Lugina bedrogen was en dat diens dochter in het kamp was gekomen met
een gauwdief. Maar Rogier kon immers met haar niet trouwen, tenzij hij
in het verbond der pauselijke edelen ging en niet in Siremonte wilde
wonen, in het gebied van den heer van Romano, die meer geducht was in
't land dan de keizer zelf. Rogier haalde zijn schouders op en wilde
antwoorden, doch de vorst sprak verder, dat hij hem als stadhouder
over Toscane wilde stellen wanneer de burcht was gevallen en ried hem,
indien hij de vrouw zoo zeer beminde, te wachten tot de oorlog voorbij
was en Lugina onderdanig werd. Dit zeide de keizer vertrouwelijk met
zijn hand op Rogiers schouder; dan richtte hij zich tot zijn volle
grootte op en voegde er bij:
"Vergeet niet, dat gij mij trouw hebt gezworen. En zoo ge ondanks
mijn raad uw wil doet, zijt ge mijn vijand," en reikte zijn hand,
die het zegel des rijks aan een vinger droeg--Rogier boog en kuste
haar, terwijl de sterrewijze hem toeknikte over zijn boek.
De arts trad toen binnen door een knaap gevolgd, die een schaal droeg
met gekruiden drank. En daar de keizer weder naar zijn tafel ging,
groette messer Rogier en vertrok.
Hij reed door de groene laan waar zoeltjes de wind in het loover
speelde naar het kamp terug en was verheugd, dat hij een aanzienlijk
man zou worden wanneer de burcht genomen was. Maar hij hield zijn
vreugde in want hij dacht aan Mevena.
De brigadier liep hem tegemoet om te zeggen, dat Tamalone niet te
vinden was. Mevena, roerloos zittende in de schaduw van den boom,
zag hem een breed gebaar maken en haar oogen waren groot open alsof
zij vragen wilde wat nieuws hij bracht. Hij wees haar op te staan,
hield de tent voor haar open en toen zij binnen waren zeide hij:
"Ik moet hier blijven, Mevena, de keizer wil mij niet laten gaan."
Zij zag naar den grond en antwoordde niet. En hij sprak weêr:
"Maar nog vóór de zomer voorbij is kom ik in Pisa, nog vóór Sint
Michiel, nog vóór de winter komt, en dan zullen wij nooit meer
scheiden, en gelukkig zijn."
Zij zweeg een pooze, maar dan sloeg zij haar oogen op en zeide:
"Beloof mij gauw te komen, ik kan niet zoo lang meer alleen zijn..."
En verteederd door het smeekend geluid harer stem sloeg hij zijn arm om
haar schouder en kuste haar, maar zij week wat achteruit en vervolgde:
"Hoe lang zal die oorlog nog duren, liefste? O het zal een tijd voor
me zijn te wachten daarginds. En hoe zal ik weten--"
Maar hij kuste haar weder op haar mond, sprak met luchtig goed
vertrouwen en herhaalde, dat hij spoedig bij haar terug zou wezen. Dien
ganschen dag zat zij in zich zelve gekeerd voor zich te staren en
sloeg op haar kind maar zelden acht. Rogier liep buiten rond om
bevelen te geven.
Des nachts toen hij wakker werd tastte hij, maar voelde Mevena niet
naast zich; hij richtte zich op en ontwaarde tegen het doek der tent,
waarachter flauw een wachtvuur scheen, haar donkere figuur in knielende
houding gebogen en hij hoorde het gefluister van een gebed. Ongeduldig
lei hij zich weêr neder, zeide dat zij bij hem moest komen, doch zij
bad voort en wachtend dommelde hij weêr in.
