TWAALFDE ORDE.

DE NANDOES (Rheornithes).

De Nandoes worden in andere stelsels met de leden der beide volgende

orden (de Kasuarissen, de Emoes en de Struisen) en met de reeds

vroeger behandelde Snipstruisen onder den naam van "Gladborstigen"

of "Loopvogels" (Ratitae) samengevat en aan de overige Vogels--de

"Kamborstigen" (Carinatae)--tegenovergesteld. Reeds vroeger werd

er op gewezen, dat een der voornaamste kenmerken, waarop deze

onderscheiding berust (het gemis of de rudimentaire ontwikkeling

van den kam op het borstbeen), ook voorkomt bij enkele Vogels, die

men echter op grond van hun in 't oog loopenden verwantschap met

de leden van vogelorden, waarin het bezit van een goed ontwikkelden

borstbeenkam regel is, nooit tot de Gladborstigen, maar steeds tot de

Kamborstigen heeft gerekend. De ongeschiktheid tot vliegen, die met

de genoemde eigenaardigheid gepaard gaat, vindt men ook bij enkele

reeds vroeger behandelde Vogels met goed ontwikkelden borstbeenkam,

o. a. bij de Vinduikers en den Reuzenalk. Hoewel men over de beteekenis

van deze feiten voor de rangschikking tegenwoordig andere denkbeelden

is toegedaan dan vroeger en erkennen moet, dat onder den naam van

"Gladborstigen" verscheidene groepen werden samengevoegd, die

betrekkelijk weinig verwantschap vertoonen, is toch het vermogen

om te vliegen zulk een karakteristieke eigenschap van de Vogels,

dat zij, die dit talent missen, ons als vreemdsoortige schepsels

moeten voorkomen [1]. De onbeschaafde mensch ziet in zulke Vogels

wonderdieren, zijn phantasie streeft naar een verklaring van dit

wonder. Een oude sjeich van Kordofan verhaalde mij, dat de Reuzenvogel

van Afrika geschiktheid tot vliegen verloren heeft, omdat hij in

zijn dwaze hoogmoed zich vermat, vliegend de zon te bereiken. Hare

stralen verzengden zijne pennen, hij stortte ellendig op de aarde

neer, kan ook thans nog niet vliegen en draagt de sporen van zijn

val nog op de borst. Ouder, maar minder dichterlijk is de meening,

dat het bedoelde dier een bastaard zou zijn van een Kameel en een

fictieven woestijnvogel. De weerklank van deze meening vindt men in

overoude verhalen; de wetenschappelijke soortnaam van den Struis is

er op gegrond. Sommige dierkundigen zijn langs een geheel anderen weg

tot een soortgelijke uitkomst geraakt, n.l. dat de "Gladborstigen"

in het systeem onmiddellijk op de Zoogdieren moeten volgen en aan de

spits van de Vogelklasse moeten staan. De feiten, waarop deze stelling

steunt, worden thans op een geheel andere wijze geduid. De overtuiging

heeft zich gevestigd, dat de "Gladborstigen" zich niet minder ver,

maar verder dan de "Kamborstigen" van den gemeenschappelijken stam

verwijderd hebben: bij hen zijn de vliegorganen, die hunne voorouders

bezaten, allengs verloren gegaan of althans onbruikbaar geworden. Onder

de hedendaagsche "Gladborstigen" vindt men de grootste thans levende

leden der Vogelklasse. Met een romp van kolossalen omvang is door

een hals, die bij nagenoeg alle een aanzienlijke lengte heeft, een

hoogstens middelmatig groote kop verbonden. De pooten zijn buitengewoon

sterk ontwikkeld, de schenkels zeer forsch en krachtig gespierd, de

voeten lang, maar dik. Hierdoor zijn al deze Vogels uitmuntend geschikt

tot loopen; eenige kunnen, naar gezegd wordt, tamelijk goed zwemmen;

tot andere wijzen van beweging zijn zij ongeschikt. Voor 't vliegen

kunnen hunne rudimentaire vleugels niet dienen; de hieraan voorkomende

veeren verdienen den naam van pennen niet. De stuurpennen ontbreken,

zoowel als de vertikale beenplaat, die bij andere Vogels het einde

van de wervelkolom uitmaakt; de staart of wat men er voor zou kunnen

houden, komt overeen met den staartwortel der andere Vogels. Alle

veeren zijn losbaardig: hare baarden vormen geen samenhangende vlag;

de huid is, als bij de Vinduikers en de Hoenderkoeten, gelijkmatig met

veeren bekleed; deze zijn haarvormig en gelijken op bundels van vezels.

