DE STRUISEN (Struthiornithes).
De eenige [3] vertegenwoordiger van deze orde is de Struis (Struthio
camelus). Hij heeft een zeer krachtigen romp, een langen, grootendeels
naakten hals, een kleinen, platten kop, groote, schitterende oogen,
welker bovenste lid wimpers draagt, groote, onbedekte, van binnen met
haarvormige uitgroeisels bezette gehooropeningen. De snavel is recht,
middelmatig lang, stomp, van voren afgerond, aan de spits plat en met
een hoornachtigen nagel bedekt; de kaken zijn buigzaam; de mondspleet
strekt zich uit tot onder het oog; de langwerpige neusgaten bevinden
zich ongeveer in 't midden van den snavel. De pooten zijn hoog en dik,
slechts op de schenkels met eenige borstels begroeid, doch overigens
naakt; de loop is met groote schubben bekleed en draagt twee teenen;
de binnenste of grootste heeft vier leden en een grooten, breeden,
stompen nagel; de andere is ongenageld en vijfledig. De vleugels
zijn met twee sporen voorzien en tamelijk groot, maar volkomen
ongeschikt voor 't vliegen; in plaats van slagpennen dragen zij lange,
slappe, zachte, hangende veeren. Uit soortgelijke veeren bestaat de
tamelijk lange staart. Het overige lichaam, met uitzondering van
een hoornachtige opzwelling op het midden van de borst, is bedekt
met een tamelijk dicht, uit slappe, gekroesde veeren samengesteld
kleed. Bij het mannetje zijn alle kleine veeren van den romp koolzwart,
de lange vleugel- en staartveeren echter schitterend wit, de naakte
deelen van den hals hoogrood, de schenkels vleeschkleurig. Het oog
is bruin, de snavel hoorngeel. Bij het wijfje zijn de kleine veeren
bruingrijs, slechts op de vleugels en in de staartstreek zwartachtig,
de slagpennen en stuurpennen vuilwit. De jonge, onrijpe Vogels dragen,
zoodra zij voor de eerste maal veeren krijgen, een kleed overeenkomend
met dat van het wijfje. De hoogte van het volwassen mannetje bedraagt
ongeveer 2.5 M., zijn lengte, van de snavelspits tot aan het uiteinde
van den staart, minstens 2 M., zijn gewicht ongeveer 75 KG.
De Struis behoort thuis in de steppen en woestijnen van Afrika en
West-Azië. In vroegere tijden is hij ongetwijfeld veel menigvuldiger
geweest dan thans; men vond hem toen in oorden, gewesten en landen,
waar hij thans uitgeroeid is: een woestijn- of steppenvogel was hij
echter van oudsher. Hij bewoont de Sahara en de Libysche woestijn,
vele steppen van Centraal-Afrika en de zuidelijke vlakten van
dit werelddeel, bovendien echter uitgestrekte landstreken van
West-Azië. Ondanks de sterke uitbreiding van het door Europeanen
bezette gebied, die tot zijn verdrijving uit vele gewesten van Afrika,
waar hij vroeger talrijk was, aanleiding heeft gegeven, blijven er
zoovele gedeelten over, die in zijn smaak vallen, dat men het aantal
voor hem geschikte landstreken van Afrika, waar hij niet gevonden
wordt, nog steeds gering mag noemen. Zijn verbreidingskring begint
in het zuiden van Algerië en strekt zich uit over de oosthelft van
Afrika tot ver in het Kaapland.
