II.

Den zesden April deed ik met den kapitein een tochtje op de lagune:

de vaargeul slingert zich tusschen fijn vertakte koralen. Wij

zagen verscheidene schildpadden, die door twee onzer booten werden

achtervolgd. Het ondiepe water is zoo helder, dat de schildpad,

die onderduikt en voor een oogenblik verdwijnt, bijna dadelijk weder

zichtbaar wordt. Al zeilende volgt de boot haar spoor; de man op de

voorplecht staande, neemt het gunstige oogenblik waar, werpt zich

op het dier, houdt met beide handen den hals omklemd, en laat zich

medeslepen, tot hij de uitgeputte schildpad kan overmeesteren. Het is

aardig om te zien, hoe de twee booten elkander voorbijstreven, en de

mannen zich voorover in het water werpen, om hunne prooi te vervolgen.

Aan den zoom der lagune gekomen, steken wij het kleine eilandje

over, om hier, aan de windzijde, de hooge zee op de kust te zien

breken. Ik kan zelf niet juist zeggen, waarom dit gezicht zulk een

diepen indruk op mij maakte: die bevallige kokosboomen, die lijnen

van groene heesters, die vlakke strook gronds--een schijnbaar zoo

nietige en toch onoverkomelijke slagboom--met verstrooide blokken

bezaaid; eindelijk die franje van schuimende golven, die om de

riffen branden. Als een onverwinnelijke, alles vernietigende vijand,

voert de geduchte oceaan zijne donderende golven ten aanval; en toch

wordt hij teruggeslagen, overwonnen, met de schijnbaar eenvoudigste

middelen. Toch ontziet hij de koraalrotsen niet, wier reusachtige

fragmenten, over het strand verspreid, van zijne macht getuigen; hij

sluit geen vrede en gunt geen rust; de lange branding, opgezet door

de zachte maar onophoudelijke werking der passaatwinden, die altijd

in eene zelfde richting over deze matelooze uitgestrektheid waaien,

doet de golven bijna zoo hoog rijzen als bij hevige stormen in onze

gematigde luchtstreek; het rusteloos geweld dier machtige wateren

ziende, zijt ge overtuigd dat de hardste rots, porfier, graniet of

kwarts, in het eind door deze onwederstaanbare kracht zou worden

ondermijnd en vernietigd:--en toch, deze lage, nederige stranden

blijven verwinnaars in den vreeselijken strijd. Dat komt, omdat

een andere macht zich in den strijd heeft gemengd. De geheimvolle

organische kracht maakt zich een voor een meester van deze atomen

van koolzure kalk, en zondert ze af van het kokende schuim, om ze

saam te verbinden in een symmetrischen bouw. Wat doet het er toe, of

de gierende storm bij duizenden reusachtige rotsblokken wegslingert:

wat vermag hij op den duur tegen den rusteloozen arbeid van myriaden

architecten, dag en nacht voortwerkende. Hier zien wij, met onze

eigene oogen, hoe het weeke en slijmige lichaam van de polyp, door

de wondervolle werking der krachten des levens, zegepraalt over de

onberekenbare mechanische kracht van de golven des oceaans, waaraan

noch de menschelijke kunst, noch de onbezielde voorwerpen der natuur

weerstand kunnen bieden.

Eerst vrij laat keerden wij aan boord terug, daar wij ons lang

in de lagune hadden opgehouden om de koraalvelden te onderzoeken,

en vooral de reuzenschelp van den chama, die, tot aan den dood van

het weekdier, de hand gevangen houdt, welke zich onder de schelp

waagt. Het verwonderde mij, aan het boveneinde der lagune, een plek

te vinden van ongeveer twee kilometers in het vierkant, bezet met

fijn getakte koralen, allen dood en verrot, hoewel nog overeind

staande. Ik vond echter de verklaring van dit verschijnsel. Zoodra

zij aan de lucht, aan de werking der zonnestralen zijn blootgesteld,

sterven deze zoophyten; zij reiken dan ook nooit hooger dan tot het

peil der laagste voorjaarsgetijden. Nu was, volgens oude kaarten,

dit eiland vroeger door onderscheidene kanalen doorsneden, zoo als nog

heden blijkt uit de boomen, die op de punten waar de strooken gronds

sedert aaneen zijn gesloten, blijkbaar jonger zijn dan elders. In

dien toestand van het rif werd bij iederen sterken wind, die een

groote massa water op de kust wierp, het peil der lagune meer of

min verhoogd. Tegenwoordig wordt niet alleen de watermassa niet meer

vermeerderd door de stroomingen van buiten, maar het water wordt ook

door de kracht van den wind teruggedreven. Van daar dat, zoo als reeds

is waargenomen, aan het boveneinde van de lagune, de vloed, bij sterken

wind niet zoo hoog rijst als bij windstilte. Dit verschil van peil,

hoezeer weinig beteekenend, is de oorzaak van den dood der koralen,

die de uiterste grens waar zij kunnen leven, hebben bereikt.

