Zij gingen naar buiten en liepen de straten door. Walid sprak

voortdurend, terwijl de ander zweeg, en vertelde dat Mevena reeds

lang vertrokken was, naar Pisa, dacht hij; dat de meester sedert

dien tijd stil en treurig was geweest, en dat Carolus en hij zelf

bemerkt hadden, dat er geheime moordenaars omzwierven, zoodat zij hem

voortdurend hadden bewaakt. Maar zij waren blijde, dat de meester nu

voor goed had besloten het meisje niet meer te zien, zoo zij hem den

bloedsteen nog konden ontrooven was alle gevaar voorbij. Rogier zou een

dochter van den grooten markgraaf Lancia tot vrouw nemen en gelukkig

en aanzienlijk worden. Tenzij het meisje terugkwam met haar kind;

de meester was gansch onder haar bekoring, het lot had geopenbaard,

dat een vrouw hem onheil zou brengen, en sedert hij haar ontmoet had,

meer dan een jaar geleden, was hij driewerf gewond geweest en geen

dag zonder kommer op 't gelaat. Hij, Walid, zou haar in het kamp niet

meer dulden.

De monnik bleef zwijgen. Zij waren aan een gewelfd bruggetje over

een vliet gekomen en zetten zich naast elkander neder op de houten

leuning. Terwijl zij nadachten en geen van beiden spraken naderden twee

mannen, hun voetstappen klonken op de planken der brug, en toen zij

dicht bij waren herkende Tamalone duidelijk de stem van Lugina. Hij

was op het punt er Walid opmerkzaam op te maken, maar hield zich in.

Beneden hen klokte het stroomende water. De oosterling begon weêr

te spreken. Hij zeide, dat hij Tamalone wel begrepen had en hem

bewonderde. En omdat hij hem niet gaarne leed zou doen ried hij hem

met alle middelen te voorkomen, dat Mevena weder in het bijzijn van

zijn meester kwam.

"Ik hoop dat gij gelukkig moogt zijn," zeide hij: "de vrouw is niet

slecht misschien." En hij liet zijn hand een wijle rusten op Tamalone's

schouder, die innerlijk beefde bij dit nieuwe gezicht.

Een torenklok sloeg. Zij stonden ten letste op en liepen zwijgend

terug naar het paleis. De monnik wilde niet mede naar binnen, maar

nam afscheid voor de buitengalerij; hij drukte Walid's hand krachtig

in de zijne, hij voelde dat deze man zijn vriend had kunnen wezen.

Het waren zonderling prikkelende gedachten, die Walids woorden in

hem hadden gewekt. Tamalone voorzag reeds de smarten, die Mevena zou

lijden wanneer zij wist, dat zij voor goed was verlaten, hij zag haar

betraand gelaat--zijn aderen zwollen en zijn hart klopte zwaar door

't valsche onrecht haar aangedaan. Op zijn bed lag hij wakend met

gesloten oogen; het venstertje liet de nachtkoelte in, schreden die

in de straat haastig voorbij slopen of het geluid van de torenklok

leidden bij wijlen zijn gedachten af. Hij wist geen raad. Waar zou

zij henen moeten? zij had geen enkelen vriend meer dan hem zelf, die

niet eens wist waar zij was, die niet wist of zij dit eigen oogenblik

niet ellendig rondzwierf met haar kind. Maar Walid had gezegd in Pisa,

zij zou wel in den winkel aan de kade zijn teruggekeerd. Hij stond op

om uit het venster te zien of de dag al aan den hemel kwam; dan lei

hij zich weêr neder, zijn voeten deden zeer van den langen tocht dien

hij gekomen was. En terwijl hij trachtte voort te denken sliep hij in.

Met schrik ontwaakte hij kort daarop weder, maar hij was verheugd,

want door het venstertje zag hij dat de duisternis verschoot, zoodat

hij weldra zou kunnen vertrekken. Bij het kozijn geleund, starende

naar de oosterlucht die ijler werd, herinnerde hij zich wat Walid

bedoeld had met den wensch voor zijn geluk, en langen tijd bleef hij

staren naar de lucht en de straat, waar de gesloten huizen, ordeloos

tusschen boomen verspreid, verschenen uit den vroegen schemer, tot

het kraaien van een haan hem stoorde in zijn rust en hij zich bezon,

dat Mevena hem niet beminde.