Eenige reizigers, waaronder Lichtenstein, spreken van zeer
aanzienlijke struisvogelkudden, die zij op hun weg gezien hebben;
ook Von Heuglin meldt, dat hij in den herfst van het jaar 1852
troepen van meestal jonge Vogels ontmoet heeft, welker aantal op
50 of 60 geschat wordt. Dit is echter geen regel, maar veeleer een
uitzondering. Gewoonlijk leeft de Struis in 't zuiden zoowel als in
het noorden van het "donkere" werelddeel in troepjes van 5 à 6 stuks
of in familiën, die meestal meer hennen dan hanen bevatten. Zulk een
familie schijnt een tamelijk uitgestrekt gebied te doorkruisen en zich
hieraan met een zekere hardnekkigheid te houden. De eerste eisch, die
de Vogel aan zijn verblijfplaats stelt, is de aanwezigheid van water;
overal waar in een onbewoonde landstreek drinkplaatsen voorkomen,
vindt men altijd, zoo niet de Struisen zelve, dan toch duidelijke
kenteekenen van hun bestaan, n.l. hunne voetsporen, welke niet met
die van andere dieren verward kunnen worden. In een land, waar het
onderscheid tusschen de jaargetijden en de hieruit voortvloeiende
wijziging in het plantenleven niet zoo groot is, dat de Struis er door
tot trekken gedwongen wordt, blijft hij waarschijnlijk het geheele
jaar door; zelden overschrijdt hij de grenzen van zulk een gebied.
Hoewel de krachtig gespierde pooten den Struis het gemis van
vliegorganen niet vergoeden, verschaffen zij hem toch een geschiktheid
tot beweging, die werkelijk verbazing wekt. Andersson verzekert,
dat de Struis bij vervolging over een geringen afstand zoo snel kan
loopen, dat hij voor het afleggen van een weg van een Engelsche mijl
misschien niet meer dan een halve minuut noodig heeft; hij doet dan
niet zelden stappen van 4 à 4.5 M.; nauwelijks ziet men zijne pooten
met den grond in aanraking komen. Deze opgave is stellig overdreven,
hoewel het niet ontkend kan worden, dat, althans bij koel weder en
gedurende een niet te langen tijd, de snelheid van den Struis, die
van een renpaard niet slechts evenaart, maar zelfs overtreft.
Van de zintuigen van den Struis is ongetwijfeld dat van het gezicht het
best ontwikkeld. Zijn oog is werkelijk fraai en zijn gezichtsvermogen
buitengewoon groot. Volgens de berichten van alle onderzoekers,
die dezen reusachtigen Vogel in de vrije natuur hebben nagegaan,
kan men uit zijne gebaren duidelijk opmaken, dat hij op mijlen
afstands zijn kaal gebied kan overzien. Het gehoor en de reuk
komen in de tweede plaats in aanmerking; het gevoel en de smaak
schijnen zeer weinig ontwikkeld te zijn. Ongetwijfeld is hij zeer
schuw; met snelle schreden maakt hij zich uit de voeten bij iedere
verschijning, die hem vreemd is; over de werkelijke beteekenis van
het gevaar schijnt hij echter geen oordeel te kunnen vellen, daar
hij zich ook door dieren, die voor hem onschadelijk zijn, van zijn
stuk laat brengen. Dat hij zich bij de Zebra-kudden ophoudt en van
de voorzichtigheid dezer schrandere dieren partij schijnt te trekken,
pleit geenszins voor zijn verstand, want de Zebra's sluiten zich bij
hem aan en niet omgekeerd; zij doen hun voordeel met de waarschuwingen
van den Vogel, die, door zijn hoogte geroepen schijnend voor het ambt
van schildwacht, wegsnelt, zoodra hij iets buitengewoons opmerkt. De
handelingen van de gevangen Struisen voeren tot het besluit, dat hunne
geestvermogens beperkt zijn. Hoewel zijn aan hun verzorger en nog meer
aan een bepaalde verblijfplaats gewoon geraken, kunnen zij nergens
toe afgericht worden en volgen blindelings een plotseling opkomende
ingeving van hunne zwakke hersenen. Door kastijding kan men hen wel
voor een oogenblik afschrikken, maar geen verbetering bewerken.
