republikeinsche partij behoorden. Niet alleen erkenden zij in Abraham
Lincoln een man van een onbesproken gedrag en eene onbevlekte
eerlijkheid, maar ook iemand, in wien het waarachtig democratische
element van het vrije Amerika leefde, een vriend der vrijheid, een
voorstander van regt en billijkheid, en een edel, talentvol staatsman,
uit het hart des volks gesproten. Zij stelden een onbepaald vertrouwen
in hem, als in iemand, die geheel met hunne beginselen instemde. Bij den
verkiezingsstrijd van 1840, toen generaal Harrison verkozen werd was er
meer leven gemaakt; maar de geestdrift van 1860 was redelijker en meer
algemeen, en verried het vaste voornemen om zich door niets uit het veld
te laten slaan, al mogt ook de magt der slavenhouders met eene geheele
omverwerping bedreigd worden.
Het werkzaam aandeel, door de democratische vergadering van Charleston
in Zuid-Carolina, welke op den 23{sten} April 1860 bijeenkwam, in de
verkiezingen genomen, is een beslissend bewijs, dat deze staat den
triumf der republikeinsche partij _wenschte_, ten einde de afscheiding
der slavenstaten, waarvan reeds zoo lang sprake geweest was, eindelijk
tot stand te brengen. De benoeming van Lincoln toch door de vrije staten
schijnt hen aangespoord te hebben, om de meest overdrevene meeningen
omtrent de instandhouding der slavernij uit te spreken, ten einde
verdeeldheid in de rijen der democraten te bewerken, want als deze zich
op één kandidaat vereenigd hadden, zou dit noodwendig de nederlaag der
republikeinen ten gevolge gehad hebben. De ultra's der Zuidelijke
politiek deden geene moeite om hunne bedreigingen van eene afscheiding
te verbergen, ingeval de partij der vrije staten de overwinning
behaalde, ofschoon de Noordelijke democraten in de vergadering niet
konden gelooven, dat aan die bedreigingen ooit gevolg zou gegeven
worden. Maar al had men dit ook meer algemeen geloofd, dan is het nog
de vraag, of dit Lincoln in de volksgunst zou hebben doen dalen. Want
zij, die hem ondersteunden, stonden op den hechten grond van de door
God gewilde gelijkheid van menschenregten. Zij waren vast in de
overtuiging, dat de vrijheid voortaan haren schepter moest zwaaijen over
het _geheele_ land, en dat de slavernij beperkt moest blijven tot die
staten, welke door hare instandhouding reeds een vloek op zich geladen
hadden.
De uitslag van de daarop volgende stemming in 1860 was, dat Mr. Lincoln
491,275 stemmen meer ontving dan Mr. Douglas, 1,018,499 meer dan Mr.
Breckinridge, en 1,275,821 dan Mr. Bell; en de afloop der stemming, dien
ten gevolge door het Congres openbaar gemaakt, was, dat er het volgende
aantal stemmen was uitgebragt:
Op Abraham Lincoln, van Illinois 180
Op John C. Breckinridge, van Kentucky 72
Op John Bell, van Tennessee 39
Op Stephen A. Douglas, van Illinois 12
De volgende staten bragten hunne stemmen op Mr. Lincoln, uit: Maine,
New-Hampshire, Vermont, Massachusetts, Rhode-Island, Connecticut,
New-York, Pensylvanië, Ohio, Indiana, Illinois, Michigan, Iowa,
Wisconsin, Minnesota en Californië,—dus in het geheel zestien staten.
De bedoeling van het Amerikaansche volk met de benoeming van Abraham
Lincoln tot zijn oppersten regent was, de uitbreiding der slavernij
in de Territoriën te keer te gaan en hare magt te vernietigen, daar
deze bestendigd dreigde te worden. De gevolgen van die benoeming zijn
geheel anders geweest, dan men zich had voorgesteld. Mogelijk zou
de Noordelijke bevolking zich meer door hare vrees dan door hare
overtuiging hebben laten leiden, als zij had kunnen vooruitzien,
dat de waanzinnigheid van het Zuiden ten toppunt zou stijgen in den
vreeselijken strijd, die het geheele land geteisterd heeft; maar kan
er _thans_ nog twijfel bestaan, nu de afloop der bloedige worsteling
tusschen vrijheid en slavernij reeds duidelijk te zien is, dat zij
het middel geweest is tot bereiking van hoogere doeleinden,—dat de
uitslag van den verkiezingsstrijd van 1860 eene zaak was, die door de
Voorzienigheid ten beste gekeerd is?
