De lucht was nog koel toen zij vertrokken, rijdend in de sporen, die

gisteravond Rogier en zijn ruiters hadden gemaakt. Uren lang daalden

hun paarden met voorzichtige pooten over gesteenten stappend de bergen

af en hield het moeilijk rijden hun aandacht. Toen zij eindelijk aan

een smal wegje kwamen aan beide zijden met heesters begroeid, zagen

zij de hoefsporen, waarnaar zij zich tot dusver hadden gericht, naar

het zuiden gekeerd; doch de monnik achtte het raadzaam recht door te

gaan, door een heuvelland welig van jong olijfgewas, dat in tallooze

bladertjes het zonlicht dartelen deed.

Mevena, kruiselings in het zadel, reed een halve lengte vóór,

zoodat Tamalone voortdurend naar haar kon kijken zonder haar oogen

te ontmoeten. Onder haar pij zag hij een tenger been in groene kous

tegen den flank van het paard, en onder haar schouders den kap die

geregeld schokte op den smallen rug. Als hij zich oprichtte ontwaarde

hij alom in zachtbewogen windgewarrel een eindelooze bladerenmenigte,

die geen gezichteinder had dan de zonnig blauwe lucht. De eenzaamheid

was hier grooter dan in de bergen. Hij voelde een neiging om niet

verder te gaan, om stil te houden en in 't zwellend genot van 't

oogenblik die lieve vrouw vóór hem aanbiddend te streelen. Maar hij

lachte even, licht verbaasd hoe in de eenzaamheid menschen elkander

vertrouwen konden, en klopte den hals van zijn paard.

Laat hielden zij stil bij eenige boomen, waar zij karresporen

zagen. Zij besloten hier af te stijgen en onder de bloote lucht te

overnachten. Voor hun eten gingen zij kastanjes zoeken, te zamen,

want Mevena wilde haar deel hebben in de bezigheden. Ondanks hare

vermoeidheid was zij zoo luidruchtig vroolijk, dat Tamalone zich

telkens uit de bukkende houding oprichtte, wanneer haar milde stem in

de schemering van het gebladerte hem schertsend iets toeriep. De lucht

scheen hem zachter hier dan in de bergen, er was een onnoemelijke

behagelijkheid in dit lichtloos uur van den dag, in den geur van

molmend hout, in het geritsel der dorre blâren die Mevena met den

voet wegschoof, en luchthartig antwoordde hij haar geroep, zoodat

het oud geboomte weerklonk van lachend hoog en diep geluid om beurt.

Dan roosterden zij te zamen de kastanjes en Mevena, die lustig werd

van het nieuwe leven onder den hemel, sprak gedurig met onverwachte

guitigheid, lachte en vertelde van haar meisjesleven, zoodat ten

leste Tamalone in zoete verrukking zweeg en luisterde, vergetend dat

zij hem niet beminde.

Toen zij te slapen gegaan was zat hij kalm alleen; hij hoorde het

geluid harer jonge stem nog, doch in zijn hart ontloken weemoedige

gevoelens weder, het geruisch van de bladeren en de stille starren

herinnerden hem, dat hij evenzoo waakte gelijk den nacht te voren. Hij

lei zich neder bij het smeulende hout en wachtte op den slaap, zijn

oogen bleven echter open en zagen de starren vermeerderen. De dauw

begon over den grond te dampen, slechts het geruisch van de bladeren

der populieren wilde de fluisterende eenzaamheid niet verlaten en de

duisternis duurde langen, langen tijd.

Eindelijk verbleekte de lucht weêr, de planeten hadden hun reis

volbracht. Tamalone, die roerloos gelegen had, stond op om zijn leden

te bewegen en het vuur weder aan te blazen.

