moest een kabinet zamengesteld, er moesten ministers benoemd, er moesten
politieke beginselen blootgelegd worden. De korte tusschenruimte van
tien dagen, die vóór zijne inhuldiging verliepen, behoorde tot de
moeijelijkste dagen van zijn leven; want de verzoeken van personen om
eereposten, de regeling van strijdige belangen, de begeving van posten,
waartoe eene bijzondere bekwaamheid vereischt werd,—dat alles behoorde
tot die kleine lasten, aan het bestuur des lands verbonden, welke
maakte, dat dit juk alles behalve gemakkelijk te dragen was.
De 4{de} Maart 1861 was een schoone dag, en de gebeurtenis, die daarop
zou plaats hebben, had eene menigte menschen naar Washington doen
toestroomen, waarbij iedere staat ruim vertegenwoordigd was. In den
senaat droeg de Vice-President Breckinridge zijne betrekking met eenige
hoffelijke woorden aan zijn opvolger, den Vice-President Hamlin, over;
de plaatsen, voor de vertegenwoordigers van vreemde mogendheden bestemd,
werden al spoedig ingenomen door de verschillende ministers, die in
gala-kostuum gekleed en met hunne verschillende ridderorden versierd
waren. De regters van het Hooge Geregtshof kwamen vervolgens de zaal
binnen. Toen de vergadering vernam, dat Mr. Lincoln het gebouw binnen
getreden was, begaven allen zich naar de oostelijke gaanderij van het
kapitool, waar eene tribune opgerigt was, en waarvoor eene groote
menigte, zeker wel uit dertig duizend menschen bestaande, zich verzameld
had. De verkozene President werd door den Senator Edward D. Baker, van
Oregon, aan hen voorgesteld, te midden van het gejuich der opgewondene
volksmenigte. Toen de stilte hersteld was, las Mr. Lincoln met eene
duidelijke stem de inwijdingsrede voor.
Dit stuk is misschien het belangrijkste document van dien aard, dat tot
hiertoe in Amerika geleverd is. De steller daarvan kon blijkbaar nog
niet gelooven, dat de misnoegdheid der Zuidelijke staten reeds zoolang
bestaan had, en meende de Zuidelijken tevreden te kunnen stellen door
hen terug te brengen van hunne dwaalbegrippen omtrent de gevoelens die
in het Noorden heerschende waren en hun gerustheid in te boezemen
omtrent de wijze, waarop hij het land voortaan zou besturen. Deze toon
van verzoening, welwillendheid en gematigdheid was een hoofdtrek in deze
toespraak. De ambtseed werd hem toen afgenomen door den President van
het Geregtshof Taney, waarop hij zich in gezelschap van den gewezen
President Buchanan naar het »Witte Huis” begaf.
De inwijdingsrede werd in de getrouw geblevene Staten met algemeene
instemming ontvangen, en over het algemeen ook in de zoogenoemde
grensstaten. Doch in de laatstgenoemde staten waren er, even als in
het Zuiden, duizenden gereed om daarvan eene verkeerde voorstelling en
uitlegging te geven. Er werden dan ook allerlei pogingen aangewend om in
de grensstaten het denkbeeld veld te doen winnen, dat de inwijdingsrede
moest dienen tot eene bedekte oorlogsverklaring aan de Zuidelijke
staten, en die pogingen bereikten haar doel bij velen.
De eerste handeling van den President was, een kabinet zamen te stellen
door de benoeming van William H. Seward, uit New-York, tot Secretaris
van Staat; van Salmon P. Chase, uit Ohio, tot Secretaris van Financiën;
van Simeon Cameron, uit Pensylvanië, tot Secretaris van Oorlog; van
Gideon Welles, uit Connecticut, tot Secretaris van Marine; van Caleb
B. Smith, uit Indiana, tot Secretaris van Binnenlandsche Zaken; van
Montgomery Blair, uit Maryland, tot Directeur-generaal der Posterijen;
en van Edward Bates, uit Missouri, tot Procureur-generaal. Nadat de
Senaat al deze benoemingen bekrachtigd had, maakten de genoemde heeren
terstond een begin met hunne werkzaamheid bij de verschillende
departementen.
