»Zulk een voorstel,” zeide hij, »van den kant van de algemeene regering

des lands uitgegaan, geeft echter aan deze regering geen regt om zich te

bemoeijen met de slavernij binnen de grenzen van eenigen Staat, want het

laat het geheele bestuur dezer zaak in ieder geval over aan den Staat en

aan de bevolking, die daarbij belang hebben. Het wordt gedaan als eene

zaak, die geheel van hunne vrije keuze afhangt.”

Deze belangrijke maatregel werd in bijna alle deelen des lands, die aan

de Unie getrouw gebleven waren, met ingenomenheid begroet. Een bewijs

dat ook het buitenland daarmede ingenomen was, werd uit Engeland

ontvangen, terwijl de liberale pers het voorstel van den President als

het uitvloeisel eener wijze en edelmoedige politiek roemde.

Mr. R. Conkling, uit New-York, bragt eenige dagen later in het Huis der

Vertegenwoordigers eene gunstige meening omtrent het voorstel van den

President uit. Het werd aangenomen met 89 tegen 31 stemmen en later in

den Senaat met 32 tegen 10 stemmen. De wet werd op den 10{den} April

door den President bekrachtigd. Deze wet werd algemeen slechts als eene

proefneming beschouwd, maar de aanneming daarvan was eene gewigtige stap

tot de geheele afschaffing der slavernij, welke door alle staten der

Unie vurig gewenscht werd.

Op den 9{den} Mei vaardigde generaal Hunter, die het bevel voerde over

het leger in de staten Zuid-Carolina, Georgia en Florida, een dagorder

uit, waarin hij verklaarde, dat alle slaven in de genoemde staten

voortaan »voor immer vrij” zouden zijn, als eene zuiver militaire

noodwendigheid. Daarop vaardigde de President eene proclamatie uit,

waarin hij de dagorder van generaal Hunter opnam, maar deze toch ophief,

daar hij het verkieselijker achtte om, ingeval de noodzakelijkheid zulks

vereischte, de uitvaardiging van zulke bevelen aan zich zelven toe

te vertrouwen, in plaats van de kwestie aan de beslissing van zijne

militaire ondergeschikten over te laten. In deze proclamatie laschte

Lincoln ook het besluit in van het Congres, waarvan wij zoo even

gesproken hebben, en verzocht zijne medeburgers in de ernstigste

bewoordingen om eene kalme en rijpe overweging der zaak.

Wanneer de eerste stappen tot de verwezenlijking van het een of ander

groot beginsel gedaan zijn, volgen de overige al spoedig. In de maand

April 1862 werd de slavernij in het district Columbia afgeschaft.

In Mei werden de havens van Beaufort, Port-Royal en New-Orleans voor

den wereldhandel opengesteld.

De President hield op den 12{den} Julij eene bijeenkomst met de leden

van het Congres uit de grensstaten, waarin de slavernij nog heerschte,

ten einde hen te bewegen om, zoo mogelijk, bij hunne respectieve Staten

op eene trapsgewijze emancipatie aan te dringen. Hij bragt hun daarbij

ernstig onder het oog, dat zulk eene handelwijze ongetwijfeld zou

bijdragen tot bevordering van het welzijn hunner Staten en deze nog meer

van de zaak der geconfedereerden zou losmaken. Lincoln rigtte zijne

voorstellingen omtrent dit onderwerp tot hen op die bepaalde, ernstige

wijze waarop hij steeds gewoon was te spreken.

De meerderheid van die leden, welke zoo ernstig en zoo welsprekend

toegesproken waren, gaf een antwoord, waarin zij verklaarden van den

President te verschillen in zijn inzigt, dat het nemen van maatregelen

tot de aanneming der emancipatie gunstig op de zaak der Unie zou

terugwerken of het einde van den oorlog verhaasten; terwijl de

minderheid in een antwoord hare instemming met de inzigten van den

President verklaarde.

Hierop volgde de Confiscatie-Wet, die door andere gewigtige maatregelen

voorafgegaan en gevolgd werd, en het Congres werd tot den 17{den} Julij

verdaagd.

Op den 6{den} Augustus werd er een groote krijgsraad te Washington

gehouden, waarbij de president Lincoln tegenwoordig was en eene

belangrijke redevoering hield.