Plantaardige stoffen vormen het voornaamste, maar niet het eenige
voedsel van den Struis. In de vrije natuur graast hij op de wijze van
een Kalkoen, door gras, kruiden en bladen af te plukken of zaden,
Insecten en kleine Gewervelde Dieren van den grond op te pikken;
in de gevangenschap slikt hij alles door, wat hij krijgen kan. Hij
schijnt bezield met een onweerstaanbare neiging om alles wat niet
spijkervast is, los te rukken, weg te nemen en zoo mogelijk te
verzwelgen. Een bont gekleurde potscherf, een steen of een ander
oneetbaar voorwerp, dat zijn aandacht trekt, wordt verslonden, alsof
het een stuk brood is. Berchon vond in de maag van een door hem
ontleden Struis een verzameling van dergelijke stoffen, waarvan het
gewicht 4.228 KG. bedroeg: 3.5 KG. zand, werk en lompen, 3 stukken
ijzer, 9 Engelsche koperen munten, 1 koperen deurhengsel, 2 ijzeren
sleutels, 17 koperen en 20 ijzeren spijkers, looden kogels, knoopen,
bellen, kiezelsteentjes enz. Kleine Gewervelde Dieren worden met smaak
verorberd. Mijne gevangene Struisen te Khartoem aten eenige kuikentjes
op, die zich onvoorzichtig in hun nabijheid hadden gewaagd; Methuen
merkte hetzelfde op. "Een Eend had een schaar van hoopvolle jongen ter
wereld gebracht en leidde ze met moederlijken trots in den hoenderhof
rond. Hier ontmoetten zij den Struis, die met statige schreden heen
en weer stapte; deze slikte achtereenvolgens alle eendjes in, alsof
het oesters waren".
Vraatzuchtig kan men den Struis evenwel niet noemen, want de
hoeveelheid voedsel, die hij gebruikt, staat volstrekt niet in
verhouding tot zijn grootte. Dat hij met weinig tevreden is, zou
men reeds kunnen afleiden uit de armoede van de door hem bewoonde
landstreken; het is dikwijls onbegrijpelijk, hoe zulk een groote Vogel
hier aan den kost kan komen. Door de bewegingen, die hij gedurende
het eten maakt, schijnt hij gulzig, zonder het werkelijk te zijn. De
hoeveelheid water, die hij iederen dag gebruikt, is echter zeer groot.
Met de voortplanting van de Struisen is men eerst door waarnemingen aan
gevangen exemplaren nauwkeurig bekend geworden. Verscheidene hennen
leggen eieren in hetzelfde nest; in den regel worden deze echter
door den haan uitgebroed; slechts bij uitzondering nemen de wijfjes
deel aan deze verrichting. In het eene gewest heeft zij vroeger, in
het andere later plaats; altijd en overal geschiedt zij echter kort
voor den aanvang van de lente, die het terrein zeer geschikt maakt
om voedsel aan de jongen te verschaffen. In de koelste gedeelten
van het door Struisen bewoonde gebied, worden de eieren over dag
even geregeld bebroed als gedurende den nacht; in warmere gewesten
kan de Vogel zonder bezwaar uren lang het nest verlaten; gewoonlijk
worden de eieren vooraf met zand bedekt. "Eens, maar ook niet meer
dan eens", zegt Tristram, "had ik het geluk het nest van een Struis
te vinden. Door onze verrekijkers zagen wij twee Vogels geruimen
tijd op dezelfde plek blijven, hetgeen ons aanleiding gaf daarheen te
rijden. De voetsporen, die moeielijk te volgen waren, leidden naar de
plaats, waar wij de Struisen hadden zien staan. Twee Arabieren groeven
met de handen het zand, dat hier platgetrapt was, weg en vonden weldra,
op een diepte van ongeveer 60 cM., vier versche eieren".
