In 1838 ondernam het engelsche schip de Beagle, onder de bevelen
van den kapitein Fitz-Roy, eene reis rondom de wereld, waaraan ook
deelgenomen werd door den sedert zoo bekend geworden natuuronderzoeker
Charles Darwin, die zich hoofdzakelijk de bestudeering der geologische
gesteldheid en van het dieren- en plantenrijk der verschillende landen
ten doel had gesteld. Na zijne terugkomst, gaf deze, in den vorm
van een dagboek, een reisverhaal uit, waarin hij de uitkomsten zijner
onderzoekingen mededeelde, en dat al aanstonds de aandacht der geleerde
wereld tot zich trok, niet enkel door de nieuwheid der waarnemingen
zelven, maar vooral ook door de verrassende gevolgtrekkingen, waartoe
Darwin, langs den weg van analyse en onderlinge vergelijking der
feiten en verschijnselen, kwam. Aan dit reisverhaal van den beroemden
geleerde, die een zoo grooten invloed heeft uitgeoefend niet alleen
op de ontwikkeling der natuurwetenschap, maar ook op de geheele
wereldbeschouwing onzes tijds, ontleenen wij het volgende fragment.