De leden van de drie laatste Vogel-orden stemmen ook nog met elkander

overeen door het gemis van den binnenteen; alle teenen zijn dus

naar voren gericht. Hun voedsel bestaat uit plantaardige stoffen en

kleine dieren. Voor het uitbroeden der eieren en de opvoeding der

jongen zorgen de mannetjes, die voor deze werkzaamheden de hulp van

de wijfjes meestal niet verlangen en zelfs afwijzen. De jongen kunnen

onmiddellijk, nadat zij uit den dop zijn gekomen, het nest verlaten

en de diertjes zoeken, die aanvankelijk hun eenige voedsel uitmaken.

Tot de orde der Amerikaansche Struisen of Nandoes behoort slechts één

familie (Rheidae) en één geslacht (Rhea), dat twee soorten omvat, die

de gematigde gewesten van Zuid-Amerika bewonen. De van boven vlakke,

aan den wortel breede, aan de spits afgeronde, met een zwak gewelfde

hoornlaag bekleede snavel is ongeveer even lang als de kop; de groote,

ovale neusgaten zijn, ongeveer op het midden, in een vliezige groeve

gelegen. De pooten zijn tot op het spronggewricht, bij één soort zelfs

daaronder, bevederd; de hiel is met een knobbelige, vereelte huid, de

voorzijde van den langen loop met breede, dwarse schilden bekleed; de

drie tamelijk korte teenen zijn aan den wortel door een kort spanvlies

vereenigd, de nagels recht, dik, zijdelings samengedrukt, van voren

stomp afgerond, op den rug scherpkantig. De rudimentaire vleugel

is iets grooter dan bij de overige Gladborstigen en draagt aan de

spits een doornvormigen nagel. De teugel en de oogstreek benevens een

ringvormige plek om de gehooropening, die zelf met borstelige veeren

bezet is, zijn onbevederd en met een gerimpelde huid bekleed. Veeren

bedekken den bovenkop, de keel, den hals, den romp en de schenkels;

die van den kop en den hals zijn klein, smal en spits, die van den

romp groot, breed en afgerond, maar zacht; de oogleden dragen groote,

stijve, borstelige wimpers. De mannetjes en wijfjes verschillen in

grootte, doch komen in kleur veel met alkander overeen.

De Pampa-struis of Nandoe (Rhea americana) is de meest bekende en

verst verbreide soort. De veeren van bovenkop, bovenhals, nek en

voorborst alsmede de teugelborstels zijn zwart; de keel, de wangen en

de bovenste zijden van den hals zijn lichter loodkleurig grijs; de rug,

de zijden van de borst en de vleugels zijn bruinachtig aschgrauw, de

overige onderdeelen vuilwit. Het oog is parelgrijs, het naakte deel

van het gelaat vleeschkleurig, de snavel hoornkleurig grijsbruin,

de voet grijs. Het mannetje is ongeveer 1.5 M. lang en heeft 2.5

M. vlucht; het wijfje is 2 dM. korter.

Het verbreidingsgebied van den Nandoe strekt zich uit over de

steppenlanden van Zuid-Amerika. Zijn eigenlijk vaderland zijn de Staten

van de Argentijnsche republiek en meer bepaaldelijk de Pampas, de

vlakten tusschen den Atlantischen Oceaan en de Cordillera. Hij is een

echte steppenvogel, die zoowel het echte bergland als het eigenlijke

oerwoud vermijdt, hoewel hij in heuvelachtige gewesten even veelvuldig

gevonden wordt als in de vlakte; ook bezoekt hij zeer gaarne de niet

zeer dichte algarobe-wouden en de myrten- en palmboschjes, die bij

wijze van eilanden in den grasoceaan liggen. In de pampa of steppe

zijn weinig streken, waar hij geheel ontbreekt.