Dien dag was Mevena weêr blijgezind, zij zong zelfs liedjes nu en de

monnik, naast haar rijdende, luisterde met bestendigen glimlach of

zong, daar zij er om vroeg, op zijne beurt ouderwetsche melodijen, die

hij van vroeger nog wist. Zij was verrast en lachte veel. Tamalone, die

bespeurde, dat hij haar lang aan kon zien wanneer zij in vroolijkheid

gemeenzaam was, praatte aanhoudend en bij zijn gemoedelijke verhalen

begon zij te zien, dat hij veel beminnelijker was dan zij te voren

dacht. De naam van Rogier werd dien dag niet genoemd.

Zij stegen zeer vermoeid bij een groen korenveld af, waar Mevena

ging liggen in een paadje tusschen twee akkers. Ook de klerk sliep

weldra. Doch toen hij wakker werd in den nacht was het een vale

duisternis en hij kon het meisje niet zien. Hij hoorde niets ofschoon

hij meende dicht bij ingeslapen te zijn. En nu hij ongerust werd sprong

hij op, liep op den tast in de richting waar hij dacht dat zij was,

tot hij eindelijk weêr haar lichten adem hoorde. Toen liep hij eenige

passen terug en lei zich weêr neêr om te slapen.

Des morgens opende hij zijn oogen en ontwaarde schier naast hem Mevena

in zittende houding, alsof ook zij juist was ontwaakt. Haar gelaat,

dat zeer bleek was, glimlachte.

"Wij zijn laat," zeide ze.

Tamalone bloosde en stond bedremmeld op.

In blakende zonnewarmte reden zij zwijgend naast elkander den derden

dag. Mevena dacht aan den minnaar en aan de naderende stad; de monnik

keek haar dikwijls van ter zijde aan, verontrust over de bleekheid van

haar gezicht. Hij vroeg met lieven aandrang soms of zij rusten wilde,

doch zij antwoordde ongeduldig dat zij niet moede was, en beiden

reden door, het snuiven en kleppen der goede paarden was het eenig

geluid. Uren lang volgden zij den oever van een diep liggend riviertje

den stroom afwaarts, er scheen aan den loop van het gerimpeld water

geen einde te komen, en de dag was vermoeiend en lang. Bij wijlen

zeide zij iets, een onverschillig woord om de stilte te breken, maar

hare stem was buigingloos en Tamalone antwoordde even kort of met een

knik. Slechts de verschijning van een enkel landman, die eerbiedig

groetend langzaam voorbijging, bracht hun verdwaalde gedachten terug

voor een oogenblik; zij wisselden dan eenige woorden en herhaalden

hun afspraak wat zij uit voorzichtigheid doen zouden in de stad.

Eindelijk, toen zij aan hun rechterhand in de lucht de torens van

een burcht zagen rijzen, begonnen hun paarden moeilijk te stijgen,

zij kwamen in de Pisaansche bergen. Verderop bemerkten zij in de lage

verte daken en torens en hier en daar kleine lichtjes. Mevena reed nu

met opgericht lijf, de monnik zag haar oogen groot en strak geopend,

zij had de lippen vastgeklemd; de avondbries, van regen en zeelucht

vochtig, deed de wijde mouwen van haar pij zachtjes fladderen.

Toen zij de poort bereikten, waar bij een lantaarn twee wachters

soezend zaten te mompelen, was de nacht drukkend van duisternis. Een

der paarden hinnikte helder en luid, van een toren zeer nabij klonk

een zware klok.

In de straten waren de luiken en deuren der huizen gesloten. Tamalone,

die de beide paarden bij de teugels leidde, liep behoedzaam in den

donker zoekend en had zijn aandacht op den hobbeligen weg gevestigd. Op

eens hoorde hij een snik en een val, Mevena's paard stond stil. Met

een kreet bukte hij neder tusschen de pooten, hij wilde schreeuwen,

maar sloot dadelijk zijn lippen weder. Bevend zorgvuldig nam hij haar

lichaam in zijn arm, aan den andere leidde hij de dieren voort. De

duisternis was loom en stil, slechts een venstertje, dat geopend

werd, knerste.

