DE NANDOES (Rheornithes).
De Nandoes worden in andere stelsels met de leden der beide volgende
orden (de Kasuarissen, de Emoes en de Struisen) en met de reeds
vroeger behandelde Snipstruisen onder den naam van "Gladborstigen"
of "Loopvogels" (Ratitae) samengevat en aan de overige Vogels--de
"Kamborstigen" (Carinatae)--tegenovergesteld. Reeds vroeger werd
er op gewezen, dat een der voornaamste kenmerken, waarop deze
onderscheiding berust (het gemis of de rudimentaire ontwikkeling
van den kam op het borstbeen), ook voorkomt bij enkele Vogels, die
men echter op grond van hun in 't oog loopenden verwantschap met
de leden van vogelorden, waarin het bezit van een goed ontwikkelden
borstbeenkam regel is, nooit tot de Gladborstigen, maar steeds tot de
Kamborstigen heeft gerekend. De ongeschiktheid tot vliegen, die met
de genoemde eigenaardigheid gepaard gaat, vindt men ook bij enkele
reeds vroeger behandelde Vogels met goed ontwikkelden borstbeenkam,
o. a. bij de Vinduikers en den Reuzenalk. Hoewel men over de beteekenis
van deze feiten voor de rangschikking tegenwoordig andere denkbeelden
is toegedaan dan vroeger en erkennen moet, dat onder den naam van
"Gladborstigen" verscheidene groepen werden samengevoegd, die
betrekkelijk weinig verwantschap vertoonen, is toch het vermogen
om te vliegen zulk een karakteristieke eigenschap van de Vogels,
dat zij, die dit talent missen, ons als vreemdsoortige schepsels
moeten voorkomen [1]. De onbeschaafde mensch ziet in zulke Vogels
wonderdieren, zijn phantasie streeft naar een verklaring van dit
wonder. Een oude sjeich van Kordofan verhaalde mij, dat de Reuzenvogel
van Afrika geschiktheid tot vliegen verloren heeft, omdat hij in
zijn dwaze hoogmoed zich vermat, vliegend de zon te bereiken. Hare
stralen verzengden zijne pennen, hij stortte ellendig op de aarde
neer, kan ook thans nog niet vliegen en draagt de sporen van zijn
val nog op de borst. Ouder, maar minder dichterlijk is de meening,
dat het bedoelde dier een bastaard zou zijn van een Kameel en een
fictieven woestijnvogel. De weerklank van deze meening vindt men in
overoude verhalen; de wetenschappelijke soortnaam van den Struis is
er op gegrond. Sommige dierkundigen zijn langs een geheel anderen weg
tot een soortgelijke uitkomst geraakt, n.l. dat de "Gladborstigen"
in het systeem onmiddellijk op de Zoogdieren moeten volgen en aan de
spits van de Vogelklasse moeten staan. De feiten, waarop deze stelling
steunt, worden thans op een geheel andere wijze geduid. De overtuiging
heeft zich gevestigd, dat de "Gladborstigen" zich niet minder ver,
maar verder dan de "Kamborstigen" van den gemeenschappelijken stam
verwijderd hebben: bij hen zijn de vliegorganen, die hunne voorouders
bezaten, allengs verloren gegaan of althans onbruikbaar geworden. Onder
de hedendaagsche "Gladborstigen" vindt men de grootste thans levende
leden der Vogelklasse. Met een romp van kolossalen omvang is door
een hals, die bij nagenoeg alle een aanzienlijke lengte heeft, een
hoogstens middelmatig groote kop verbonden. De pooten zijn buitengewoon
sterk ontwikkeld, de schenkels zeer forsch en krachtig gespierd, de
voeten lang, maar dik. Hierdoor zijn al deze Vogels uitmuntend geschikt
tot loopen; eenige kunnen, naar gezegd wordt, tamelijk goed zwemmen;
tot andere wijzen van beweging zijn zij ongeschikt. Voor 't vliegen
kunnen hunne rudimentaire vleugels niet dienen; de hieraan voorkomende
veeren verdienen den naam van pennen niet. De stuurpennen ontbreken,
zoowel als de vertikale beenplaat, die bij andere Vogels het einde
van de wervelkolom uitmaakt; de staart of wat men er voor zou kunnen
houden, komt overeen met den staartwortel der andere Vogels. Alle
veeren zijn losbaardig: hare baarden vormen geen samenhangende vlag;
de huid is, als bij de Vinduikers en de Hoenderkoeten, gelijkmatig met
veeren bekleed; deze zijn haarvormig en gelijken op bundels van vezels.
