ELFDE ORDE.

DE HOENDERKOETEN (Palamedeornithes).

De Hoenderkoeten (Palamedeidae) verschillen van alle overige Vogels

door het gemis van de haakvormige uitsteeksels aan de wervelribben;

de veeren zijn bij hen, althans aan de bovenzijde van het lichaam,

nagenoeg gelijkmatig over de huid verdeeld, evenals bij de Pingoeïns,

dus niet in vedervelden gerangschikt. De 3 soorten van deze groep

werden vroeger bij de Rallen gerekend; nader zijn zij echter verwant

aan de Nandoes en de Struisen, nog nader aan de Stootvogels.

De Hoenderkoeten zijn groote, zwaarlijvige Vogels met langwerpigen

hals en kleinen kop. Hun snavel, welks vorm aan dien der Hoenderen

herinnert, is naast den snavelrug een weinig samengedrukt, aan de spits

haakvormig omgebogen, van binnen met onduidelijke, maar zeer talrijke

hoornplaatjes voorzien, aan den wortel met een washuid bekleed. Aan

de zeer dikke, middelmatig hooge pooten is het onderste deel van den

scheen onbevederd en, evenals de loop, netvormig geschubd. De korte,

dikke teenen zijn met middelmatig lange, weinig gekromde en spitse

nagels gewapend; de buitenste en de middelste voorteen zijn door een

kort spanvlies vereenigd. De vleugel is tamelijk lang en krachtig, bij

het handgewricht met twee stevige doornen gewapend. De flauw afgeronde

staart bestaat uit 12 pennen. Evenals bij enkele Zwemvogels, bevindt

zich onder de huid een dicht net van luchtcellen en luchtblazen,

die naar verkiezing gevuld en geledigd kunnen worden.

Men ontmoet de Hoenderkoeten in alle groote moerassen van Zuid-Amerika,

gewoonlijk bij kleine troepen, in den paartijd echter bij paren; over

't geheel genomen zijn zij vreedzaam en maken zelden gebruik van hunne

krachtige wapenen, waarmede de mannetjes hunne twisten beslechten en,

evenals de wijfjes, zwakke vijanden afweren. Bij 't gaan hebben zij

een fiere en waardige houding, gedurende het vliegen herinneren zij

aan groote Roofvogels, vooral aan Gieren; in tijd van gevaar zoeken

zij hun heil in een boom; voor 't zwemmen schijnen zij ongeschikt te

zijn. Zij voeden zich hoofdzakelijk met plantaardige stoffen, maar

eten vermoedelijk, evenals andere Moerasvogels, ook wel Insecten,

kleine Amphibiën en vischjes. Zij broeden op twee ongevlekte eieren

in een te midden van het moeras gebouwd, groot nest, dat door de

jongen verlaten wordt, zoodra zij uit den dop komen. Die, welke jong

gevangen zijn, geraken licht gewoon aan de gevangenschap, weten zich

door de overige tamme Vogels te doen eerbiedigen en gehoorzamen

en dienen zelfs, naar men zegt, hier en daar voor het hoeden van

het pluimvee. Dikwijls vindt men ze getemd op de Zuid-Amerikaansche

boerderijen; zelden worden zij echter levend naar Europa gezonden. De

Indianen schrijven aan den "hoorn" en aan den vleugeldoorn belangrijke

geneeskrachtige werkingen toe.

De Brazilianen geven den naam Anioema of Anhima aan den Gehoornden

Hoenderkoet (Palamedea cornuta), die zich in het woudgebied van

Middel-Brazilië ophoudt en noordwaarts over Guyana en Columbia verbreid

is. De dunne, hoornachtige op een vioolsnaar gelijkende draad, die

deze Vogel op het voorhoofd draagt en waardoor hij onmiddellijk de

aandacht trekt, is slechts aan de huid vastgehecht, 10 à 15 cM. lang,

bij haar oorsprong loodrecht omhoog gericht en verderop flauw voorover

gebogen. De bovenste spoor (aan de vleugelbocht) is driehoekig, zeer

spits, omstreeks 4 cM. lang en in geringe mate naar buiten gekromd;

de tweede, lager geplaatste doorn is slechts 8 mM. lang en bijna

recht. De zachte, fluweelachtige veeren van den bovenkop zijn witachtig

grijs, bij de spits zwartachtig; de wangen, de keel, de hals, de rug,

de borst, de vleugels en de staart zijn zwartbruin, de okselveeren

en de groote vleugeldekveeren hebben een groenachtigen metaalglans;

de buik en de stuit zijn zuiver wit. Het oog is oranjekleurig, de

snavel zwartbruin, aan de spits witachtig, de hoorn witachtig grijs,

de voet leikleurig. De lengte bedraagt 80 cM.

"De Anioema", zegt de Prins Von Wied, "is een groote, fraaie Vogel, een

sieraad van de Braziliaansche oerwouden. Ik zag hem voor 't eerst, toen

ik, van 't zuiden naar 't noorden reizend, aan de Belmonte-rivier den

16en graad Z.B. bereikt had. Hier, ver van menschelijke woningen, komt

hij zeer talrijk voor. Ik heb hem nooit in 't open veld aangetroffen;

in de hoogstammige oerwouden aan de oevers der rivieren hoorden wij

dikwijls zijn luide, vreemdsoortige stem, welke eenige overeenkomst

heeft met die van onze wilde Houtduif, maar veel luider klinkt en

met eenige eigenaardige keeltonen gepaard gaat. In den broedtijd ziet

men de Anioema's bij paren, anders steeds in troepjes van 4, 5 of 6

stuks. Hun voedsel schijnt hoofdzakelijk uit plantaardige stoffen,

o. a. uit groene bladen, te bestaan.

"De getemde Anioema's zijn gezellig en gehoorzaam, kunnen met de

Hoenderen samen leven en vangen zonder dringende reden geen twist

aan; tegen Honden stellen zij zich echter dadelijk te weer en weten

hunne vleugelsporen zoo goed te gebruiken, dat zij den strijdbaren

viervoeter met een enkelen slag op de vlucht drijven".

Het Leven der Dieren: Deel 2, Hoofdstuk 11 tot 14: Hoenderkoeten; Nandoes; Kasuarisvogels; Struisen; Hagedisvogels · 第 1 / 6 题