[1] Uit eenige beenderen en verscheidene eischalen (waarvan er
o. a. één in 't Leidsch museum bewaard wordt), die (voor 't eerst
in 1850) in alluviale gronden op Madagaskar gevonden werden, blijkt,
dat, als tijdgenoot van den mensch, misschien nog in den historischen
tijd, een Vogel heeft geleefd, die drie teenen had, in grootte den
Dinornis overtrof en, evenals deze, het vermogen om te vliegen
miste. Men heeft hem Aepyornis maximus genoemd en ook nog twee
kleinere soorten van 't zelfde geslacht onderscheiden. Gezamenlijk
vormen deze, volgens Fürbringer, een onderorde--die der Madagassische
Reuzenvogels (Aepyornithes)--, welke op die der Hoenderkoeten behoort
te volgen. De afmetingen van één der gevonden eischalen waren 34 bij
22.5 cM. (schaaldikte 3 mM.; inhoud 8.75 L.). Haar volume kwam dus
overeen met dat van 6 eieren van een Afrikaanschen Struis, 12 van
een Nandoe, 16 1/2 van een Kasuaris, 148 van een Huishoen en 50000
van een Dwergkolibrie.
[2] Zie o.a. "Het Schouwtoneel der Aertsche Schepselen" door P. Nijlant
en J. van Hextor. Amsterdam Marcus Willemsz. Doornik. 1672. p. 241.
[3] Wegens een gering verschil in kleur bij het mannetje worden
soms, behalve den Gewonen of Afrikaanschen Struis, als afzonderlijke
soorten onderscheiden: 1o. de in 1883 ontdekte Somali-struis,(Struthio
molybdophanes) met blauwgrijzen hals en menie-roode hoornbekleeding
van de pooten en van de naakte borstplek, 2o. de in onze dierentuinen
zelden voorkomende Damara-struis (Struthio australis) met rooden
snavel, grijzen hals en pooten en een gelen rand om de roode schilden
van den loop. Beide ontleenen hun naam aan de landstreek, waar zij
voorkomen. De Somali-struisen worden op de Europeesche dierenmarkt
tegenwoordig veelvuldiger aangeboden dan andere soorten. Het mannetje
kost ongeveer 480, het wijfje 430 gulden.