Zij sliep dien ganschen nacht niet, want een gedurige onrust
bedroefde haar gemoed, zoodat zij wel weenen wilde, maar haar oogen
bleven droog; zij dacht er aldoor aan, dat zij weer heen zou gaan,
zelfs zonder haar braven vriend Tamalone ditmaal; de vreeselijke
gevaren van den oorlog zag zij haar geliefde steeds naderen en zij
wist niet wat zij doen zou... Baldo had wel eens een lied gezongen
van een vrouw, die als jonker aangedaan haar minnaar volgde--het was
ook maar een lied geweest, want zij kon dat onmogelijk doen, er was
voor haar en het kleine kind geen andere hulp dan te wachten tot hij
terugkwam. Weemoediger dan ooit te voren voelde zij zich verlaten in
de wereld, zij staarde gedurig in het duister en wist geen raad. En
wanneer haar kindje schreide lei ze het gedachteloos aan haar borst,
het wicht zoog in gretig welbehagen terwijl zijn moeders hoofd van
droefheid gloeide.
En toen de grauwe dageraad begon stak Carolus zijn hoofd binnen om
zijn heer te wekken. Rogier keerde zich om op het stroo, vroeg of
de paarden gereed waren en sloot zijn oogen weder. En het was weêr
zeer stil in de tent. Mevena voelde zich moede, het kind sliep in haar
arm. Dan klonken er stemmen. Rogier stond op, gaf haar een kus en trad
naar buiten. En terwijl zij zich oprichtte om hem te volgen deed een
groote onrust haar hart zoo hevig aan, dat zij angstig werd en draalde.
In den neveligen ochtend stonden twee paarden, die door Carolus en
Rogier werden opgetuigd; uit de tenten rondom klonk hier en daar het
geluid van een snorkend slaper. Zij klommen zwijgend te paard en reden
heen. Toen ontwaarde Mevena, terzijde kijkende, de gestalte van Walid
die met zijn gele muts en gekruiste armen bij een wagen stond, even
zag zij het wit zijner oogen naar haar gericht--zij schrikte en beefde.
Zoo lang zij in het kamp waren sprak haar minnaar niet, maar bij de
laatste tenten, waar de boomen in dubbele rijen den dalenden weg
verdonkerden, keek hij naar haar op en zag, dat zij bleek was en
huiverde. Hij vroeg bezorgd wat haar scheelde, maar zij schudde het
hoofd slechts en toen hij den schabrak van zijn paard om haar en het
kind heensloeg, glimlachte in eenen haar heele gelaat van schoone
liefheid, zoodat Rogier dichter bij haar rijdende zeide dat zij hem
zéér dierbaar was en hij geen andere vrouw kon beminnen.
Toen reden zij nog een poos met zoete woorden voort, terwijl achter
hen over den heuvel de jonge zon aan de lucht verscheen. Maar waar
de weg smaller werd en zich in tweeën deelde hield Rogier zijn
paard in en zweeg een oogenblik. De stille morgen blonk wazig aan
den hemel en over de groene boomen. Hij wilde haar vaarwel zeggen,
maar het griefde hem zoo dat hij haar bedroefd had gemaakt en dat
hij haar onrecht deed door haar alleen te laten gaan, hij had haar
al zooveel beloofd. Doch hij bezon zich, dat het teêrhartigheid was
zoo te denken, immers wanneer hij over eenige maanden een hoogen
rang had kon hij weêr bij haar komen en zij zou gelukkig zijn. Hij
nam haar in zijn armen zeggend, dat hij snel terug moest keeren,
dat hij nog vóór Sint Michiel bij haar zou wezen en kuste vele malen
haar bleek gelaat. Hij draalde nog, zijn wangen gloeiden, want hij
voelde hoezeer hij haar beminde, die hem aanzag met groote oogen,
en hij kuste haar weder, haar lippen, haar aangezicht en haar handen
het laatst. Dan wendde hij den teugel en met een zwaai van den arm
reed hij heen, zijn hengst galoppeerde brieschend den weg weêr op
onder de boomen. Een eind verder keek hij om, haar paard stond bij de
scheiding van den weg met neêrgebogen kop om te grazen, haar gestalte,
met het kind in de armen, was onbewegelijk naar hem gekeerd.