Hij verliet de kamer, wekte den waard, en met zijn brood in de hand

ging hij naar buiten. Opgewekt stapte hij voort in den frisschen

morgen.

Maar toen hij tegen den avond zeer vermoeid de landerijen van Pisa

bereikte, peinsde hij waarom hij gegaan was, waarom hij de passie

zocht, die hem niets dan verdriet kon geven, terwijl aan alle zijden

de wegen naar andere streken leidden, waar hij dolend tenminste met

het stille beeld zijner aanbidding alleen kon wezen, zonder verlangen

naar wederliefde, dat door nieuw verlangen zeker gevolgd werd. In

zijn verbeeldingen was hij immers altijd gelukkig geweest.

En ofschoon hij van verwachting gepoperd had toen hij zich op

weg begaf, liep hij thans neêrslachtig langzaam op de kade, waar

de bewoners voor hun huizen stonden te praten in het rustig genot

van den zomeravond. Uit de verte reeds zag Tamalone, dat de winkel

van Simon nog open was, er scheen wat licht naar buiten en voor de

deur stond Baldo viool te spelen, Mevena en de gebroeders zaten te

luisteren. Hij naderde en bleef onopgemerkt staan; in 't schaarsche

licht zag hij, dat Mevena's gelaat, ten deele afgewend, droevig en

fijn was. Bij 't eind van het danswijsje trad hij zacht op haar toe

en groette haar. Zij schrok en lachte, met de hand op haar borst,

Simon en Josse verwelkoomden met handdrukken en luidruchtigheid. Er

werd een stoel gehaald, en pasteien en bier, en Tamalone moest dadelijk

verhalen hoe hij gevlucht was en waar hij gescholen had.

Toen het al laat was ging Mevena, die haar kind hoorde, naar binnen;

de mannen zaten nog lang te luisteren naar den monnik, die met een

glimlach vertelde van dwazen door wie hij vervolgd was, ofschoon

hij nooit iets misdaan had. En dan, in de stilte van de kade, zeide

hij hoe Mevena verlaten was door haar minnaar, die met een ander

zou trouwen--zijn stem werd zoo week en zacht, dat Simon en Josse

en zelfs de jonge Baldo zwijgend en aangedaan voor zich keken in

den luwen nacht. Zij gingen ten leste naar binnen. Terwijl Tamalone

nog talmde voor hij de anderen volgde, zag hij naar boven, naar het

venstertje van Mevena's kamer; het stond open. Hij begreep, dat zij

alles gehoord had wat hij zoo pas vertelde.

Gedurende de wandeling door de straten den volgenden dag, die zij

weêr zooals vroeger deden, Mevena thans met haar kind in de armen,

vroeg hij waarom zij niet in het kamp gebleven was. Zij antwoordde:

"Rogier mocht van den keizer niet heengaan, daarom wacht ik hier op

hem. Over zes weken komt hij mij halen."

Toen werd Tamalone bij 't verder gaan zeer vroolijk, zij had hem

klaarblijkelijk niet gehoord gisteravond en hij herinnerde zich ook,

dat hij zacht had gesproken. Hij lachte en knikte tegen het kleine

kindje, zoodat de menschen in de straat bleven staan, elkander wijzend

naar den lustigen monnik, en Mevena stillekens voor zich lachte.

In den winkel en in de lage achterkamer, voor het venster waarvan nu de

wingerd bloeide, was het of de dagen van het vorig jaar weêr beginnen

zouden. De oolijke Baldo vedelde 's avonds weêr, de gebroeders zongen

hun eenvoudige liedjes en Tamalone deed verhalen uit ouden tijd.

Maar Mevena lachte niet meer zooals voorheen, haar gelaat was dikwijls

vermoeid en zij scheen altoos te luisteren of zij boven haar kind

ook hoorde.