Hij, wiens doen enkel majesteit is, heeft volken zoowel als personen
in zijne hand; en dat Hij toegelaten heeft, dat de gebeurtenissen van
1860–1861 tot een burgeroorlog aanleiding gegeven hebben, dit moet
wel met de een of andere goddelijke bedoeling geschied zijn. Eenige
geslachten later zal de wereld met verwondering en ontzetting staren
op de verschrikkelijke vuurproef, welke de Unie doorgestaan heeft,
maar als zij dan als de vrucht van dien strijd mag beschouwen een volk
van vrije menschen, die beven bij de gedachte aan de misdaden hunner
vaderen, door het koopen en verkoopen van menschen vleesch en bloed
gepleegd,—dan zullen toch die offers als niet te groot beschouwd
worden.
HOOFDSTUK III.
De beginselen der afscheiding.—De verkiezing van Lincoln tot
President.—De zamenzweerders.—De reis van den verkozen President
van Illinois naar Washington.—De inhuldiging.—De afscheiding der
Zuidelijke Staten.—De gebeurtenissen van den oorlog.—Dood van Abraham
Lincoln.
Dat Abraham Lincoln voor de omverwerping der Constitutie was, door zich
te bemoeijen met de slavernij in de staten, waar zij bestond, werd door
de hevigste leiders der publieke meening in het Zuiden wijd en zijd
verkondigd. In geen zijner redevoeringen of gesprekken, welke Lincoln
gedurende zijn gansche leven gehouden had, was dit beginsel uitgesproken
of zelfs maar aangeroerd. Hij had de toeneming der slavernij en de
noodlottige gevolgen, welke deze voor het land na zich zou slepen, wel
met afkeer en vrees aangezien; maar de middelen, die hij wilde bezigen
tot stuiting van het kwaad, bestonden alleen in het beperken van de
slavernij binnen de grenzen van die staten, welke haar reeds bij hunne
eigene staatsregeling gewettigd en in hun geheele stelsel ingeweven
hadden. Hij had daarom met nadruk beweerd, dat het Congres het regt
had om de uitbreiding der slavernij te verhinderen in die Territoriën,
welke even vrij en onafhankelijk zijn, als de breede rivieren, die door
hare wildernissen stroomen, of als de winden, die door hare bosschen
gieren.
De Zuidelijken wisten dit, en zij wisten—velen hunner hadden het
met ronde woorden uitgesproken—dat er niets inconstitutioneels in
dergelijke begrippen en in de verbreiding daarvan gelegen was. Het plan,
dat reeds sedert jaren in de harten der Zuidelijke ultra's gesluimerd
had, was de omverwerping der Amerikaansche Unie en de vestiging van een
slavenrijk op het vasteland van Noord-Amerika, en de volvoering van dit
plan was de eigenlijke reden van hunne handelwijze. De verkiezing van
Lincoln werd tot een voorwendsel gebruikt om zich af te scheiden, en als
de hoofdreden opgegeven, waardoor »het hart der Zuidelijken in vuur en
vlam gezet was.”
Het is daarom niet te verwonderen, dat de tijding der verkiezing
van Lincoln aanleiding gaf tot levendige blijdschap en onverholen
goedkeuring in verscheidene gedeelten van het Zuiden. Zij hadden
voorwendsels gezocht, en hier werd er hun nu een aan de hand gedaan.
Te vergeefs riep het Noorden uit: »Dat is onedelmoedig—onbillijk! Wij
hebben _uwe_ Presidenten, den een na den ander, gedurende het vierde
eener eeuw geduld. Gij zult _ons_ dus voor vier jaren wel willen
vergunnen om den voorrang te hebben. Weest in allen gevalle redelijk.
Beproeft het slechts! Wilt ten minste eenigen tijd afwachten, totdat
gij kunt oordeelen, hoe de zaken gaan!” Hoe nu? dat lang gezochte,
dat eindelijk gevondene voorwendsel tot den beslissenden slag en de
oprigting van hun slavenrijk te laten varen—de proef te nemen met die
republikeinsche voorstanders van de afschaffing der slavernij! Dat
nooit! In één woord, de verkiezing van Lincoln was nog geen maand
geleden, of de geest van afscheiding, die er in Zuid-Carolina
heerschte, begon zich al meer en meer uit te breiden tot groote
ontsteltenis van de Noordelijke bevolking der Vereenigde Staten.
