den hemel dreven; toen, wijl hij moeizaam ging onder het roerloos
geboomte waar de zon maar flauwtjes scheen, zeide hij met nog zachter
stem tot het kind, dat haar schoon gelaat hem nimmer zou verlaten,
dat hij ten minste haar liefhad die ginder onder de bladeren lag,... en
dat hij misschien, misschien gelukkiger was geweest dan de ander dien
zij beminde.
Maar het kindje verstond hem niet, het schreeuwde gedurig en de monnik
ging voort, langzaam, want zijn voeten deden zeer.
End of Project Gutenberg's Een Zwerver Verliefd, by Arthur van Schendel