Een haan vormt met 5 à 7, zelden met meer of minder hennen, een

afzonderlijke familie, en bewoont met deze een door hem gekozen gebied,

dat hij tegen andere Vogels van zijn soort verdedigt. Na den broedtijd

voegen verscheidene van deze familiën zich bijeen; soms ziet men

kudden van 50 à 60 stuks. Zoo hecht als de familieband is, zoo los

is de samenhang van deze grootere gezelschappen. Door toevallige

omstandigheden geraken zij verstrooid, waarna hunne deelen zich

vereenigen met den eersten den besten troep, dien zij ontmoeten. In

den regel verwijderen de Nandoes zich, zonder er toe gedwongen te zijn,

niet verder dan misschien 3 of 4 KM. van hun geboorteplaats.

In den herfst zoekt de Nandoe de met struikgewas begroeide rivieroevers

of laagvlakten op, omdat de myrten en andere struiken dan rijpe bessen

dragen; in streken, waar geen heesters voorkomen, begeeft hij zich naar

de distelwouden, die hun ontstaan te danken hebben aan de voorliefde

van de eerste Spaansche kolonisten voor distels als groente en thans

in de Pampas tot groot verdriet van de reizigers en van de veefokkers

een gebied van vele duizenden vierkante mijlen bedekken, dat van

jaar tot jaar in uitgestrektheid toeneemt. In de wintermaanden houden

deze Vogels zich gaarne op in gewesten, waar het vee geregeld graast,

omdat hier het gras altijd kort gehouden wordt en dus malscher is dan

elders. In genoemden tijd bezoeken zij bij voorkeur de plaatsen, waar

men het vee iederen dag uit alle richtingen bijeendrijft en waar de

grond op deze wijze flink bemest wordt. De Nandoe is een uitmuntende

looper, die het beste Paard afmat en ontmoedigt, daar hij niet slechts

uiterst snel voortrent, maar ook met bewonderenswaardige behendigheid

plotseling van richting verandert of, zooals men het noemt, "haken

slaat". In den paartijd is hij buitengewoon opgewonden en dag en nacht

in beweging; in tijden van droogte rust hij, evenals al het wild en het

vee, gedurende drie of vier uren van den middag, maar haalt, hoewel

van aard een dagdier, 's nachts zijn schade in. Gewoonlijk maakt hij

stappen van 50 à 60 cM. Wanneer hij met opgeheven vleugels, zonder

eenig gevaar te duchten, voortdraaft, legt hij bij iedere schrede

een weg van 1 M. af; bij vervolging maakt hij nog grootere passen,

doet sprongen van 1.5 M. en beweegt de pooten zoo snel, dat men

de opeenvolgende schreden niet meer onderscheiden kan. Angstvallig

vermijdt hij het water, zoekt het nooit op om zich te baden, maar

"gult" in het stof gelijk een Hoen.

De naam, dien wij, in navolging van de Indianen, aan dezen Vogel geven,

is een klankbeeld van het ver hoorbaar geschreeuw, dat de haan in

den baldertijd voortbrengt. Als de paartijd voorbij is, hoort men

zoowel van de wijfjes als de mannetjes een fluitend, toenemend en

afnemend geluid, dat een sein tot vereeniging schijnt te zijn. De

jongen piepen als Kalkoenen.

Met uitzondering van den smaak zijn alle zintuigen van den Nandoe

scherp en ook de verstandelijke vermogens volstrekt niet gering. Deze

Vogel heeft, volgens Böcking, veel opmerkingsgave en weet zich naar de

omstandigheden te gedragen. In de buurt van de woningen van vreedzame

kolonisten, die hem geen kwaad doen, wordt hij zoo gemeenzaam,

dat hij zich bij de Paarden en Runderen voegt en voor de menschen

en Honden eenvoudig uit den weg gaat. Angstvallig ontvlucht hij

daarentegen den Gaucho en maakt gebruik van alle hem bekende listen

om onopgemerkt te blijven. Nooit ziet men hem bij de rancho's van de

inboorlingen; van hun vee houdt hij zich op een gepasten afstand;

vaker merkt men hem op bij de kudden der schuwe Steppenherten; men

ziet dan nu eens een Struis, dan weer een Hert onderzoekend den

kop opheffen; bij de geringste aanwijzing van gevaar nemen beide

gezamenlijk in dezelfde richting de vlucht. Een bende Indianen

jaagt hun een panischen schrik aan. Voor hen gaan de Nandoes met

versnelden pas uren lang aan den loop, deelen onder weg hun vrees

aan andere troepen mede, die eveneens op de vlucht slaan en zelfs

kudden van Paarden en Runderen in beweging brengen. Gedurende den

regentijd voedt de Nandoe zich hoofdzakelijk met klaver en Insecten;