En zij werd stiller toen zij niet meer uit kon gaan. Op een middag

had Tamalone haar eensklaps haastig door zijstraatjes meegevoerd,

hij had Lugina gezien die met een edelman liep te praten.

Zij zat nu gansche dagen voor haar venster te naaien, denkend aan den

naderenden tijd waarop haar geliefde beloofd had te komen. Wanneer

zij dan dacht aan wat zij den monnik had hooren vertellen, beneden

voor de deur, den avond toen hij terug was gekomen, dan viel haar

naaiwerk in haar schoot en staarde zij over de daken der huizen aan

gindsche zijde der rivier, in 't verschiet met de vergulde torenspits;

de tijd ging langzaam voorbij, maar haar gedachten wilden niet komen,

zij hoorde voortdurend het gerucht der kooplieden in de straat en

het uitbundig gekweel onder haar raam. Dan ging zij bedaard weêr

door met haar werk, zij geloofde de dwaasheden niet die de monnik had

gezegd. Zij wachtte en voelde zich geduldig tevreden; maar de mannen

beneden zeiden dikwijls tot elkander, met een langzaam hoofdschudden,

dat zij zekerlijk ziek zou worden, ze was zoo bleek en stil.

Het werd al nazomer; westelijk achter de gulden torens en de masten

der scheepjes in het water verkleurde des avonds de zon in velerlei

schoonheid. De monnik waarde nog dagelijks behoedzaam rond om na te

vragen of Lugina de stad al verlaten had. Simon en Josse zaten bij

't licht van hun lampje alleen bij elkander.

Het was al Sint Michiel geweest. Mevena's oogen waren rood wanneer

zij in de huiskamer kwam.

Eens vond Tamalone haar gekleed in den blauwen kapmantel, dien hij

haar gegeven had, zij wachtte om met hem uit te gaan. Hij wilde iets

zeggen van het gevaar dat zij liep haar vader te ontmoeten, doch de

blik van haar oogen was zoo dringend, dat hij volgde. Zij gingen de

kade af, over de brug naar de onbebouwde velden, waar zij vroeger

wel wandelden en toen zij in de groententuinen kwamen zag Mevena hem

recht in de oogen en vroeg:

"Is 't waar dat hij niet terugkomt?"

De monnik boog zijn hoofd, en beiden zwegen terwijl hun voeten

voortgingen naast elkander in regelmatigen tred.

"Is het waar?" vroeg zij weder. "En wat gij dien avond verteld hebt

toen gij terugkwaamt?"

Tamalone zag haar aan--zij was kalm en twee groote tranen gleden

van haar oogen neêr. Toen bleef hij staan, bevend hief hij zijn hand

en zeide:

"Wees toch niet bedroefd, Mevena, het zal voorbij gaan, schrei toch

niet... Ik wil alles voor u doen wat ik kan, gij weet niet hoe ik

u liefheb..."

Zijn stem klonk hem zonderling als uit een afstand. Mevena stond met

gesloten oogen, het hoofd wat naar achter gebogen; beneden op den

grond deed een zachte wind de blaadjes der groenten bewegen.

Zij keerden naar huis, maar spraken niet meer.

Simon en Josse zaten dien avond alleen en staarden elkander telkens

aan, zij hadden gezien dat het lieve meisje in de kamer daarboven haar

ongeluk wist. Tamalone kwam dien nacht niet thuis, hij doolde buiten

de stad, verwonderd over de ontroeringen die hem hadden vervuld. En

toen hij laat den volgenden namiddag aan den winkel kwam vond hij er

de gebroeders, die ontsteld en in drukke verwarring vertelden hoe

de oudste zoo pas het eten dat nog op de tafel dampte, naar boven

had gebracht--de kamer was leêg. Mevena was nergens te vinden. De

monnik gilde en sprong de trappen op, de kamer in, waar de stoel en

de tafel stonden op hun gewone plaats, in den hoek was de peluw met

de wieg er naast.