Mr. Douglas was de gunsteling geweest van de democratische vergadering,
welke oorspronkelijk te Charleston bijeengekomen was; doch de
voorstanders van de slavernij waren er in geslaagd om de benoeming van
Mr. Breckinridge tot kandidaat door te drijven, wel wetende, dat de
verdeeldheid, die er op deze wijze onder hunne partij ontstaan was,
niet anders dan de verkiezing van den republikeinschen kandidaat kon
ten gevolge hebben. De beide partijen, waarin de democratische partij
op deze wijze gesplitst werd, stonden in beginselen niet zoo ver van
elkander, dat zij zich niet in de keuze van Mr. Douglas hadden kunnen
vereenigen, zonder hunne staatkundige meeningen geweld aan te doen, als
het hun doel geweest was om de Unie in stand te houden.
Mr. Breckinridge vertegenwoordigde dat gedeelte der democratische
partij, hetwelk de regtstreeksche _bescherming_ van de bezittingen
der slavenhouders in de Territoriën eischte, al was deze ook in strijd
met wetten, hetzij deze door het Congres, of door de bevolking der
Territoriën zelve uitgevaardigd waren, welke inbreuk mogten maken op hun
verkregen regt van eigendom op menschelijke wezens.
Mr. Douglas integendeel vertegenwoordigde de theorie, dat de inwoners
der Territoriën het volkomenste regt hadden om te beslissen, of zij de
slavernij op hunnen grond wilde dulden of niet.
Terwijl dus de republikeinen het regt van het Congres handhaafden om de
slavernij in de Territoriën te _beletten_, en de zuidelijke democraten
alleen het regt van het Congres erkenden, om de slavernij in die
Territoriën te _beschermen_, maar niet om haar te _verhinderen_, stond
Mr. Douglas bij de keuze van een President zoowel tegenover Mr. Lincoln
als tegenover Mr. Breckinridge.
De aanhangers van John Bell bestonden eenvoudig uit die weinigen, welke
zich bij geen der bestaande partijen wilden aansluiten, en die geen
bepaalde meerlingen omtrent de hoofdzaken te berde bragten.
De verschillende deelen des lands hadden gelijken ijver bij de
verkiezingen aan den dag gelegd. En even als vroeger waren de partijen,
die zich voor Lincoln, Bell en Douglas verklaard hadden, ofschoon zij
ook wenschten, dat hun kandidaat verkozen werd, toch volkomen gezind om
in de overwinning te berusten, aan welke zijde zij ook wezen mogt. Maar
de democraten, die voor Breckinridge waren, hadden zich tot den strijd
begeven met de bepaalde bedoeling om »alleen in den uitslag te berusten,
in geval deze hun de overwinning aangebragt had.” De verkiezing van den
republikeinschen kandidaat—welke zij door hunne eigene handelwijze
hoofdzakelijk bevorderden—moest het sein tot den opstand zijn.
Toen de afscheidings-storm na den 6{den} November in het Zuiden begon op
te steken, duurde het niet lang, of het volk ontdekte, dat er zelfs in
het kabinet van den aftredenden President, Mr. Buchanan, mannen gevonden
werden, die reeds sedert lang in verbindtenis met de verraders gestaan
hadden en die nu bereid waren om hun al die hulp te verleenen, welke in
hunne magt stond. Waarschijnlijk stond aan het hoofd van hen John B.
Floyd, Secretaris[3] van Oorlog, wiens schandelijk weefsel van leugen en
bedrog voor een korten tijd, ofschoon met moeite, verborgen gehouden
is. Het is dus niet te verwonderen, dat,—toen generaal Scott aan den
President en den Secretaris van Oorlog een brief schreef, waarin hij
zijne vrees te kennen gaf, dat de secessionisten enkele van de vestingen
der federalen in de zuidelijke staten zouden innemen, en er op aandrong,
dat die vestingen onmiddellijk versterkt zouden worden, ten einde zulk
eene ramp te voorkomen—die verrader Floyd zijn uiterste best deed
om dit plan tegen te werken, daar, wanneer het volvoerd werd, de
zamenzweering misschien wel geheel zou mislukt zijn. Een later officieel
rapport van het Departement van Oorlog bewijst, »dat, gedurende het jaar
1860, en _vóór_ de verkiezing van een President, honderd vijftien
duizend geweren uit noordelijke tuighuizen zijn verdwenen en naar
zuidelijke arsenalen gezonden, op een bevel van den Secretaris van
Oorlog, gedagteekend van den 30{sten} December 1859.” Op deze wijze
werden de tuighuizen der zuidelijke staten door dien Floyd gevuld,
ofschoon hij wist, dat het doel was om ze tegen de wetten en de
constitutie te gebruiken, terwijl die trouwelooze dienaar de noordelijke
staten daardoor tevens beroofde van het materiaal om hunne burgers te
wapenen tot instandhouding der Unie.