De gewigtigste officiëele handeling van dat jaar en van de geheele eeuw

volgde op den 22{sten} September 1862. Op dien dag vaardigde Lincoln de

beroemde proclamatie uit, waarbij alle personen, die in de oproerige

staten in slavernij zuchtten, op en na den eersten Januarij des

volgenden jaars voor immer vrijverklaard werden.

Er waren slechts twee dagen verloopen sedert de uitvaardiging van de

proclamatie betreffende de emancipatie, toen er een ander mandaat van

bijna gelijk gewigt als een bom te midden van de rijen der Zuidelijken

viel. Dit stuk betrof de opheffing van de _habeas-corpus_-acte. Hierin

werd verordend:

»Gedurende den tegenwoordigen opstand en als een noodzakelijke maatregel

tot onderdrukking daarvan, zullen alle rebellen en insurgenten hunne

aanhangers en medepligtigen binnen de Vereenigde Staten, en alle

personen, die vrijwillige dienstneming tegenwerken, de plannen van het

leger belemmeren, of schuldig zijn aan eenige schandelijke praktijk

door bieden van hulp aan de rebellen in strijd met het gezag van de

Vereenigde Staten—onderworpen zijn aan de krijgswetten en verhoord en

gestraft worden door een krijgsraad of eene militaire commissie.

»De habeas-corpus-acte is opgeheven ten opzigte van alle personen, die

gearresteerd zijn en die nu en later gedurende den opstand zullen

opgesloten worden in eenig fort, kamp, arsenaal, militaire gevangenis

of andere plaats, hetzij door eenige militaire autoriteit, of bij een

vonnis van een krijgsraad of eene militaire commissie.”

Deze wet—zonder eenigen twijfel ontsproten uit het aangroeijende gevaar

van den geest van misnoegdheid, die door de vrienden der slavernij in

het Noorden opgewekt was—breidde de magt van den President in zulk

eene mate uit, dat zij aan vele democraten onwelkom was. De misnoegden

stonden er nu ieder oogenblik voor bloot om door den sterken arm der

militaire wet aangegrepen te worden, en de weldadige uitwerking van deze

wet openbaarde zich al spoedig in het oogenblikkelijke en geheele

ophouden van alle bemoeizucht met aanwervingen van soldaten.

Dit was tevens het vermaarde tijdperk, dat sedert met den naam van het

oorlogssaizoen van 1862 bestempeld is. De zomer was getuige geweest van

de nederlaag van het groote leger van M'Clellan, hetwelk met zoo veel

zelfvertrouwen tot de verovering van Richmond opgetrokken was. Het werd

door de zuidelijke bajonetten verdreven, waardoor de neêrslagtigheid

in het Noorden algemeen werd. Het zou ons te ver afleiden, als wij

hier uitvoerig wilden handelen over de twisten, die er na deze ramp

ontstonden over dengene, die er verantwoordelijk voor was. De vrienden

van generaal M'Clellan verdedigden hunnen held met den grootsten ijver,

en laadden al de schande op den President en zijn Secretaris van Oorlog,

terwijl de aanhangers der regering deze met gelijken ijver tegen

alle aanvallen verdedigden en de nederlaag enkel en alleen aan de

onbekwaamheid en de vreesachtigheid van M'Clellan toeschreven. Het valt

moeijelijk om de uitspraak van den toekomstigen en onpartijdigen

geschiedschrijver vooruit te loopen. Maar door weinige beoordeelaars in

den tegenwoordigen tijd zal de schuld op de regering geworpen worden.

Generaal Pope werd tot opvolger van M'Clellan in het bevel over het

leger van de Potomac benoemd; en op den 27{sten} Augustus gelastte

generaal Halleck, die naar Washington ontboden was, aan generaal

M'Clellan om het geheele bestuur op zich te nemen van het zenden van

troepen van Alexandrië ter versterking van de legermagt van generaal

Pope, die door het leger der zuidelijken in de nabijheid van Warrenton

duchtig in het naauw gebragt werd.

De President Lincoln toonde zich in zijne geheele briefwisseling met

generaal M'Clellan zoo bedaard als hij maar zijn kon. Hij berispte

altijd met gematigdheid; en ofschoon hij nu en dan misschien een weinig

sarcastisch geweest is in zijne antwoorden op de klagten van den

bevelhebber, waren deze antwoorden toch altijd op een gemeenzamen toon

en gewoonlijk in den vorm van brieven gesteld.