Enkele dagen later gaven de edelen, die het kasteel verdedigden zich
over, zij waren tegen den honger niet bestand. En de keizer leidde
zijn zoons en groote heeren naar de stad, waar zij in het paleis aan
prachtige tafels zaten met Spaanschen wijn in de kannen en groote
schalen vol gebraad en pasteien. Hij stelde Rogier tot stadhouder
over het Toscaansche land en schonk hem den keten, de edelen klapten
hun handen en de vedelaars maakten lustige muziek. Carolus liep met
rood gelaat de zaal uit en dan weêr in, hij dronk vele bekers leêg
en omhelsde Walid, zijn goeden vriend die dikwerf knikte, in groote
blijdschap.
Langzamerhand, terwijl de oversten bespraken hoe zij den tocht zouden
voortzetten en Rogier aan zijn ambt was gewend, herinnerde hij zich,
dat Mevena op hem wachtte. En hij schreef een brief aan haar vader,
waarin hij hem zijn vriendschap bood en hem verzocht ter liefde van
haar toch tot den keizer te keeren.
Hij kreeg geen antwoord, maar weken later kwam er een boodschapper
van den heer van Romano, zijn gevreesden verwant, die in een bondigen
brief hem gebood de dochter van Lugina heen te zenden.
En de volgende dagen zat hij, wanneer er geen heeren waren die met
hem praatten, alleen in de hooge zaal en dacht aan haar, die pas een
jaar geleden hem het wonderlijkst geluk had gegeven, die hij meer
had begeerd dan zijn leven toen hij met pijnen in de bergen lag, en
hij peinsde of hij haar waarlijk voor goed kon verlaten. In den gloed
van een oogenblik had hij soms wel geloofd, dat de roem van een groot
man in het land te zijn hem niet bekoorde, maar hij wist dat het niet
waar was, want hij had van zijn jongste jaren niets anders verlangd,
tot hij op een zomeravond Mevena in schuchtere lieftalligheid voorbij
had zien gaan. En hij verbeeldde zich hoe zijn leven geweest zou zijn
indien hij niet bij den keizer was gekomen, maar haar naar zijn kasteel
had gebracht: Siremonte was een zeer oud huis, waar het in de kamers
altoos donker was, in den hof groeiden de struiken wild en ook op
den wal over de graven der vroegere bewoners: de lieden die de akkers
bouwden waren nooddruftig--hij had het slot verlaten toen hij een knaap
was en zou er niet weêr kunnen leven nu hij een rijk stadhouder was.
Hij wist wel, dat hij niet anders doen kon dan den keizer en vooral
messer Romano verzoeken, nederig verzoeken, dat hij haar tot vrouw
mocht nemen. Maar Romano was een vreeselijk man, die nog kort
geleden velen van hun eigen geslacht had veroordeeld wegens hun
ongehoorzaamheid.
In zijn twijfel en beslommering nam hij den machtigen heer van
Lancia in zijn vertrouwen. De markgraaf, die zeer bejaard was, lachte
kalmpjes. Hij wist niet dat Rogier nog aan het meisje dacht, hij sprak
over zijn eigen dochters, hij sprak langen tijd bedaard en overtuigend.
Als hij alleen was staarde Rogier dikwijls voor zich, in gevoelige
oprechtheid denkend wat hem het meest waard was. Maar wanneer hij
bedacht wat hij doen zou als hij het verlof niet kreeg, zuchtte hij
en herinnerde zich Walid, die gezegd had, dat de bloedsteen hem leed
zou brengen.
En des nachts werd hij somtijds wakker en zag in zijn verbeelding
Mevena die schreide.
12
Over de zonnige wegen ging Tamalone, thans weêr in een pij gekleed,
eenzaam als voorheen en gelijk voorheen ook, toen hij pas uit het
klooster gevlucht was, vermeed hij de menschen, daar hun vragen wie
hij was, van waar hij kwam en waarheen zijn tocht ging, hem ergerden
en het langdurig zwijgen zijner eigen stem hem een genot was.
Onder den ruimen hemel en met het groene land rondom was de eenzaamheid
hem vroeger een zachte rust geweest, een eenvoudige vreugde van te
zwerven zoo 't hèm behaagde en te aanschouwen hoe de wisselvalligheden
zich opdeden in hùnnen loop.