Het Zuiden had zich met den meesten ijver tot den oorlog toegerust,
het Noorden hoopte nog op de voortduring van den vrede en had geene
toebereidselen hoegenaamd gemaakt. Waarlijk Mr. Buchanan schijnt het
schip van den Staat als een wrak aan zijn opvolger overgegeven te
hebben. Mr. Lincoln vond alle departementen der regering niet alleen in
een toestand van wanorde, maar het schadelijke begrip was met opzet
verspreid, dat de regering des lands niet bij magte was om de wetten in
al hare kracht toe te passen. Vandaar hielden zelfs de ambtenaren der
regering de wetten niet langer in eere, daar zij toch geene magt hadden
om het volk tot gehoorzaamheid daaraan te dwingen.
Op den 12{den} Maart vertoonden zich twee heeren, John Forsyth, uit
Alabama, en Crawford, uit Georgia, die zich »afgevaardigden” van de
Zuidelijke confederatie noemden, te Washington met het doel om te
onderhandelen over eene bijlegging van alle kwestiën, die er tusschen
de »beide regeringen” bestonden. Te dien einde verzochten zij om
audiëntie bij den Secretaris van Staat, welke hun geweigerd werd, daar
het niet als geldig beschouwd kon worden, dat de staten, die zij
vertegenwoordigden, zich wettig of feitelijk aan de Federale Unie
onttrokken hadden, want dat zij dit alleen konden doen met toestemming
en bewilliging van de bevolking der Vereenigde Staten, te geven
door eene nationale vergadering, bijeen te roepen overeenkomstig
de bepalingen van de »Constitutie der Vereenigde Staten.” Deze
mededeeling werd op den 15{den} Maart gedaan, maar met de toestemming
der afgevaardigden zelve geheim gehouden tot op den 8{sten} April, toen
zij openbaar gemaakt werd. Toen de zaak te Charleston bekend werd, vond
men daarin eene aanleiding om het treurspel van het fort Sumter te
verhaasten, hetwelk, naar men meende, de geheele Zuidelijke bevolking
als een eenig man tegen het Noorden zou doen opstaan.
Diensvolgens werd aan Generaal Beauregard, den kommandant van het leger
der geconfedereerden te Charleston, de last opgedragen om de overgave
van het fort Sumter te eischen, rondom hetwelk de rebellen langzamerhand
zulk een sterk cordon van batterijen opgeworpen hadden, dat eene
bestorming, in geval van eene weigering, noodwendig moest slagen.
Generaal Beauregard deed dien eisch dan ook op den 11{den} April; maar
Majoor Anderson, de kommandant van het fort, gaf daarop terstond ten
antwoord, »dat zijn gevoel van eer en zijne verpligtingen ten opzigte
zijner regering hem verhinderden om in dien eisch te bewilligen.” Er
werd nog verder over die zaak gecorrespondeerd, maar de standvastige,
getrouwe krijgsman kon niet aan het wankelen gebragt worden in zijn plan
om het hem toevertrouwde fort te verdedigen en het niet eer over te
geven, voordat het in puin geschoten was.
Het is niet noodig om breedvoerig te spreken over de gevangenneming van
Anderson en zijn handvol manschappen door de vereenigde legermagt van
Zuid-Carolina en de overige afgescheidene staten. Op den 12{den} April
werd het vuur geopend, en het fort Sumter werd zoolang gebombardeerd,
dat het viel, terwijl de formele overgave en ontruiming daarvan op
Zondag morgen, den 14{den} plaats had.
De slag was eindelijk toegebragt, het dreigende onweder losgebarsten.
De olijftak, door het Noorden en door de Unie aangeboden, was met
voeten getreden. De oorlog was niet alleen verklaard en door het Zuiden
doorgedreven, maar reeds werkelijk begonnen; het zwaard was niet
alleen dreigend opgeheven, maar het blanke lemmer was roodgekleurd met
broederbloed. Wat bleef er nu voor het Noorden over? Eenvoudig wat er
volgde—oorlog; oorlog voor de wetten, voor de constitutie, voor het
behoud der natie—oorlog voor eer en vrede. Het land had tot dusverre
alles met kalmte verdragen—maar nu was de maat tot overvloeijens toe
vol, de broederhand was rood van broederbloed, en het Noorden, dat als
een eenig man naar de wapenen greep, deed de gedwongene keus van een
oorlog, die hun zoo onverwachts op het lijf gevallen was. In dezen
gevaarvollen toestand was het waarlijk gelukkig voor de Unie, voor
de vrijheid en voor de beschaving, dat het Noorden dien volksman aan
het hoofd had, wiens geest in den grooten strijd des levens gehard
was—Abraham Lincoln.
