I.

Den 1sten April kregen wij het eiland Keeling of het Kokoseiland,

ongeveer tweehonderd-veertig mijlen van de kust van Sumatra verwijderd,

in het gezicht. Dit eiland behoort tot de zoogenaamde attols of

koraal-eilanden, even als die van den Low-archipel, waar wij langs

gevaren waren. Nauwelijks had het schip den ingang van het kanaal

tusschen de kust en het rif bereikt, of een der bewoners van het

eiland, een Engelschman, de heer Lisk, kwam bij ons aan boord, en

vertelde ons in weinige woorden de geschiedenis der kolonie. Ongeveer

negen jaren geleden, had iemand van tamelijk verdachte reputatie, een

zekere Mr. Hare, een honderdtal maleische slaven, met inbegrip van de

kinderen, derwaarts overgebracht. Kort daarop vestigde kapitein Ross,

die twee jaren vroeger deze streken had onderzocht, zich met zijn

gezin op het eiland; de heer Lisk, luitenant ter zee, vergezelde

hem. De maleische slaven verlieten onmiddellijk hun eilandje en

voegden zich bij de lieden van den heer Ross; hunne desertie dwong

den eersten volkplanter, den heer Hare, tot verhuizen.

De Maleiers, tegenwoordig vrij verklaard, zijn ook inderdaad geen

slaven meer, hoewel zij in sommige opzichten nog als zoodanig behandeld

worden. Hunne doorgaande ontevredenheid, hunne wispelturigheid, die

hen noopt voortdurend van het eene eiland naar het andere te trekken,

misschien ook de fouten der bestuurders, zijn oorzaak, dat de toestand

der kolonie over het algemeen verre van bevredigend is. Varkens zijn

de eenige huisdieren die op het eiland gevonden worden, welks geheele

handel en welvaart uitsluitend afhankelijk is van zijn voornaamste

voortbrengsel, den kokospalm. De uit de noten geperste olie wordt

uitgevoerd; de vruchten zelve worden naar Singapore en Mauritius

verzonden, waar zij hoofdzakelijk tot de bereiding van kerry gebruikt

worden. Eenden, kippen, varkens voeden zich met kokosnoten; zelfs eene

kolossale landkrab heeft van de natuur de noodige middelen ontvangen

om deze vrucht te openen en het merg te eten.

De breede gordel van koraalriffen, die de dusgenaamde lagune omsluiten,

is bijna over den ganschen omtrek bezet met een krans van zeer kleine,

smalle eilandjes, die ten noorden, onder den wind, een doortocht

open laten, waardoor de schepen op de reede kunnen komen. Zoodra

ge de lagune zijt binnengevaren, wacht u een verrassend schoon

schouwspel. Het kalme, heldere, doorschijnende, ondiepe water laat den

witten, effen, fijnen bodem zien. De zon schiet haar stralen loodrecht

neder op dezen reusachtigen kristallen spiegel, en kleurt de wijde

oppervlakte met het prachtigste groen; een gordel van helderwit,

schitterend schuim scheidt dezen heerlijken vijver van de zware,

donkere golven van den oceaan; en de sierlijke bladerkronen der

kokospalmen, op de eilandjes verspreid, zich afteekenend tegen den

helder blauwen hemel, omlijsten dezen smaragden spiegel, waarop zich

hier en daar donkere lijnen van levende koralen vertoonen.

Reeds vroegtijdig in den volgenden morgen, bevond ik mij op het eiland

der Directie: een strook gronds, niet veel meer dan eenige honderde

ellen breed. Een witte kalklaag, verblindend door de weerkaatsing van

het felle licht, scheidt dit eilandje van de lagune; aan de buitenzijde

wordt de kust verdedigd door een breede en platte bank van koraalrots,

waarop de golven der zee breken. Met uitzondering van een weinig zand

nabij de lagune, bestaat de bodem uit eene samenvoeging van ronde

koraalbrokken; en alleen de wonderbare kracht van een tropisch klimaat

kan op dezen onsamenhangenden, drogen en rotsachtigen bodem, zulk

een weelderigen plantengroei in het leven roepen. Niets sierlijkers

en bevalligers toch, dan deze kokospalmen, wier groene bladerkronen

zich als samenvlechten boven tooverachtige miniatuur-eilandjes,

die hun voet met een ring van zilverwit zand omsluiten.

De natuurlijke geschiedenis dezer eilanden is merkwaardig, juist

door de armoede der voortbrengselen. Nevens de kokospalmen,

vertoonen zich hier nog drie of vier andere soorten van boomen,

waarvan de zaden door de golven zijn aangevoerd, en waarvan een ook

goed timmerhout levert. Op een der eilandjes groeit eene guilandina;

en mijne verzameling van een twintigtal planten, waarvan negentien

tot verschillende soorten, en tot niet minder dan zestien familiën

behooren, bevat waarschijnlijk den ganschen rijkdom dezer sobere

flora. Aan de windzijde werpt de branding zaden en planten op de kust;

boomstammen, ook boomen in volkomen staat, ja zelfs kanos van Java,

worden op deze riffen en koralen geworpen. Met het oog op de richting

der stroomen en winden, meent men te mogen aannemen, dat deze boomen

en zaden door den noord-westelijken mousson tot naar de kusten van

Nieuw-Holland worden gedreven, van waar de passaatwinden ze weder

terugvoeren. De zaadkorrels zouden op die wijze eene zeereis van

zeven- tot achthonderd mijlen afleggen, zonder hunne groeikracht te

verliezen. Wat al kiemen, hier en daar door den onmetelijken oceaan

uitgestrooid! Bijna al de planten, die ik van deze eilanden heb

medegebracht, behooren tot soorten, die langs de kusten van Indië

groeien. Indien de aandrijvende zaden, op het strand, niet door

vogels werden opgepikt, en indien de bodem gunstiger was voor den

plantengroei, dan deze opeenstapeling van koraalblokken kan zijn, dan

zou weldra ook het afgelegenste dezer attols met eene onvergelijkelijk

rijke flora prijken.

