Den zesden April deed ik met den kapitein een tochtje op de lagune:
de vaargeul slingert zich tusschen fijn vertakte koralen. Wij
zagen verscheidene schildpadden, die door twee onzer booten werden
achtervolgd. Het ondiepe water is zoo helder, dat de schildpad,
die onderduikt en voor een oogenblik verdwijnt, bijna dadelijk weder
zichtbaar wordt. Al zeilende volgt de boot haar spoor; de man op de
voorplecht staande, neemt het gunstige oogenblik waar, werpt zich
op het dier, houdt met beide handen den hals omklemd, en laat zich
medeslepen, tot hij de uitgeputte schildpad kan overmeesteren. Het is
aardig om te zien, hoe de twee booten elkander voorbijstreven, en de
mannen zich voorover in het water werpen, om hunne prooi te vervolgen.
Aan den zoom der lagune gekomen, steken wij het kleine eilandje
over, om hier, aan de windzijde, de hooge zee op de kust te zien
breken. Ik kan zelf niet juist zeggen, waarom dit gezicht zulk een
diepen indruk op mij maakte: die bevallige kokosboomen, die lijnen
van groene heesters, die vlakke strook gronds--een schijnbaar zoo
nietige en toch onoverkomelijke slagboom--met verstrooide blokken
bezaaid; eindelijk die franje van schuimende golven, die om de
riffen branden. Als een onverwinnelijke, alles vernietigende vijand,
voert de geduchte oceaan zijne donderende golven ten aanval; en toch
wordt hij teruggeslagen, overwonnen, met de schijnbaar eenvoudigste
middelen. Toch ontziet hij de koraalrotsen niet, wier reusachtige
fragmenten, over het strand verspreid, van zijne macht getuigen; hij
sluit geen vrede en gunt geen rust; de lange branding, opgezet door
de zachte maar onophoudelijke werking der passaatwinden, die altijd
in eene zelfde richting over deze matelooze uitgestrektheid waaien,
doet de golven bijna zoo hoog rijzen als bij hevige stormen in onze
gematigde luchtstreek; het rusteloos geweld dier machtige wateren
ziende, zijt ge overtuigd dat de hardste rots, porfier, graniet of
kwarts, in het eind door deze onwederstaanbare kracht zou worden
ondermijnd en vernietigd:--en toch, deze lage, nederige stranden
blijven verwinnaars in den vreeselijken strijd. Dat komt, omdat
een andere macht zich in den strijd heeft gemengd. De geheimvolle
organische kracht maakt zich een voor een meester van deze atomen
van koolzure kalk, en zondert ze af van het kokende schuim, om ze
saam te verbinden in een symmetrischen bouw. Wat doet het er toe, of
de gierende storm bij duizenden reusachtige rotsblokken wegslingert:
wat vermag hij op den duur tegen den rusteloozen arbeid van myriaden
architecten, dag en nacht voortwerkende. Hier zien wij, met onze
eigene oogen, hoe het weeke en slijmige lichaam van de polyp, door
de wondervolle werking der krachten des levens, zegepraalt over de
onberekenbare mechanische kracht van de golven des oceaans, waaraan
noch de menschelijke kunst, noch de onbezielde voorwerpen der natuur
weerstand kunnen bieden.
Eerst vrij laat keerden wij aan boord terug, daar wij ons lang
in de lagune hadden opgehouden om de koraalvelden te onderzoeken,
en vooral de reuzenschelp van den chama, die, tot aan den dood van
het weekdier, de hand gevangen houdt, welke zich onder de schelp
waagt. Het verwonderde mij, aan het boveneinde der lagune, een plek
te vinden van ongeveer twee kilometers in het vierkant, bezet met
fijn getakte koralen, allen dood en verrot, hoewel nog overeind
staande. Ik vond echter de verklaring van dit verschijnsel. Zoodra
zij aan de lucht, aan de werking der zonnestralen zijn blootgesteld,
sterven deze zoophyten; zij reiken dan ook nooit hooger dan tot het
peil der laagste voorjaarsgetijden. Nu was, volgens oude kaarten,
dit eiland vroeger door onderscheidene kanalen doorsneden, zoo als nog
heden blijkt uit de boomen, die op de punten waar de strooken gronds
sedert aaneen zijn gesloten, blijkbaar jonger zijn dan elders. In
dien toestand van het rif werd bij iederen sterken wind, die een
groote massa water op de kust wierp, het peil der lagune meer of
min verhoogd. Tegenwoordig wordt niet alleen de watermassa niet meer
vermeerderd door de stroomingen van buiten, maar het water wordt ook
door de kracht van den wind teruggedreven. Van daar dat, zoo als reeds
is waargenomen, aan het boveneinde van de lagune, de vloed, bij sterken
wind niet zoo hoog rijst als bij windstilte. Dit verschil van peil,
hoezeer weinig beteekenend, is de oorzaak van den dood der koralen,
die de uiterste grens waar zij kunnen leven, hebben bereikt.
