In den morgen van den twaalfden April verlieten wij de lagunen
en zetten koers naar Ile de France. Ik verblijd mij, dat ik deze
attols heb bezocht: zij behooren toch inderdaad tot de wonderen der
wereld. Volgens de peilingen van kapitein Fitz-Roy, die op een halve
mijl afstands van het strand, met een lijn van ruim zesduizend voet
lengte geen grond kon bereiken, schijnt het eiland te bestaan uit
een hoogen onderzeeschen berg, waarvan de loodrechte wanden steiler
afvallen dan die van den steilsten vulkanischen kegel. De top, in
de gedaante van een ronden hollen schotel, heeft een diameter van
omstreeks tien mijlen; en in deze ontzaggelijke massa is er geen enkel
fragment, geen enkel deeltje, dat niet het merk draagt der organische
samenstelling. Wat beteekenen de pyramiden en de reusachtigste ruïnen,
vergeleken bij deze bergen van steen, op elkander gestapeld door de
werking van verschillende soorten van zoo bij uitnemendheid kleine,
brooze diertjes?
De lagunen-eilanden, naar hun indischen naam attols of attolen genoemd,
zijn wel de merkwaardigste van deze koraalformaties, en hebben met
recht te allen tijde de bewondering der reizigers opgewekt. Het is dan
ook een zonderling gezicht, die krans van riffen en kleine eilanden,
door een ring van schuim omgeven, en met zijn gordel van groen een
groote kom van helder water omsluitend.
De eerste reizigers, die deze attolen ontdekten, verbeeldden zich dat
de koraalpolypen uit instinkt die groote kringen bouwden, om zich in
de binnen-lagune een veilig verblijf te verzekeren. Maar de sterker
en zwaarder gebouwde soorten, wier groei aan de buitenranden toch
de onmisbare voorwaarde is van het bestaan der riffen, kunnen niet
leven in de stille binnenwateren van het eiland, waarin andere fijn
vertakte koralen tieren. De zoo even vermelde hypothese onderstelt dus,
dat verschillende soorten van polypen tot een gemeenschappelijk doel
zouden hebben saamgewerkt; maar in de geheele natuur is geen tweede
voorbeeld van zulk eene samenwerking te vinden.--De later algemeen
aangenomen theorie leerde dat de attolen rusten op onderzeesche
kraters; maar hiertegen strijden de gedaante en de uitgestrektheid
van sommige dezer riffen, zoo goed als het aantal en de onderlinge
verhouding van anderen.--Een derde, schijnbaar juister meening werd
door Chamisso voorgestaan. Volgens hem is de groei en ontwikkeling der
koralen krachtiger, naarmate zij meer blootgesteld zijn aan den vloed
en de ebbe der open zee; de koralen aan den buitenrand ontwikkelen
zich altijd het eerst en krachtigst uit den gemeenschappelijken
grondslag, en bepalen daardoor den eigenaardigen cirkelvorm van het
rif. Hier, even als in de hypothese der kraters, wordt echter eene
belangrijke bijzonderheid over het hoofd gezien: deze zoophyten
(talrijke peilingen hebben het bewezen) kunnen niet meer leven en
werken beneden eene diepte van dertig ellen; op welke grondslagen
hebben zij dus hun stevig gebouw opgetrokken?
Het is niet aan te nemen, dat in deze onpeilbare uitgestrekte zeeën,
op zoo grooten afstand van het vasteland, waar het water zoo helder is,
het zand zulke vaste massaas met steil afvallende zijden zou hebben
gevormd, of wel banken van eenige honderde mijlen lengte, om aldus
de grondslagen te bereiden, waarop de polypen konden bouwen. Even
onwaarschijnlijk is het, dat door de werking van opheffende krachten,
over deze onmetelijke uitgestrektheid, tallooze rotsbanken omhoog
zouden zijn getild, en wel juist tot het punt, waar de polypen zich
kunnen vestigen, dat wil zeggen tot twintig à dertig el beneden de
oppervlakte des waters. Indien dus de grondslagen, waarop de koralen
de attols optrokken, geen zandbergen zijn; indien ter bereiking van
de gewenschte hoogte, de bodem zich ook niet zoo gelijkmatig heeft
kunnen opheffen, dan volgt daaruit noodzakelijk dat hij gedaald moet
zijn. Dat is de eenig mogelijke oplossing. Zoo zijn dan berg na berg,
eiland na eiland, langzaam in de golven verzonken, telkens nieuwe
grondslagen aanbiedende voor de constructiën der koraalpolypen. Ik
kan voor dit verschijnsel geene andere verklaring vinden: aangezien
al deze eilanden maar even boven den waterspiegel uitsteken, en zij
allen door koraalpolypen gebouwd zijn, moeten allen ook rusten op
een grondslag, die op dezelfde diepte is gelegd.