Het Noorden was door dezen ongelukkigen zomer met angst en vrees

vervuld, maar de verslagene harten werden opgebeurd door de roemrijke

geruchten van Hooker en Burnside bij Antietam en Penyville, die, al

waren het ook geene werkelijke overwinningen, het land in allen gevalle

van de invallen der vijanden bevrijdden.

Op het Congres, dat in December daaraanvolgende bijeenkwam, hield

Lincoln eene rede, die zich door wijze gematigdheid kenmerkte. De

vrienden der afscheiding, zoowel in het Noorden als in het Zuiden,

hadden de onregtvaardigheid en de ondoordachtheid van den oorlog, tegen

het Zuiden gevoerd, sterk doen uitkomen en beweerd, dat de strijd

slechts eene poging tot het verkrijgen der opperheerschappij was.

Lincoln weêrlegde deze beschuldiging door de dwaasheid en onmogelijkheid

eener afscheiding aan te toonen en de aanneming van maatregelen aan te

bevelen, welke voor immer de drogredenaars tot zwijgen moesten brengen,

die beweerden, dat het Noorden even onverschillig omtrent de regten der

slaven was als het Zuiden en de verdediging dier regten slechts als een

voorwendsel tot den strijd bezigde. Hij besloot zijne rede met de

aanbeveling van de volgende resolutie en artikelen, als amendementen op

de Constitutie der Vereenigde Staten:

»Er wordt door den Senaat en het Huis der Vertegenwoordigers der

Vereenigde Staten van Amerika, op het Congres vereenigd, besloten:

»Dat de volgende artikelen aan de Wetgevende Vergaderingen (of

conventiën) van de verschillende staten zullen voorgesteld worden als

amendementen op de Constitutie der Vereenigde Staten, en dat, in geval

al deze artikelen of een daarvan door drie vierden van de genoemde

Wetgevende Vergaderingen (of conventiën) aangenomen worden, zij als een

bestanddeel of als bestanddeelen van de genoemde Constitutie zullen

gelden, namelijk:

»Artikel.—Iedere staat, waarin de slavernij nu bestaat en welke deze

zal afschaffen vóór den eersten Januarij van het jaar onzes Heeren

negentien honderd, zal eene schadeloosstelling van de Vereenigde Staten

ontvangen, op de volgende wijze:

»De President van de Vereenigde Staten zal aan zulk een Staat obligatiën

van de Vereenigde Staten afgeven, een interest opleverende van ....

percents jaars tot een bedrag van .... voor iederen slaaf, welke

obligatiën aan zulk een staat in termijnen of in eens zullen afgegeven

worden, wanneer de slavernij daarin geheel afgeschaft is. Iedere staat,

die de bovengenoemde obligatiën ontvangen heeft en later de slavernij

binnen zijne grenzen weder invoert of duldt, zal aan de Vereenigde

Staten de ontvangene obligatiën teruggeven, of de waarde daarvan, met en

benevens den interest, die reeds betaald is.

»Artikel.—Alle slaven, die ten gevolge van den oorlog in het werkelijk

genot der vrijheid zullen gesteld zijn, en dat wel vóór het einde van

den opstand, zullen voor immer vrij zijn; maar alle eigenaars van

slaven, die zich niet aan de Unie onttrokken hebben, zullen daarvoor

schadevergoeding krijgen volgens denzelfden maatstaf, die vastgesteld is

voor staten, welke de afschaffing der slavernij aangenomen hebben, met

dien verstande, dat voor geen slaaf tweemaal zal betaald worden.

»Artikel.—Het Congres zal geld beschikbaar stellen, en op andere wijzen

zorg dragen voor kolonisatie van vrijverklaarde slaven, met hunne eigene

toestemming, op de een of andere plaats of plaatsen buiten de Vereenigde

Staten.”

De nederlaag van Burnside bij Fredericksburg, op het einde van 1862,

ontmoedigde het Noorden weder; doch spoedig zouden er helderder dagen

aanbreken, ofschoon de nederlaag van Hooker bij Chancellorsville in

April daaraanvolgende een ongunstig begin van het nieuwe jaar scheen.

Het leger der Zuidelijken deed later een inval in Maryland en

Pensylvanië, doch werd bij Gettysburg door de overmagt teruggedreven met

een verlies van veertien duizend gevangenen en vijf en twintig duizend

geweren en ander wapentuig.