Nu echter, wanneer hij in de verte een gehucht zag onder wat boomen,
stond hij stil en zette zich neder in het gewas aan den weg, schuw
voor wat er mooglijk kon gebeuren als hij daarginder kwam, nieuwe
gezichten zag en praten moest. Het teeder denken aan den winter,
die voorbij was, was vol lieve figuren en liet hem geen rust; met
zijn hoofd, al vermoeid van het voorover buigen dien heelen dag, in
de beide handen geleund, zat hij daar uren lang tot de zon van den
hemel ging, en trachtte aan Mevena alleen te denken. Hij meende dat
zijn verblijf met haar een avontuur was geweest, een heerlijke tijd
weliswaar, dien hij zich altoos met innigen ernst zou herinneren,
doch in zijn diepste wezen niet meer dan nog een vervlogen illusie,
zooals er hem sedert zijn jongensjaren zoovele hadden verlaten, die
slechts wederkwamen in een zeldzamen zaligen droom. Het leek nu zoo
vreemd alleen aan den weg te zitten; het pover landschap rondom waar
slechts een paar koeien graasden, stil in 't brooze schemerlicht,
en ginder wat boomen goedig in een groepje bij elkander stonden, kwam
hem zoo bijzonder voor of hij 't al eerder had gezien; doch van ouds
al kende hij dit onuitsprekelijk gevoel--een vermoeid wandelaar hoort
zoo in den aanvang des avonds geluiden die niet bestaan, of ziet een
lichtjen in de schaduw en weet dat hij zich vergist, maar in gepeinzen
gaat hij verder, twijfelend over vele dingen.
Tamalone wist, dat wat hij had ondervonden en wat hij ooit in
verbeelding doorleefd had, niet anders verschilde dan dat hij
het eerste vreesde--duidelijk bewust thans vreesde--en het ander
beminde; Mevena was slechts een naam die hem bekoorde, haar gelaat
zou wel van lieverlede vager worden en uit zijn stille gedachten
vergaan--was zelfs zijn jonge vroomheid in de dagen van het klooster
niet eveneens verleden en voorbij? Geen van zijn liefste begeerten
zou ooit waarlijk gebeuren, van al zijn droomen zou er geen ooit
tastbaar geluk zijn, maar hij had er altijd zachtjes om gelachen en
zich verwonderd wanneer hij van ongeluk hoorde. Wel school er in 't
heimelijk van zijn hart een gevoelen, het heiligst dat hij had--het
was een noodlottige zekerheid--, dat hij eenmaal nog een groote
werkelijkheid zou ervaren, gelijk de ondervindingen zoo smartelijk
van echtheid, dat hij door de stem van enkele lieden die hij er van
had hooren verhalen een vreemde benauwing gevoeld had; de een was
een man bedrogen door zijn vrouw, de ander een moeder wier kind was
gestorven, een derde was blind geworden, doch onder die allen was er
geen enkel zwerver, die zooals hij ter wereld niets bezat, niets dan
een pij--en een pij die maar schijn was. De glanzende dagen echter,
die hij in den winkel van Simon had doorgebracht, zouden in zijn
herinnering blijven als een wandeling door prachtige bloemlanen,
zwaar van geuren onder de zomerlucht, hij zou er geen traan om laten
en zij waren niet de groote gebeurtenis welke hij van kindsbeen al
vreesde en begeerde beide. En hij wilde wel weten of mogelijk die
donkere zekerheid het voorgevoel was, dat nooit wordt bewaarheid.
De avond daalde over de heuvelen, de klank der bellekens die de koeien
droegen werd kleiner in de verte en zoo hij een bed wilde hebben voor
de boeren in 't gehucht te ruste waren, moest hij voort.