Aan de rivier voor een laag huisje bleef hij staan; hij klopte aan de

deur en terwijl hij wachtte hoorde hij het stroomende water klotsen

tegen den wal. Een man met een lamp deed open en zeide:

"Ohé!"

"Houd de paarden vast, ik heb hier een zieke. Geef mij de lamp,

dan kan ik naar boven gaan, gauw."

Langs een nauwe trap droeg hij Mevena in een vertrekje, met houten

wanden en een hellende zoldering; daar legde hij haar neder op wat

stroo in den hoek en zette het licht op den vloer. Hij ging snel heen

en kwam snel weêr terug met wijn en brood. Toen hij haar voorhoofd,

waar een streepje bloed op lag, gewasschen had herkreeg zij haar

bewustzijn en glimlachte en bij dien glimlach zuchtte hij diep.

In een kamer beneden werd gepraat. Zij trachtte zich op te richten,

doch daar dit haar pijn deed lei zij haar hoofdje gelaten weêr neêr

en nam Tamalones hand. Zich voorover buigend gaf hij haar te drinken

uit een kroes--de een noch de ander had een enkel woord gesproken,

maar bij 't rossig licht, terwijl zij dronk, zag hij in haar oogen

die tot hem opgericht waren een glans van verwonderde innigheid en

hij had een meewarig gevoel, dat dit meisje even eenzaam was op de

wereld als hij zelf en geen ander verzorger had dan hem.

Na een wijle liet hij haar in donker alleen. Beneden werd de deur eener

kamer voor hem geopend, waar bij een walmende pit drie mannen aan een

tafel zaten te spelen, landgenooten, die hem met nieuwsgierige blikken

begroetten. Hij lachte gemoedelijk, zette zich bij hen aan de tafel,

ledigde een grooten beker bier en, terwijl hij de kaarten opnam die

hem toegedeeld waren, begon hij zijn wederwaardigheden te vertellen,

echter zonder van zijn geheime gedachten te spreken.

9

Het kasteel was op een rots gebouwd, aan den voet door een groot

woud omringd. Onder het geboomte en aan den oever der smalle rivier

oostwaarts lagen de troepen in vier kampen verdeeld, en ofschoon de

herfst al naderde wachtten zij de overgave der belegerden af, want

in het slot werd reeds gebrek geleden.

De afdeeling van Rogier had zich op de helling naar het water

gelegerd, achter een bosschage voor het schiettuig der vijandelijke

wallen beschut.

Het werd al weken, dat iederen ochtend de mannen onder de boomen hun

blikken naar den wachttoren richtten van 't slot, of er een teeken

was dat de edelen daarbinnen het opgaven; koude winden begonnen buiig

door het woud te gieren, wijl wolken haastig aan den hemel dreven. De

soldaten werden ongeduldig en de aanvoerders verveelden zich.

Rogier liep soms uren doelloos om, langs het stroompje naar het

gehucht, of aan den anderen oever waar een holle weg door dichte

bosschen steeg. Het was altoos halfdonker in dien weg, de boomen aan

de banken groeiden hoog naar boven waar hun takken samen warden en hun

stammen waren beneden verborgen in duisteren groei van struiken. Hier

wandelde hij dikwijls heen en dacht aan Mevena en aan zijn goeden

vriend den monnik.

Eens toen hij dien weg besteeg bemerkte hij, dat het zeer donker werd,

doch zich omkeerende zag hij beneden in de opening van het loof nog

het daglicht. Hij stond een wijle stil. Door het kletterend geruisch

hoog boven hem begreep hij, dat er een zware regen viel. Terwijl hij

gedachteloos luisterde werd zijn aandacht getrokken door een gerucht

van hijgen, een vrouw kwam haastig den weg afdalen. Dicht bij hem stond

zij eensklaps stil. Hij boog zich naar voren om haar gelaat te zien,

zij schrok, week achteruit en ijlde gillend in het schemerduister

naar beneden. Rogier liep haar na en waar de boomen niet meer waren

kon hij haar duidelijk voor zich zien; met beide handen hield zij

den rok op, haar bloote beenen bewogen zeer snel en zij keek telkens

om. Toen zij in den regen kwam zwenkte ze naar rechts, waar ze in

't lage hout verdween.