De leden van de drie laatste Vogel-orden stemmen ook nog met elkander
overeen door het gemis van den binnenteen; alle teenen zijn dus
naar voren gericht. Hun voedsel bestaat uit plantaardige stoffen en
kleine dieren. Voor het uitbroeden der eieren en de opvoeding der
jongen zorgen de mannetjes, die voor deze werkzaamheden de hulp van
de wijfjes meestal niet verlangen en zelfs afwijzen. De jongen kunnen
onmiddellijk, nadat zij uit den dop zijn gekomen, het nest verlaten
en de diertjes zoeken, die aanvankelijk hun eenige voedsel uitmaken.
Tot de orde der Amerikaansche Struisen of Nandoes behoort slechts één
familie (Rheidae) en één geslacht (Rhea), dat twee soorten omvat, die
de gematigde gewesten van Zuid-Amerika bewonen. De van boven vlakke,
aan den wortel breede, aan de spits afgeronde, met een zwak gewelfde
hoornlaag bekleede snavel is ongeveer even lang als de kop; de groote,
ovale neusgaten zijn, ongeveer op het midden, in een vliezige groeve
gelegen. De pooten zijn tot op het spronggewricht, bij één soort zelfs
daaronder, bevederd; de hiel is met een knobbelige, vereelte huid, de
voorzijde van den langen loop met breede, dwarse schilden bekleed; de
drie tamelijk korte teenen zijn aan den wortel door een kort spanvlies
vereenigd, de nagels recht, dik, zijdelings samengedrukt, van voren
stomp afgerond, op den rug scherpkantig. De rudimentaire vleugel
is iets grooter dan bij de overige Gladborstigen en draagt aan de
spits een doornvormigen nagel. De teugel en de oogstreek benevens een
ringvormige plek om de gehooropening, die zelf met borstelige veeren
bezet is, zijn onbevederd en met een gerimpelde huid bekleed. Veeren
bedekken den bovenkop, de keel, den hals, den romp en de schenkels;
die van den kop en den hals zijn klein, smal en spits, die van den
romp groot, breed en afgerond, maar zacht; de oogleden dragen groote,
stijve, borstelige wimpers. De mannetjes en wijfjes verschillen in
grootte, doch komen in kleur veel met alkander overeen.
De Pampa-struis of Nandoe (Rhea americana) is de meest bekende en
verst verbreide soort. De veeren van bovenkop, bovenhals, nek en
voorborst alsmede de teugelborstels zijn zwart; de keel, de wangen en
de bovenste zijden van den hals zijn lichter loodkleurig grijs; de rug,
de zijden van de borst en de vleugels zijn bruinachtig aschgrauw, de
overige onderdeelen vuilwit. Het oog is parelgrijs, het naakte deel
van het gelaat vleeschkleurig, de snavel hoornkleurig grijsbruin,
de voet grijs. Het mannetje is ongeveer 1.5 M. lang en heeft 2.5
M. vlucht; het wijfje is 2 dM. korter.
Het verbreidingsgebied van den Nandoe strekt zich uit over de
steppenlanden van Zuid-Amerika. Zijn eigenlijk vaderland zijn de Staten
van de Argentijnsche republiek en meer bepaaldelijk de Pampas, de
vlakten tusschen den Atlantischen Oceaan en de Cordillera. Hij is een
echte steppenvogel, die zoowel het echte bergland als het eigenlijke
oerwoud vermijdt, hoewel hij in heuvelachtige gewesten even veelvuldig
gevonden wordt als in de vlakte; ook bezoekt hij zeer gaarne de niet
zeer dichte algarobe-wouden en de myrten- en palmboschjes, die bij
wijze van eilanden in den grasoceaan liggen. In de pampa of steppe
zijn weinig streken, waar hij geheel ontbreekt.
