DE KASUARISVOGELS (Hippalectryornithes).
De Kasuarissen en de Emoes, die hier onder den naam van Kasuarisvogels
worden samengevat, bewonen verschillende gedeelten van het Australische
Rijk. Naar de grootste van deze beide familiën is de orde genoemd. De
Kasuarissen hebben in onze taal hun vaderlandschen naam nagenoeg
onveranderd behouden. De Grieksche woorden, door welker samenvoeging
hun wetenschappelijke naam verkregen werd, beteekenen "Paard" en "Haan"
en wijzen op het vreemdsoortig voorkomen van de leden dezer orde, dat
o. a. een gevolg is van hun op paardehaar gelijkend kleed en den aan
een hanekam herinnerenden koptooi. Een van de belangrijkste kenmerken
der orde is gelegen in het maaksel der veeren, welker schaften twee
aan twee uit één spoel te voorschijn komen; de bijveder, die bij de
overige Vogels zeer klein blijft of zelfs geheel ontbreekt, is hier
even lang als de hoofdveder. De snavel is gekield; de rudimentaire
vleugels zijn slechts weinig grooter dan die der Snipstruisen, althans
kleiner dan die der overige "Gladborstigen"; één vinger eindigt in
een klauw. De voet heeft drie naar voren gerichte teenen.
De Kasuarissen (Hippalectryonidae) hebben een zijdelings samengedrukten
snavel, welks eenigszins gekromde rug gewelfd is en tot bij de spits
duidelijk onderscheiden kan worden van de zijstukken; de zijranden
zijn bij de spits onder en boven getand; de neusgaten bevinden zich op
de voorste snavelhelft. Een groote, onbevederde, met hoorn bekleede
beenknobbel, die "helm" wordt genoemd en op welks vorm voor een deel
de onderscheiding der soorten berust, neemt den geheelen bovenkop
in. Met uitzondering van eenige borstelvormige veeren boven de oogen,
om de gehooropeningen, aan den achterhals en aan de keel, is de huid
van den kop en van het bovenste deel van den hals naakt; zij prijkt
met heldere kleuren, is vooral aan den voorhals sterk gerimpeld en
loopt hier naar onderen uit in één of twee lellen (de "bef"). De
nagel van den binnenteen is meer dan tweemaal zoo lang als die van
een der beide overige teenen. De korte vleugels hebben, in plaats van
slagpennen, vijf aan den top afgeronde, dikke schaften zonder vlag,
die op afgeknotte pennen van een Stekelvarken gelijken. De stuurpennen
ontbreken geheel; de bestanddeelen van het vederenkleed gelijken meer
op haren dan op veeren. De 9 bekende soorten van deze familie bewonen
de Molukken, Nieuw-Guinea, de Zuidzee-eilanden en Noord-Australië.
Langen tijd was de Ceramsche Kasuaris (Hippalectryo galeatus) de eenige
bekende soort van zijn geslacht. Bij hem komen twee lellen voor, die
met den binnenrand tegen elkander aanliggen en, evenals de huid van
den nek, een fraaie, hoogroode kleur hebben; overigens is de hals van
voren violet en aan de zijden blauw. De helm, die bij het volwassen
dier een aanzienlijke grootte bereikt, is over zijn geheele lengte
sterk zijdelings samengedrukt, van boven echter afgerond. De snavel
is zwart, het aangezicht groenblauw, het oog roodbruin, de achterkop
groen. Het vederenkleed is bij den volwassen Vogel zwart, bij de
jongen bruin; de pooten zijn grijsachtig geel. Hij wordt 1.8 M. hoog.
Deze soort schijnt uitsluitend tot Ceram beperkt te zijn. Het eerste
exemplaar, dat levend naar Europa werd overgebracht, kwam in 1597
van Banda te Amsterdam; het was achtereenvolgens in het bezit van
den Graaf Van Solms te 's-Gravenhage, van den Keurvorst Ernest van
Keulen en van Keizer Rudolf II. Tegenwoordig komen deze Vogels vrij
algemeen in dierentuinen voor. Zij zwerven rond in de uitgestrekte
bosschen, die de bergstreken van Ceram bedekken. Die, welke men in
Europa te zien krijgt, worden op zeer jeugdigen leeftijd gevangen
en door de inboorlingen grootgebracht; waarschijnlijk daarom zijn
zij betrekkelijk tam, zachtaardig en gemeenzaam, hoewel zij in de
vrije natuur de tegenovergestelde eigenschappen vertoonen, een zeer
verborgen leven leiden, bij het geringste gevaar oogenblikkelijk
vluchten en zich aan de blikken van den mensch trachten te onttrekken.
