van Mevena en dachten niet aan den tijd wanneer zij heen zou gaan;
zij zelve sprak er nimmer over, noch over hem die in het leger was en
Tamalone had geen andere gedachte dan voor haar te zorgen en haar te
behagen. Hij kleedde zich hoe langer zoo fraaier en kwam dikwijls met
nieuwe sieraden thuis. De gebroeders hadden er al samen over gesproken
hoe zeer hij veranderd was: kleurige kleederen droeg hij, met glansen,
hij schoor zijn kin en krulde zijn kneveltje gelijk een edelman. Zij
wisten niet hoe hij aan 't geld kwam om zulke kostbaarheden te koopen,
maar zij waren al jaren gewoon hem na poozen van groot gebrek eensklaps
rijk te zien; ook hadden zij gehoord dat hij veel in de huizen van
voorname lieden kwam, en zij vonden hem een wonderlijk man.
Op een avond, toen Mevena vroeg naar boven ging, was de monnik,
die onder het gezang van Baldo stil voor zich had gekeken en uit
was gegaan, nog niet terug. De broeders besloten te wachten tot hij
kwam en zaten ter wederzijden van het vuur over Mevena te praten. De
ruitjes klepperden grillig in 't raam door de vlagen van den wind;
achter het huis sloeg de torenklok dreunend het uur van den nacht,
die stiller werd naarmate de mannen langer wachtten.
Tamalone doolde in de stad rond, dicht in zijn mantel gehuld voor de
koude. Hij had dien avond gezien, dat Mevena een kind moest krijgen,
en hij had zich herinnerd hoe hij haar uit het huis van haar vader
naar het kamp in de bergen gevoerd had, toen hij nog niet wist dat hij
van haar hield. Een kranke ontroering was over hem gekropen toen hij
gewaar werd dat hij de laatste weken in droomende wenschen geleefd had,
hij die heel zijn zorgeloos leven zijn avonturen had laten komen zoo
zij wilden, wel wetend dat er voor 't innig verlangen slechts wanhoop
was--hij had zich in het huis van Simon een vreemdeling gevoeld in
zijn zwierige kleederen. Den nacht van hun vlucht ook had hij zich
duidelijk herinnerd en de gouden kronen, die haar vader hem had
gegeven--toen had hij zich geërgerd aan die vrouw die hem nooit zou
begrijpen en hij was zonder spreken de deur uitgegaan.
Het was overal donker, slechts de ruitjes der taveernen waren verlicht,
in de huizen schenen de menschen te slapen en Tamalone liep met
tintelende wangen geheel alleen in den nachtwind, die suizend woei
door de verlaten straten. Hij hoorde zijn haastige voetstappen, waar
hij zoo vaak naar geluisterd had op zijn eenzame tochten, de wind
deed hem diep ademen en hij voelde zich opgewonden door begeerte
om den ganschen nacht te loopen waar de wegen hem voeren mochten,
om weder als van ouds te dolen door 't land van stad tot stad.
Op het domplein stonden in donker groepjes mannen te praten, een enkele
dronkaard liep in zichzelf gekeerd te zingen op lijzigen toon. Tamalone
ging een herberg binnen, dronk in eenen teug den beker ledig en liep
onbezorgder verder in den nacht, zijn open mantel wapperde vrij van
zijn rug. Blijdschap deed hem nu haastiger gaan, hij had de heerlijke
doellooze vrijheid weder van te zwerven onder vreemde menschen. Morgen,
morgen wanneer de poorten open waren zou hij de stad uit gaan, hij
was er reeds lang geweest. In zijn verbeelding zag hij Mevena alleen,
in het huis van Simon eerst, later terug bij den man in het leger; het
waren slechts stille beelden welke hij zag, zij ontroerden hem niet.