Een haan vormt met 5 à 7, zelden met meer of minder hennen, een
afzonderlijke familie, en bewoont met deze een door hem gekozen gebied,
dat hij tegen andere Vogels van zijn soort verdedigt. Na den broedtijd
voegen verscheidene van deze familiën zich bijeen; soms ziet men
kudden van 50 à 60 stuks. Zoo hecht als de familieband is, zoo los
is de samenhang van deze grootere gezelschappen. Door toevallige
omstandigheden geraken zij verstrooid, waarna hunne deelen zich
vereenigen met den eersten den besten troep, dien zij ontmoeten. In
den regel verwijderen de Nandoes zich, zonder er toe gedwongen te zijn,
niet verder dan misschien 3 of 4 KM. van hun geboorteplaats.
In den herfst zoekt de Nandoe de met struikgewas begroeide rivieroevers
of laagvlakten op, omdat de myrten en andere struiken dan rijpe bessen
dragen; in streken, waar geen heesters voorkomen, begeeft hij zich naar
de distelwouden, die hun ontstaan te danken hebben aan de voorliefde
van de eerste Spaansche kolonisten voor distels als groente en thans
in de Pampas tot groot verdriet van de reizigers en van de veefokkers
een gebied van vele duizenden vierkante mijlen bedekken, dat van
jaar tot jaar in uitgestrektheid toeneemt. In de wintermaanden houden
deze Vogels zich gaarne op in gewesten, waar het vee geregeld graast,
omdat hier het gras altijd kort gehouden wordt en dus malscher is dan
elders. In genoemden tijd bezoeken zij bij voorkeur de plaatsen, waar
men het vee iederen dag uit alle richtingen bijeendrijft en waar de
grond op deze wijze flink bemest wordt. De Nandoe is een uitmuntende
looper, die het beste Paard afmat en ontmoedigt, daar hij niet slechts
uiterst snel voortrent, maar ook met bewonderenswaardige behendigheid
plotseling van richting verandert of, zooals men het noemt, "haken
slaat". In den paartijd is hij buitengewoon opgewonden en dag en nacht
in beweging; in tijden van droogte rust hij, evenals al het wild en het
vee, gedurende drie of vier uren van den middag, maar haalt, hoewel
van aard een dagdier, 's nachts zijn schade in. Gewoonlijk maakt hij
stappen van 50 à 60 cM. Wanneer hij met opgeheven vleugels, zonder
eenig gevaar te duchten, voortdraaft, legt hij bij iedere schrede
een weg van 1 M. af; bij vervolging maakt hij nog grootere passen,
doet sprongen van 1.5 M. en beweegt de pooten zoo snel, dat men
de opeenvolgende schreden niet meer onderscheiden kan. Angstvallig
vermijdt hij het water, zoekt het nooit op om zich te baden, maar
"gult" in het stof gelijk een Hoen.
De naam, dien wij, in navolging van de Indianen, aan dezen Vogel geven,
is een klankbeeld van het ver hoorbaar geschreeuw, dat de haan in
den baldertijd voortbrengt. Als de paartijd voorbij is, hoort men
zoowel van de wijfjes als de mannetjes een fluitend, toenemend en
afnemend geluid, dat een sein tot vereeniging schijnt te zijn. De
jongen piepen als Kalkoenen.
Met uitzondering van den smaak zijn alle zintuigen van den Nandoe
scherp en ook de verstandelijke vermogens volstrekt niet gering. Deze
Vogel heeft, volgens Böcking, veel opmerkingsgave en weet zich naar de
omstandigheden te gedragen. In de buurt van de woningen van vreedzame
kolonisten, die hem geen kwaad doen, wordt hij zoo gemeenzaam,
dat hij zich bij de Paarden en Runderen voegt en voor de menschen
en Honden eenvoudig uit den weg gaat. Angstvallig ontvlucht hij
daarentegen den Gaucho en maakt gebruik van alle hem bekende listen
om onopgemerkt te blijven. Nooit ziet men hem bij de rancho's van de
inboorlingen; van hun vee houdt hij zich op een gepasten afstand;
vaker merkt men hem op bij de kudden der schuwe Steppenherten; men
ziet dan nu eens een Struis, dan weer een Hert onderzoekend den
kop opheffen; bij de geringste aanwijzing van gevaar nemen beide
gezamenlijk in dezelfde richting de vlucht. Een bende Indianen
jaagt hun een panischen schrik aan. Voor hen gaan de Nandoes met
versnelden pas uren lang aan den loop, deelen onder weg hun vrees
aan andere troepen mede, die eveneens op de vlucht slaan en zelfs
kudden van Paarden en Runderen in beweging brengen. Gedurende den
regentijd voedt de Nandoe zich hoofdzakelijk met klaver en Insecten;
later zoekt hij de reeds vroeger genoemde plaatsen op, die door het
vee bemest werden. Ten allen tijde en op iederen leeftijd eet hij
allerlei soorten van Insecten, volgens de verzekering der Gaucho's
ook Slangen en andere kleine Kruipende Dieren. Tot bevordering van
de spijsvertering worden steentjes doorgeslikt. Hij drinkt zelden;
het schijnt dus, dat dauw en regen gedurende geruimen tijd in zijn
behoefte aan vocht kunnen voorzien. Wanneer hij in de gelegenheid is
om te drinken, schept hij met den snavel water op en laat dit door
het naar boven richten van den kop in den slokdarm loopen, gelijk de
Hoenderen doen. De gevangene exemplaren drinken geregeld.