later zoekt hij de reeds vroeger genoemde plaatsen op, die door het

vee bemest werden. Ten allen tijde en op iederen leeftijd eet hij

allerlei soorten van Insecten, volgens de verzekering der Gaucho's

ook Slangen en andere kleine Kruipende Dieren. Tot bevordering van

de spijsvertering worden steentjes doorgeslikt. Hij drinkt zelden;

het schijnt dus, dat dauw en regen gedurende geruimen tijd in zijn

behoefte aan vocht kunnen voorzien. Wanneer hij in de gelegenheid is

om te drinken, schept hij met den snavel water op en laat dit door

het naar boven richten van den kop in den slokdarm loopen, gelijk de

Hoenderen doen. De gevangene exemplaren drinken geregeld.

In het begin van de lente, in het zuidelijk halfrond dus in October,

verzamelt de Nandoe-haan, die bij het einde van het tweede jaar

geslachtsrijp wordt, 3 à 7, zelden nog meer hennen om zich heen en

verdrijft andere hanen door snavelhouwen en vleugelslagen uit zijn

omgeving. Voor het wijfje voert hij, zooals men ook bij gevangen

exemplaren kan waarnemen, hoogst zonderlinge dansen uit. Hij loopt met

ver uitgebreide, naar beneden hangende vleugels heen en weer, begint

plotseling buitengewoon snel te rennen, "slaat" met onovertreffelijke

behendigheid 3 of 4 "haken" achter elkander, vermindert zijn snelheid,

stapt op statige wijze verder, buigt zich een weinig voorover en

hervat het oude spel. Tevens laat hij een dof gebrul hooren, om kort

te gaan, hij toont op allerlei wijzen een hevige opgewondenheid. In de

vrije natuur koelt hij in deze omstandigheden zijn moed en strijdlust

alleen aan andere mannetjes van zijn soort; in de gevangenschap valt

hij zijn oppasser of in 't algemeen de menschen, die hem naderen, aan,

tracht hen met den snavel te wonden of slaat, evenals de Afrikaansche

Struis, hevig met de pooten.

Voor het nest wordt steeds een ondiepe uitholling van den grond

gekozen op een plaats, die niet aan overstroomingen blootgesteld en ook

overigens droog, bovendien zooveel mogelijk verborgen en aan de zijden

door distels of hoog gras beschut is. In de meeste gevallen zijn dit

gaten, die de wilde stieren in den grond maken door het schouderblad

tegen den grond te drukken en vervolgens met de achterpooten het

lichaam om dit punt te doen draaien met het doel om de larven van

Horzels, die zich in hun huid gevestigd hebben, kwijt te raken. Als

de haan zulk een kuil niet vindt, krabt hij eenvoudig op een plaats,

die hij geschikt acht, de planten van den grond weg, bekleedt den

bodem en de rand van deze holte gebrekkig met eenige grashalmen en

laat zijne wijfjes er hare 7 à 23 eieren in leggen.