Met een glimlach herinnerde hij zich hoe hij nog dien zelfden morgen,
terwijl hij naar haar witte handen keek, met innerlijk schreien had
gedacht waarom zij hèm niet beminde, die haar nooit verlaten zou hebben
en met wien zij gelukkig zou wezen. Het was heerlijk een vrouw lief
te hebben zooals hij haar liefhad, maar hij wist, dat zij weldra heen
zou gaan, voor goed zou gaan, zoodat hij haar nooit meer weder zou
zien. Hij hoefde niet langer te blijven in 't huisje aan de rivier,
waar hij zich vervelen zou, nu de begeerte was teruggekomen naar
het land en den open hemel, naar steden waar hij nooit was geweest
en nieuwe menschengezichten. Hij kon haar gerust verlaten, zij was
veilig bij Simon en Josse en zou niet naar hem vragen. En hij, zou
hij niet gelukkiger zijn zoo hij slechts aan haar denken kon?
Met lustige schreden liep hij in onbekende buurten, langs wegen waar
huizen in aanbouw waren; een eind verder op een open plek zag hij
onduidelijk den omtrek van een galg tegen de lucht, hij lachte even,
met een dwaas gebaar, en bleef staan om te zien of er iemand hing,
maar het was te donker. Hij merkte nu, dat het koud was, stampte op
den grond en blies in zijn handen.
Terwijl hij voortliep bedacht hij dat het dwaas zou zijn den ganschen
nacht te dwalen, indien hij in den morgen op reis wilde gaan; hij
besloot naar huis te keeren, en lang te slapen.
De deur stond aan en binnen vond hij Simon, die alleen nog op was,
slapend met het hoofd in de armen op de tafel; nevens hem stond
een ronde kruik met bier, de katten lagen voor het smeulend vuur te
spinnen. Simon, met zijn vuisten in zijn oogen wrijvend, vroeg waar
hij geweest was, doch Tamalone antwoordde niet, dronk uit de kruik en
zette zich bij het vuur. Hij wist, dat de goede Simon al sedert hun
kloosterjaren hem genegen was, dat hij de eenige was die om hem gaf;
hij vroeg hem nu nog een oogenblik op te blijven terwijl hij zich
warmde en zijn bier dronk. Zij zaten elkander zwijgend en vriendelijk
aan te kijken, de torenklok sloeg met ernstigen klank. Eindelijk stond
Simon op, zeide dat Tamalone toch een zonderling man was en blies de
pit uit.
Op zijn bed in de deken gewikkeld, voelde Tamalone zijn voeten nog
prikkelen van het loopen en voor hij zijn gedachten in behaaglijken
slaap verloor, rees er onverwacht ééne nog in verschietende klaarheid:
hij had haar lief zoo zéér, dat haar wederliefde hem niet gelukkig
zou maken.--
Laat in den dag stond hij op. Mevena zat geduldig te wachten om met hem
uit te gaan naar hun gewoonte. Hij was op het punt haar zijn besluit
van gisteravond te zeggen, doch haar oogen waren zoo vroolijk, dat
hij wel terug moest glimlachen en haar niet te leur wou stellen. Hij
kon evengoed in den avond vertrekken.
Het was een blanke, frissche dag; de menschen in de straten zagen
opgeruimd en bloosden van de koude. In het begin van hun wandeling
luisterde Tamalone zonder antwoord naar wat zij zeide. Zij liepen
langzaam en bleven dikwijls voor de winkels staan; aan den overkant van
't water gingen zij door groententuinen en hij werd van lieverlede
spraakzaam. Dan vertelde hij haar zijn voornemen om heen te gaan,
daar zij veilig was bij zijn vrienden. Een poosje gingen zij zonder
spreken voort met gebogen hoofden; toen zij hem aankeek zag hij,
dat zij groote tranen in de oogen had--hij schrok en wilde haar hand
kussen... met teeder lieve stem zeide hij, dat hij bij haar zou blijven
als zij wilde. Zij keek hem aan, verblijd, en knikte,--Tamalone ademde
dieper van heerlijkheid, door het nat zijner opgeslagen oogen zag
hij den hemel in prachtige klaarheid, hij dacht dat zij zijn hart nu
wèl begreep. Opgewekt spraken zij toen over andere dingen en gingen
in vertrouwelijkheid naast elkander, de heldere zon scheen over het
groen aan hun voeten. Zij liepen nog hier en daar en Tamalone wees
haar hoevele menschen er dien dag hun beste kleederen droegen.