Behalve de attolen, onderscheidt men nog de strand- of kustriffen,
en de zoogenaamde banden van koraal. De strandriffen strekken zich
soms in rechte lijn uit voor de kust van een of ander vastland of
groot eiland; sommigen omringen ook wel kleinere eilanden; allen
worden van het land gescheiden door een breed en tamelijk diep kanaal,
overeenkomende met de lagune in het binnenste der attolen. Inderdaad
eene merkwaardige constructie!
Bij het eiland Bora-Bora, bij voorbeeld, in de Stille Zuidzee, is
de koraalbank in land veranderd; maar de witte lijn van hooggaande
schuimende branding, hier en daar afgebroken door kleine, lage,
onzamenhangende eilandjes, met kokosboomen beplant, vormt een
scherpe scheiding tusschen de donkere golven van den oceaan en de
kalme oppervlakte van het binnenkanaal, waarvan de heldere wateren
een strook alluviaal-grond besproeien, uitgedost met de rijkste en
weelderigste scheppingen der keerkringen. Deze strook lands, prijkende
in de schitterendste kleurenpracht, ligt aan den voet van steile en
woeste rotsen en bergen, die het middelpunt des eilands innemen.
Deze gordels van koralen verschillen onderling zeer in lengte. Het
koraalrif, dat de kust van Nieuw-Caledonië aan de eene zijde omgeeft,
heeft eene uitgestrektheid van niet minder dan honderddertig tot
honderdveertig mijlen. Elk rif omvat, op ongelijke afstanden, een,
twee of meer rotsige eilanden van ongelijke hoogte; in een dezer
riffen telt men ongeveer een dozijn zulke eilandjes.
Niet minder ongelijk is de diepte van het kanaal; gemiddeld bedraagt
zij van tien tot dertig vademen, maar somwijlen daalt de bodem tot
zes-en-vijftig vademen. Aan de binnenzijde loopt het rif doorgaans
met zachte glooiing in het kanaal of de lagune af; zeer zelden daalt
het loodrecht naar beneden, als een muur van twee- of driehonderd
voet. Even als bij de attolen stijgt ook hier, aan de buitenzijde, de
steile rots, van den bodem der zee, loodrecht naar boven. Verwonderlijk
schouwspel! Wij zien een eiland, als eene sterke vesting op een hoogen
onderzeeschen berg gebouwd, beschermd door een reusachtigen wal van
koraalrotsen, altijd aan de buitenzijde steil afvallende, waarvan
de top een breed terras vormt, en waarin van afstand tot afstand,
wijde openingen zijn gelaten, om vaak zelfs den grootsten schepen
toegang te geven tot de breede kalme grachten.
Wat overigens het koraalrif zelf betreft, bestaat er, wat gedaante en
constructie aangaat, hoegenaamd geen onderscheid tusschen een attol
en zulk een bank. Zoo als de geograaf Balbi zeer te recht opmerkt, is
een eiland, door een koraalbank omsloten, niets anders dan een attol,
uit welks lagune een tweede eiland oprijst; denk u dit laatste weg,
en ge hebt een zuiveren attol.
Eindelijk moeten wij nog melding maken van de zoogenoemde koraalbanden,
die de eilanden en vastelanden omgeven, wanneer zij niet omzoomd
zijn met alluviaal terreinen. Daalt de bodem plotseling in zee af,
dan vormen die smalle riffen, nauwelijks eenige ellen van het strand
verwijderd, als het ware een lint of franje langs de kust. Loopt het
strand met zachte glooiing naar beneden, dan strekt het rif zich verder
uit; somwijlen zal het zich tot een à twee kilometers van den oever
verwijderen; dan kan men zich door peilingen overtuigen, dat aan de
buitenzijde van het rif de helling van den bodem zich voortzet, daar
het koraal nooit dieper daalt dan dertig el beneden de oppervlakte
der zee. Ook zulk een rif verschilt niet wezenlijk van de attols of
de koraalbanken; daar zulke banken echter smaller zijn, hebben zij
ook minder eilanden gevormd. De ontwikkeling der koralen, altijd het
sterkste aan de buitenzijde, en het terugvallen der bezinksels steeds
aan de binnenzijde, werken samen om den buitenrand van het rif meer
te verhoogen; tusschen den koraalband en den oever bevindt zich een
kanaal van eenige voeten diepte, met zandigen bodem.
