DE HOENDERKOETEN (Palamedeornithes).
De Hoenderkoeten (Palamedeidae) verschillen van alle overige Vogels
door het gemis van de haakvormige uitsteeksels aan de wervelribben;
de veeren zijn bij hen, althans aan de bovenzijde van het lichaam,
nagenoeg gelijkmatig over de huid verdeeld, evenals bij de Pingoeïns,
dus niet in vedervelden gerangschikt. De 3 soorten van deze groep
werden vroeger bij de Rallen gerekend; nader zijn zij echter verwant
aan de Nandoes en de Struisen, nog nader aan de Stootvogels.
De Hoenderkoeten zijn groote, zwaarlijvige Vogels met langwerpigen
hals en kleinen kop. Hun snavel, welks vorm aan dien der Hoenderen
herinnert, is naast den snavelrug een weinig samengedrukt, aan de spits
haakvormig omgebogen, van binnen met onduidelijke, maar zeer talrijke
hoornplaatjes voorzien, aan den wortel met een washuid bekleed. Aan
de zeer dikke, middelmatig hooge pooten is het onderste deel van den
scheen onbevederd en, evenals de loop, netvormig geschubd. De korte,
dikke teenen zijn met middelmatig lange, weinig gekromde en spitse
nagels gewapend; de buitenste en de middelste voorteen zijn door een
kort spanvlies vereenigd. De vleugel is tamelijk lang en krachtig, bij
het handgewricht met twee stevige doornen gewapend. De flauw afgeronde
staart bestaat uit 12 pennen. Evenals bij enkele Zwemvogels, bevindt
zich onder de huid een dicht net van luchtcellen en luchtblazen,
die naar verkiezing gevuld en geledigd kunnen worden.
Men ontmoet de Hoenderkoeten in alle groote moerassen van Zuid-Amerika,
gewoonlijk bij kleine troepen, in den paartijd echter bij paren; over
't geheel genomen zijn zij vreedzaam en maken zelden gebruik van hunne
krachtige wapenen, waarmede de mannetjes hunne twisten beslechten en,
evenals de wijfjes, zwakke vijanden afweren. Bij 't gaan hebben zij
een fiere en waardige houding, gedurende het vliegen herinneren zij
aan groote Roofvogels, vooral aan Gieren; in tijd van gevaar zoeken
zij hun heil in een boom; voor 't zwemmen schijnen zij ongeschikt te
zijn. Zij voeden zich hoofdzakelijk met plantaardige stoffen, maar
eten vermoedelijk, evenals andere Moerasvogels, ook wel Insecten,
kleine Amphibiën en vischjes. Zij broeden op twee ongevlekte eieren
in een te midden van het moeras gebouwd, groot nest, dat door de
jongen verlaten wordt, zoodra zij uit den dop komen. Die, welke jong
gevangen zijn, geraken licht gewoon aan de gevangenschap, weten zich
door de overige tamme Vogels te doen eerbiedigen en gehoorzamen
en dienen zelfs, naar men zegt, hier en daar voor het hoeden van
het pluimvee. Dikwijls vindt men ze getemd op de Zuid-Amerikaansche
boerderijen; zelden worden zij echter levend naar Europa gezonden. De
Indianen schrijven aan den "hoorn" en aan den vleugeldoorn belangrijke
geneeskrachtige werkingen toe.
De Brazilianen geven den naam Anioema of Anhima aan den Gehoornden
Hoenderkoet (Palamedea cornuta), die zich in het woudgebied van
Middel-Brazilië ophoudt en noordwaarts over Guyana en Columbia verbreid
is. De dunne, hoornachtige op een vioolsnaar gelijkende draad, die
deze Vogel op het voorhoofd draagt en waardoor hij onmiddellijk de
aandacht trekt, is slechts aan de huid vastgehecht, 10 à 15 cM. lang,
bij haar oorsprong loodrecht omhoog gericht en verderop flauw voorover
gebogen. De bovenste spoor (aan de vleugelbocht) is driehoekig, zeer
spits, omstreeks 4 cM. lang en in geringe mate naar buiten gekromd;
de tweede, lager geplaatste doorn is slechts 8 mM. lang en bijna
recht. De zachte, fluweelachtige veeren van den bovenkop zijn witachtig
grijs, bij de spits zwartachtig; de wangen, de keel, de hals, de rug,
de borst, de vleugels en de staart zijn zwartbruin, de okselveeren
en de groote vleugeldekveeren hebben een groenachtigen metaalglans;
de buik en de stuit zijn zuiver wit. Het oog is oranjekleurig, de
snavel zwartbruin, aan de spits witachtig, de hoorn witachtig grijs,
de voet leikleurig. De lengte bedraagt 80 cM.
"De Anioema", zegt de Prins Von Wied, "is een groote, fraaie Vogel, een
sieraad van de Braziliaansche oerwouden. Ik zag hem voor 't eerst, toen
ik, van 't zuiden naar 't noorden reizend, aan de Belmonte-rivier den
16en graad Z.B. bereikt had. Hier, ver van menschelijke woningen, komt
hij zeer talrijk voor. Ik heb hem nooit in 't open veld aangetroffen;
in de hoogstammige oerwouden aan de oevers der rivieren hoorden wij
dikwijls zijn luide, vreemdsoortige stem, welke eenige overeenkomst
heeft met die van onze wilde Houtduif, maar veel luider klinkt en
met eenige eigenaardige keeltonen gepaard gaat. In den broedtijd ziet
men de Anioema's bij paren, anders steeds in troepjes van 4, 5 of 6
stuks. Hun voedsel schijnt hoofdzakelijk uit plantaardige stoffen,
o. a. uit groene bladen, te bestaan.
"De getemde Anioema's zijn gezellig en gehoorzaam, kunnen met de
Hoenderen samen leven en vangen zonder dringende reden geen twist
aan; tegen Honden stellen zij zich echter dadelijk te weer en weten
hunne vleugelsporen zoo goed te gebruiken, dat zij den strijdbaren
viervoeter met een enkelen slag op de vlucht drijven".