Op den dag na de ontruiming van het fort Sumter, werd die beroemde
oproeping gedaan, om een leger van 75,000 man ter onderdrukking van den
opstand op de been te brengen, eene oproeping, die in het geheele land
eene ontzaggelijke geestdrift te weeg bragt. Iedere staat, die nog aan
de Unie getrouw gebleven was, beantwoordde daaraan terstond en leverde
een groot getal zijner zonen ter verdediging des vaderlands. Kort na
de uitvaardiging der proclamatie rukten de legerscharen der Unie
reeds op de hoofdstad aan. Het waren echter donkere dagen, die er in
dien tusschentijd verliepen: want ieder uur stond er een aanval op
Washington, hetzij van Virginië of van Maryland, te vreezen en de kleine
legermagt van vrijwilligers, die generaal Scott uit het district had
kunnen bijeenbrengen, was slechts eene zwakke verdediging. In dit
moeijelijk tijdsgewricht begaven hem de hoop, de moed en het vertrouwen
op den man, die aan het hoofd der zaken stond, geen enkel oogenblik.
En kort daarop kwam het dappere New-Yorksche zevende regiment in de
hoofdstad aan en bragt door zijne aanwezigheid licht in de duisternis.
Het zesde van Massachusetts volgde—het eerste regiment, als er sprake
is van roem, daar het zijn bloed voor het vaderland vergoten, en zich al
vechtende een weg gebaand heeft door de zuidelijke drommen van
Baltimore.
De moorddadige aanval op de vrijwilligers der Vereenigde Staten te
Baltimore werd door alle staten, die aan de Unie getrouw gebleven waren,
als een hoon beschouwd. De gouverneur Hicks en de Mayor Brown schreven
gezamenlijk een brief aan den President, waarin zij verzochten, dat er
geen troepen meer door Maryland zouden trekken. In het antwoord, dat
Lincoln door zijn secretaris Seward liet geven, diende hij aan deze
trouwelooze ambtenaren eene duchtige berisping toe.
Op den 19{den} April vaardigde Lincoln een proclamatie uit, waarbij de
havens van afgescheidene staten geblokkeerd verklaard werden. Deze en
verscheidene andere orders waren de stappen, die de regering deed om
zich te verdedigen; want de toon, dien de zuidelijke pers voerde, zoowel
als de verklaring der zuidelijke ambtenaren, bewezen genoegzaam, dat het
hun doel was om den oorlog, dien zij bij Charleston begonnen hadden,
meer naar het Noorden te verplaatsen. Jefferson Davis had dit reeds lang
te voren te kennen gegeven, en Mr. Walker, de secretaris van Oorlog
der Geconfedereerden hield, toen hij vernam dat de aanval bij Sumter
begonnen was, eene rede, waarin hij zeide, »dat daar niemand kon zeggen,
waar de oorlog zou eindigen, hij wel durfde voorspellen, dat de vlag,
die nu in het Zuiden wapperde, vóór den eersten Mei op het koepeldak van
het oude Kapitool te Washington zou geplant worden.” Het Zuiden had
reeds 20,000 man naar Virginië afgezonden, en de President Lincoln
was dan ook ten volle geregtvaardigd, toen hij zijne eerste
krijgsverrigtingen tot de verdediging van Washington beperkte.
Virginië onttrok zich omstreeks dezen tijd aan de Unie; andere
slavenstaten volgden dit voorbeeld; en van daar werd de blokkade van
zuidelijke havens op den 27{sten} April bij eene proclamatie ook tot
Virginië en Noord-Carolina uitgestrekt. Op den derden Mei werden er nog
meer troepen opgeroepen en een bevel uitgevaardigd, dat er eene ligting
van recruten zou plaats hebben voor het leger te land en ter zee.
De nieuwe regering was er al spoedig op bedacht om de verhouding, waarin
zij tot vreemde mogendheden stond, vast te stellen. Mr. Adams, Minister
te Londen, kreeg instructiën omtrent den weg, dien hij te volgen had,
welke zich door voorzigtigheid en kloekheid kenmerkten. Men vreesde, dat
de Engelsche regering, vóór de aankomst van den Minister Adams, in
overeenstemming met Frankrijk zou handelen ten opzigte van de erkenning
van het Zuiden als eene oorlogvoerende mogendheid. Mr. Adams kreeg
instructiën om daartegen bepaaldelijk te protesteren. Op den 15{den}
Junij verzochten de Engelsche en Fransche ministers te Washington om
eene audiëntie bij Mr. Seward, ten einde dezen de bepaalde instructiën
mede te deelen, welke zij van hunne respectieve regeringen ontvangen
hadden; maar toen de Secretaris van Staat den aard dezer instructiën
vernam, weigerde hij ze te hooren voorlezen, of zelfs officiëele notitie
daarvan te nemen.