Vroeg in den dag verliet hij de dorpers weder en ging zwijgend den
klaren weg langs, tevreden in 't kalm stralende zonlicht. En bij
het eind van zijn dagreis zat hij weer onbeweeglijk op den grond,
met inwendig geluid liefkoozend den naam te herhalen van een vrouw,
die ver in den schemer waarde, en de stilte over het land verontrustte
hem in hoogere mate dan den avond te voren. Zijn hoofd was vol van
teedere heugenis en verdrietigheid, de donkere aarde zweeg, zelfs in
den hemel, van licht verlaten, vloot de weemoed gelijk de glimlach
van een kind dat geschreid heeft. Hij wist niet wat de kommernis die
hem drukte beduidde, hij begreep niet hoe de menschen met bewonderend
smachten verhalen konden doen van groote passie, van het leed dat zij
aanbaden als de zuiverste deugd--en hij herinnerde zich, dat hij zelf
al sinds jaren heimlijk dit ééne verlangd had, zijn allergrootste
passie. Het klopte in zijn borst en in gejaagde haast vervolgde hij
zijn reis in den avond.
Toen hij tot de kalmte was wedergekeerd, zag hij dat hij niet behoefde
te vreezen, de vrouw aan wie hij dacht was immers een beeld maar en
zou nimmer werkelijkheid worden, een beeld van zijn eigen ontroering;
zijn lieve vrijheid zou hij behouden. De rust die deze gedachte hem
gaf was als de stilte in het bosch wanneer de herfst al nadert.
Op een Zondag trad hij de poorten van Lucca binnen, waarheen de weg
dien hij gevolgd had voerde. Daar hij honger had zocht hij de woning
van een oudbekende, Marco genaamd, een bezadigd man die metalen mengde
en studeerde. Toen de oude man de deur opende was hij even verrast; dan
begroette hij Tamalone vriendelijk, leidde hem naar zijn werkplaats,
gaf hem eten en drinken en hernam bedaard zijn bezigheid met het
schoonmaken van gereedschappen. De monnik at in stilte en zag hem
begaan, buiten in de lichte straat lachten de burgers van zondagspret;
hij herinnerde zich zijn drukken leerlingstijd en wist dat Marco hem
een luiaard vond.
Een poosje later hoorde de grijsaard een zucht; hij ging door met
zijn kroezen en vroeg wat er scheelde.
"Ik ben moê," was het antwoord.
"Gij ziet er bleek uit, broeder; gij moest liever werken dan van
't eene klooster naar 't ander gaan en gedurig bidden."
Tamalone glimlachte. De woorden echter hielden hem dien nacht lang uit
den slaap, hij twijfelde of het noodig zou wezen een middel te zoeken
tegen de onrust, die al heviger roerde. Hij had toen een droom waarin
hij overvloedig weende en verbaasde vreugde voelde om twee schoone
oogen. De rest van den nacht, waarvan hij het einde wakend verbeidde,
lag hij te mijmeren of hij ooit door een toeval Mevena weder zou zien.
Dagen lang kwam hij in de woning van Marco slapen, overdag was hij
altijd uit. Er waren vele bekenden in de stad, die hem ontmoetten
en medenamen naar huis; terwijl zij hem onthaalden moest hij dan van
den oorlog vertellen, of zij verwachtten kwinkslagen van hem zooals
zij gewoon waren. En Tamalone praatte in luchtigen scherts, maar hij
had een weêrzin tegen hun vroolijke gezichten. Het deed hem vreemd
aan den toonval van zijn stem zoo week te hooren. En in het drukke
gezelschap voelde hij een gedurigen drang om ergens in een lommerrijk
landschap op het gras te liggen en zich over te geven aan de bekoring
van neêrslachtigheid.
Laat thuis komende eens vond hij in de werkplaats van zijn vriend
den ouden Lugina, die in het rustig licht zat te wachten en Marco
gadesloeg in zijn arbeid. Mevena's vader schudde hem de hand
in vriendschappelijke opgetogenheid, hij had hem lang gezocht,
zeide hij. Maar daar de monnik er zeer vermoeid uitzag zou hij
hem nu verlaten en hem morgen vroeg verwachten; Lugina klopte hem
vertrouwelijk op den schouder en ging heen.
