en neemt zijn toevlucht tot allerlei kunstgrepen om een tegenstander,

die hem te sterk is, om den tuin te leiden.

Als de jongen twee maanden oud zijn, verliezen zij hunne stekelige

veeren en krijgen er het eenvoudige, grijze kleed van de wijfjes voor

in de plaats. De beide seksen dragen dit tot het tweede levensjaar. Dan

wordt het mannetje zwart; eerst in het derde jaar is hij volwassen

en heeft zijn definitieve kleur aangenomen.

De Struis verdraagt zonder bezwaar de gevangenschap, wanneer men

hem slechts voldoende ruimte verschaft om zich vrij te bewegen; hij

geraakt zoo gewoon aan een bepaald oord, dat men hem vrij kan laten

rondloopen, in de weide drijven en op reis medenemen. Duveyrier zag

op den weg naar Rhat in het land van de Toearegs een tammen Struis

een karavaan volgen. Op de rustplaatsen kreeg deze Vogel kluisters aan

de pooten, evenals de grazende Kameelen, opdat hij niet zou afdwalen;

met de Kameelen kwam hij geregeld weer terug en volgde deze overigens

zonder kluisters. Ook Von Heuglin's tamme Struisen werden met de

Paarden en Kameelen vrij op de weide gedreven, of mochten zich naar

eigen verkiezing in de straten der steden en dorpen bewegen; ook

die, welke Eduard Mohr bezat, liepen in Zuid-Afrika vrij met zijn

karavaan mede. In het noorden van Centraal-Afrika hielden indertijd

alle welgestelde en voorname lieden, in de steppe ook de bewoners der

dorpen, voor hun genoegen Struisen. In Soedan kwam het bij niemand

op ze als huisdieren te beschouwen, d. w. z. er eenig voordeel van

te trekken; men hield ze alleen tot tijdverdrijf en gaf zich niet

de minste moeite om ze te fokken; evenmin dacht men er aan hunne

veeren te gebruiken of te verkoopen. In lateren tijd is hierin echter

verandering gekomen.

De eerste Struisen werden in Algerië gefokt. De goede uitkomsten,

die hier en later ook in Europa verkregen werden, spoorden tot

navolging aan. In Grenoble hield Bouteille, in Madrid Graells zich

met het Struisen-fokken bezig; ook in eenige diergaarden legden

deze Vogels eieren en broedden ze uit. Van buitengewoon belang was

de hierdoor verkregen ervaring voor het Kaapland. Hier had men in

hoenderperken en op landgoederen reeds sinds lang Struisen gehouden;

enkele daarvan ook wel eens voor lichte wagens gespannen of zelfs

als rijdieren gebruikt; thans begon men ze op groote schaal te

fokken. In het jaar 1865 geschiedde dit voor 't eerst in Kaapland, 4

jaar later werd een tweede broedsel gelukkig grootgebracht. Iemand die

29 Struisen bezat, waarbij 15 mannetjes waren, begon zijne gevangenen

te plukken en kreeg voor de veeren van iederen mannelijken Vogel niet

minder dan f 96 per jaar. Dit gaf den eersten stoot aan de bloeiende

struisvogelteelt, die thans in geheel Kaapland beoefend wordt. In 1865

waren in de volkplanting niet meer dan 80 tamme Struisen, 10 jaren

was hun aantal vermeerderd tot 21751 stuks; tegenwoordig vormt de

Struisen-fokkerij een van de belangrijkste middelen van bestaan van

Zuid-Afrika, voor zoover het door Europeanen bewoond wordt. De van

daar uitgevoerde struisveeren vertegenwoordigden in 1880 een waarde

van ruim 10 1/2 millioen, in 1882 van 13 millioen gulden (113.350

KG.). Het aantal Struisen in de Kaapkolonie werd door Douglas in 1886

op 150.000 stuks begroot; in 1891 bedroeg het 155.900 (die 125.000

KG. veeren opleverden). Tot kort na 1880 hadden de Zuid-Afrikanen geen

concurrentie in hun winstgevend bedrijf te duchten. Toen men echter in

1883 Struisen naar Australië, Argentinië en Californië begon over te

brengen om deze ook daar te fokken, vreesden de Kapenaars het monopolie

van de struisveerenproductie, dat zij feitelijk tot dusver bezeten

hadden, te zullen verliezen; zij trachtten dezen ramp te keeren door de

bepaling, dat bij den uitvoer van iederen levenden Struis een recht van

f 1200 en van ieder ei f 60 zou worden geheven. Ook in Algerië worden

tegenwoordig Struisen gefokt; zij gedijen het best op gronden, die rijk

zijn aan alkalische zouten en phosphorzure kalk. Driemaal in de twee

jaar kan men den Vogel zijne groote vleugel- en staartwortelveeren

ontnemen. De vraag naar dit artikel wordt door de mode beheerscht;

de prijzen wisselen dus zeer sterk. Zoo bedroeg in 1891 de prijs van

de Kaapsche struisveeren gemiddeld f 57.-- per KG., tegen f 111.-- in

1882. Bovendien is het product van verschillende gewesten ongelijk

van kwaliteit, daar het klimaat en de geaardheid van den bodem

invloed oefenen op de schoonheid der veeren; die van wilde Vogels

worden hooger geschat dan die van tamme: de beste zijn de zoogenaamde

Aleppo-veeren, van de Struisen uit de Syrische woestijn. Gerangschikt

naar de kwaliteit komen achtereenvolgens in aanmerking de veeren,

die in de Sahara, in de steppen aan den Senegal, in de Nijl-landen,

in Marokko, Zuid-Afrika en Zuid-Arabië gewonnen worden.