Maar toen hij beneden kwam werd zijn angst verdreven door het bericht

dat Baldo bracht, die van de wachters had gehoord, dat een vrouw met

een zuigeling dien morgen de poort was uitgegaan; zelf bedarend stelde

hij zijn vrienden gerust, dat hij haar wel achterhalen zou voor zij

het kamp bereikte. En nadat hij haastig had gegeten ging hij op reis,

door Baldo tot aan de poort verzeld.

Maar op den weg, terwijl hij snel voortliep in den vochtigen avond,

voelde hij dat zijn beenen zeer vermoeid waren. Hij ergerde zich over

zijn domheid Mevena zoolang alleen gelaten te hebben; wel vertrouwde

hij dat zij, evenmin als hij wetend waar het leger van Rogier was en

langzamer gaande daar zij het kind moest dragen, het kamp niet vinden

zou voor hij er was aangekomen; maar hij moest aldoor denken aan de

donkere waarschuwing van Walid, die door zijn dwaas geloof, dat zij

het ongeluk had gebracht door den bloedsteen, haar dooden zou. Zijn

voeten waren heet en schrijnden, doch met de tanden vastgeklemd ging

hij voort in groote schreden. En in een zachte bevreemding vroeg

hij zichzelven wat het toch was dat hem dreef tot die nachtelijke

haast--hij had nog nóóit zoo geloopen en nog nooit zooveel angsten

gehad, angsten om een vrouw wier wederliefde hij niet verwachtte en

die hij te nacht of te morgen voor goed uit het oog zou verliezen.

Toen de lucht begon te schemeren kon hij niet verder, hij liet zich

vallen op het natte gras en sliep dadelijk in.

Hij ontwaakte door een hevigen slagregen en stond verschrikt op;

er was een lange weg voor hem, waar de regen op nederspatte en

stroomend wegliep aan de zijden. Maar Tamalone kon niet wachten,

hij sloeg zijn kap over het hoofd en vervolgde zijn reis, het water

droop in een straaltje van zijn gezicht.

Hij rustte maar weinig en tegen het einde van zijn vierde dagreis

had hij Mevena nog niet gevonden, maar door veel vragen wist hij,

dat het kamp niet verre kon zijn.

Het was een boschrijke weg waar hij ging, rijzend en steil weêr neder

dalend, met hooge beukeboomen die onbewogen waren in den windloozen

herfstdag. Hij bleef staan om naar de sporen van paardenhoeven te zien,

die van den weg af door 't struikgewas leidden; voorzichtig sloop hij

door de dorre bladeren, maar stemmen hoorend wachtte hij weêr; dan,

tusschen twee dunne boomstammetjes ziende ontdekte hij krijgslieden

op den grond en herkende het gezicht van Lugina bij hen. Door de

bladeren scheen de zon met bleeken glans.

Tamalone kwam weêr op den weg terug. Zoo hij verder ging liep Mevena

gevaar hier door haar vader aangehouden te worden; zoo hij bleef

wachten bereikte zij wellicht het kamp alleen en kon hij haar niet

beschermen. Hij zag op naar de takken boven hem, hij wist niet wat

te doen. Vóór hem zoowel als achter hem van waar hij gekomen was rees

de weg; hij liep een eind weegs vooruit, omziende en weder omziende;

dan ging hij weêr terug, de plaats voorbij waar de paardensporen in

't hout verdwenen.

Toen hij zijn hoofd weêr omwendde zag hij tegen 't avondlicht een

kleine gedaante die den weg afdaalde--hij wist in eens, dat het Mevena

was en beefde. Zijn beenen waren loom, maar hij liep voort, vlugger

en vlugger, tot hij hijgende de steilte opsnelde. De naderende figuur

herkende hij al, het was een vrouw met een kind in de armen. Toen

hij dichter bij kwam bleef zij staan; Tamalone liep moeilijk ademend

nader met de hand op de borst, en kon niet spreken.

Mevena's gelaat was ernstig, maar onbewogen, met haar groote oogen

zag zij hem in afwachting aan.

