Even zweeg hij, starend naar de loovers en de wolkjes, die hoog aan

den hemel dreven; toen, wijl hij moeizaam ging onder het roerloos

geboomte waar de zon maar flauwtjes scheen, zeide hij met nog zachter

stem tot het kind, dat haar schoon gelaat hem nimmer zou verlaten,

dat hij ten minste haar liefhad die ginder onder de bladeren lag,... en

dat hij misschien, misschien gelukkiger was geweest dan de ander dien

zij beminde.

Maar het kindje verstond hem niet, het schreeuwde gedurig en de monnik

ging voort, langzaam, want zijn voeten deden zeer.

End of Project Gutenberg's Een Zwerver Verliefd, by Arthur van Schendel

Een Zwerver Verliefd · 第 8 / 8 段