Elke theorie omtrent de vorming der koralen, die het ontstaan der
strandriffen, der koraalbanden en der attolen onverklaard laat, moet
als onvoldoende worden afgewezen. Onze onderzoekingen hebben er ons
toe geleid, de voortdurende verlaging aan te nemen van uitgestrekte
oppervlakten van den zeebodem, waar nu nog duizende eilanden gevonden
worden, die zich niet boven het peil verheffen, waarop wind en golven
zand en andere voorwerpen kunnen opwerpen, en die toch het werk zijn
van zoophyten, welke niet beneden zekere, vrij beperkte diepte kunnen
leven en arbeiden. Stellen wij dat een eiland, door een ring van
riffen omgeven, langzamerhand daalt, of wel plotseling eenige voeten
zakt, dan zullen de koralen, door de branding der zee besproeid, en
krachtig in hunne ontwikkeling bevorderd door den geweldigen schok
der hooggaande golven, die hun voedsel aanvoeren, weldra weder de
oppervlakte hebben bereikt. Daar intusschen het water voortdurend
verder op het strand dringt en het eiland altijd lager en lager zakt,
en dus gaandeweg in omvang afneemt, zal de ruimte tusschen het strand
en het rif steeds grooter worden; en het aldus gevormde breede kanaal
zal meer of minder diepte hebben, naar gelang van de daling van den
grond, de opeenhooping van bezinksels, en de ontwikkeling der fijn
getakte koralen, de eenigen, die in deze lagunen leven kunnen. Zoo
verklaart het zich, dat bij het terugtrekken van het strand, de
riffen die den oever omgorden, hoewel nu daarvan losgemaakt, toch de
gedaante behouden der kust, waar omheen zij gewrocht zijn; zoo worden
de banden van koraal strandriffen, die somwijlen tot vijftien mijlen
van de achterliggende kust verwijderd zijn.
Is het nu, in plaats van een eiland, een groot vast land, dat deze
daling ondergaat, dan herhaalt zich hetzelfde verschijnsel, maar op
grooter schaal. De bergen worden langzamerhand eilandjes, op grooten
afstand omringd door het koraalrif, dat, wanneer eindelijk ook de
bergtoppen zelven onder de golven verdwijnen, in een attol verandert,
dat als een reuzenring een onmetelijken vijver omsluit.
Tot dusverre de beschouwingen van Darwin, die vooral ook over het
ontstaan der koraalbanken en riffen een nieuw licht heeft doen
opgaan. Het zal wellicht onzen lezers niet ongevallig zijn, iets
naders omtrent deze wonderlijke koraalformatiën te vernemen.
Zoo als bekend is, bevat het zeewater ongeveer 3 1/2 pct. vaste
stoffen, namelijk kalkzouten, kalium, kiezelzuur, jodium, enz. Hoewel
nu de hoeveelheid dezer stoffen op zich zelve uiterst gering is, spelen
zij toch, en met name de kalk en kwarts, eene zeer groote rol. Wieren
en zeeplanten nemen kalk, kwarts, kalium- en jodiumverbindingen, uit
het water, in hare bewerktuigde weefsels op; weekdieren, polypen en
schaaldieren maken van kalk en kwarts hunne schelpen, koraalstokken,
schalen en schilden. Sommige koraalpolypen, voornamelijk van de
geslachten Millepora, Astraea, Meandrina en Cariophyllia, leven, dicht
op een gedrongen, in groote massaas nevens en op elkander; en hunne
woningen, uit kalkachtige stoffen saamgesteld, vormen de koraalbanken
of riffen, waarvan wij boven spraken. Zoo als wij zagen, reiken deze
koralen nooit dieper dan tot omstreeks dertig el onder de oppervlakte
der zee, en verheffen zij zich evenmin boven het peil van middelbaren
vloed. Zij behoeven om wel te kunnen gedijen, een niet al te diepen,
vasten grond, en kalkhoudend zeewater, dat echter noch slijk, noch zand
moet bevatten, omdat die stoffen voor het leven der polypen schadelijk
schijnen te zijn. Darwin zegt, dat de polypen die de buitenranden der
riffen vormen, tot eene andere soort behooren, dan die in de lagunen
of vijvers worden aangetroffen; voor de eersten is een sterk bewogen
zee met felle branding, eene levensvoorwaarde; de laatsten daarentegen
kunnen alleen in stil water tot ontwikkeling komen.