"Gelukkig dat ik u vind," zeide hij hijgend, "gij moet niet naar het

kamp gaan zonder mij."

"Ik ben er al geweest," antwoordde ze en sloeg haar oogen neêr.

Langzaam, met woorden die moeilijk kwamen en soms nauw hoorbaar waren,

vertelde zij dat ze Rogier gezien had. Hij had haar niet verwelkomd

en weinig gesproken. Op haar vraag of het waar was dat hij met een

ander zou trouwen, had hij neen geschud, hij had haar hand gekust,

maar niets gezegd. Hij had haar niet geantwoord. Zij had op haar

knieën gesmeekt. Zij was toen heengegaan en hij had niets gezegd.

Tamalone luisterde en zag naar de kleine gestalte naar ééne zijde

gebogen door de zwaarte van het kind, achter haar verbleekte de

avondzon in kwijnende warmte. Zij stonden zwijgend op den weg, in

den schemer der hooge boomen. De monnik dorst niet te spreken. In de

blaêren ritselde het, de stilte was wonderbaarlijk. En zoo stonden zij

langen tijd starend naar het gele licht door het loof van de boomen,

hun beider ademhaling was geregeld en zacht. En toen Mevena haar

oogen opsloeg en hem aanzag, zeide hij:

"Kom meê naar Simon en Josse--"

Maar hij wist het van te voren, zij schudde het hoofd.

"Neen, ik kan met u niet meêgaan. Mijn vader is dichtbij, daar ga

ik heen."

"Maar uw vader..."

"Hij zal me wel vergeven." Even zweeg ze en herhaalde dan: "Ik kan

niet meêgaan."

Tamalone voelde toen de beroering diep in hem zinken. Mevena was

Mevena niet meer, maar een vrouw die van ongeluk stierf. Hij kon niet

meer spreken.

Toen, met tranen in haar oogen, nam zij zijn hand en kuste die;

zij wilde heengaan, maar hief nogmaals zijn hand zachtjes op en

kuste die weder--de monnik bewoog zich niet, hij zag haar heengaan

met geruchtloozen tred, haar mantel was om het kind gewikkeld. De

gestalte daalde en werd kleiner onder het duister der boomen, wier

rustige bladeren hier en daar een weêrschijn vingen van 't laatste

gele licht dat aan den hemel blonk. De monnik keek haar roerloos na.

14

De tijd scheen voort te gaan, de schemer vergaderde zich al donkerder

onder het gebladerte, en nog stond Tamalone in verbijstering te staren

naar waar zij in de verre schaduwen heen was gegaan. Hij voelde dat

het koud was.

Maar eensklaps keek hij schuw achter zich en naar de andere zijde,

de duisternis rondom deed zijn hart zwaar kloppen van angst. Hij sloeg

zijn oogen op en zag, dat er reeds vele starren stonden aan den valen

hemel. Gedachteloos begon hij te loopen, stijgende naar den top des

wegs, en het trof hem dat de avond merkwaardig was van stilte; het

donker der boomen met hun rechte takken, de lucht, en over den grond

zijn lichte schreden, het was alles zoo stil, dat het wel leek of er

iets groots was gebeurd. En toen hij een eind verder weder naar de

starren zag was hij ten zeerste verbaasd over hun talrijkheid--eens,

vroeger, had hij den hemel zoo weeldrig gezien, eens maar; nu was het

evenzoo, er moest wel iets bijzonders wezen, de hemel was niet zonder

reden zoo wonderbaarlijk verlicht, het was om Mevena voorzeker... En

plotseling stond hij stil met zijn handen opgeheven, hij dacht of

hij zinneloos was geworden en sloot zijn oogen in kille vrees. Maar

hij zuchtte, zag nogmaals achter zich waar zij verdwenen was en in

een verlichtende neiging tot glimlachen vroeg hij zichzelven of dit

de werkelijkheid was, die hij zoo vaak had verwacht en die daareven

passeerde.