Van het begin des oorlogs af was het de politiek van Lincoln, alles wat
naar eene inmenging van vreemde mogendheden in den burgeroorlog van
Amerika zweemde, bepaald van de hand te wijzen.
Het Congres hield op den 4{den} Julij 1861 eene buitengewone zitting. De
republikeinen hadden in de beide Huizen de overhand, en werden bovendien
ondersteund door enkele democratische leden, die er op aandrongen, dat
de oorlog met alle kracht zou voortgezet worden. Galusha A. Growd, een
ijverig voorstander van den oorlog, werd tot redenaar van het Huis
verkozen. Op den 5{den} Julij hield de President Lincoln de openingsrede
van het Congres. In deze rede ontwikkelde hij de omstandigheden, welke
aan het bombardement van het fort Sumter voorafgegaan waren, in
duidelijke bewoordingen, en verdedigde daarop de wijze, waarop hij
zich ten opzigte van de afgescheidene staten gedragen had, totdat hun
bloedvergieten hem tot het nemen van ernstiger maatregelen gedwongen
had. Nadat het eerste schot op het fort Sumter gevallen was, was ook
alle mogelijkheid op verzoening verdwenen. Het was de eerste stap tot
het voeren van den oorlog, en die stap was onherroepelijk. Er bleef dus
geen andere keus over, dan zich tot den oorlog toe te rusten en tegen de
legermagt, tot vernietiging der Unie gebezigd, eene legermagt tot hare
instandhouding over te stellen.
De President gewaagde daarop met een enkel woord van de afscheiding
van Virginië en van de oorzaken, die daartoe medegewerkt hadden, en
stelde de onregtmatigheid en de onhoudbaarheid van de »neutraliteit”
van Kentucky in het licht, waarop hij eene korte schets gaf van de
maatregelen, die zouden genomen worden. Daarop besprak hij de kwestie
der afscheiding en ontkende hare wettigheid op duchtige gronden.
De draad, die door deze geheele rede liep—en inderdaad door ieder
document van een dergelijk karakter, dat de President uitvaardigde—was
eene regtvaardiging van gevoelens, die in overeenstemming zijn met de
regten der menschheid en den voortgang der beschaving.
De handelingen van de buitengewone zitting waren geheel overeenkomstig
met de inzigten van het uitvoerend bewind: een ontwerp, door M'Clernand,
uit Illinois, voorgesteld, werd door het Huis met eene groote
meerderheid van stemmen aangenomen. Daarbij verbond dit staats-ligchaam
zich om zijne goedkeuring te hechten aan elke som gelds en elk getal
manschappen, welke noodig mogten geacht worden tot de onderdrukking van
den opstand.
De zitting werd op den 6{den} Augustus gesloten, nadat de krachtigste
maatregelen tot de voortzetting van den oorlog genomen waren, maar toch
werd elke handeling, die aanleiding zou kunnen geven tot verdeeldheid of
tot verzwakking van den volksgeest vermeden. De natie beantwoordde de
handelingen van het Congres met eene geestdrift en eene eenstemmigheid,
die waarlijk opmerkelijk mogten heeten.
Het nationale leger trok op den 16{den} Julij van de Potomac op, onder
het bevel van generaal M'Dowell, en het gevecht bij Bull Run nam vijf
dagen later een aanvang. De uitslag daarvan was de volkomene nederlaag
van de ongeoefende legermagt der federalisten, die, door schrik
overmeesterd en in verwarring gebragt, de vlugt naar Washington nam, na
een verlies van 480 dooden en 1000 gekwetsten geleden te hebben. Hadden
de geconfedereerden kennis gedragen van het volslagene dier nederlaag,
dan zou de inneming van Washington daarop ongetwijfeld gevolgd zijn.
Doch de hand, die het roer van den Staat in handen hield, was die van
een man, die zich een pad gebaand had door de digte bosschen van het
verre Westen en de wateren van den koning der stroomen met zijne
roeiriemen gekliefd had; die man verloor den moed niet, zelfs toen de
overige manschappen op het verdek van het schip van staat door vrees
aangegrepen werden. Hij had één doel—het zuiden tot onderwerping te
brengen, en dit kon niet anders geschieden dan door nederlagen zoowel
als door overwinningen. Hij wist, dat hij een volk onder zijn bestuur
had, bereid om hem te ondersteunen in iedere poging tot bereiking van
dit doel, en hij ging voort »zonder vrees en met een onversaagd hart.”