[3] Zoo veel als _Minister_.
Dit verraad werd opgevolgd door eene bijna even schandelijke handeling
van John S. Black. Deze gaf op den 20{sten} November 1860 in antwoord op
de vragen van Mr. Buchanan als procureur-generaal (en als verdediger van
de regten van den staat, mogen wij er wel bijvoegen) zijne meening te
kennen, dat het Congres zelfs niet bij magte was om eene schending
van de Constitutie te beletten door den oorlog aan eenigen staat te
verklaren, en het werd al spoedig duidelijk, dat het uitvoerend bewind
zich overeenkomstig deze theorie zou gedragen.
De wetgevende vergadering van Zuid-Carolina maakte een begin met de
afscheiding, toen dit staatsligchaam in November 1860 eene oproeping
uitvaardigde tot eene staatsvergadering, die op den 17{den} der volgende
maand te Columbia zou gehouden worden. Francis W. Pickens, die op den
10{den} tot gouverneur verkozen werd, verklaarde in zijne inwijdingsrede
bepaaldelijk, dat Zuid-Carolina besloten had om zich af te scheiden,
omdat »bij de jongste verkiezing van een President en Vice-President,
het Noorden te werk gegaan was volgens beginselen, welke verhinderen,
dat wij ons langer veilig kunnen verlaten op de magt der federale
regering of op de waarborgen van het federale kontrakt.” Al was die
verklaring ook onwaar, zoo was zij toch ondubbelzinnig, in zooverre
zij de gebeurtenissen, die te wachten stonden, vooraf aankondigde. De
vergadering werd op den eersten dag harer zitting van Columbia naar
Charleston verlegd, en op den 20{sten} December werd er eene wet
uitgevaardigd, waarbij de wet van 1788, waardoor de federale Constitutie
bekrachtigd was, met algemeene stemmen herroepen en de band van
vereeniging, die er tusschen Zuid-Carolina en de Vereenigde Staten
bestond, verbroken werd.
Zuid-Carolina was dus de eerste staat, die een besluit tot afscheiding
nam. Wat den genoemden staat betreft, was die afscheiding de vrucht van
meer dan twee menschengeslachten. En de ontdekkingen, die sedert gedaan
zijn, hoe onvolkomen zij betrekkelijk ook wezen mogen, bewijzen toch
ten duidelijkste, dat de geheele afscheiding het werk was van enkele
raddraaijers en zamenzweerders, die hun hoofdkwartier in de hoofdstad
der Unie hadden en zelven naauw met de regering der Vereenigde Staten in
verband stonden.
Op eene geheime bijeenkomst van deze zamenzweerders, die op den 5{den}
Januarij 1861 gehouden werd en waarbij verscheidene zuidelijke senatoren
tegenwoordig waren, werd er bepaald, »dat iedere Zuidelijke staat zich
zoo spoedig mogelijk van de Unie zou afscheiden; dat er eene vergadering
van de vertegenwoordigers der afgescheidene staten te Montgomery in
Alabama zou gehouden worden, en dat wel niet later dan op den 15{den}
Februarij; en dat de senatoren en de leden van het Congres uit de
Zuidelijke staten hunne zetels zoo lang mogelijk zouden blijven innemen,
ten einde al die maatregelen te keer te gaan, welke te Washington ten
nadeele der afgescheidene staten mogten voorgesteld worden.” Davis uit
Mississippi, Slidell uit Louisiana en Mallory uit Florida werden tot
eene commissie benoemd om deze besluiten ten uitvoer te brengen; en
in gevolge daarvan dienden vijf staten eene acte van afscheiding in:
Mississippi op den 9{den} Januarij, Alabama en Florida op den 11{den}
Januarij, Louisiana op den 26{sten} Januarij, en Texas op den 5{den}
Februarij. Al deze handelingen zoowel als die, welke er later op
volgden, waren eenvoudig het uitvloeisel van de voorschriften van dat
geheime verbond van volksleiders, dat reeds lang het besluit tot eene
afscheiding genomen had.