Thuis dien avond bij het licht der koperen lampjes was er weder geluid
van liederen; Baldo sprak over het onrecht waarmede de groote heeren
regeerden en Tamalone deed een schoon verhaal van ridders en lieflijke
vrouwen terwijl Mevena met groote oogen, haar gelaat in haar handen
voorover geleund, en de brave mannen rustig ademend luisterden.--
De dagen vloden heen, de winter was gekomen. Des morgens vroeg zat
Mevena nog steeds voor haar venstertje te wachten op Rogier, bij de
mannen beneden noemde zij nimmer zijn naam. Tamalone wist wel waar
zij altoos in stilte aan dacht, doch het maakte hem niet verdrietig,
hij voelde in nederigheid, dat iedere dag al vreugde was en om wat
komen zou haalde hij de schouders op.
Toen het reeds Kerstmis geweest was ging Josse op een Zondag na den
kerkdienst met haar wandelen en vertelde haar, dat zijn broeder beloofd
had een wieg voor haar te maken, omdat haar kind nu wel spoedig zou
komen. Zij was er stil van den ganschen weg, zij had er nooit aan
gedacht, dat ook de mannen zouden weten waar zij heimelijk verwonderd
vaak over peinsde. Nu Josse gezegd had dat zij spoedig een kind zou
krijgen, wilde zij wel aanstonds naar Rogier toe gaan, want de wereld
was zoo veranderd en bij hem zou zij tevreden zijn. Doch de goede
Josse klopte haar op den arm toen zij daar over sprak, en zeide dat hij
een boodschap zou zenden, maar dat zij rustig bij hen moest blijven.
En dien middag, toen zij in haar kamertje was, zat Tamalone een brief
te schrijven, terwijl de jonge Baldo aandachtig naar hem keek en de
broeders tegenover elkander dommelden in de schouw.
Eenige dagen later kwam de bode terug; Rogier met het leger voor
Capraia had hem een kort wederwoord gegeven en liet zeggen, dat de
keizer hem niet vergunde om heen te gaan, later zou hij een brief
schrijven. Doch de mannen verzwegen dit antwoord voor Mevena.
Eindelijk op een kouden nacht werd het kind geboren. Tamalone, die de
vrouw was gaan roepen bleef buiten op de kade heen en weder loopen,
de sneeuw viel gedurig in dichte vlokken, zoodat hij bij poozen moest
stilstaan om zich de kleederen af te schudden. Het water murmelde in
den stroom, één venstertje was er licht in de duisternis, waar hij
aldoor naar keek. Verkleumd en bibberend ging hij ten leste binnen,
de vrienden zaten daar met de vroedvrouw genoegelijk bij een mooi vuur
te eten, boven hoorde hij een zwak stemgeluid. De vrouw wenschte hem
geluk en Simon en Josse moesten daar hard om lachen, maar Tamalone
zeide niets, spreidde zijn handen voor de vlammen uit en nam toen
gretig een groote pastei.
Bij het grauwen van den komenden dag liep hij zachtkens naar boven en
trad de kamer van Mevena binnen; zij lag met open oogen en glimlachte
toen zij hem zag, aan haar voeten was een rood gezichtje. Hij boog
er zich even voorover, knikte dan tot Mevena met goedhartigen blik.
