DERTIENDE ORDE.

DE KASUARISVOGELS (Hippalectryornithes).

De Kasuarissen en de Emoes, die hier onder den naam van Kasuarisvogels

worden samengevat, bewonen verschillende gedeelten van het Australische

Rijk. Naar de grootste van deze beide familiën is de orde genoemd. De

Kasuarissen hebben in onze taal hun vaderlandschen naam nagenoeg

onveranderd behouden. De Grieksche woorden, door welker samenvoeging

hun wetenschappelijke naam verkregen werd, beteekenen "Paard" en "Haan"

en wijzen op het vreemdsoortig voorkomen van de leden dezer orde, dat

o. a. een gevolg is van hun op paardehaar gelijkend kleed en den aan

een hanekam herinnerenden koptooi. Een van de belangrijkste kenmerken

der orde is gelegen in het maaksel der veeren, welker schaften twee

aan twee uit één spoel te voorschijn komen; de bijveder, die bij de

overige Vogels zeer klein blijft of zelfs geheel ontbreekt, is hier

even lang als de hoofdveder. De snavel is gekield; de rudimentaire

vleugels zijn slechts weinig grooter dan die der Snipstruisen, althans

kleiner dan die der overige "Gladborstigen"; één vinger eindigt in

een klauw. De voet heeft drie naar voren gerichte teenen.

De Kasuarissen (Hippalectryonidae) hebben een zijdelings samengedrukten

snavel, welks eenigszins gekromde rug gewelfd is en tot bij de spits

duidelijk onderscheiden kan worden van de zijstukken; de zijranden

zijn bij de spits onder en boven getand; de neusgaten bevinden zich op

de voorste snavelhelft. Een groote, onbevederde, met hoorn bekleede

beenknobbel, die "helm" wordt genoemd en op welks vorm voor een deel

de onderscheiding der soorten berust, neemt den geheelen bovenkop

in. Met uitzondering van eenige borstelvormige veeren boven de oogen,

om de gehooropeningen, aan den achterhals en aan de keel, is de huid

van den kop en van het bovenste deel van den hals naakt; zij prijkt

met heldere kleuren, is vooral aan den voorhals sterk gerimpeld en

loopt hier naar onderen uit in één of twee lellen (de "bef"). De

nagel van den binnenteen is meer dan tweemaal zoo lang als die van

een der beide overige teenen. De korte vleugels hebben, in plaats van

slagpennen, vijf aan den top afgeronde, dikke schaften zonder vlag,

die op afgeknotte pennen van een Stekelvarken gelijken. De stuurpennen

ontbreken geheel; de bestanddeelen van het vederenkleed gelijken meer

op haren dan op veeren. De 9 bekende soorten van deze familie bewonen

de Molukken, Nieuw-Guinea, de Zuidzee-eilanden en Noord-Australië.

Langen tijd was de Ceramsche Kasuaris (Hippalectryo galeatus) de eenige

bekende soort van zijn geslacht. Bij hem komen twee lellen voor, die

met den binnenrand tegen elkander aanliggen en, evenals de huid van

den nek, een fraaie, hoogroode kleur hebben; overigens is de hals van

voren violet en aan de zijden blauw. De helm, die bij het volwassen

dier een aanzienlijke grootte bereikt, is over zijn geheele lengte

sterk zijdelings samengedrukt, van boven echter afgerond. De snavel

is zwart, het aangezicht groenblauw, het oog roodbruin, de achterkop

groen. Het vederenkleed is bij den volwassen Vogel zwart, bij de

jongen bruin; de pooten zijn grijsachtig geel. Hij wordt 1.8 M. hoog.

Deze soort schijnt uitsluitend tot Ceram beperkt te zijn. Het eerste

exemplaar, dat levend naar Europa werd overgebracht, kwam in 1597

van Banda te Amsterdam; het was achtereenvolgens in het bezit van

den Graaf Van Solms te 's-Gravenhage, van den Keurvorst Ernest van

Keulen en van Keizer Rudolf II. Tegenwoordig komen deze Vogels vrij

algemeen in dierentuinen voor. Zij zwerven rond in de uitgestrekte

bosschen, die de bergstreken van Ceram bedekken. Die, welke men in

Europa te zien krijgt, worden op zeer jeugdigen leeftijd gevangen

en door de inboorlingen grootgebracht; waarschijnlijk daarom zijn

zij betrekkelijk tam, zachtaardig en gemeenzaam, hoewel zij in de

vrije natuur de tegenovergestelde eigenschappen vertoonen, een zeer

verborgen leven leiden, bij het geringste gevaar oogenblikkelijk

vluchten en zich aan de blikken van den mensch trachten te onttrekken.