Ofschoon de wetgevende vergaderingen van deze afgescheidene staten
overeengekomen waren om geenerlei wet van afscheiding uit te vaardigen,
zonder haar door het volk te doen bekrachtigen, werd de zaak bijna
in geen enkele daarvan aan de beslissing des volks overgelaten.
Overeenkomstig het genomen besluit werden door alle wetgevende
vergaderingen afgevaardigden naar Montgomery gezonden, alwaar op den
4{den} Februarij eene bijeenkomst gehouden werd. Daarop werd eene
voorloopige constitutie aangenomen, die een jaar lang van kracht zou
zijn, en onder deze constitutie werden Jefferson Davis tot President en
Alexander H. Stephens tot Vice-President van de pas gevormde Zuidelijke
confederatie benoemd. Zij werden op den 18{den} dier maand in hunne
ambten geïnstalleerd.
De politiek, waartoe men voorloopig besloot, was, een _status quo_ te
handhaven, totdat het Presidentschap van Mr. Buchanan ten einde zou
zijn. Men gevoelde toch, dat men van _hem_ niets te vreezen had, en
hoopte de nieuwe regering door eene plotselinge tentoonspreiding van
magt de nieuwe regering vrees aan te jagen en alle dwangmaatregelen,
welke zij in den zin mogt hebben, te beletten.
De zamenzweerders waren intusschen druk in de weer met het maken van
toebereidselen tot een mogelijken oorlog. Het Zuiden was onophoudelijk
bezig met het maken van krijgstoerustingen, en de vervaardiging van
wapenen werd met ijver voortgezet.
Wij kunnen hier slechts vlugtig gewagen van al die gebeurtenissen, welke
zoo naauw met de levensgeschiedenis van Lincoln zamengeweven zijn.
Bij al hun snoevend zelfvertrouwen, bij al hunne verachting van den
moed der Noordelijken, bij al hunne weidsche beloften voor de toekomst,
hebben de raddraaijers van den opstand toch ééne noodlottige vergissing
begaan, één onoverkomelijk beletsel voor den gunstigen uitslag hunner
zaak voorbijgezien: zij vergaten de kracht, de eerlijkheid, den
onoverwinnelijken moed van Abraham Lincoln. Het moge zijn, dat juist
zijne eenvoudigheid van hart hem te ongeloovig maakte omtrent de diepte
van de boosaardigheid zijner tegenstanders; maar toen hij geheel met
hunne listigheid bekend was, ontdekten zij, dat zij zich misrekend
hadden, toen zij meenden, dat de verzoenende politiek, tot dus verre
door hem gevolgd, een uitvloeisel van vreesachtigheid was.
Vergeefsche pogingen tot eene minnelijke schikking kenmerkten de eerste
maanden van het nieuwe jaar in de hoofdstad des lands. Het Congres
wendde pogingen aan om de woedende elementen der afscheiding tot rust te
brengen. De vredesconferentie zwaaide haren olijftak,—doch te vergeefs.
Er was slechts één ding, dat de Zuidelijken verlangden, en dat was
afscheiding. Daarom werden geenerlei voorwaarden, welke van den kant de
republikeinen behoudens hunne eer konden voorgesteld worden, aannemelijk
geacht. De voorstanders van de uitbreiding der slavernij verlangden de
onafhankelijkheid van het Zuiden, zelfs ten koste van een oorlog.
Lincoln had sedert den dag zijner benoeming een opmerkelijk stilzwijgen
bewaard. Hij verliet Springfield op den 11{den} Februarij 1861, en werd
door eene groote menigte zijner stadgenooten tot aan het station van den
spoorweg vergezeld. Hij zeide hun met weinige woorden vaarwel en begaf
zich op reis.
Op den avond na zijne aankomst te Indianapolis hield hij eene rede tot
de leden der Wetgevende Vergadering, die hem aan zijn logement in corps
hunne opwachting kwamen maken. Deze rede was vooral belangrijk, omdat
hij zich daarin voor de eerste maal sedert zijne verkiezing over
staatszaken uitliet.