Rogier zocht in het struikgewas, het water dat op zijn warm gelaat

viel verbaasde hem, en hij liep langzaam terug onder de boomen. En

gedurende het eentonig ruischen herinnerde hij zich, op eens licht

bevreemd, hoe hij ook in den regen had gestaan op een nacht met Mevena.

De herinnering werd levendig van ontroering, wier gloei hem streelend

verontrustte en hem Mevena's aanwezigheid duidelijk warm nu voelen

deed. Vaak had hij naar haar verlangd en wat hij thans ervoer was

weder de onweêrstaanbaar wassende zekerheid, dat hij haar beminde,

dat zij alleen het was wat hij begeerde. Het was dwaasheid de natte

dagen wachtend door te brengen in dit verlaten oord, terwijl daarginder

op zijn slot de liefste vrouw met groote oogen uitkeek of hij komen

zou. Hij wilde dadelijk heengaan, dien zelfden dag nog.

Hij veegde zich het voorhoofd, de regen, die door de bladeren kletterde

had hem doornat gemaakt, de witte pluim van zijn muts hing druipend

neêr.

Hij bedacht, dat hij zich geen vijanden kon maken onder de bondgenooten

van den keizer, Romano zou de eerste zijn dien hij te duchten zou

hebben. En toen deze overweging hem duidelijk werd was het ongeduld

naar Mevena gevlucht, zijn verbeelding was koel en verbleekt, slechts

een flauwe ontevredenheid bleef in zijn gemoed.

Hij luisterde naar het gestadig suizen in het gebladert, zag dan naar

de lucht en den regen en dacht aan de deerne van daarstraks.

De dag was opgeklaard toen hij terug kwam in 't kamp. Rondom de

groote rookende vuren verdrongen zich de soldaten met hun kleederen

dampend in de uitgestrekte handen; zij waren naakt, duwden elkander

en lachten luidkeels. Carolus stond voor de tent met droog buis en

hozen voor den kapitein, die lachte van voldoening.

De soldaten kleedden zich weêr en dronken uit hun ketels, er roesde

in het nuchter licht een jolig gedruisch onder het nat glimmend groen.

De vuren in de andere kampen gaven de lucht een wijden onzekeren gloed,

toen een man in steedsche dracht aankwam. Hij bracht een brief van

Tamalone. De monnik schreef, dat Mevena naar Pisa was gegaan door groot

verlangen gedreven en niet naar het slot, en dat hij haar ziek in die

stad had gedragen daar zij van haar paard was gevallen; doch dat zij

thans weêr beter was. Zij liet vragen of zij in het kamp mocht komen,

voor een kort oogenblik slechts, zij zou weêr aanstonds vertrekken.

Rogier, met een warm gelaat en driftig aan zijn knevel morrelend,

gaf bevelen en ging heen. Carolus zag hem met groote stappen zich

verwijderen, de witte pluim danste snel in den schemer langs de

boomen. Het was zeer stil, bij den verwaaiden rook daarginds in

't kwartier bromden de soldaten in slaperigen deun. Terwijl hij

langzaam liep hoorde hij sluipende passen achter zich en zich

omkeerende herkende hij Walid aan zijn baard en gelen hoofddoek;

hij liep schielijk verder.

In de tent van den koning werd Rogier luidruchtig begroet, er was

licht van drie lampjes. De koning, met blonde krullen en lachend

blauwe oogen, bij een tafeltje gezeten met de edelen, hief zijn hand

hoog op en riep Rogier naast zich. Dan speelden zij door.