Toen, dicht in zijn pij gehuld, zette hij zich in de donkere struiken

en dacht aan Mevena, aan haar met de ernstige oogen die voor altijd

ongelukkig zou zijn, die hij nochtans niet weêr zou zien. En hij was

het zelf geweest, die haar ontvoerd had, die haar gebracht had waar

haar ongeluk begon... hoe was het ook weêr gebeurd? Hij trachtte zich

te herinneren hoe hij op een avond met Rogier, die ziek was, bij 't

vlammend wachtvuur zat; hoe hij door oude herinneringen bekoord van

schoone diepgevoelde dingen had gesproken en gemeend had, dat twee die

elkaêr oprecht beminden gelukkig behoorden te zijn. Het meisje met haar

jonge liefde was ook zoo schoon in de blanke zomerdagen toen hij haar

voor 't eerst had gezien, hij had zoo gaarne haar boodschap gebracht,

fluitend den ganschen weg, en Rogier had hem zoo ernstig gevraagd haar

te halen. Dan, in de stad, zag hij Lugina terug, de sluwe grijsaard in

zijn fraaien mantel, die hem geld gaf om zijn vijand te dooden. Den

eersten nacht, alleen met haar op den berg toen hij niet slapen kon,

was die onrust weêr gekomen, gelijk een benauwende avondlucht met

gloeiende strepen, en hij had gevoeld hoe lief zij hem zou kunnen

wezen. Maar hij was een schooier, onverschillig zelfs voor zijn eigen

gevoelens... hij had haar slechts heimelijk gekust, hij die haar

gelukkig had kunnen maken. En zij waren verder gegaan naar het kamp,

waar de dagen al te fel waren van licht en de oogen der oostersche

soldaten spiedend glommen. Nog zag hij in zijn verbeelding den nacht

toen Rogier hen alleen had gelaten en de hemel vol zachten luister

was bloesemend alom; de hemel was nu evenzoo.

Hij stond op. Het kamp was twee mijlen verder, had zij gezegd. Hij

wist niet wat hij er doen zou, maar liep voort; de weg steeg gedurig

hooger, hij hoorde zijn schreden niet. Zijn gedachten waren nu stil,

zoo stil als de blanke herfstavond.

Langzamerhand bemerkte hij een gerucht dat ruischend aangroeide

wijl hij verder ging; hij hield stil en luisterde, het was een

waterval ergens aan zijn rechterhand; heel in de verte, fijn van

onduidelijkheid, hoorde hij ook mannengezang, dat waren de soldaten in

't kamp. Het geluid had een zachte bekoring. Tamalone zocht een plek

om te rusten, want hij was zeer vermoeid.

En al zoekende over het gladde mos, door de takken der lagere boompjes,

kwam hij al nader bij het ruischen van 't water. Eindelijk bereikte

hij den zoom van 't boschje; de grond was daar rotsig en bij het

ijle licht van den hemel bespeurde hij een diepe kloof, waar het

water vallend klaterde. Behoedzaam liep hij verder langs den rand,

luisterend naar het gezang, dat nu bij tusschenpoozen slechts hoorbaar

was, maar duidelijker klonk. En terwijl hij staarde en het nat voelde,

dat opstuifde uit de diepte, zag hij in het donker de gedaante van

een man, die op een steenblok zat met gebogen hoofd, de witte pluim

van zijn muts hing voorover. Tamalone wist wie het was, hij herinnerde

zich zonderling Mevena, die eenzaam heen was gegaan in den avond. Hij

trad langzaam nader en de ander richtte zijn hoofd op.

"Wie is daar?" vroeg Rogier.

"Ik ben het."

En de monnik naderde nog meer. Maar de ander stond op, met de hand in

zijn gordel. Toen, met een diep geluid, sprong Tamalone op hem toe,

zij worstelden en vielen op den grond. Hij wist niet wat er gebeurde,

maar een poosje later voelde hij, dat hij een slappen arm vastklemde,

zijn andere hand was nat. Het water ruischte koel in de kloof beneden,

het stroomde voortdurend, in de verte klonk hetzelfde gezang van

daareven. En daarginds zag hij nog Mevena in donker loopen.