De lijst der landdieren is nog beknopter dan die der planten. Met

een verongelukt schip van Mauritius zijn eenige ratten aangevoerd;

de eenige landvogels zijn een snip en een riethoen; de steltloopers

zijn, na de zwempootigen, de voornaamste en eerste bewoners dezer

afgelegen streken.

Van kruipende dieren heb ik er geen andere gevonden, dan een kleine

hagedis; en met uitzondering van de spinnen, die hier in menigte

voorkomen, heb ik slechts dertien soorten van insekten kunnen vinden,

waaronder een kever; eindelijk huist nog, onder afzonderlijke blokken

koraal, eene kleine mierensoort. Maar wanneer wij van deze onvruchtbare

aarde onze oogen naar de zee wenden, vinden wij daar een overvloed van

leven. Het is bijna onbegrijpelijk welk een oneindig aantal organische

wezens de tropische zeeën bevolken; prachtige hemelsblauwe visschen,

in duizenderlei kleurschakeeringen, spelen in de kreken en de grotten,

en verscheidene zoophyten zijn verwonderlijk schoon van kleur.

De lange en smalle strooken, waaruit deze eilandjes bestaan, zijn

juist zoo hoog boven het gewone peil verheven, dat de branding

koraalfragmenten op de kust kan werpen, en de wind daar kalkachtig

zand kan ophoopen. Een breede en stevige koraalbank beschut den

buitenoever en breekt de eerste kracht der golven, die anders welhaast

deze riffen en klippen, met al wat zij voortbrengen, zouden vernielen

en verzwelgen. De oceaan en het vasteland schijnen hier elkander de

heerschappij te betwisten; breidt het land ook langzamerhand zijn

gebied uit, dan handhaven toch de bewoners der wateren nog zoo lang

mogelijk hunne oude rechten. Overal ziet ge verschillende soorten

van krabben, die op haar rug de schelpen vervoeren, aan het naburige

strand ontroofd; tallooze zeezwaluwen, stormvogels, meeuwen, zien u

met hunne domme en toornige oogen aan, zwieren door de lucht, zitten

in dichte drommen op de takken der boomen, verontreinigen de bosschen

met hunne vuile nesten. Onder al deze gevleugelde luchtbewoners heb ik

er maar een gevonden, die inderdaad schoon was te noemen: eene kleine

bevallige zeezwaluw, sneeuwwit van kleur. Met haar schitterend zwart

oog u geestig aanziende, fladdert zij zachtkens voort, steeds in uwe

nabijheid; en onder dit bevallige, teedere omhulsel, zoudt ge bijna

wanen eene vriendelijke, aetherische sylphide te zien, die u overal

volgt en gadeslaat.

Zondag 3 April.--Na afloop van den dienst, ging ik met den kapitein

Fitz-Roy naar het etablissement, op de uiterste punt van een geheel

met hooge kokospalmen begroeid eilandje; kapitein Ross en de heer

Lisk wonen hier in een soort van loods, aan de beide einden open, en

ter zijde bekleed met matten, uit boomschors gevlochten. De woningen

der Maleiers staan aan den oever der lagune; het geheel ziet er

akelig en treurig genoeg uit: nergens een tuintje of bebouwd plekje

grond. Al de inlanders spreken dezelfde taal en hooren thuis in den

indischen archipel; zij zijn afkomstig van Borneo, van Celebes, van

Java en Sumatra. Hunne gelaatstrekken, hunne kleur vooral, gelijken

op die der bewoners van Taïti; sommige vrouwen naderen meer tot de

chineesche type. Deze lieden schijnen zeer arm; in de woningen ziet

ge vergeefs naar meubelen om; maar de welgedane kinderen schijnen te

pleiten voor de voedzame kracht van kokosnoten en schildpadvleesch.

Op datzelfde eiland bevinden zich de putten, waaruit de schepen het

benoodigde drinkwater halen. Op het eerste gezicht schijnt het vreemd,

dat het water in deze putten rijst en daalt met ebbe en vloed. Men

heeft beweerd, dat de putten met zeewater waren gevuld, dat door

het zand gefiltreerd en van de zoutdeelen gezuiverd werd. Ditzelfde

verschijnsel vindt men ook op sommige lage eilanden in West-Indië. Het

saamgeperste zand of het poreuse koraal slurpen het zoute water

op, even als een spons; de regen, die op de oppervlakte valt, daalt

natuurlijk tot het peil der omringende zee, daarbij eene gelijke massa

van zout water verplaatsende. Dit laatste rijst of daalt met het getij;

de bovenste laag van zoet water volgt die beweging, en wanneer de

massa genoegzame dichtheid heeft, grijpt er geene vermenging van de

beide wateren plaats. Overal waar de bodem uit groote losse brokken

bestaat, is de toestand anders: graaft men daar een put, dan vindt

men brak water.

De koraal-eilanden: fragment uit het dagboek van een natuuronderzoeker De Aarde en haar Volken, 1875 · 第 3 / 5 题