Rogier dronk bij kleine teugjes, nam aarzelend de steenen in zijn hand,

maar begon toen te spreken, zeggend dat hij nog dien avond het kamp

moest verlaten. De koning antwoordde schertsend, deed de steenen rollen

en schoof de gewonnen munten naar zich toe, doch toen Rogier ernstig

doorging te praten, zeide hij bedaard, dat zij hem niet konden laten

gaan wijl de vreemde soldaten vooral op hem vertrouwden. Op de vraag

wat hem tot zijn onverwacht besluit had gebracht kwam geen antwoord;

de koning werd toen boos en allen zwegen.

De bekers werden zwijgend volgeschonken, de dobbelsteenen buitelden

weêr over de tafel, de avond verging als de vorige.

Toen Rogier, door wijn bedwelmd, laat aan zijn tent kwam vond hij

den brigadier daar, die met een mantel over zijn hoofd gehurkt zat

te dutten--hij stond op, verbaasd dat het nog donker was. Hij had het

bevel om een paard in gereedheid te houden niet gehoorzaamd en zeide:

"Ik heb de paarden niet gezadeld."

"Vroeg wakker. Er wordt gevochten, maar zeg er niets van." En zijn

meester ging binnen.

Carolus stond nog een tijd te staren, tot hij rilde van koû, toen

zocht hij zijn slaapplaats bij Walid op. Doch hij was weêr vroeg op

en vond Rogier overeind met den brief van den monnik in de hand. En

zij maakten een plan om het slot te verrassen voor de andere kampen

het merkten, ook Walid was er bij.

Het was een koele zonnige dag met doorschijnige wolken. De

schildwachten op de torens zagen in de omringende kampen de vuren

gestookt en de soldaten in hun dagelijksch werk. In den middag

terwijl hun blikken gericht waren op de tenten aan de rivier, waar

de vijanden lui onder boomen lagen, schrokken zij hevig en bliezen

alarm: beneden hen, aan de poort, stonden wel honderd man met felle

wapens vlak tegen den muur. Op de kanteelen toeterden hoorns, hoorns

toeterden binnen, er ging verward geroep en uit de spiegaten werd al

geschoten op de oosterlingen, die in de schaduw tusschen de torens

kalm een stapel bouwden...

En toen de rook wegdreef voorbij de blauwe lucht waren de hoorns en

't geroep weêr stil, er lagen dooden verspreid op de mossige keitjes

van den hof, waar de zon rustig scheen, Carolus waakte met zijn

soldaten bij de verslagen vijanden in een groep.

Een poosje later kwam op zijn glimmend ros de koning lachend binnen

rijden en Rogier ziende, wiens gelaat en kleederen rood waren van

bloed, steeg hij af, drukte hem de hand en zeide toornig, dat minstens

vijf edelen het boeten zouden.

Des avonds zaten de aanvoerders in de hal van 't slot aan een maal

met talrijke lichten. De koning dronk ter eere van Rogier en zeide

beminnelijk, dat hij hem ook thans niet kon laten gaan, doch dat hij

hem den volgenden dag reeds naar den keizer wilde voeren, die alleen in

staat was hem de eer te geven welke hij verdiende. De bekers klonken,

de aanvoerders riepen luid, Rogier had een blos en glanzende oogen.

Met open mond stond Carolus te luisteren, Walid knikte zijn hoofd

verscheiden keeren.

10

Mevena was langzaam beter geworden, maar de monnik vergunde haar nog

niet het klein kamertje onder het dak te verlaten. Hij had een peluw

voor haar gekocht en een tafel geplaatst voor het raampje, dat uitzag

op de kade.