Nadat hij hier eenige uren doorgebragt had met het verleenen van
audiëntie aan verschillende personen en corporatiën, begaf hij zich naar
zijne kamer. Men hield het er algemeen voor, dat hij door de overgroote
inspanning vermoeid was, maar hij was al spoedig op weg naar Washington.
Allerwege in het land werd de grootste verwondering aan den dag gelegd
over deze vlugt bij nacht, en de vijanden der nieuwe regering trachtten
deze overhaaste en geheime reis van Harrisburg naar de hoofdstad des
lands in een belagchelijk daglicht te stellen. Maar de ontdekkingen, die
later gedaan werden, regtvaardigden de voorzorg, die de nieuwe President
genomen had, ten volle. Reeds vóór zijn vertrek uit Illinois was er een
gerucht in omloop gekomen, dat het hem niet zou gelukken om Washington
levend te bereiken. En werkelijk werd er op den 11{den} Februarij, bij
het begin zijner reis, eene poging aangewend om den trein, waarmede
hij reisde, aan te houden, en toen hij Cincinnati verliet, werd de
ontdekking gedaan, dat er een grenaat in den wagen verborgen geweest
was. Deze en andere omstandigheden leidden tot nasporingen der policie,
welke bewezen, dat eene kleine bende moordenaars, onder aanvoering van
een Italiaan, die den naam Orsini aangenomen had, zich vereenigd had met
het bepaalde doel om hem bij zijn doortogt door Baltimore van het leven
te berooven. Om deze redenen volgde hij den raad van generaal Scott,
Mr. Seward en andere vrienden, en vertrok, in een Schotschen plaid,
muts en mantel gehuld, met een buitengewonen trein van Harrisburg naar
Philadelphia, en van daar met den gewonen nachttrein naar Baltimore
en Washington, zoodat hij de hoofdstad des lands in den morgen van
Zaturdag, den 23{sten} Februarij, reeds in de vroegte bereikte. Nu begon
men te dreigen, dat de verkozen President nimmer zou ingehuldigd worden.
De onverwachte aankomst van Lincoln te Washington baarde allerwege
verwondering. Er waren op groote schaal toebereidselen tot zijne
ontvangst gemaakt; de Mayor had een adres van gelukwensching en
verwelkoming opgesteld; de soldaten hadden nieuwe uniformen gekregen en
hunne wapenen gepoetst, de beide Huizen van het Congres zouden hem en
corps verwelkomen, en »de verwachte man” was het algemeene onderwerp der
gesprekken. Alle gemaakte toebereidselen werden echter verijdeld, want
hij kwam in hun midden als een onverwachte gast. Toen het bekend werd,
dat hij zich in de stad bevond, werd zijn hôtel door eene groote menigte
omsingeld, daar allen verlangend waren om een woord te wisselen met den
man, die het lot der republiek ten goede of ten kwade kon keeren. Maar
hij was voor niemand te spreken. Ten elf ure bragt hij, in gezelschap
van Mr. Seward, een bezoek aan Mr. Buchanan. De verwondering van den
bewoner van het »Witte Huis” was groot, maar toch begroette hij zijn
opvolger met de meeste hartelijkheid. Daar er juist een kabinetsraad
gehouden werd, begaf Mr. Lincoln zich naar het vertrek, waar dit plaats
had, tot groote verwondering en blijdschap van al de leden van het
kabinet. Hij legde een bezoek bij generaal Scott af, doch vond dezen
niet te huis. Zoo brak de republikeinsche President terstond met alle
officiëele formaliteiten, en gaf een goed voorbeeld van republikeinsche
eenvoudigheid van manieren en van vriendelijkheid.
Gedurende het overige van den dag verleende hij gehoor aan allen, die
hem kwamen bezoeken. Alle partijtwisten schenen vergeten, en democraten
wedijverden met republikeinen om bij den nieuwen President hunne
opwachting te maken. Alleen de zuidelijke ultra's bleven achterwege: zij
hadden geen woord van gelukwensching voor den man, die—men gevoelde
het—zonder vrees zou regeren en zich getrouw betoonen aan zijn eed om
»de Constitutie en de wetten te handhaven.”
Des avonds ontving Mr. Lincoln de leden van het »Vredes-congres.” Het
geheele corps werd aan hem voorgesteld, en een aangenaam uur doorgebragt
met wederzijdsche begroeting en kennismaking, waarbij niet de minste
stijfheid heerschte. Hiermede werd de eerste dag van het verblijf van
den nieuwen President in de hoofdstad besloten.