Later werd er een stuk gronds in den omtrek van Gettysburg afgepaald

voor een kerkhof tot begraving der duizenden verdedigers der Unie,

die bij dit hevige gevecht gesneuveld waren. Tot de plegtige wijding

van dit uitgestrekte kerkhof kwam de President en zijn kabinet over,

vergezeld door een talrijk militair geleide en eene groote menigte

belangstellenden. Edward Everett hield daarbij eene redevoering, waarbij

de President nog de volgende schoone woorden voegde:

»Zeven en tachtig jaren geleden hebben onze vaderen op het vasteland van

Amerika een nieuw volk doen ontstaan, in vrijheid ontvangen en vast in

de overtuiging, dat alle menschen gelijke regten hebben. Thans zijn wij

in een grooten burgeroorlog gewikkeld, waarin zal blijken, of dat volk,

of eenig volk, in vrijheid en gelijkheid geteeld, kan bestaan. Wij zijn

bijeengekomen op een uitgestrekt slagveld van dien oorlog; wij zijn

bijeengekomen om een gedeelte daarvan toe te wijden tot eene laatste

rustplaats voor hen, die hier hun leven opofferden, opdat die natie zou

leven. Het is billijk, dat wij dit doen.

»Maar in zekeren zin kunnen wij dezen grond niet wijden, niet inzegenen,

niet heiligen. De dappere mannen, levenden en dooden, die hier gestreden

hebben, hebben het beter ingewijd dan wij het doen kunnen. De wereld

zal er weinig acht op slaan, zal al spoedig vergeten, wat wij hier

zeggen, maar zij kan nooit vergeten, welke heldendaden hier verrigt

zijn. Het staat aan ons, de levenden, om ons hier toe te wijden aan het

onvoltooide werk, dat zij tot dusverre zoo krachtig bevorderd hebben.

Het staat aan ons om ons hier toe te wijden aan de groote taak, die

ons weggelegd is, opdat wij met nieuwe kracht aangegord worden,

tot den strijd voor de zaak, waarvoor zij goed en bloed opgeofferd

hebben,—opdat wij hier het vaste besluit nemen, dat die dooden niet te

vergeefs zullen gestorven zijn,—opdat de natie, onder Gods zegen, tot

vrijheid wedergeboren worde,—en opdat de regering van het volk, door

het volk en voor het volk nimmer verdelgd worde.”

De gevechten bij Vicksburg en Port-Hudson, waarin de wapenen der

Noordelijken de overwinning behaalden, volgden al spoedig op dat bij

Gettysburg. Dat bij Vicksburg namelijk had plaats op den 4{den} Julij en

was zeker wel de beste wijze, waarop die nationale heiligen-dag ooit

gevierd is.

De vruchten, die dit jaar opgeleverd had, waren van dien aard, dat er

overvloedige reden bestond om een dag af te zonderen, ten einde dien

aan dankzegging aan God toe te wijden. Diensvolgens schreef Lincoln

een dankdag uit bij eene proclamatie, welke zich door nederigheid van

inhoud, schoonheid van vorm en opregtheid van gevoel kenmerkte. Wij

kunnen ons niet onthouden, haar hier mede te deelen. Zij luidde aldus:

»Het jaar, dat ten einde spoedt, is rijk geweest in zegeningen van een

overvloedigen oogst en een gewenschten gezondheidstoestand. Bij deze

weldaden, in wier genot wij ons zoo bestendig mogen verheugen, dat

wij maar al te zeer geneigd zijn om de bron te vergeten waaruit zij

voortvloeijen, hebben zich nog andere gevolgd, die van zulk een

buitengewonen aard zijn dat zij zelfs het hart moeten treffen, dat

doorgaans ongevoelig is voor de steeds wakende Voorzienigheid van den

almagtigen God.

»Te midden van een burgeroorlog, die met ongehoorde verbittering gevoerd

wordt en somtijds aanleiding dreigde te geven tot een inval van vreemde

mogendheden, is de vrede met alle natiën bewaard gebleven, is de orde

gehandhaafd, zijn de wetten geëerbiedigd en gehoorzaamd, en heeft er

allerwege eene goede verstandhouding geheerscht, behalve op het tooneel

des oorlogs, welk tooneel echter zeer verkleind is door het voortrukken

van de land- en zeemagt der Unie.