Daar zat zij den heelen dag met lieve gedachten door de ruitjes

kijkend--links verdween de rivier in scherpe bocht juist onder de

koepelkerk, met stellingen en ladders; vóór haar en rechts voeren

scheepjes in den zonnig gerimpelden stroom, op de kade wemelden mannen

en vrouwen die druk met koopwaar sjouwden, sommigen leunden pratend

over den wal; ginds, voorbij de brug, blonk de zuiderlucht ijler boven

spichtige masten en half-gereefde zeiltjes en in de verte schitterde

een vergulde torenspits. Het marktgewoel was een nieuw gezicht

voor haar, aandachtig zag zij naar al wat gebeurde. De liederen,

die beneden een man van den vroegen morgen zong en het tierelieren

van een vogel in een kooi onder 't venster, klonken aanhoudend door

het geroezemoes van buiten en maakten de wereld vol zoet rumoer.

Vóór zij van het bed mocht opstaan had zij in haar koortsen aan niets

anders gedacht dan naar het kamp te gaan. De bode was teruggekeerd met

een langen brief van lieve woorden, waarin Rogier beloofde, dat hij

over twee, drie maanden zou komen. Tamalone bracht haar dien brief

terwijl zij voor het venstertje zat en toen hij hem voorlas voelde

zij een ongekende rust over zich komen, die duurde nadat de lezende

stem weer zweeg.

Sinds dien morgen was zij altoos vroeg opgestaan om de eerste menschen

op de kade te zien komen en bij het prille daglicht weêr verheugd aan

den geliefde te denken. Zij verwonderde zich wel hoe vreemd het was,

dat het verlangen van kort geleden haar verlaten had, nadat zij beter

was geworden; hoe vreemd, dat zij niet meer begeerde naar hem toe te

gaan, maar liever hier in de veilige zorg van Tamalone op hem wachtte;

zij mijmerde vaak daarover in stil gemoed, starend naar de rozige lucht

en de weêrkaatsing in de rivier, tot het geroep van vroege schippers

of de uitbundigheid van den vogel aan den muur haar gedachten weêr

stoorden. Toch wist zij zoo zeker, dat zij meer van hem hield, en met

een glimlach keek zij naar de lieden, die kwamen en die zij begon te

herkennen aan hun dracht of gestalte.

In het eerst liet Tamalone, die nu fraaie hozen en een buis van groen

fluweel droeg, haar veel alleen, doch zij hoorde dikwerf zijn stem

beneden. Eindelijk, na weken toen de menschen op straat zich met wol

en bont begonnen te kleeden, kwam hij zeggen, dat zij haar kamertje

uit mocht; zij was in een arm huis maar, zeide hij, doch zij zouden

allen goed voor haar zijn, dat zij zich tevreden gevoelde.

De kamer, die zij binnentrad was laag, met een vierkant raam, waar

dorrende wingerd voor hing, en buiten was een plaats met vaten en

kisten. Drie mannen stonden naast elkander tegen het licht. De broeder

zeide, dat het zijn vrienden waren en noemde hun namen: Simon, Josse,

en Baldo die nog zeer jong was. Zij keken haar zwijgend aan. Bij den

haard lagen twee katten en een langharige hond met zijn tong uit den

bek. Mevena zette zich bij de dieren neder om hen te aaien, en toen

liepen de mannen de kamer weêr uit.

Simon had thans een winkel in scheepsproviand, zijn broeder Josse en

diens zoon waren pasteibakkers. Zij hadden hun land verlaten wegens

de ketterijen, in den tijd toen ook Tamalone Frankrijk verliet. Dat

was al tien jaar geleden, maar nog altoos spraken zij 't liefst over

oude vrienden thuis en benijdden zij Tamalone, wanneer hij somwijlen

op zijn reizen was terug geweest in 't vaderland en hun van welbekende

dingen vertelde.

Bij het maal werd weinig gesproken, alleen de monnik zei nu en dan

iets, Mevena gaf den dieren stukjes uit haar bord; soms moest een

der mannen opstaan als er een klant aan de voordeur riep.