De struisvogeljacht wordt in geheel Afrika met grooten ijver

beoefend. De Bedoeïnen beschouwen haar als een van de edelste

uitspanningen; in de bezwaren die er aan verbonden zijn, is voor hen

een bijzondere prikkel gelegen. De Arabieren van Noordoost-Afrika

noemen den volwassen mannelijken Struis "Edlim" (de "donker zwarte"),

het wijfje "Ribeda" (de "grijze"), den jongen Vogel "Ermoed" (de

"bruinachtige"). Daar de veeren den voornaamsten jachtbuit uitmaken,

vervolgt men hoofdzakelijk en zelfs bijna uitsluitend den "Edlim";

natuurlijk wordt hierdoor aan de vermenigvuldiging der diersoort

geen afbreuk gedaan. Op vlugge Paarden of uitmuntende Dromedarissen

gezeten, rijden de jagers de woestijn in en zoeken een kudde Struisen

op. Eenige met waterzakken beladen Kameelen volgen op eenigen afstand

en worden door hunne drijvers gedurende de jacht steeds zoo dicht

mogelijk bij de jagers gebracht. Als deze hun wild opgespoord hebben,

rijden zij gezamenlijk op de kudde af; zoodra echter een voorzichtige

"Edlim" door zijn voorbeeld het sein tot de vlucht geeft, verdeelt

het jachtgezelschap zich in troepjes van 2 of 3 personen, die ieder

de vervolging van één der mannetjes op zich nemen; in gestrekten

galop rennen de ruiters den Vogel na, die door één hunner op alle

krommingen van zijn weg gevolgd wordt, terwijl de andere een korteren

weg kiest en, zoodra het hem gelukt is, zijn metgezel voor te komen,

diens rol overneemt, het aan dezen overlatend nu het kortste pad in te

slaan. Zoo is nu eens de eene, dan weer de andere jager voorrijder,

totdat de Struis, die met de grootst mogelijke snelheid voortrent,

vermoeid wordt. Gewoonlijk zijn de Bedoeïnen hem reeds na verloop

van één uur op de hielen, zij sporen hunne Paarden tot een laatste

krachtsinspanning aan en weten den Vogel eindelijk een hevige

slag op den hals of den kop toe te brengen, die hem ter aarde doet

storten. Onmiddellijk na den val van het wild springt de ruiter van

't paard, snijdt den Struis onder het uitspreken van de in dergelijke

gevallen gebruikelijke woorden: "In naam van den barmhartigen God,

God is grooter", de halsslagader door en steekt, om het bloederig

worden van de veeren te voorkomen, den nagel van den langen teen van

één der pooten in de wonde. Nadat de Vogel leeggebloed is, stroopt

de jager hem de huid af, keert deze het binnenste buiten en gebruikt

haar bij wijze van een zak om hierin de pronkveeren te bewaren. Van

het vleesch snijdt hij zooveel af, als hij noodig heeft; het overige

hangt hij ten behoeve van iederen hier langs trekkenden, hongerigen

reiziger aan een boom op, waar het uitdroogt.

Intusschen hebben de Vrachtkameelen het jachtgezelschap ingehaald,

zoodat de ruiter in staat is zich en zijn door den fellen rit vermoeid

Paard te verkwikken gedurende de nu volgende uren van rust. Zoodra de

Bedoeïnen hun buit thuis gebracht hebben, sorteeren zij de veeren naar

haar kwaliteit; de kostbare witte, waarvan een volkomen ontwikkelde

Struis er hoogstens 14 heeft, worden in een bos bijeengebonden en

in de tent bewaard om ze bij gelegenheid te verkoopen. De handelaar,

die de veeren opkoopt, moet zich in persoon bij den jager aanmelden

en krijgt van dezen de verlangde, maar eerst na werkelijk grappige

formaliteiten. De reden van deze geheimzinnigheid is, dat alle

vorsten en ambtenaren van Noord-Afrika ook thans nog, evenals ten

tijde van de oude Egyptenaars, van hunne onderdanen struisveeren

eischen als schatting aan de kroon en zich niet ontzien deze door

hunne ondergeschikte beambten met geweld te laten invorderen. De

Arabier houdt iederen persoon, die hem naar veeren vraagt, voor een

afgezant van zijn gebieder en toont zijne schatten eerst, nadat hij

zich door zorgvuldige ondervraging overtuigd heeft van de eerlijke

bedoelingen van zijn bezoeker.

Schalen van Struisvogeleieren worden door alle bewoners van Zuid-

en Middel-Afrika veelvuldig gebruikt, vooral als vaatwerk. Met een

wijdmazig gevlochten hulsel omgeven, worden zij gevuld in de hut

opgehangen of op reis medegenomen. In Kordofan wordt de top van de

ronde, kegelvormige stroohut er mede versierd; in de Koptische kerken

dienen zij tot versiering van de koorden, die de lampen dragen. De

eieren en het vleesch van den Struis worden door alle inboorlingen

gegeten. Jonge Struisen zijn zeer malsch en smakelijk, het vleesch

van den ouden Vogel is taaier en gelijkt meer op rundvleesch.

Het Leven der Dieren: Deel 2, Hoofdstuk 11 tot 14: Hoenderkoeten; Nandoes; Kasuarisvogels; Struisen; Hagedisvogels · 第 4 / 6 题