In het begin van de lente, in het zuidelijk halfrond dus in October,
verzamelt de Nandoe-haan, die bij het einde van het tweede jaar
geslachtsrijp wordt, 3 à 7, zelden nog meer hennen om zich heen en
verdrijft andere hanen door snavelhouwen en vleugelslagen uit zijn
omgeving. Voor het wijfje voert hij, zooals men ook bij gevangen
exemplaren kan waarnemen, hoogst zonderlinge dansen uit. Hij loopt met
ver uitgebreide, naar beneden hangende vleugels heen en weer, begint
plotseling buitengewoon snel te rennen, "slaat" met onovertreffelijke
behendigheid 3 of 4 "haken" achter elkander, vermindert zijn snelheid,
stapt op statige wijze verder, buigt zich een weinig voorover en
hervat het oude spel. Tevens laat hij een dof gebrul hooren, om kort
te gaan, hij toont op allerlei wijzen een hevige opgewondenheid. In de
vrije natuur koelt hij in deze omstandigheden zijn moed en strijdlust
alleen aan andere mannetjes van zijn soort; in de gevangenschap valt
hij zijn oppasser of in 't algemeen de menschen, die hem naderen, aan,
tracht hen met den snavel te wonden of slaat, evenals de Afrikaansche
Struis, hevig met de pooten.
Voor het nest wordt steeds een ondiepe uitholling van den grond
gekozen op een plaats, die niet aan overstroomingen blootgesteld en ook
overigens droog, bovendien zooveel mogelijk verborgen en aan de zijden
door distels of hoog gras beschut is. In de meeste gevallen zijn dit
gaten, die de wilde stieren in den grond maken door het schouderblad
tegen den grond te drukken en vervolgens met de achterpooten het
lichaam om dit punt te doen draaien met het doel om de larven van
Horzels, die zich in hun huid gevestigd hebben, kwijt te raken. Als
de haan zulk een kuil niet vindt, krabt hij eenvoudig op een plaats,
die hij geschikt acht, de planten van den grond weg, bekleedt den
bodem en de rand van deze holte gebrekkig met eenige grashalmen en
laat zijne wijfjes er hare 7 à 23 eieren in leggen.