De eieren zijn grooter dan die van eenigen anderen thans levenden
Vogel. Hun lengte wisselt af van 140 tot 155 mM., hun middellijn op
de dikste plaats van 110 tot 127 mM.; de eieren van Struisen, die in
gevangenschap leven, zijn kleiner en komen veelvuldiger in den handel
voor. Zij zijn fraai eivormig, aan beide einden bijna even sterk
afgerond; de glanzige, geelachtig witte schaal is zeer hard en dik
en licht geelachtig geteekend of gemarmerd. Een ei weegt gemiddeld
1442 gram, dus zooveel als 25 hoendereieren. De dooier smaakt goed,
doch veel minder aangenaam dan die van een kippenei. De eieren, die
men in de nabijheid van het nest vindt, worden gelegd, terwijl het
mannetje reeds aan 't broeden is. Na een broedtijd van 45 à 52 dagen
komen de jongen uit den dop; onmiddellijk nadat zij droog geworden
zijn, neemt de oude Vogel ze mede naar de weide. Het zijn allerliefste
diertjes, maar hun uiterlijk is vreemdsoortig, daar zij meer op Egels
dan op Vogels gelijken. Hun lichaam is namelijk niet met veeren,
maar met stijve, hoornachtige spitsen bedekt, die in alle richtingen
uitstralen en aan stekels herinneren. Zij bewegen zich als jongen
van Trappen of Hoenderen. Even vlug en behendig als deze, loopen zij
rond onmiddellijk na het verlaten van het ei en zijn dadelijk geschikt
om hun voedsel te zoeken. Toch worden zij zorgvuldig gehoed door hun
vader. Deze toont reeds gedurende het broeden een warme liefde voor
de eieren, verweert zich dapper tegen betrekkelijk sterke vijanden
en neemt zijn toevlucht tot allerlei kunstgrepen om een tegenstander,
die hem te sterk is, om den tuin te leiden.
Als de jongen twee maanden oud zijn, verliezen zij hunne stekelige
veeren en krijgen er het eenvoudige, grijze kleed van de wijfjes voor
in de plaats. De beide seksen dragen dit tot het tweede levensjaar. Dan
wordt het mannetje zwart; eerst in het derde jaar is hij volwassen
en heeft zijn definitieve kleur aangenomen.
De Struis verdraagt zonder bezwaar de gevangenschap, wanneer men
hem slechts voldoende ruimte verschaft om zich vrij te bewegen; hij
geraakt zoo gewoon aan een bepaald oord, dat men hem vrij kan laten
rondloopen, in de weide drijven en op reis medenemen. Duveyrier zag
op den weg naar Rhat in het land van de Toearegs een tammen Struis
een karavaan volgen. Op de rustplaatsen kreeg deze Vogel kluisters aan
de pooten, evenals de grazende Kameelen, opdat hij niet zou afdwalen;
met de Kameelen kwam hij geregeld weer terug en volgde deze overigens
zonder kluisters. Ook Von Heuglin's tamme Struisen werden met de
Paarden en Kameelen vrij op de weide gedreven, of mochten zich naar
eigen verkiezing in de straten der steden en dorpen bewegen; ook
die, welke Eduard Mohr bezat, liepen in Zuid-Afrika vrij met zijn
karavaan mede. In het noorden van Centraal-Afrika hielden indertijd
alle welgestelde en voorname lieden, in de steppe ook de bewoners der
dorpen, voor hun genoegen Struisen. In Soedan kwam het bij niemand
op ze als huisdieren te beschouwen, d. w. z. er eenig voordeel van
te trekken; men hield ze alleen tot tijdverdrijf en gaf zich niet
de minste moeite om ze te fokken; evenmin dacht men er aan hunne
veeren te gebruiken of te verkoopen. In lateren tijd is hierin echter
verandering gekomen.