»Het was noodzakelijk om geld en kracht, die in vreedzamer tijden tot

andere doeleinden gebezigd worden, tot de verdediging des lands aan te

wenden, maar toch hebben de landbouw, de koophandel en de zeevaart niet

behoeven stil te staan. De bijl heeft de grenzen van onze koloniën

uitgebreid, en de mijnen, zoo wel van ijzer en steenkolen als van

kostbare metalen, hebben zelfs meer dan vroeger opgebragt. De bevolking

is gedurig toegenomen, niettegenstaande de verwoestingen, welke in het

legerkamp, bij belegeringen en op het slagveld aangerigt zijn; en het

land, dat zich mag verheugen in de gevolgen van toenemende sterkte en

kracht, mag de volgende jaren te gemoet zien met de hoop op eene

uitbreiding der vrijheid.

»Geen menschelijke raad heeft deze groote dingen ontworpen, geen

sterfelijke hand heeft ze gewrocht. Het zijn de genadegaven van den

Allerhoogsten God, die, terwijl hij zijn toorn over onze zonden had

kunnen uitstorten, ons nogtans in genade gedachtig geweest is.

»Het is mij wenschelijk voorgekomen, dat die weldaden door het geheele

Amerikaansche volk als met één hart en ééne stem plegtig, eerbiedig en

dankbaar erkend worden. Ik noodig mijne medeburgers in ieder gedeelte

der Vereenigde Staten, en tevens hen die op zee zijn, alsmede hen,

die hun verblijf in vreemde landen houden, daarom uit om den laatsten

Donderdag in November af te zonderen tot het houden van een dank en

bededag, toegewijd aan onzen weldoenden Vader, die in de hemelen woont.

En ik beveel hun aan, dat zij, terwijl zij Hem de verschuldigde offers

brengen voor zulke merkwaardige verlossingen en zegeningen, tevens met

ootmoedig berouw over de verkeerdheid en de ongehoorzaamheid des volks,

al diegenen in zijne hoede aanbevelen, welke door den beklagenswaardigen

burgeroorlog, waarin wij zonder ons toedoen gewikkeld zijn, weduwen,

weezen, treurenden of lijdenden geworden zijn, en dat zij vurig smeeken

om de tusschenkomst van de hand des Almagtigen tot heeling van de wonden

der natie en tot herstelling, zoo spoedig als dit met de goddelijke

bedoelingen overeenkomstig is, van het volle genot van vrede,

eensgezindheid en rust.”

Het zij ons vergund om hier nog een gedeelte van den brief mede te

deelen, waarin Lincoln aan generaal Grant zijne erkentelijkheid

betuigt voor de inneming van Vicksburg. Uit deze brief toch blijkt de

openhartigheid en de nederigheid van den President. Hij luidt aldus:

Washington, 13 Julij 1863.

»Mijn waarde generaal!

»Ik kan mij niet herinneren, dat ik u ooit persoonlijk ontmoet heb. Ik

schrijf u dezen tot eene dankbare erkentenis van de bijna onschatbare

dienst, die gij aan het vaderland bewezen hebt. Ik schrijf u dezen om

u nog meer te zeggen. Toen gij in de nabijheid van Vicksburg gekomen

waart, dacht ik, dat gij terstond zoudt doen, wat gij eindelijk gedaan

hebt.... Ik dacht dat gij u met generaal Banks zoudt vereenigen, en toen

gij noordwaarts opruktet, vreesde ik, dat dit eene verkeerde beweging

was. Ik wil daarom hierbij de gulle bekentenis voor u afleggen, dat gij

de zaak goed beschouwd hebt, terwijl mijne inzigten verkeerd waren.

»Met alle achting

»A. Lincoln.

»Aan den generaal-majoor Grant.”

Op den 9{den} December 1863 hield Lincoln de jaarlijksche openingsrede

in het Congres. In eene proclamatie, die daarbij tevens uitgevaardigd

werd, deed Lincoln, ingevolge een vroeger besluit van het Congres, het

aanbod van eene »algemeene amnestie” aan alle burgers der oproerige

staten, die geneigd zouden zijn om een eed af te leggen tot de

ondersteuning van de constitutie der Vereenigde Staten en van alle

wetten, »met betrekking tot de slaven” uitgevaardigd. Er werden daarbij

echter eenige uitzonderingen gemaakt ten opzigte van de ambtenaren en

agenten van de »zoogenoemde geconfedereerde regering.” De proclamatie

deelde insgelijks mede, »dat wanneer er in een van de afgescheidene

staten een getal personen was, niet minder bedragende dan een tiende

gedeelte der stemhebbende bevolking, dat de vroegere staatsregeling

hersteld wilde hebben, zulks aan een zoodanigen staat het regt zou geven

om weder in de Unie opgenomen te worden.” De wijsheid van deze beide

maatregelen bleek al spoedig uit den afval van duizenden personen van de

oproerige staten, die zich haastten om den vereischten eed af te leggen,

en uit de bijzonderheid, dat daardoor twee belangrijke staten tot de

Unie teruggebragt zijn.