Tamalone stond op en ging voorzichtig terug vanwaar hij gekomen

was. De koude hemel blonk nog steeds in den luister van vele starren,

de duisternis trilde in het geboomte en achter zich hoorde hij 't

ruischen van den waterval allengs verminderen. Hij liep nog een heel

eind in 't boschje voor hij een goede plek vond op het mos waar hij

zich neêrstrekte om te rusten. Hij wist dat hij nog nooit zoo moede was

geweest; de stemmen in de verte waren nu stil geworden en hij sliep in.

In den ochtend ontwakend en door het gelend gebladert de lucht boven

zich ziende waar fijne wolkjes snel voorbij dreven, herinnerde Tamalone

zich den nacht en begreep, dat hij op zijn hoede moest zijn voor

de soldaten. Maar angstiger werd hij bij de gedachte aan Mevena,

die bij haar vader was teruggekeerd. Hij wilde dichter bij haar

zijn; ongeduldig trok hij de struiken en de buigzame takken weg,

die hem bezeerden terwijl hij liep, en aan den zoom van het bosch

gekomen bleef hij staan, glurend door de bladeren over den weg naar

rechts en naar links. Er was geen sterveling, maar steeds schuilend

in de struiken ging hij verder de helling af, zich ergerend over het

geruisch der doode blaêren aan zijn voeten.

Toen hij nogmaals stillekens over den weg keek, herkende hij de

plaats waar hij haar den vorigen avond ontmoet had: er waren versche

sporen van paardenhoeven op den grond. Hij kwam wat nader, daar lag

een muts zooals de oosterlingen droegen in het kamp. En eensklaps

snelde hij den steilen weg af, met wijd gesperde oogen ziende naar

de sporen, die hij volgde waar zij in 't kreupelhout leidden; driftig

sloeg hij de twijgen weg, hij kon de plaats niet vinden, waar hij de

krijgslieden van Lugina gelegerd had gezien. En in zijn onstuimigen

angst hoorde hij een vreemd klagend geluidje, hij sprong vooruit,

zoodat de takken hem zwiepend sloegen in 't gelaat...

Tamalone bleef staan--daar was zij met het kind schreiend naast haar

op den grond, een paar doode krijgslieden lagen nabij, in de verte

klonk verward geschreeuw. De zon scheen zwakjes door de boomen. En zeer

zacht naderde hij, knielde neder en nam haar hand in de zijne; er waren

verscheidene wonden in haar hals en op haar borst lag de bloedsteen.

Zeer lang lag Tamalone geknield, aldoor starend naar haar gelaat; hij

lag zoo lang tot het kind met betraande wangen in slaap was gevallen

en hij eindelijk het brieschen hoorde van een paard; en omziende

ontwaarde hij Walid met zijn gelen tulband, het hoofd achterover en

een sabel in de hand. Zij zagen elkander een wijle aan. Dan steeg de

oosterling af en zeide met goedhartige stem:

"Ik zal je helpen, broeder."

Te zamen, zwijgend, groeven zij wat aarde weg en legden daar de doode

neer; Carolus en eenige soldaten, die terug waren gekomen, hijgend en

met bloedige wapens, zagen toe. Toen zij den kuil toegemaakt en er

de dorre bladeren weêr over hadden gespreid, nam de monnik het kind

op, drukte Walid de hand en ging heen door de boomen, hij hoorde den

brigadier nog achter zich, die iets zeide. Er was een kalmte in hem

of het nu altoos herfst zou blijven.

En langzaam liep hij den weg af, het kind dat schreeuwde zuiend in

zijn arm. En hij schudde zijn hoofd en sprak tot het kind.

Hij zeide, dat het wel vreemd was dat hij het droeg, die nog dien

zelfden nacht een man had gedood en daardoor de wraak der soldaten

over de arme moeder had doen komen--zijn liefde was het, de liefde

van den deugniet, van den onverschilligen schooier, die zich om geen

mensch ooit bekommerde, waardoor al het ongeluk was gebeurd.

Een Zwerver Verliefd · 第 7 / 8 段