Een andermaal ging ik het eiland West bezoeken, een der vruchtbaarste

van de geheele groep, waar de kokosboomen krachtige spruiten

voortbrengen, die in hunne schaduw bloeien, en waarvan de lange takken

bevallige prieelen vormen. Om al de bekoorlijkheid dezer betooverende

bosschages te kunnen waardeeren, moet men zelf in dien lommer hebben

neergezeten, en zich hebben vergast aan de frissche, heerlijke

kokosmelk. Een breede baai, met zuiver zilverwit zand bevloerd,

volkomen effen, en alleen bij hooge vloeden met water gevuld, dringt,

met bevallige bochten, door in de dichte bosschages van het eiland;

boven het ondiepe water wiegelen zich de slanke stammen en wuivende

kronen der kokospalmen; en uit de wijde zee waait u de frissche koelte

verkwikkend tegen.

Ik sprak zoo even van de birgos, eene krabbe, die zich met kokosnoten

voedt, en die op deze eilanden, waar zij in groote menigte gevonden

wordt, eene monsterachtige grootte bereikt. Indien de birgos al niet

tot het geslacht der kluizenaarskreeften behoort, dan is zij er toch

zeer na aan verwant. Hare beide voorpooten loopen in zware en sterke

scharen uit. Ik zou het niet mogelijk hebben geacht, dat dit schelpdier

een kokosnoot, van al haar omhulsels voorzien, kon openen; maar de heer

Lisk verzekerde mij, dat hij dit meermalen met eigen oogen had gezien.

Het dier verscheurt eerst het buitenste bekleedsel, vezel voor vezel;

vervolgens timmert hij met zijne harde scharen op de schil, steeds op

dezelfde plaats, tot er eindelijk eene opening ontstaat. Dan wendt hij

zich om, en haalt, met behulp van zijne dunne achterpooten, de witte

mergachtige zelfstandigheid uit de geopende noot. Dit is wel een der

merkwaardigste voorbeelden van instinkt, die mij bekend zijn; niemand

zou ooit op het vermoeden zijn gekomen, dat het in de bedoeling der

natuur lag, een onderling verband te vormen tusschen den bouw van de

krabbe en van den kokosnoot. De birgos, die zich over dag aan land

ophoudt, gaat, naar men zegt, iedere nacht naar de zee; de jongen

vertoeven eenigen tijd op de kust, waar zij geboren worden. Deze

krabben wonen in diepe gaten onder de wortels der boomen, waar zij

zich een soort van nest maken van groote hoeveelheden uitgeplozen

kokosvezels. De Maleiers nemen de vezels weg, om er touw van te

maken. De birgos leveren een uitnemend voedsel; onder den staart der

grootsten vindt men eene massa vet, die, gesmolten, een kwart flesch

zeer heldere olie oplevert. Men heeft verhaald dat deze krabbe in

de kokosboomen klauterde, om de vruchten af te plukken. Dat komt mij

evenwel onmogelijk voor. Bij den pandanuspalm zou dit gemakkelijker

gaan; maar de heer Lisk heeft mij verzekerd, dat, op deze eilanden,

de birgos zich vergenoegt met de afgevallen noten.

Tot mijne groote bevreemding ontdekte ik, dat twee koraalsoorten

van het geslacht der Milleporen (M. complanata et alcicornis), het

vermogen hadden om te steken. Haar takken of stokken, zijn, in stede

van week, als zij uit het water komen, hard en ruw, en verspreiden

een sterken en onaangenamen geur. In aanraking met de huid gebracht,

veroorzaken zij eene soortgelijke gewaarwording als de brandnetel. Vele

andere dieren van deze klasse zijn in het bezit van ditzelfde middel

van aanval of verdediging: in de indische zeeën vindt men zelfs een

soort van stekend zeewier.

Twee soorten van visch, die tot het geslacht der papegaaivisschen

behooren en hier veelvuldig voorkomen, leven uitsluitend van

koraalpolypen; beiden zijn prachtig blauw en groen, met schitterenden

weerschijn; de eene soort houdt zich alleen op in de lagunen, de

andere in de branding langs den buitenzoom der riffen. De heer Lisk

heeft meermalen gezien, hoe gansche scharen dezer visschen, met hunne

sterke kaken, aan de toppen der koraaltakken knaagden. Ik heb een

dier visschen geopend, en vond de ingewanden uitgezet, opgevuld met

eene gele kalkachtige stof en een zandachtige pap.

De koraal-eilanden: fragment uit het dagboek van een natuuronderzoeker De Aarde en haar Volken, 1875 · 第 4 / 5 题