Een andermaal ging ik het eiland West bezoeken, een der vruchtbaarste
van de geheele groep, waar de kokosboomen krachtige spruiten
voortbrengen, die in hunne schaduw bloeien, en waarvan de lange takken
bevallige prieelen vormen. Om al de bekoorlijkheid dezer betooverende
bosschages te kunnen waardeeren, moet men zelf in dien lommer hebben
neergezeten, en zich hebben vergast aan de frissche, heerlijke
kokosmelk. Een breede baai, met zuiver zilverwit zand bevloerd,
volkomen effen, en alleen bij hooge vloeden met water gevuld, dringt,
met bevallige bochten, door in de dichte bosschages van het eiland;
boven het ondiepe water wiegelen zich de slanke stammen en wuivende
kronen der kokospalmen; en uit de wijde zee waait u de frissche koelte
verkwikkend tegen.
Ik sprak zoo even van de birgos, eene krabbe, die zich met kokosnoten
voedt, en die op deze eilanden, waar zij in groote menigte gevonden
wordt, eene monsterachtige grootte bereikt. Indien de birgos al niet
tot het geslacht der kluizenaarskreeften behoort, dan is zij er toch
zeer na aan verwant. Hare beide voorpooten loopen in zware en sterke
scharen uit. Ik zou het niet mogelijk hebben geacht, dat dit schelpdier
een kokosnoot, van al haar omhulsels voorzien, kon openen; maar de heer
Lisk verzekerde mij, dat hij dit meermalen met eigen oogen had gezien.
Het dier verscheurt eerst het buitenste bekleedsel, vezel voor vezel;
vervolgens timmert hij met zijne harde scharen op de schil, steeds op
dezelfde plaats, tot er eindelijk eene opening ontstaat. Dan wendt hij
zich om, en haalt, met behulp van zijne dunne achterpooten, de witte
mergachtige zelfstandigheid uit de geopende noot. Dit is wel een der
merkwaardigste voorbeelden van instinkt, die mij bekend zijn; niemand
zou ooit op het vermoeden zijn gekomen, dat het in de bedoeling der
natuur lag, een onderling verband te vormen tusschen den bouw van de
krabbe en van den kokosnoot. De birgos, die zich over dag aan land
ophoudt, gaat, naar men zegt, iedere nacht naar de zee; de jongen
vertoeven eenigen tijd op de kust, waar zij geboren worden. Deze
krabben wonen in diepe gaten onder de wortels der boomen, waar zij
zich een soort van nest maken van groote hoeveelheden uitgeplozen
kokosvezels. De Maleiers nemen de vezels weg, om er touw van te
maken. De birgos leveren een uitnemend voedsel; onder den staart der
grootsten vindt men eene massa vet, die, gesmolten, een kwart flesch
zeer heldere olie oplevert. Men heeft verhaald dat deze krabbe in
de kokosboomen klauterde, om de vruchten af te plukken. Dat komt mij
evenwel onmogelijk voor. Bij den pandanuspalm zou dit gemakkelijker
gaan; maar de heer Lisk heeft mij verzekerd, dat, op deze eilanden,
de birgos zich vergenoegt met de afgevallen noten.
Tot mijne groote bevreemding ontdekte ik, dat twee koraalsoorten
van het geslacht der Milleporen (M. complanata et alcicornis), het
vermogen hadden om te steken. Haar takken of stokken, zijn, in stede
van week, als zij uit het water komen, hard en ruw, en verspreiden
een sterken en onaangenamen geur. In aanraking met de huid gebracht,
veroorzaken zij eene soortgelijke gewaarwording als de brandnetel. Vele
andere dieren van deze klasse zijn in het bezit van ditzelfde middel
van aanval of verdediging: in de indische zeeën vindt men zelfs een
soort van stekend zeewier.
Twee soorten van visch, die tot het geslacht der papegaaivisschen
behooren en hier veelvuldig voorkomen, leven uitsluitend van
koraalpolypen; beiden zijn prachtig blauw en groen, met schitterenden
weerschijn; de eene soort houdt zich alleen op in de lagunen, de
andere in de branding langs den buitenzoom der riffen. De heer Lisk
heeft meermalen gezien, hoe gansche scharen dezer visschen, met hunne
sterke kaken, aan de toppen der koraaltakken knaagden. Ik heb een
dier visschen geopend, en vond de ingewanden uitgezet, opgevuld met
eene gele kalkachtige stof en een zandachtige pap.