De Kasuarissen hebben een zeer eigenaardigen gang: zij loopen niet,

maar draven, houden intusschen den romp horizontaal en lichten

gewoonlijk de verlengde staartwortelveeren een weinig omhoog, zoodat

zij van achteren hooger schijnen dan van voren. De stappen volgen niet

bijzonder snel op elkander, zoodat de dravende Vogel betrekkelijk

weinig vordert. Zoodra de Kasuaris echter vluchten wil, loopt hij

verbazend snel, maakt bewonderenswaardig vlug allerlei wendingen;

ook kan hij in vertikale richting 1 à 1.5 M. hoog springen.

Zijn stem is een zwak, diep uit de keel komend geluid, dat als

"hoeh hoe hoe" klinkt. Hiermede geeft hij altijd een prettigen

gemoedstoestand te kennen; als men hem plaagt, blaast hij als een

Kat of als een Uil.

Zijne verstandelijke vermogens zijn beperkt. Iedere ongewone

gebeurtenis maakt hem zoo niet beangst, dan toch zeer opgewonden,

welke gemoedstoestand in woeste drift kan ontaarden. Dan valt hij

met toomelooze woede zijn tegenstander aan, om 't even of dit een

mensch is, dan wel een dier, springt woedend bij hem op en tracht

hem zoowel met den snavel als met de scherpe klauwen van de voeten

te kwetsen. Vooral in den paartijd komt deze toestand dikwijls voor;

meer dan eens is het in den Londenschen dierentuin voorgekomen, dat

het wijfje het mannetje doodde. Sommige exemplaren worden mettertijd

zoo hartstochtelijk, dat zij zich door allerlei verschijnselen tot

toorn laten vervoeren, op menschen met bonte kleederdracht aanvliegen

of kinderen ernstig bedreigen, ja zelfs in blinde woede boomen

beschadigen en van schors berooven. De oppassers in alle diergaarden,

waar Kasuarissen voorkomen, vreezen deze Vogels meer dan de groote

leden der Katten-familie, omdat men de gemoedsstemming van deze steeds

uit de gezichtsuitdrukking kan opmaken, bij gene daarentegen altijd

op de een of andere boosaardige handeling voorbereid moet zijn.

Hoewel men aannemen mag, dat de Kasuarissen dierlijk voedsel

niet geheel versmaden, moeten zij toch als planteneters beschouwd

worden. Haacke vond, dat zij zich in de wouden van Nieuw-Guinea

hoofdzakelijk voeden met sappige vruchten, welker pitten hij onverteerd

in hun drek terugvond. Vooral schenen zij veel te houden van de

karmijnroode, zure vrucht van een soort van palm. Pitten en zaden,

die door hunne spijsverteringswerktuigen niet ontleed en vergruisd

kunnen worden, zullen zij waarschijnlijk laten liggen. Bij gevangen

exemplaren heeft men opgemerkt, dat zij geheele appels en sinaasappels

doorslikken, maar ook onverteerd weer uitwerpen. In de diergaarden

voedert men ze met een mengsel van brood, zaden, stukgesneden appels

en dergelijke stoffen; dit voedsel bekomt hen uitmuntend; men heeft

echter ook opgemerkt, dat zij kuikens of jonge Eenden, die toevallig

in hun hok gekomen waren, zonder eenige voorbereiding verzwelgen.

Voldoende berichten over de voortplanting van de Kasuarissen in de

vrije natuur ontbreken nog steeds; men mag echter aannemen, dat deze

niet belangrijk verschilt van die der Struisen. Dikwijls komt het voor,

dat gevangen exemplaren eieren leggen; slechts in weinige diergaarden

is men er echter in geslaagd jongen te verkrijgen. De jonge Kasuaris

is een allerliefst dier zoowel wat kleur en teekening als wat aard en

gewoonten betreft. Zijn donskleed heeft op licht geelbruinen grond

donkerbruine, overlangsche strepen: een breede over het midden van

den rug en eenige smalle langs de zijden, die zich over het geheele

lichaam uitstrekken, één daarvan ook over de pooten. De helm is als

een kale plek op den kop in beginsel reeds aanwezig; de lellen aan

de keelhuid zijn reeds voorhanden.