Dien ochtend dwaalde hij alleen in de besneeuwde stad, denkend aan
de winterdagen toen hij het huis van zijn vader verlaten had en voor
't eerst 's nachts buiten was geweest; de sneeuw lag toen even dik en
de soldaten van de stadswacht hadden hem gevonden. Hij trachtte aan
Mevena te denken, maar hij zag voortdurend beelden uit het verleden,
die zijn hart neerslachtig maakten en er weemoed wekten, zijn leven
had zoo anders kunnen zijn. Hij kon de dikke lucht en de klanklooze
straten niet verdragen en trad een herberg binnen, waar hij in een
hoek zat en veel wijn dronk. Eensklaps herinnerde hij zich, dat hij
voor Mevena moest zorgen, daar Simon en Josse aan hun werk waren,
hij keerde vlug naar huis. Een half uur later bracht hij een wasemende
brei naar boven, dien hij zelf had gekookt.
Na een poos, toen het weder milder werd begon het Mevena te bevreemden
waarom Rogier niet gekomen was. Zij sprak er over met haar vrienden
en hoorde wat Rogier geantwoord had;--dan vroeg zij of de krijg
nog lang zou duren en hoe ver Capraia was, maar Tamalone met zijn
muts in de hand om naar buiten te gaan, antwoordde gemelijk dat hij
't niet wist. Met het schreeuwend kind in haar armen liep zij heen
en weder in de kamer, zij begreep niet, hoe zij zoo langen tijd van
haar geliefde gescheiden was geweest.
En haar gepeinzen werden veelvuldig en inniger met de dagen, de
begeerte, die haar gedreven had op de reis naar de stad verontrustte
haar weder in steeds heviger keerenden gloed, met droomend gemoed
staarde zij soms, terwijl zij het kind aan haar boezem zuide, langdurig
naar buiten, waar de vogel zonder einde kwinkeleerde in zijn kooi.
Des avonds beneden speelde Baldo zelden meer op zijn viool, de
gebroeders praatten soezend over hetgeen er in de stad gebeurde,
terwijl Mevena met neêrgeslagen oogen zat te naaien. Tamalone was
meestal uit, hij dwaalde door de straten en de velden, zijn hoofd
was immer gebogen.
Omtrent Paasch, op een morgen toen zij haar kind in de wieg had geleid,
kwam zij bij Simon en Tamalone aan de voordeur staan.
"Simon," zeide ze, "ik ga morgen naar Capraia."
De twee vrienden zagen haar verbluft aan.
"Alleen met het kind? Het is wel anderhalven dag van hier."
"Als Tamalone mij niet brengen kan zal ik alleen gaan, maar ik zal
rijden en er eerder zijn."
"Maar Tamalone gaat meê," antwoordde Simon beslist: "want wij kunnen
zoolang niet van den winkel."
En de ander, met toegenepen mond en een lachje naar de verte kijkend,
knikte en zweeg. Hij herinnerde zich, dat er in het leger van den
keizer groote heeren waren, die zijn gezicht zeer goed kenden en
lachen zouden als hij aan een boomtak hing. Maar 't was al eender,
hij zou wel op zijn hoede zijn.
De gebroeders spraken onophoudelijk tot Mevena dien dag en volgden
haar waar zij ging; zij gaven haar allerlei ernstigen raad toen zij
alleen met haar waren aan het eten en vroegen haar herhaaldelijk toch
bij hen terug te komen. Tamalone kwam laat thuis; hij droeg korte
kleederen als een krijgsman, gespoorde laarzen, een nieuw zwaard aan
zijn zij en een muts met een pluim. De broeders staarden hem aan en
Josse kon niet nalaten te zeggen en telkens hoofdschuddend te herhalen,
dat hij sprekend op een hertog geleek, dien hij eens had gezien.
Allen waren vroeg op den volgenden morgen. Baldo bleef thuis om te
helpen, Josse kon het vuur van zijn oven niet aan krijgen. Simon had
de kleedertjes van het kind in een zak gepakt, dien hij al jaren bezat
en er het beste gebak van zijn broeder bij gedaan. Toen Tamalone de
paarden voor de deur leidde liepen de schippers, kooplui en buren
nieuwsgierig te zaâm, de vogel onder het raam hield bij zooveel
stemmengerucht zijn tjuiken in. Met vochtige oogen zoende Josse het
kind, zijn broeder klopte gemoedelijk de omstanders op hun schouders
en Baldo stond met den zak op den rug te kijken. Het was een lieflijke
voorjaarsmorgen.