Er was niemand in het noorden, die zich geheel liet ontmoedigen door
de verliezen bij Bull Run geleden. Het leger werd gereorganiseerd, in
getalssterkte vermeerderd, terwijl er intusschen maatregelen genomen
werden om zoo wel op de kust als in het hart van het zuiden vasten voet
te krijgen.
Op den 28{sten} Augustus viel het fort Hatteras in handen der
Noordelijken met alle kanonnen en de geheele bezetting. Port Royal
volgde en gaf zich op den 31{sten} October over, waardoor de krijgsmagt
der federalisten vasten voet in Zuid-Carolina kreeg. Ship-Island,
tusschen Mobile en New-Orleans gelegen, werd op den 3{den} December
bemagtigd. Nu werd er een krijgstogt naar New-Orleans ondernomen. De
geconfedereerden werden insgelijks uit Westelijk-Virginië, Kentucky en
Missouri verdreven.
Generaal Scott gaf zijne positie op den 31{sten} October op, en de
generaal-majoor M'Clellan werd met het bevelhebberschap belast, ten
einde een nieuwen aanval op Richmond te doen.
Tot dusverre had het Congres bij de voortzetting van den oorlog zoo
veel mogelijk vermeden om eenige maatregelen te nemen ten opzigte
van de slavernij, die dan ook slechts zouden gestrekt hebben om de
vooroordeelen van de grensstaten op te wekken. De Confiscatie-Acte had
dan ook alleen betrekking op die slaven, »welke door hunne meesters
zouden geprest worden en van hen de vergunning zouden verkrijgen om de
wapenen in het belang der Zuidelijken op te vatten.”
Op den 27{sten} Mei 1861 bezigde generaal Butler de benaming van
»contraband” voor slaven, die als vlugtelingen in zijne legerplaats
kwamen. De vraag: »Wat zullen wij met hen doen?” was een tijd lang
moeijelijk op te lossen, maar Butler begon zijn voorraad »contraband”
gedurig te vermeerderen, en dat niet alleen, maar hij gebruikte dien ook
ten dienste van de federale regering. De politiek van het departement
van Oorlog was van den beginne af op dit punt zeer wankelend en
voorzigtig; maar het heeft nooit voor een enkel oogenblik aan de
teruggaven van zulke slaven aan hunne meesters gedacht; en vóór het
einde van Augustus gaf de Secretaris van Oorlog instructiën aan generaal
Butler, om alle vlugtelingen, die zich in zijn leger vertoonden, op te
nemen, onverschillig of zij aan getrouwe of ontrouwe meesters behoorden.
Er werd echter te gelijker tijd voorgesteld om aanteekening van
dergelijke vlugtelingen te houden, ten einde aan die meesters, welke
aan de zaak der Unie getrouw gebleven waren, bij het einde der
vijandelijkheden eene vergoeding daarvoor te geven.
Generaal Fremont voerde toen het bevel over het leger in Missouri. Deze
vaardigde op den 31{sten} Augustus een dagorder uit van den volgenden
inhoud: »De eigendommen, zoowel roerende als onroerende, van alle
personen in den staat Missouri, die de wapenen tegen de Vereenigde
Staten zullen opvatten, of die op het slagveld een werkzaam aandeel aan
de zaak van de vijanden der Unie zullen nemen, worden hierbij verbeurd
verklaard tot algemeen gebruik, en aan hunne slaven, indien zij die
hebben, wordt tevens de vrijheid geschonken.” Dit was natuurlijk eene
overschrijding van de magt, waarmede Generaal Fremont toen bekleed was.
Het Congres alleen kon zulk een besluit uitvaardigen. De President
Lincoln beschouwde de zaak ook uit dat oogpunt. Hij zou het zelfs
als eene overschrijding van de magt, die hem zelven door het Congres
verleend was, beschouwd hebben, en haastte zich om die fout te
herstellen. Op den 11{den} September schreef hij daarom een brief aan
Generaal Fremont, waarin hij hem gelastte zijne woorden zoo te wijzigen,
dat zij overeenkwamen met de bepalingen van de Confiscatie-Acte van den
6{den} Augustus 1861.