De grootte der eieren is zeer verschillend; soms gaat zij die van een
ganzenei niet te boven, soms bedraagt de lengte niet minder dan 13
cM. De schaal is dof geelachtig wit van kleur en geteekend met kleine,
groenachtig gele stippeltjes, die de groote poriën omgeven. Aan de zon
blootgesteld, verbleekt zij echter schielijk; reeds na verloop van 8
dagen is zij sneeuwwit. Zoodra het noodige aantal eieren in 't nest
bijeen is, neemt het broeden een aanvang. Dit werk wordt uitsluitend
door het mannetje verricht. De hennen verwijderen zich zelfs van het
nest, hoewel zij altijd bij elkander blijven in het gebied dat door den
haan gekozen is. Deze zit gedurende den nacht en in de morgenuren,
totdat de dauwdruppels verdampt zijn, op het nest, maar verlaat
het vervolgens om te grazen; hij blijft meer of minder lang weg,
al naar de temperatuur meer of minder hoog is. Zonder nadeeligen
invloed op de ontwikkeling van de kiem kunnen deze tijdruimten zeer
groot genomen worden: Böcking zag een Nandoe na een afwezigheid van
vier uren naar het nest terugkeeren en bemerkte later, dat de eieren
hierdoor niets geleden hadden. Aanvankelijk zit de haan niet zeer
vast en sluipt bij het geringste, verdachte gedruisch stilletjes
weg, totdat het gevaar geweken is, later daarentegen broedt hij zeer
ijverig en springt eerst, meestal tot grooten schrik voor het Paard,
vlak vóór den ruiter op. Zijn gehechtheid aan de eieren toont hij in
de eerste plaats, door met uitgespreide vleugels en opgerichte veeren
den ruiter te gemoet te gaan. Een nadere overweging van den toestand
noopt hem daarna om hinkend en langzaam volgens een zigzaglijn weg te
loopen. Evenals alle andere Vogels tracht hij hierdoor op listige wijze
de aandacht van zijn nest af te wenden en op zichzelf te richten. Naar
men zegt, verdedigt hij zijne eieren met goed gevolg tegen Stinkdieren,
Buidelratten en Slangen.
Aan zijne gevangene Nandoes merkte Bodinus op, dat het wijfje zich
met geen ander doel dan om eieren te leggen, naar het nest begeeft
en dat alleen het mannetje er verder op past. "De legtijd begon in
het einde van Mei. Het wijfje legde in de nabijheid van de door
't mannetje vervaardigde, dun met grashalmen belegde uitholling
van den grond 11 eieren, telkens met tusschentijden van 2 dagen; ik
nam ze achtereenvolgens op één na weg, om te maken, dat de jongen
te gelijker tijd zouden uitkomen. Toen er 8 eieren gelegd waren,
bracht ik alle in het nest terug; nadat het negende ei voor den dag
was gekomen, begon het mannetje, dat de eieren herhaaldelijk heen
en weer geschoven en omgekeerd had, te broeden. Het wijfje legde
nog twee eieren naast het nest; ook deze werden door het mannetje
bij de overige onder zijn lichaam geschoven. Als ik bij hem kwam,
bleef hij rustig zitten; zelfs kon ik, zonder dat hij er al te zeer
door verontrust werd, eieren van onder zijn lichaam wegnemen en
onderzoeken. Wegens den regen, die voortdurend bij stroomen viel,
maakte ik mij bezorgd over de gezondheid van den broedenden Vogel;
het struikgewas, waarin het nest was aangelegd, verschafte echter
eenige beschutting; na verloop van 39 dagen kwam een jonge Nandoe
ter wereld. Deze bracht zijn eerste levensdagen voortdurend door in
het warme hoekje onder de vleugels van zijn vader; slechts nu en dan
kreeg men zijn kopje te zien, dat soms tusschen den vleugel en het
lichaam van den ouden Vogel naar buiten werd gestoken. Als hij een
enkele maal zijn schuilplaats verliet, of door mij er uitgehaald werd,
liep hij altijd schielijk weer naar zijn vader terug. Deze lichtte
zorgvuldig één vleugel op en in een oogenblik had het jonge dier zijne
gewone plaats weer ingenomen. Twee dagen achtereen bleef het vogeltje
zonder voedsel. Dit verontrustte mij niet; ik vermoedde, dat het wel
voor den dag zou komen, zoodra het eenig verlangen naar eten begon
te bespeuren. Dit geschiedde inderdaad. Op den derden dag verliet de
kleine wereldburger herhaaldelijk zijn schuilplaats om voedsel op te
sporen. Hij zocht halmpjes en zandkorrels op en begon weldra ook de
broodkruimels op te pikken, die ik voor hem uitstrooide. Verscheidene
malen per dag en geregeld 's avonds begaven vader en kind zich naar
het nest om uit te rusten; later gingen zij met hetzelfde doel op
verschillende plekjes in den tuin zitten. Dadelijk kroop de jonge Vogel
dan in het warme hoekje onder den vleugel van zijn vader en stak,
zoodra het een of ander gedruisch zijn aandacht trok, nieuwsgierig
het kopje naar buiten." Het jong had een grijs donskleed met donkere,
overlangsche strepen, was ongeveer zoo groot als een flinke Patrijs,
maar stond hooger op de pooten en had een betrekkelijk langen hals.