De Kasuarissen hebben een zeer eigenaardigen gang: zij loopen niet,
maar draven, houden intusschen den romp horizontaal en lichten
gewoonlijk de verlengde staartwortelveeren een weinig omhoog, zoodat
zij van achteren hooger schijnen dan van voren. De stappen volgen niet
bijzonder snel op elkander, zoodat de dravende Vogel betrekkelijk
weinig vordert. Zoodra de Kasuaris echter vluchten wil, loopt hij
verbazend snel, maakt bewonderenswaardig vlug allerlei wendingen;
ook kan hij in vertikale richting 1 à 1.5 M. hoog springen.
Zijn stem is een zwak, diep uit de keel komend geluid, dat als
"hoeh hoe hoe" klinkt. Hiermede geeft hij altijd een prettigen
gemoedstoestand te kennen; als men hem plaagt, blaast hij als een
Kat of als een Uil.
Zijne verstandelijke vermogens zijn beperkt. Iedere ongewone
gebeurtenis maakt hem zoo niet beangst, dan toch zeer opgewonden,
welke gemoedstoestand in woeste drift kan ontaarden. Dan valt hij
met toomelooze woede zijn tegenstander aan, om 't even of dit een
mensch is, dan wel een dier, springt woedend bij hem op en tracht
hem zoowel met den snavel als met de scherpe klauwen van de voeten
te kwetsen. Vooral in den paartijd komt deze toestand dikwijls voor;
meer dan eens is het in den Londenschen dierentuin voorgekomen, dat
het wijfje het mannetje doodde. Sommige exemplaren worden mettertijd
zoo hartstochtelijk, dat zij zich door allerlei verschijnselen tot
toorn laten vervoeren, op menschen met bonte kleederdracht aanvliegen
of kinderen ernstig bedreigen, ja zelfs in blinde woede boomen
beschadigen en van schors berooven. De oppassers in alle diergaarden,
waar Kasuarissen voorkomen, vreezen deze Vogels meer dan de groote
leden der Katten-familie, omdat men de gemoedsstemming van deze steeds
uit de gezichtsuitdrukking kan opmaken, bij gene daarentegen altijd
op de een of andere boosaardige handeling voorbereid moet zijn.
Hoewel men aannemen mag, dat de Kasuarissen dierlijk voedsel
niet geheel versmaden, moeten zij toch als planteneters beschouwd
worden. Haacke vond, dat zij zich in de wouden van Nieuw-Guinea
hoofdzakelijk voeden met sappige vruchten, welker pitten hij onverteerd
in hun drek terugvond. Vooral schenen zij veel te houden van de
karmijnroode, zure vrucht van een soort van palm. Pitten en zaden,
die door hunne spijsverteringswerktuigen niet ontleed en vergruisd
kunnen worden, zullen zij waarschijnlijk laten liggen. Bij gevangen
exemplaren heeft men opgemerkt, dat zij geheele appels en sinaasappels
doorslikken, maar ook onverteerd weer uitwerpen. In de diergaarden
voedert men ze met een mengsel van brood, zaden, stukgesneden appels
en dergelijke stoffen; dit voedsel bekomt hen uitmuntend; men heeft
echter ook opgemerkt, dat zij kuikens of jonge Eenden, die toevallig
in hun hok gekomen waren, zonder eenige voorbereiding verzwelgen.