De eerste Struisen werden in Algerië gefokt. De goede uitkomsten,
die hier en later ook in Europa verkregen werden, spoorden tot
navolging aan. In Grenoble hield Bouteille, in Madrid Graells zich
met het Struisen-fokken bezig; ook in eenige diergaarden legden
deze Vogels eieren en broedden ze uit. Van buitengewoon belang was
de hierdoor verkregen ervaring voor het Kaapland. Hier had men in
hoenderperken en op landgoederen reeds sinds lang Struisen gehouden;
enkele daarvan ook wel eens voor lichte wagens gespannen of zelfs
als rijdieren gebruikt; thans begon men ze op groote schaal te
fokken. In het jaar 1865 geschiedde dit voor 't eerst in Kaapland, 4
jaar later werd een tweede broedsel gelukkig grootgebracht. Iemand die
29 Struisen bezat, waarbij 15 mannetjes waren, begon zijne gevangenen
te plukken en kreeg voor de veeren van iederen mannelijken Vogel niet
minder dan f 96 per jaar. Dit gaf den eersten stoot aan de bloeiende
struisvogelteelt, die thans in geheel Kaapland beoefend wordt. In 1865
waren in de volkplanting niet meer dan 80 tamme Struisen, 10 jaren
was hun aantal vermeerderd tot 21751 stuks; tegenwoordig vormt de
Struisen-fokkerij een van de belangrijkste middelen van bestaan van
Zuid-Afrika, voor zoover het door Europeanen bewoond wordt. De van
daar uitgevoerde struisveeren vertegenwoordigden in 1880 een waarde
van ruim 10 1/2 millioen, in 1882 van 13 millioen gulden (113.350
KG.). Het aantal Struisen in de Kaapkolonie werd door Douglas in 1886
op 150.000 stuks begroot; in 1891 bedroeg het 155.900 (die 125.000
KG. veeren opleverden). Tot kort na 1880 hadden de Zuid-Afrikanen geen
concurrentie in hun winstgevend bedrijf te duchten. Toen men echter in
1883 Struisen naar Australië, Argentinië en Californië begon over te
brengen om deze ook daar te fokken, vreesden de Kapenaars het monopolie
van de struisveerenproductie, dat zij feitelijk tot dusver bezeten
hadden, te zullen verliezen; zij trachtten dezen ramp te keeren door de
bepaling, dat bij den uitvoer van iederen levenden Struis een recht van
f 1200 en van ieder ei f 60 zou worden geheven. Ook in Algerië worden
tegenwoordig Struisen gefokt; zij gedijen het best op gronden, die rijk
zijn aan alkalische zouten en phosphorzure kalk. Driemaal in de twee
jaar kan men den Vogel zijne groote vleugel- en staartwortelveeren
ontnemen. De vraag naar dit artikel wordt door de mode beheerscht;
de prijzen wisselen dus zeer sterk. Zoo bedroeg in 1891 de prijs van
de Kaapsche struisveeren gemiddeld f 57.-- per KG., tegen f 111.-- in
1882. Bovendien is het product van verschillende gewesten ongelijk
van kwaliteit, daar het klimaat en de geaardheid van den bodem
invloed oefenen op de schoonheid der veeren; die van wilde Vogels
worden hooger geschat dan die van tamme: de beste zijn de zoogenaamde
Aleppo-veeren, van de Struisen uit de Syrische woestijn. Gerangschikt
naar de kwaliteit komen achtereenvolgens in aanmerking de veeren,
die in de Sahara, in de steppen aan den Senegal, in de Nijl-landen,
in Marokko, Zuid-Afrika en Zuid-Arabië gewonnen worden.