Arthur Philip, die van 1787 tot 1792 gouverneur-generaal was van de

Engelsche kolonie Nieuw-Zuid-Wales, maakt in zijn beschrijving van

een "reis naar Botany-baai", die in 1789 uitgegeven werd, voor 't

eerst melding van het feit, dat ook Nieuw-Holland door "Gladborstige"

Vogels bewoond wordt. De destijds ontdekte soort werd aanvankelijk

"Nieuw-Hollandsche Kasuaris" genoemd en heet thans Emoe (Dromaeus

Novae-Hollandiae), met welken naam in oude dierkundige werken [2] een

Vogel van meer dan manshoogte wordt aangeduid, door welks beschrijving

men aan den Kasuaris wordt herinnerd. Zeevaarders van vroegere eeuwen

zouden deze reusachtigen Vogel, die volgens hunne mededeelingen

slechts één poot had, op het eiland Marahon gevonden hebben.

Hoewel tusschen de Emoes van 't westen en van 't oosten van

Nieuw-Holland eenig verschil van kleur werd opgemerkt, vereenigt

men alle tot één soort, die dus de eenige vertegenwoordiger is

van de gelijknamige familie (Dromaeidae). De snavel is recht en

sterk zijdelings samengedrukt, met een aan den wortel boven zijn

omgeving uitpuilenden rug en een afgeronde spits; de groote, door

een vlies bedekte neusgaten bevinden zich ongeveer in 't midden. De

zeer krachtige pooten zijn tot aan het spronggewricht bevederd en

overigens met dikke schilden bedekt; de binnenste en buitenste van de

drie met stevige nagels gewapende teenen zijn even lang. De vleugels

zijn zoo buitengewoon klein, dat men ze niet opmerkt, wanneer zij

tegen den romp aangedrukt worden; zij zijn op dezelfde wijze bevederd

als de rug; hoornstekels, zooals bij de Kasuarissen voorkomen, zijn

hier niet aanwezig. Alleen de wangen en de keel zijn naakt. Van een

"helm" en "lellen" is hier geen sprake. Alle veeren onderscheiden

zich door een aanzienlijke lengte, geringe breedte, buitengewoon

buigzame schaften en losse, wijduiteenstaande baarden. De mannetjes

en wijfjes verschillen niet in kleur, wel echter eenigszins, hoewel

slechts weinig, in grootte. Deze is geringer dan die van den Struis;

de Emoe is ongeveer 1.75 M. hoog; volgens de berichten van jagers

bereiken sommige mannetjes echter een hoogte van 2 M. Doordat zij lager

op de pooten staan, een meer ineengedrongen romp en een korteren hals

hebben dan de Struis, maken zij een geheel anderen indruk dan deze. De

kleur van het vederenkleed is zeer gelijkmatig dofbruin, op den kop

en op het midden van hals en rug donkerder, op de onderdeelen iets

lichter. Het oog is helder bruin, de snavel donker hoornkleurig,

de voet licht bruinachtig; de naakte gedeelten van het aangezicht

zijn blauwachtig grijs.

Uit de oudste berichten blijkt, dat men deze Vogels eertijds in

Botany-baai en Port-Jackson, voorts op de zuidkust en de omliggende

eilanden in grooten getale aantrof, en dat zij de aandacht van iederen

reiziger, die de Australische kust bezocht, moesten trekken, daar zij

zich overal vertoonden. Op Tasmanië zijn zij echter reeds zoo zeldzaam

geworden, dat men, om een enkel exemplaar te ontmoeten, maanden lang de

afgelegenste gedeelten van het eiland moet doorzoeken. Van de geheele

kust van het vasteland heeft men ze al verder en verder naar het

binnenland teruggedrongen, zoodat zij thans slechts in de uitgestrekte

vlakten van het zuiden veelvuldig zijn. Nog steeds komen ieder jaar

een groot aantal levende Emoes op de Europeesche wildedierenmarkten,

zoodat hun prijs niet hoog is; toch schijnt de tijd niet veraf te zijn,

waarin deze vreemdsoortige Vogels evenzeer tot de zeldzaamheden zullen

behooren als de groote soorten van Kangoeroes nu reeds. Te recht heeft

Gould aangedrongen op maatregelen van overheidswege om het uitroeien

van dezen hevig vervolgden, voor Nieuw-Holland karakteristieken Vogel

te voorkomen.