De tijd heeft sedert geleerd, dat Lincoln in deze moeijelijke en teedere
zaak uiterst verstandig te werk gegaan is. Er werden van verscheidene
kanten gedurig pogingen aangewend om den President van zijne voorzigtige
en gematigde politiek af te brengen. De groote meerderheid zijner
vrienden wenschte, dat hij niet alleen terstond alle slaven der rebellen
vrij zou verklaren, maar hun ook wapenen in handen geven en hen als
soldaten gebruiken. Maar de voorzigtige man liet zich niet afbrengen van
de politiek, welke de toen bestaande omstandigheden van hem vorderden.
Hij verklaarde zijn politiek stelsel aldus: »Mijne heeren! ik ben in
deze belangrijke kwestiën geen _aanvoerder_ des volks; ik ben slechts
een _werktuig_ in de handen mijner landgenooten. Als _zij_, bij
voorbeeld, eene proclamatie tot vrijverklaring der slaven van mij
verlangen, dan hebben zij hunne wenschen slechts door bemiddeling van
het Congres uit te spreken, en dan zullen zij in mij een werktuig
vinden om aan hun verlangen te voldoen. Ik wil de publieke opinie niet
naar mijne meeningen fatsoeneren, maar ik zal in den noodlottigen
toestand, waarin de republiek verkeert, voor haren wil buigen. Zoo
behoef ik, daar ik de grenzen mijner magt niet overschrijd, nooit iets
terug te trekken. Wat ik doe, is onherroepelijk.” Zeer bepaald werd de
politiek van den President door de groote meerderheid des volks
ondersteund. Zij werd niet minder geregtvaardigd door den uitslag, en de
omzigtigheid, waardoor zijne handelingen gekenmerkt waren, is een van de
merkwaardigste bewijzen, dat hij juist de man was, die de geschiktheid
bezat om de heerschende krisis ten beste te leiden.
Het was altijd zijn ijverig streven om den vrede met alle volken van
Europa, inzonderheid met Engeland en Frankrijk, te bewaren. In lateren
tijd wendde hij een gevaarlijk geschil met de Fransche regering af door
de meening van het Congres omtrent het Mexicaansche keizerrijk niet te
vragen.
De redevoering, welke Mr. Lincoln op het Congres in zijne gewone zitting
van December 1861 hield, was een document, doortrokken met dat wijze
conservatisme, dat al zijne vroegere redevoeringen gekenmerkt had. Bij
het spreken over de politiek, die gevolgd moest worden ten einde den
opstand te onderdrukken, vermeldde hij, dat de onvermijdelijke strijd,
noodwendig tot de bereiking van het doel, niet moest ontaarden in
een verbitterd revolutionair gevecht. In ieder document, dat hij
uitvaardigde, zoowel als in zijne gesprekken over de kwestiën van den
dag, was het niet twijfelachtig, welke zijne persoonlijke meeningen
waren. En zijne persoonlijke inzigten—zoo als zij onder anderen zijn
uitgedrukt in zijn brief aan Fremont, waarin hij de laatste woorden
van diens bevel tot emancipatie wijzigde, en in zijn brief aan den
Gouverneur Magoffin, van Kentucky, waarin hij weigerde om de federale
troepen uit dien staat te verwijderen en de weinig vaderlandslievende
verzoeken van dien ambtenaar berispte—die inzigten hebben in alle
opzigten en ten allen tijde de volkomene instemming van zijne
landgenooten mogen ondervinden. Weinige weken waren voldoende om aan
het publiek de wijsheid en de regtvaardigheid te doen inzien van
iedere handeling, waarbij de President geroepen was om zijne magt als
hoofdbevelhebber des legers en uitvoerder van de wetten uit te oefenen.
Op den 6{den} Maart 1862 ontving het Congres eene boodschap van den
President, waarin hij de aanneming van maatregelen tot eene trapsgewijze
emancipatie der slaven voorstelde. Dit voorstel was van den volgenden
inhoud:
»Er wordt besloten, dat de Vereenigde Staten hunne medewerking zullen
verleenen aan iederen Staat, welke tot eene trapsgewijze afschaffing der
slavernij besloten heeft, door aan zulk een Staat geldelijken onderstand
te geven, welke zulk een Staat naar eigen goedvinden kan gebruiken, ten
einde op die wijze te gemoet te komen in de bezwaren, welke door zulk
een verandering van stelsel noodzakelijk moeten te weeg gebragt worden.”