De struisvogeljacht wordt in geheel Afrika met grooten ijver
beoefend. De Bedoeïnen beschouwen haar als een van de edelste
uitspanningen; in de bezwaren die er aan verbonden zijn, is voor hen
een bijzondere prikkel gelegen. De Arabieren van Noordoost-Afrika
noemen den volwassen mannelijken Struis "Edlim" (de "donker zwarte"),
het wijfje "Ribeda" (de "grijze"), den jongen Vogel "Ermoed" (de
"bruinachtige"). Daar de veeren den voornaamsten jachtbuit uitmaken,
vervolgt men hoofdzakelijk en zelfs bijna uitsluitend den "Edlim";
natuurlijk wordt hierdoor aan de vermenigvuldiging der diersoort
geen afbreuk gedaan. Op vlugge Paarden of uitmuntende Dromedarissen
gezeten, rijden de jagers de woestijn in en zoeken een kudde Struisen
op. Eenige met waterzakken beladen Kameelen volgen op eenigen afstand
en worden door hunne drijvers gedurende de jacht steeds zoo dicht
mogelijk bij de jagers gebracht. Als deze hun wild opgespoord hebben,
rijden zij gezamenlijk op de kudde af; zoodra echter een voorzichtige
"Edlim" door zijn voorbeeld het sein tot de vlucht geeft, verdeelt
het jachtgezelschap zich in troepjes van 2 of 3 personen, die ieder
de vervolging van één der mannetjes op zich nemen; in gestrekten
galop rennen de ruiters den Vogel na, die door één hunner op alle
krommingen van zijn weg gevolgd wordt, terwijl de andere een korteren
weg kiest en, zoodra het hem gelukt is, zijn metgezel voor te komen,
diens rol overneemt, het aan dezen overlatend nu het kortste pad in te
slaan. Zoo is nu eens de eene, dan weer de andere jager voorrijder,
totdat de Struis, die met de grootst mogelijke snelheid voortrent,
vermoeid wordt. Gewoonlijk zijn de Bedoeïnen hem reeds na verloop
van één uur op de hielen, zij sporen hunne Paarden tot een laatste
krachtsinspanning aan en weten den Vogel eindelijk een hevige
slag op den hals of den kop toe te brengen, die hem ter aarde doet
storten. Onmiddellijk na den val van het wild springt de ruiter van
't paard, snijdt den Struis onder het uitspreken van de in dergelijke
gevallen gebruikelijke woorden: "In naam van den barmhartigen God,
God is grooter", de halsslagader door en steekt, om het bloederig
worden van de veeren te voorkomen, den nagel van den langen teen van
één der pooten in de wonde. Nadat de Vogel leeggebloed is, stroopt
de jager hem de huid af, keert deze het binnenste buiten en gebruikt
haar bij wijze van een zak om hierin de pronkveeren te bewaren. Van
het vleesch snijdt hij zooveel af, als hij noodig heeft; het overige
hangt hij ten behoeve van iederen hier langs trekkenden, hongerigen
reiziger aan een boom op, waar het uitdroogt.
Intusschen hebben de Vrachtkameelen het jachtgezelschap ingehaald,
zoodat de ruiter in staat is zich en zijn door den fellen rit vermoeid
Paard te verkwikken gedurende de nu volgende uren van rust. Zoodra de
Bedoeïnen hun buit thuis gebracht hebben, sorteeren zij de veeren naar
haar kwaliteit; de kostbare witte, waarvan een volkomen ontwikkelde
Struis er hoogstens 14 heeft, worden in een bos bijeengebonden en
in de tent bewaard om ze bij gelegenheid te verkoopen. De handelaar,
die de veeren opkoopt, moet zich in persoon bij den jager aanmelden
en krijgt van dezen de verlangde, maar eerst na werkelijk grappige
formaliteiten. De reden van deze geheimzinnigheid is, dat alle
vorsten en ambtenaren van Noord-Afrika ook thans nog, evenals ten
tijde van de oude Egyptenaars, van hunne onderdanen struisveeren
eischen als schatting aan de kroon en zich niet ontzien deze door
hunne ondergeschikte beambten met geweld te laten invorderen. De
Arabier houdt iederen persoon, die hem naar veeren vraagt, voor een
afgezant van zijn gebieder en toont zijne schatten eerst, nadat hij
zich door zorgvuldige ondervraging overtuigd heeft van de eerlijke
bedoelingen van zijn bezoeker.
Schalen van Struisvogeleieren worden door alle bewoners van Zuid-
en Middel-Afrika veelvuldig gebruikt, vooral als vaatwerk. Met een
wijdmazig gevlochten hulsel omgeven, worden zij gevuld in de hut
opgehangen of op reis medegenomen. In Kordofan wordt de top van de
ronde, kegelvormige stroohut er mede versierd; in de Koptische kerken
dienen zij tot versiering van de koorden, die de lampen dragen. De
eieren en het vleesch van den Struis worden door alle inboorlingen
gegeten. Jonge Struisen zijn zeer malsch en smakelijk, het vleesch
van den ouden Vogel is taaier en gelijkt meer op rundvleesch.