Tamalone en Mevena reden weg, tot het einde der kade zagen zij
voortdurend om en wuifden hun groeten terug.
11
Des nachts hielden zij aan een hoeve stil waar zij tot den ochtend
wachten moesten, en zagen ver weg glorend het schijnsel der vuren van
het keizerlijk kamp. De man, die voor hen opendeed was norsch eerst,
maar Tamalone gaf hem geld en zoo werden zij binnen gelaten.
Toen zij ontwaakten was het een schoone dag, de warme zon scheen aan
den hemel en in de witte meiboomen, die voor het landhuis stonden,
kweelden vele vogelen. Mevena wachtte buiten reeds vroeg op haar
vriend om naar het kamp te rijden, doch hij scheen verstrooid van zin,
hij draalde zoo lang en antwoordde zelden. Eindelijk echter steeg
hij in het zadel, zijn handen en zijn borst flonkerden van juweelen
en goud, zóó dat zij even verbaasd tot hem opzag, maar dan reden zij
op een drafje voort. In de verte rees hoog in den hemel de geweldige
burcht, zij wezen elkander de vonkjes der blinkende helmen die op de
wallen bewogen. Vóór hen, den heuvel op, stonden tenten rij aan rij
waartusschen zeer vele mannen en paarden wemelden en hier en daar
zich een hooge stormtoren hief.
Zij spraken geen van beide. Wel hield Tamalone zijn hoofd rechtop,
want hij vertrouwde dat in den nood de fortuin hem redden zou, maar
nu was het de dag, dat hij Mevena voor 't laatst zou zien, zoodat
al meer en meer in zijn hart de donkere weemoed zwol. Maar hij zat
bedaard in het zadel. Bij de eerste krijgslieden die zij naderden,
hield hij stil en vroeg een hoofdman waar heer Rogier was. En toen zag
hij eensklaps dat het met hem gedaan was, zijn rijke kleedij zou hem
niet meer baten, want hij had een ruiter zien komen, Montefeltre, die
een aanzienlijk edelman was en hem eens ter dood had veroordeeld--die
zou hem zeker herkennen. De ruiter keek naar hem terwijl hij met den
hoofdman praatte; rondom hem in dit kamp waren ontelbare wapenlieden,
naast hem reed stillekens Mevena met haar zuigend kind, hij wist niet
hoe hij ontkomen zou. Doch zonder omkijken, recht in het zadel, reed
hij voort en vroeg nog tweemalen den weg naar Rogier. Dan ging Mevena
vlug vooruit wijl zij Carolus herkende en zij stegen af waar de grauwe
tenten in een kring rondom de baander lagen, terwijl de brigadier
verbaasd hen aanstaarde. Rogier, die haar zag, kwam toeloopen en
nam haar in zijn armen, zij snikte hardop--toen deed Tamalone zijn
oogen even toe, want zijn hart was zoo hevig daar hij wist, dat de
soldaten van Montefeltre dadelijk zouden komen om hem weg te voeren
en hij haar nimmer meer zou zièn, hij voelde voor 't eerst van zijn
leven de pijn van een diepe smart. Hij zag den ander met den arm om
het lieve vrouwtje heengaan, glanzend van verliefde vreugde, rondom
in 't zonnelicht keken verbaasde gezichten. En eensklaps trad hij op
Walid toe, nam hem bij den arm en stapte met hem heen; Carolus riep
hun nog na, dat zij de paarden vergaten, maar daar zij niet hoorden
zond hij een soldaat er mede hen achterna en ging in de schaduw terug
waar hij zijn harnas schuurde.
Het was maar weinig minuten later toen heer Montefeltre met zijn
ruiters komende den brigadier toeriep of hij Tamalone had gezien;
doch Walid, die juist naderde, antwoordde, dat de man bij den kapitein
daarbinnen was.