De grootte der eieren is zeer verschillend; soms gaat zij die van een

ganzenei niet te boven, soms bedraagt de lengte niet minder dan 13

cM. De schaal is dof geelachtig wit van kleur en geteekend met kleine,

groenachtig gele stippeltjes, die de groote poriën omgeven. Aan de zon

blootgesteld, verbleekt zij echter schielijk; reeds na verloop van 8

dagen is zij sneeuwwit. Zoodra het noodige aantal eieren in 't nest

bijeen is, neemt het broeden een aanvang. Dit werk wordt uitsluitend

door het mannetje verricht. De hennen verwijderen zich zelfs van het

nest, hoewel zij altijd bij elkander blijven in het gebied dat door den

haan gekozen is. Deze zit gedurende den nacht en in de morgenuren,

totdat de dauwdruppels verdampt zijn, op het nest, maar verlaat

het vervolgens om te grazen; hij blijft meer of minder lang weg,

al naar de temperatuur meer of minder hoog is. Zonder nadeeligen

invloed op de ontwikkeling van de kiem kunnen deze tijdruimten zeer

groot genomen worden: Böcking zag een Nandoe na een afwezigheid van

vier uren naar het nest terugkeeren en bemerkte later, dat de eieren

hierdoor niets geleden hadden. Aanvankelijk zit de haan niet zeer

vast en sluipt bij het geringste, verdachte gedruisch stilletjes

weg, totdat het gevaar geweken is, later daarentegen broedt hij zeer

ijverig en springt eerst, meestal tot grooten schrik voor het Paard,

vlak vóór den ruiter op. Zijn gehechtheid aan de eieren toont hij in

de eerste plaats, door met uitgespreide vleugels en opgerichte veeren

den ruiter te gemoet te gaan. Een nadere overweging van den toestand

noopt hem daarna om hinkend en langzaam volgens een zigzaglijn weg te

loopen. Evenals alle andere Vogels tracht hij hierdoor op listige wijze

de aandacht van zijn nest af te wenden en op zichzelf te richten. Naar

men zegt, verdedigt hij zijne eieren met goed gevolg tegen Stinkdieren,

Buidelratten en Slangen.

Aan zijne gevangene Nandoes merkte Bodinus op, dat het wijfje zich

met geen ander doel dan om eieren te leggen, naar het nest begeeft

en dat alleen het mannetje er verder op past. "De legtijd begon in

het einde van Mei. Het wijfje legde in de nabijheid van de door

't mannetje vervaardigde, dun met grashalmen belegde uitholling

van den grond 11 eieren, telkens met tusschentijden van 2 dagen; ik

nam ze achtereenvolgens op één na weg, om te maken, dat de jongen

te gelijker tijd zouden uitkomen. Toen er 8 eieren gelegd waren,

bracht ik alle in het nest terug; nadat het negende ei voor den dag

was gekomen, begon het mannetje, dat de eieren herhaaldelijk heen

en weer geschoven en omgekeerd had, te broeden. Het wijfje legde

nog twee eieren naast het nest; ook deze werden door het mannetje

bij de overige onder zijn lichaam geschoven. Als ik bij hem kwam,

bleef hij rustig zitten; zelfs kon ik, zonder dat hij er al te zeer

door verontrust werd, eieren van onder zijn lichaam wegnemen en

onderzoeken. Wegens den regen, die voortdurend bij stroomen viel,

maakte ik mij bezorgd over de gezondheid van den broedenden Vogel;

het struikgewas, waarin het nest was aangelegd, verschafte echter

eenige beschutting; na verloop van 39 dagen kwam een jonge Nandoe

ter wereld. Deze bracht zijn eerste levensdagen voortdurend door in

het warme hoekje onder de vleugels van zijn vader; slechts nu en dan

kreeg men zijn kopje te zien, dat soms tusschen den vleugel en het

lichaam van den ouden Vogel naar buiten werd gestoken. Als hij een

enkele maal zijn schuilplaats verliet, of door mij er uitgehaald werd,

liep hij altijd schielijk weer naar zijn vader terug. Deze lichtte

zorgvuldig één vleugel op en in een oogenblik had het jonge dier zijne

gewone plaats weer ingenomen. Twee dagen achtereen bleef het vogeltje

zonder voedsel. Dit verontrustte mij niet; ik vermoedde, dat het wel

voor den dag zou komen, zoodra het eenig verlangen naar eten begon

te bespeuren. Dit geschiedde inderdaad. Op den derden dag verliet de

kleine wereldburger herhaaldelijk zijn schuilplaats om voedsel op te

sporen. Hij zocht halmpjes en zandkorrels op en begon weldra ook de

broodkruimels op te pikken, die ik voor hem uitstrooide. Verscheidene

malen per dag en geregeld 's avonds begaven vader en kind zich naar

het nest om uit te rusten; later gingen zij met hetzelfde doel op

verschillende plekjes in den tuin zitten. Dadelijk kroop de jonge Vogel

dan in het warme hoekje onder den vleugel van zijn vader en stak,

zoodra het een of ander gedruisch zijn aandacht trok, nieuwsgierig

het kopje naar buiten." Het jong had een grijs donskleed met donkere,

overlangsche strepen, was ongeveer zoo groot als een flinke Patrijs,

maar stond hooger op de pooten en had een betrekkelijk langen hals.