Voldoende berichten over de voortplanting van de Kasuarissen in de
vrije natuur ontbreken nog steeds; men mag echter aannemen, dat deze
niet belangrijk verschilt van die der Struisen. Dikwijls komt het voor,
dat gevangen exemplaren eieren leggen; slechts in weinige diergaarden
is men er echter in geslaagd jongen te verkrijgen. De jonge Kasuaris
is een allerliefst dier zoowel wat kleur en teekening als wat aard en
gewoonten betreft. Zijn donskleed heeft op licht geelbruinen grond
donkerbruine, overlangsche strepen: een breede over het midden van
den rug en eenige smalle langs de zijden, die zich over het geheele
lichaam uitstrekken, één daarvan ook over de pooten. De helm is als
een kale plek op den kop in beginsel reeds aanwezig; de lellen aan
de keelhuid zijn reeds voorhanden.
Arthur Philip, die van 1787 tot 1792 gouverneur-generaal was van de
Engelsche kolonie Nieuw-Zuid-Wales, maakt in zijn beschrijving van
een "reis naar Botany-baai", die in 1789 uitgegeven werd, voor 't
eerst melding van het feit, dat ook Nieuw-Holland door "Gladborstige"
Vogels bewoond wordt. De destijds ontdekte soort werd aanvankelijk
"Nieuw-Hollandsche Kasuaris" genoemd en heet thans Emoe (Dromaeus
Novae-Hollandiae), met welken naam in oude dierkundige werken [2] een
Vogel van meer dan manshoogte wordt aangeduid, door welks beschrijving
men aan den Kasuaris wordt herinnerd. Zeevaarders van vroegere eeuwen
zouden deze reusachtigen Vogel, die volgens hunne mededeelingen
slechts één poot had, op het eiland Marahon gevonden hebben.
Hoewel tusschen de Emoes van 't westen en van 't oosten van
Nieuw-Holland eenig verschil van kleur werd opgemerkt, vereenigt
men alle tot één soort, die dus de eenige vertegenwoordiger is
van de gelijknamige familie (Dromaeidae). De snavel is recht en
sterk zijdelings samengedrukt, met een aan den wortel boven zijn
omgeving uitpuilenden rug en een afgeronde spits; de groote, door
een vlies bedekte neusgaten bevinden zich ongeveer in 't midden. De
zeer krachtige pooten zijn tot aan het spronggewricht bevederd en
overigens met dikke schilden bedekt; de binnenste en buitenste van de
drie met stevige nagels gewapende teenen zijn even lang. De vleugels
zijn zoo buitengewoon klein, dat men ze niet opmerkt, wanneer zij
tegen den romp aangedrukt worden; zij zijn op dezelfde wijze bevederd
als de rug; hoornstekels, zooals bij de Kasuarissen voorkomen, zijn
hier niet aanwezig. Alleen de wangen en de keel zijn naakt. Van een
"helm" en "lellen" is hier geen sprake. Alle veeren onderscheiden
zich door een aanzienlijke lengte, geringe breedte, buitengewoon
buigzame schaften en losse, wijduiteenstaande baarden. De mannetjes
en wijfjes verschillen niet in kleur, wel echter eenigszins, hoewel
slechts weinig, in grootte. Deze is geringer dan die van den Struis;
de Emoe is ongeveer 1.75 M. hoog; volgens de berichten van jagers
bereiken sommige mannetjes echter een hoogte van 2 M. Doordat zij lager
op de pooten staan, een meer ineengedrongen romp en een korteren hals
hebben dan de Struis, maken zij een geheel anderen indruk dan deze. De
kleur van het vederenkleed is zeer gelijkmatig dofbruin, op den kop
en op het midden van hals en rug donkerder, op de onderdeelen iets
lichter. Het oog is helder bruin, de snavel donker hoornkleurig,
de voet licht bruinachtig; de naakte gedeelten van het aangezicht
zijn blauwachtig grijs.