In Zuid-Amerika komen de eerste jonge Nandoes in het begin van
Februari uit den dop, in het noorden iets vroeger, in het zuiden
iets later. Zij groeien verbazend snel en zijn reeds na verloop van
2 weken 50 cM. hoog.
Onder de dieren heeft de Nandoe weinige gevaarlijke vijanden. Wel
valt nu en dan een volwassen exemplaar ten buit aan een Poema of
wordt een jong door een Vos of een Arend geroofd; dit zal echter
waarschijnlijk niet dikwijls voorkomen; zelfs wordt het nest niet vaak
leeggeplunderd. Vermakelijk is de tegenzin, dien de Amerikaansche
Sporenkievit voor den Nandoe aan den dag legt, ofschoon deze hem
ongetwijfeld nooit eenig leed doet. Voortdurend schreeuwend, valt
het paar, dat zich bij het nest bevindt, als Kraaien op een Valk,
den naderenden Nandoe aan. Deze bekommert zich aanvankelijk niet
veel om de hem toegedachte stooten, die hij door zijsprongen en het
bewegen van de vleugels ontwijkt; ten slotte wordt de volharding van
zijne belagers hem toch te lastig en verwijdert hij zich. Gevoeliger
wordt hij geplaagd door een Tiek en een Ingewandsworm, die men in ieder
jaargetijde bij hem vindt. Het vuur en de mensch zijn de gevaarlijkste
vijanden van den Nandoe. Juist in den tijd, waarin de Vogels broeden,
zijn de herders gewoon bij een frissche wind de steppe in brand te
steken om het droge gras van het vorige jaar te verwijderen. Door
zulk een steppenbrand worden de nesten van allerlei op den grond
broedende Vogels vernield.
De bewoner van de steppe zal geen van de Nandoe-eieren, die hij vindt,
laten liggen. De inhoud van elk ei is ongeveer gelijk aan dien van 15
hoendereieren; daar echter het eiwit een onaangenamen smaak heeft,
wordt dit gewoonlijk door een opening aan de spits van de schaal
weggegoten; de overgebleven dooier wordt, na toevoeging van een
weinig vet, peper en zout, onder voortdurend omroeren, in den dop
gekookt. In 40 minuten zou men het ei op de gewone wijze in water
hard kunnen koken.
Het vleesch van den Nandoe is grof als paardevleesch en heeft ook deze
kleur; het wordt door de Indianen gegeten; de jongen zijn smakelijk
en worden ook wel door Europeanen als voedsel gebruikt. Van de huid
van den hals vervaardigen de Gaucho's zakjes voor verschillende
huishoudelijke doeleinden. Van de zeer buigzame vederschaften,
waarvan de baarden zijn afgeplukt, maken de knapen strikken voor het
vangen van Tinamoes. Van dezelfde grondstof worden sierlijke en sterke
paardetuigen en ook wel fraaie matten gevlochten. Bovendien dienen de
veeren voor het stof afvegen, de beste en langste echter tot opschik.
De jacht op Nandoes heeft op verschillende wijzen plaats. De
Indianen en Gaucho's vervolgen te paard deze Vogels en dooden ze
met den "bolas", een werptuig, dat uit een drietal aan saamgebonden
riempjes bevestigde, looden kogels bestaat; ook hitsen zij ze wel
met Honden. Het is den jager minder om den te behalen buit te doen
dan om de snelheid en de volharding van hunne Paarden en hun eigen
behendigheid in het hanteeren van de werpkogels te toonen.
In Zuid-Amerika ziet men overal Nandoes, die jong gevangen en bijna
zoo mak als huisdieren geworden zijn, vrij rondloopen. Zij zijn zoo
gehecht aan de plaats, waar zij grootgebracht werden, dat zij er
's avonds steeds terugkeeren. Nog slechts kort geleden werden alleen
de door deze Vogels gelegde eieren weggenomen en opgegeten; sedert
eenige jaren worden zij bovendien van tijd tot tijd geplukt.
In de Europeesche diergaarden komt de Nandoe geregeld voor. Men
kan hem gemakkelijk in 't leven houden, daar hij met zeer eenvoudig
voedsel tevreden is en volstrekt geen last heeft van ons klimaat.