In Zuid-Amerika komen de eerste jonge Nandoes in het begin van

Februari uit den dop, in het noorden iets vroeger, in het zuiden

iets later. Zij groeien verbazend snel en zijn reeds na verloop van

2 weken 50 cM. hoog.

Onder de dieren heeft de Nandoe weinige gevaarlijke vijanden. Wel

valt nu en dan een volwassen exemplaar ten buit aan een Poema of

wordt een jong door een Vos of een Arend geroofd; dit zal echter

waarschijnlijk niet dikwijls voorkomen; zelfs wordt het nest niet vaak

leeggeplunderd. Vermakelijk is de tegenzin, dien de Amerikaansche

Sporenkievit voor den Nandoe aan den dag legt, ofschoon deze hem

ongetwijfeld nooit eenig leed doet. Voortdurend schreeuwend, valt

het paar, dat zich bij het nest bevindt, als Kraaien op een Valk,

den naderenden Nandoe aan. Deze bekommert zich aanvankelijk niet

veel om de hem toegedachte stooten, die hij door zijsprongen en het

bewegen van de vleugels ontwijkt; ten slotte wordt de volharding van

zijne belagers hem toch te lastig en verwijdert hij zich. Gevoeliger

wordt hij geplaagd door een Tiek en een Ingewandsworm, die men in ieder

jaargetijde bij hem vindt. Het vuur en de mensch zijn de gevaarlijkste

vijanden van den Nandoe. Juist in den tijd, waarin de Vogels broeden,

zijn de herders gewoon bij een frissche wind de steppe in brand te

steken om het droge gras van het vorige jaar te verwijderen. Door

zulk een steppenbrand worden de nesten van allerlei op den grond

broedende Vogels vernield.

De bewoner van de steppe zal geen van de Nandoe-eieren, die hij vindt,

laten liggen. De inhoud van elk ei is ongeveer gelijk aan dien van 15

hoendereieren; daar echter het eiwit een onaangenamen smaak heeft,

wordt dit gewoonlijk door een opening aan de spits van de schaal

weggegoten; de overgebleven dooier wordt, na toevoeging van een

weinig vet, peper en zout, onder voortdurend omroeren, in den dop

gekookt. In 40 minuten zou men het ei op de gewone wijze in water

hard kunnen koken.

Het vleesch van den Nandoe is grof als paardevleesch en heeft ook deze

kleur; het wordt door de Indianen gegeten; de jongen zijn smakelijk

en worden ook wel door Europeanen als voedsel gebruikt. Van de huid

van den hals vervaardigen de Gaucho's zakjes voor verschillende

huishoudelijke doeleinden. Van de zeer buigzame vederschaften,

waarvan de baarden zijn afgeplukt, maken de knapen strikken voor het

vangen van Tinamoes. Van dezelfde grondstof worden sierlijke en sterke

paardetuigen en ook wel fraaie matten gevlochten. Bovendien dienen de

veeren voor het stof afvegen, de beste en langste echter tot opschik.

De jacht op Nandoes heeft op verschillende wijzen plaats. De

Indianen en Gaucho's vervolgen te paard deze Vogels en dooden ze

met den "bolas", een werptuig, dat uit een drietal aan saamgebonden

riempjes bevestigde, looden kogels bestaat; ook hitsen zij ze wel

met Honden. Het is den jager minder om den te behalen buit te doen

dan om de snelheid en de volharding van hunne Paarden en hun eigen

behendigheid in het hanteeren van de werpkogels te toonen.

In Zuid-Amerika ziet men overal Nandoes, die jong gevangen en bijna

zoo mak als huisdieren geworden zijn, vrij rondloopen. Zij zijn zoo

gehecht aan de plaats, waar zij grootgebracht werden, dat zij er

's avonds steeds terugkeeren. Nog slechts kort geleden werden alleen

de door deze Vogels gelegde eieren weggenomen en opgegeten; sedert

eenige jaren worden zij bovendien van tijd tot tijd geplukt.

In de Europeesche diergaarden komt de Nandoe geregeld voor. Men

kan hem gemakkelijk in 't leven houden, daar hij met zeer eenvoudig

voedsel tevreden is en volstrekt geen last heeft van ons klimaat.

Het Leven der Dieren: Deel 2, Hoofdstuk 11 tot 14: Hoenderkoeten; Nandoes; Kasuarisvogels; Struisen; Hagedisvogels · 第 2 / 6 题