Uit de oudste berichten blijkt, dat men deze Vogels eertijds in
Botany-baai en Port-Jackson, voorts op de zuidkust en de omliggende
eilanden in grooten getale aantrof, en dat zij de aandacht van iederen
reiziger, die de Australische kust bezocht, moesten trekken, daar zij
zich overal vertoonden. Op Tasmanië zijn zij echter reeds zoo zeldzaam
geworden, dat men, om een enkel exemplaar te ontmoeten, maanden lang de
afgelegenste gedeelten van het eiland moet doorzoeken. Van de geheele
kust van het vasteland heeft men ze al verder en verder naar het
binnenland teruggedrongen, zoodat zij thans slechts in de uitgestrekte
vlakten van het zuiden veelvuldig zijn. Nog steeds komen ieder jaar
een groot aantal levende Emoes op de Europeesche wildedierenmarkten,
zoodat hun prijs niet hoog is; toch schijnt de tijd niet veraf te zijn,
waarin deze vreemdsoortige Vogels evenzeer tot de zeldzaamheden zullen
behooren als de groote soorten van Kangoeroes nu reeds. Te recht heeft
Gould aangedrongen op maatregelen van overheidswege om het uitroeien
van dezen hevig vervolgden, voor Nieuw-Holland karakteristieken Vogel
te voorkomen.
In oorden, waar de Emoe zijn gevaarlijksten vijand, den blanke, nog
slechts zelden ontmoet heeft, is hij niet schuw; niet zelden ontmoeten
de voorloopers der kolonisten hem dicht bij hunne tenten. Naar men
zegt, komt hij in troepen van 3 à 5 stuks, maar niet in talrijke
kudden voor.
Daar de Emoe een uitmuntend renner is, kan de jacht op dit
dier, volgens Currie, minstens op één lijn gesteld worden met
de hazenhitsjacht in Engeland, voor zoover zij deze niet nog
overtreft. Cunningham beschrijft een dergelijke jacht, waarbij
Kangoeroe-honden gebruikt werden. Naar men zegt, kan de Emoe door een
enkelen slag met den poot het onderbeen van een mensch breken of een
roofdier dooden. Goed afgerichte Honden moeten hem daarom steeds van
voren bespringen, bij den hals pakken en zoo ter aarde werpen. Het
vleesch van den ouden Vogel wordt met taai rundvleesch vergeleken
en levert, hoewel het zoetachtig smaakt, een bruikbaar gerecht; dat
van de jongen wordt zeer geroemd. Men gebruikt vooral de schenkels,
die trouwens zoo groot zijn, dat, naar Cunningham bericht, het naar
huis dragen van twee zulke bouten over een afstand van een mijl het
zwaarste werk was, dat ooit door hem verricht werd.
Van de voortplanting van den Emoe in de vrije natuur is tot
dusver slechts weinig bekend. Gould zegt, dat het wijfje 6 à 7
fraai donkergroene eieren met een knobbelig gekorrelde schaal in
een kuil legt, die zij in den grond uitkrabt, bij voorkeur op een
zandige plaats. Het mannetje houdt zich steeds bij het wijfje op
en helpt ijverig mede bij het broeden. De uitvoerigste berichten
over dit onderwerp zijn uit dierentuinen afkomstig, daar de Emoes
zich gemakkelijker dan andere "Gladborstigen" in de gevangenschap
voortplanten en beter dan deze bij ons geacclimatiseerd zijn en door
ieder, die zulks verkiest, in een park gehouden kunnen worden. In de
meeste dierentuinen maakt men meer omslag met hen dan noodig is. In den
winter verlangen zij hoogstens een tegen den wind beschutte ruimte,
maar geen warmen stal, zooals hun gewoonlijk wordt aangewezen. Daar
zij zeer geringe eischen stellen, is het niet moeielijk hun voedsel te
verschaffen. Dit ontleenen zij grootendeels aan 't plantenrijk, hoewel
dierlijke stoffen niet geheel versmaad worden; met het eenvoudigste
zaad en met allerlei groente zijn zij tevreden. In Australië maken,
naar men zegt, vruchten gedurende een deel van 't jaar hun eenige
voedsel uit.
De beweging, de houding, de gewoonten van den Emoe zijn eenvormiger
dan die der andere "Gladborstigen"; hij is wel de vervelendste Vogel
van deze groep. Zijn stem is niet aangenaam; men kan haar het best
vergelijken met het geluid van iemand, die met een zware stem voor
het spongat van een leegen ton spreekt, zooals kinderen spelenderwijs
soms doen.
Eenige soorten van uitgestorven Vogels, welker overblijfselen in
diluviale aardlagen van het Australische vasteland gevonden werden,
vereenigt Fürbringer in een afzonderlijke familie: de Oer-kasuarissen
(Dromornithidae).