Toen hij weg was zat Tamalone te staren met opgerimpeld voorhoofd,
mijmerend over Mevena en of misschien haar vaders komst hem geluk zou
brengen. Hij had den man bedrogen, zijn belofte om Rogier te vermoorden
was hij nooit voornemens geweest te houden; hij moest dus morgen
iets verzinnen. Marco was in zijn studie verdiept en stond aandachtig
naar een vloeistof te kijken, dien hij in een fleschje ophield tegen
het licht, terwijl achter hem in een armstoel de luie monnik voor
het eerst sedert vele dagen weêr vroolijk werd en geluidloos zat te
lachen bij de gedachte, hoe hij Lugina misleid had en zijn dochter
ontvoerd. Doch weêr ernstig geworden besefte hij, dat Mevena zelve
in gevaar zou verkeeren zoo haar vader haar vond. Hij moest hem op
een dwaalspoor leiden en hij had weldra een sluw bedenksel gereed.
Des anderen daags vond hij Lugina reeds buiten de herberg op hem
wachtend in de straat onder den hoogen dom. De edelman liep hem
lachend tegemoet, de grillige zomerkoelte speelde in zijn paarsen
mantel; hij nam den monnik bij den arm en vertrouwelijk naast elkander
gaande wandelden zij de stadspoort uit. De een noch de ander sprak
een woord, zij wachtten beiden of de ander zou beginnen en zagen
omzichtig rond. De glanzende wolkjes lagen traag in den hemel van het
ééne verre verschiet waar de heuvelen in vage tinteling verliepen,
tot het ander; de klare akkerlanden waren rijp en in heete stoving,
op sommige grasvelden, waar gemaaid was, rustten boeren in zwaren
slaap. De weg liep door dunne boompjes met weinig schaduw.
Eindelijk sprak Lugina en vertelde hoe hij ook zijn dochter nog te
wreken had. De monnik antwoordde, dat hij wist wat er gebeurd was,
ook had hij Rogier wel gevonden, maar hij had zijn belofte nog niet
kunnen volvoeren. Toen hoorde hij verbaasd, dat Lugina zelf met alle
vier zijn zoons zijn vijand gevolgd had van kamp tot kamp, dat hij wist
waar Rogier, die stadhouder was geworden, zich bevond met het meisje,
en dat ook haar broeders daar waren op dit oogenblik... Tamalone
bleef staan, zijn oogen waren wijd open en in zijn starre verbazing
zag hij den ouden man, met fel gelaat, die plotseling een dolk in de
hand hield en naar hem stiet, maar even plotseling bukte hij, greep
zijn aanvaller bij de beenen en wierp hem op den grond. Even aarzelde
hij of hij vechten zou, hij voelde den schrik nog van wat hij gehoord
had; dan keerde hij zich om en liep snel heen, zonder een enkelen keer
achter zich te zien, waar Lugina midden op den weg hem na stond te
kijken met den dolk, die een blank lichtje schoot, in de geheven hand.
Het was een smalle weg door de korenlanden, de zon scheen overal en
het felst op de boompjes, waarvan hij door een bocht soms de kruinen
al in de verte zag schitteren. Tamalone voelde zich gejaagd. Hij
wilde naar de stad waar Mevena was, maar hij vreesde zijn vijanden;
zoo hij slechts Rogier kon waarschuwen over haar te waken--haar
broeders waren nabij, misschien was er al een ongeluk gebeurd en wat
kon hij zelf nu doen, die vervolgd werd door de hatelijke edelen in
't leger? Maar hij hoopte, dat hij een boodschap kon zenden. Hij liep
met snelle stappen, het mulle stof steeg in wolkjes om zijn voeten op,
zijn gelaat was gloeiend en bezweet.