Rogier kwam uit de tent en hoorde den edelman aan; hij begreep niet
waarom Tamalone een verrader werd genoemd, den gemeensten schelm in
't land, en hij zeide op vriendelijken toon:
"Maar hier in de tent is hij niet," groette en ging weêr binnen.
Messer Montefeltre beval zijn soldaten door het gansche kamp te
zoeken. Zij vonden zijn muts met de roode pluimen, maar den broeder
zagen zij nergens. Carolus stond met de handen in de zijde in de heete
zon te kijken, verwonderd wat er gaande was. Doch toen hij daarna,
terwijl Walid zachtjes lachte, overal naar zijn helm zocht kwam
het eensklaps in hem op, dat de monnik dien zeker in zijn vlucht
had medegenomen in plaats van zijn eigen muts. Hij vloekte, maar
Walid zeide:
"Die monnik is een slimme vogel."--
Rogier zat in het getemperd licht der tent dicht bij Mevena in dartele
blijheid te praten en te vertellen, het kind sliep in een hoekje op
het stroo en hoorde hen niet; met de armen om elkander zaten zij,
hun oogen waren vol verwachting, zoet vloeiden hun woorden in warmen
adem tot zij eindelijk in zwijgen enkel kusten. Mevena hoorde buiten
't gerucht van krijgsvolk, staalklank en bevelen, en te wijlen den
luiden toon van een klaroen. En onder de kussen die hij haar gaf vroeg
zij met behaagziek vleien of zij nu naar Siremonte zouden gaan. Doch
Rogier glimlachte slechts en antwoordde, dat hij dien dag immers
niet heen kon gaan en ook den volgenden niet, want de keizer had
zijn zin op den burcht gezet, zij moesten wachten, misschien zelfs
tot de oorlog gedaan was, want de keizer was ongeduldig geworden
toen hij gevraagd had het kamp te mogen verlaten een poos geleden;
zij zou moeten wachten, in Pisa weder bij die ambachtslui waar zij
veilig was voor haar vader. En middelerwijl zou hij een boodschapper
naar Lugina zenden om hem te vragen vrienden te worden. Hij zwoer
haar dat hij nog voor den zomer voorbij was weêr bij haar zou zijn;
hij zou een rijk loon krijgen voor wat hij in den oorlog had gedaan,
Mevena zou dan gelukkiger zijn in een grooter slot dan Siremonte. Het
kind begon te krijten, zij nam het op om het drinken te geven; en
het in haar armen sussend en wiegend zeide zij zachtkens, bescheiden
dat zij wel zeer gelukkig zou wezen bij hem in een klein huis. Haar
oogen zagen zoo droevig terwijl zij 't zeide, dat Rogier ontroerde en
naar den grond keek. Met een teeder sujah wiegde zij heen en weder;
in de stilte die er was in de tent hoorden zij buiten de zware stem
van den brigadier den naam van Tamalone noemen. Mevena bezon zich, dat
de monnik heen zou gaan nu zij bij Rogier was; zij vroeg naar hem en
toen zij hoorde, dat hij vervolgd werd door messer Montefeltre, schoon
niemand wist waarom, en waarschijnlijk al gevangen was, toen schreeuwde
ze en beefde op haar beenen. Zij smeekte Rogier dien goeden man te
helpen, die hun beider beste vriend was, zij smeekte met aandrang,
dat hij dadelijk moest gaan om te helpen, haar woorden waren snel van
angst en het kindje schreide klagelijk meê, Rogier, verbluft eerst,
antwoordde dat Montefeltre een groot man was en zekerlijk niet zonder
reden den man een schelm had genoemd; maar haar aandrang was niet te
wederstaan, haar weenen verteederde hem zóó dat hij de tent verliet.