Terwijl de afgescheidene staten zich op deze wijze, tengevolge van

eene verstandige en verdraagzame politiek, geneigd betoonden om tot de

Unie terug te keeren, werd er tevens eene verandering opgemerkt in de

wijze, waarop de Noordelijken zich omtrent de Zuidelijken uitlieten.

Dit bleek ten duidelijkste uit de meerdere gematigdheid, die er in het

Huis der vertegenwoordigers omtrent hen aan den dag gelegd werd. Eene

gestrenge afkeuring van het gedrag van den secessionist Harris uit

Maryland, en van zijn medestander, Alexander Long, uit Ohio, werd door

het Huis met groote meerderheid van stemmen aangenomen.

Op den eersten dag der zittingen van het Congres, in de laatste dagen

van Februarij, werd er een besluit, waarbij een luitenant-generaal

over het leger aangesteld werd, door de beide Huizen aangenomen en door

den President bekrachtigd. Aller oogen waren nu gevestigd op generaal

Ulysses S. Grant, den held in zoovele overwinningen, die zoo al niet de

ijverigste en de onbaatzuchtigste, dan toch de gelukkigste aanvoerder

geacht werd in een oorlog, waarin zoovele officieren zich eene hooge

plaats in de achting des volks verworven hadden. Hij werd dan ook als

de meest geschikte persoon beschouwd om dezen hoogen rang, waaraan

zulk eene zware verantwoordelijkheid verbonden was, te bekleeden.

Terstond werd hij tot luitenant-generaal benoemd, en zijne benoeming

op den tweeden Maart met eenparige stemmen door den Senaat bekrachtigd.

Onmiddellijk werd hij naar Washington ontboden, ontving zijne

aanstelling en begon aanstonds toebereidselen te maken tot een grooten

veldtogt, waarbij de vereenigde legers van het Oosten en Westen eene

poging zouden doen om den strijd tot eene beslissing te brengen.

De krijgstogten, reeds vroeger in Florida en Louisiana ondernomen,

waren geene gunstige voorteekenen voor het zomersaizoen: het fort

Pillow aan den Mississippi, en Plymouth in Noord-Carolina waren door de

rebellen veroverd en deze verovering werd gevolgd door een bloedbad, zoo

barbaarsch, dat de wedergade daarvan in vroegere eeuwen niet te vinden

is. Doch de groote legers van Oostelijk-Tennessee en in Virginië,

die duchtig versterkt waren door middel van nieuwen toevoer en door

het verwijderen van troepen uit plaatsen, waar zij niet veel konden

uitrigten, werden in een toestand gebragt om den genadeslag aan eene

wankelende zamenzwering toe te brengen.

Het zou ons te ver afvoeren, als wij hier de verschrikkelijke reeks

van gevechten wilden opsommen, die aan de verovering van Richmond

voorafgingen en waardoor het vierde jaar van den oorlog gekenmerkt werd.

Zij liggen nog versch in het geheugen der geheele beschaafde wereld. Het

zij voldoende te zeggen, dat, ofschoon de streken, waarin deze bloedige

gevechten geleverd werden, door menigeen slechts beschouwd werden als

het tooneel van eene vruchtelooze verspilling van menschenlevens, de

volgende gebeurtenissen toch bewezen hebben, dat generaal Grant door

deze verschrikkelijke gevechten juist der Confederatie haren steun

ontnomen heeft. Het was in den zomerveldtogt van 1864, dat generaal Lee

de krachtigste pogingen aanwendde en aan zijn geduchten aanvaller de

gevoeligste slagen toebragt; maar het was desniettemin veeleer in 1864

dan in de laatste gevechten van den oorlog, dat de strijd beslist werd.

Het generaalschap van Grant werd overijld veroordeeld uithoofde van

zijne poging om datgene wat de vrucht van krijgsbeleid had moeten

zijn door meer kracht ten uitvoer te brengen; maar de uitkomst heeft

geleerd, dat hij den staat van zaken beter begrepen heeft dan zijne

beoordeelaars.

Abraham Lincoln geschetst in zijn leven en daden · 第 5 / 6 段