In oorden, waar de Emoe zijn gevaarlijksten vijand, den blanke, nog

slechts zelden ontmoet heeft, is hij niet schuw; niet zelden ontmoeten

de voorloopers der kolonisten hem dicht bij hunne tenten. Naar men

zegt, komt hij in troepen van 3 à 5 stuks, maar niet in talrijke

kudden voor.

Daar de Emoe een uitmuntend renner is, kan de jacht op dit

dier, volgens Currie, minstens op één lijn gesteld worden met

de hazenhitsjacht in Engeland, voor zoover zij deze niet nog

overtreft. Cunningham beschrijft een dergelijke jacht, waarbij

Kangoeroe-honden gebruikt werden. Naar men zegt, kan de Emoe door een

enkelen slag met den poot het onderbeen van een mensch breken of een

roofdier dooden. Goed afgerichte Honden moeten hem daarom steeds van

voren bespringen, bij den hals pakken en zoo ter aarde werpen. Het

vleesch van den ouden Vogel wordt met taai rundvleesch vergeleken

en levert, hoewel het zoetachtig smaakt, een bruikbaar gerecht; dat

van de jongen wordt zeer geroemd. Men gebruikt vooral de schenkels,

die trouwens zoo groot zijn, dat, naar Cunningham bericht, het naar

huis dragen van twee zulke bouten over een afstand van een mijl het

zwaarste werk was, dat ooit door hem verricht werd.

Van de voortplanting van den Emoe in de vrije natuur is tot

dusver slechts weinig bekend. Gould zegt, dat het wijfje 6 à 7

fraai donkergroene eieren met een knobbelig gekorrelde schaal in

een kuil legt, die zij in den grond uitkrabt, bij voorkeur op een

zandige plaats. Het mannetje houdt zich steeds bij het wijfje op

en helpt ijverig mede bij het broeden. De uitvoerigste berichten

over dit onderwerp zijn uit dierentuinen afkomstig, daar de Emoes

zich gemakkelijker dan andere "Gladborstigen" in de gevangenschap

voortplanten en beter dan deze bij ons geacclimatiseerd zijn en door

ieder, die zulks verkiest, in een park gehouden kunnen worden. In de

meeste dierentuinen maakt men meer omslag met hen dan noodig is. In den

winter verlangen zij hoogstens een tegen den wind beschutte ruimte,

maar geen warmen stal, zooals hun gewoonlijk wordt aangewezen. Daar

zij zeer geringe eischen stellen, is het niet moeielijk hun voedsel te

verschaffen. Dit ontleenen zij grootendeels aan 't plantenrijk, hoewel

dierlijke stoffen niet geheel versmaad worden; met het eenvoudigste

zaad en met allerlei groente zijn zij tevreden. In Australië maken,

naar men zegt, vruchten gedurende een deel van 't jaar hun eenige

voedsel uit.

De beweging, de houding, de gewoonten van den Emoe zijn eenvormiger

dan die der andere "Gladborstigen"; hij is wel de vervelendste Vogel

van deze groep. Zijn stem is niet aangenaam; men kan haar het best

vergelijken met het geluid van iemand, die met een zware stem voor

het spongat van een leegen ton spreekt, zooals kinderen spelenderwijs

soms doen.

Eenige soorten van uitgestorven Vogels, welker overblijfselen in

diluviale aardlagen van het Australische vasteland gevonden werden,

vereenigt Fürbringer in een afzonderlijke familie: de Oer-kasuarissen

(Dromornithidae).

Het Leven der Dieren: Deel 2, Hoofdstuk 11 tot 14: Hoenderkoeten; Nandoes; Kasuarisvogels; Struisen; Hagedisvogels · 第 3 / 6 题