De soldaten hadden Tamalone niet gezien en Montefeltre, naar wien
hij daarna ging, vertelde hem dat hij den broeder eindelijk hoopte
te hangen, die hem al twee keeren was ontsnapt toen hij hem voor
diefstal naar de galg had gestuurd; hij was de slimste bedrieger van
het gansche land, hoewel hij fraaie manieren had, die behaagden;
er waren ook vele edelen, die konden getuigen, dat hij alle de
misdaden van den duivel bedreven had,--maar hij zou ditmaal niet
ontkomen. Rogier echter twijfelde of het waar was wat hij hoorde en
vroeg den ridder te wachten en te onderzoeken of zijn vriend dezelfde
Tamalone was. Doch Montefeltre draaide slechts zijn groote snorren op
en zag hem zoo beleedigend aan, dat hij toornig werd en op den grond
stampend zwoer het te zullen wreken zoo zijn vriend eenig letsel werd
aangedaan. In het kamp terug gekomen gaf hij bevel soldaten rond te
zenden om den broeder te beschermen waar zij hem zagen. En Mevena
was zeer gerust toen zij hoorde wat hij gedaan had.
Des avonds zat zij bij hem op het stroo, eerst zeer langen tijd stil
in gedachten, maar ten leste sprak zij en vroeg hem in lief gefluister
haar toch niet àl te lang alleen te laten in de stad bij Simon en
Josse... morgen zou zij er henen keeren. Maar hij nam allebei haar
handen, kuste ze vele malen en zeide, dat zij te zamen zouden gaan,
dat hij den keizer zou groeten en 't krijgsvolk voorgoed verlaten,
want sinds zij dien middag gezegd had, dat zij gelukkig zou wezen
ook als zij niet aanzienlijk waren, was de roem dien hij gewonnen
had hem heel niet waard, en hij had gezworen alles voor haar geluk
slechts te doen. Zijne stem trilde; op het tentdoek danste vaag het
schijnsel van het wachtvuur daarbuiten, waar de trouwe hoofdlieden
zaten te praten, in de duisternis voelde hij een zacht gelaat dicht
bij het zijne. Zijn gemoed was rijk aan innigheid, hij wist, dat hij
alleen, alleen de vrouw in zijn arm behoorde. Het was een schoone
nacht voor die twee die elkander beminden, een lange schoone nacht
van vreugde uit al grootere liefde in hun harten ontbloeid met kus
na kus van lieven lust, hun vreugde was zoo zoet als de geuren van
den kerseboom in 't vroege jaar. Daarbuiten zat Carolus te praten,
maar later was er geen gerucht meer.
Des morgens steeg Rogier te paard om naar het einde van het kamp
te rijden waar de keizer en zijn grooten in een slot hun kwartier
hadden. Mevena bleef achter met haar kind, wachtend onder een boom. De
lucht was hoog en warm en de soldaten deden rustig hun werk.
De keizer zat voor het open venster te lezen in een zeer groot boek,
zijn hoofd leunde in zijn handen gebogen voorover, zijn haren hingen
langs zijn wangen en naast hem stond een schaal met fruit. Aan een
andere tafel zat Theodoro de wijze te lezen. De een noch de ander
verroerde zich. In de koele kamer werd slechts het ruischen der
blaêren voor het venster gehoord en Rogier wachtte met de muts in de
hand, de witte pluim hing naar beneden. Eindelijk richtte de keizer
zijn hoofd op en keerde zich om, zijn baard was grijs en gekruld;
hij hief zijn hand hoog op zooals een vriendelijk man doet wanneer
hij vroolijk is en vroeg:
"Is de burcht verrast, messer?"
Rogier schudde zijn hoofd en zeide, dat hij gekomen was om oorlof
te vragen en het leger te verlaten, immers daar hij gezworen had
een lieve vrouw, die hij beminde, naar zijn kasteel van Siremonte
te voeren. Maar terwijl hij sprak voelde hij, dat hij laf was en een
onwaardig man om aldus voor een wensch van Mevena het recht van den
keizer te verzaken. En hij schaamde zich. De vorst intusschen zat
te luisteren met zijn hand aan zijn baard en Theodoro, de oude man,
zag bij wijlen op van zijn boek, maar las dan ongestoord weêr verder.