Nadat hij den lievelangen dag recht voor zich starend en in krieuwende
angst was gegaan, het licht verkoelde en de hemel ruimer werd, was hij
aan een troosteloos moerasland gekomen waardoor de weg met velerlei
kronkeling voerde. Hij vond toen water om zijn dorst te koelen,
over de plassen zweefden de dampen. De lucht werd blank en teeder,
uit de verte dreef de schemer nader, westwaarts talmden nog tinten
in 't ijl verschiet. De monnik, zich haastend met groote schreden,
voelde zich angstig in de barheid der vlakte, zijn schichtige schaduw
die hem vóór ging over het rusch en de poelen deed bij wijlen een
reiger met verschrikt gerucht de vleugels uitslaan en heenvliegen in
schuine richting.
En hoe meer de duisternis zich vergaârde over het armzalig rietland
rondom, zoo dichter en hooger stegen de nevelen. Doch Tamalone sloeg er
geen acht op, hij liep slechts te rekenen hoe ver hij van de stad was
en of hij haar in den morgen kon bereiken; soms sprak hij plotseling
woorden en maakte een gebaar met zijn arm.
Op eens hoorde hij dat zijn schreden, die hem vermoeiden, gedempt
klonken en het kwam bij hem op, dat hij niet meer op 't pad
liep... plots bleef hij staan en zag rondom zich rillend van schrik:
hij was verdwaald in de duisternis en door den mist kon hij de lucht
van daareven niet meer zien.
Hij bukte neder om naar den weg te voelen, de grond was modderig en
nat. Hij moest teruggaan, om alles ter wereld teruggaan, hij moest naar
de stad, maar wist den weg niet meer en de ochtend was nog ver. Dan
knielde hij voorzichtig neêr en tastte rond naar de indrukken van zijn
voetstappen--en daar, geknield voorovergebogen in het moerasland, in
den suizenden nachtmist, dacht hij aan een vrouw, die hem 't liefst ter
wereld was, en dacht hij of hij hier zou sterven ver van de stad. Zijn
oogen weenden vrijelijk en terwijl hij langzaam voortkroop over het
slik, zoekend naar zijn spoor, snikte hij hardop zijn rampzaligheid
uit, snikte voor het eerst van zijn leven, het was een schrikkelijk
geluid in het donker. Maar het verstierf in dien kouden nacht zonder
einde, het verzwakte en zweeg. En de strenge stilte duurde lang.
Ten langen leste, hijgend en rillend, vond hij den harden bodem des
wegs, zijn armen zwikten en hij zeeg neder op zijn borst. Het was
een zachte rust die hem slaperig maakte.
Dan hief hij zijn hoofd van den grond, er stond een lichtlooze maan
boven de dampen van 't laagland. Tamalone rees, strekte zijn beenen
en liep voort langs den weg hopend de stad nog vroeg te bereiken.
Bij den dageraad begon het land weêr te rijzen, het eerste zomerlicht
dartelde met gouden munt door het kalme loover van de boomen, dat
licht zoo vertrouwelijk en zóó lief, dat Tamalone zijn armen ophief
en riep en lachte van innig gevoelde vreugde.
Hij stond niet stil, doch liep voort en voort, tot hij een paar
landlieden zag op weg naar hun werk, die hem vertelden, dat de keizer
met zijn leger vertrokken was, de stadhouder was er bij. Toen zette
hij zich zeer vermoeid aan den rand van een gelen akker om te rusten;
hij leunde achterover om naar een vroege bij te zien, die gonsde in
't ochtendlicht, een zachte koelte speelde door de bladertjes van
een populier,--zijn oogen sloten en hij sliep in tusschen het koren,
waarvan enkele aren rustig wieglend over hem neder bogen.
13
De waard van de herberg waar hij een bed had gevraagd, kon hem niet
zeggen of er een vrouw in het leger was, noch waarheen de stadhouder
was getogen. De oostersche soldaten waren echter nog in de stad en
zij zouden het zeker weten.
En ofschoon het al donker was geworden begaf Tamalone zich aanstonds
naar het paleis, waar hij om Walid vroeg. De hoofdman, verbaasd hèm
daar te zien in de groote zaal, begroette hem lachend en vriendelijk,
hij had hem meer genegenheid toegedragen sedert de vaardige vlucht
uit het kamp voor het belegerde slot.