Toen de borden van de tafel waren en de drie mannen de kamer weêr

hadden verlaten, lei Mevena haar hand op Tamalones schouder en vroeg

vertrouwelijk lachend of zij nu ook naar buiten mocht gaan. Hij had

reeds een blauwen mantel voor haar gekocht, met een kap, zooals de

koopvrouwen droegen; toen hij dien ophield schaterde zij plotseling

luid uit zoodat de hond kwispelend opsprong en Tamalone meê lachen

moest. Zij trok hem aan, hij zette een nieuwe kaproen met roode banden

op, en beiden gingen de straatdeur uit, met den hond die blaffend in de

menigte wegliep; bij een stapel gebak waar jongens stonden te kijken,

zat Simon voor zijn winkel te zingen en te naaien en knikte lachend.

Zij liepen door 't gewemel langs de kade en sloegen links de nauwe

straat in, waar de torens hoog boven de huizen rezen; daar was het

nog drukker, de uitstallingen der winkels vulden de geheele straat

met verscheidenheid van waren; er liepen ook vele voorname vrouwen

met juweelen aan de handen, die heur slepen ophielden en met de

kooplieden praatten. Zonnige wolken gingen hoog boven de daken, de

wind deed de kleederen der menschen wapperen. Mevena had nog nooit

zoo'n drukke straat gezien en zoovele dingen welke zij niet kende,

zij was blijde daar te loopen en hield herhaaldelijk Tamalone staande,

die haar van alles vertellen moest.

Zij had een blos op de wangen toen zij vermoeid thuis kwam en zuchtend

op een bankje in den winkel ging zitten tusschen manden, kisten en

kruiken. Josse kwam daar met een blad versch dampende koeken binnen

en bood er haar met een buiging van aan.

Na dien eersten keer ging zij dagelijks met Tamalone wandelen, somtijds

buiten de muren, doch meestal in de stad door de drukke buurten of

de smalle groene straatjes, terwijl zij met lachende gezichten elkaêr

vertelden of een liedje voorzongen. Het waren telkens nieuwe morgens

met nieuwe vroolijkheid. Tamalone dacht dikwijls hoe gelukkig hij

met haar was, haar oogen zagen hem altijd zoo vrij en glinsterend aan.

Op een dag, nadat zij hare verwondering reeds eenmaal verzwegen had,

vroeg ze waarom hij zijn pij niet droeg en wanneer hij naar zijn

klooster terug moest keeren. Een oogenblik zweeg hij, maar antwoordde

met opklarend gezicht, dat hij bij haar blijven wilde zoolang zij

alleen was en praatte vlug over andere dingen door, zoodat zij haar

vraag vergat. En dit was de eenige keer, dat zij over zijn heengaan

sprak, want wanneer zijn fraaie kleederen er haar aan herinnerden,

dat hij eigenlijk een klerk was en haar nieuwsgierigheid wekten,

zweeg zij--zij wilde niet gaarne meer buiten hem en vreesde hem te

grieven. Tamalone echter wist wel waarom zij soms zonder spreken naar

zijn roode kaproen keek en dan ontwaakten gedachten, die hem stil

maakten in 't gemoed en met verdrietige onrustigheid wederkeerden

wanneer hij alleen was 's nachts op zijn bed.

Mevena zat meestal beneden wanneer de mannen in de kamer waren; de

eerbiedige behandeling van den eersten tijd liet zij zich schertsend

gevallen en bedacht onderwijl allerlei om hen te behagen. Josse en

Simon kwamen al glimlachend binnen wanneer zij daar was; zij bleven

na het avondeten thuis en zaten in 't karig licht vergenoegd aan

de tafel naar haar te kijken en te praten. De jonge Baldo, die wel

met meiskes uitging, kwam dan jolig terug en speelde dartele wijzen

op zijn viool; soms zongen de ouden om beurten mede, met glimmende

oogen. Het tenger meisje bij het haardvuur gezeten luisterde met open

lippen, zich gelukkig voelend in dit laag vertrekje vol uitbundigheid

van mannengeluid.

Een Zwerver Verliefd · 第 4 / 8 段