Gedurende Tamalone's afwezigheid was de kapitein weder bewusteloos en

ziek geworden, en aangezien zijne wonden reeds waren geheeld zagen de

krijgslieden in zijn kwaal den invloed van geheime machten, immers

Walid, die uit boeken geleerd had, verklaarde, dat de betoovering

eener vrouw er de schuld van was, en dat wellicht de lijder bevrijd

zou worden indien de oorzaak werd uitgeroeid.

Doch de brigadier vertrouwde, dat de meester wel zijn jonge

kracht zou herwinnen wanneer Tamalone de arts terugkeerde en dat

de aanwezigheid eener vrouw hem vroolijk zou maken. Hij had een

onverschillige minachting voor vrouwen, maar nu het zijn geliefden

vriend gold voelde hij zich reeds welwillend jegens Mevena door het

vooruitzicht, dat zij hem zou behagen. En Carolus had het gezag.

Reeds vroeg in den ochtend na haar komst liep Rogier met zijn arm

om haar schouders het kamp uit, maar zijn verliefde blikken zagen de

uitdrukking der oogen van Tamalone en van de soldaten niet, die hem

nakeken. Na de verbazing over de verschijning der vrouw in het kamp,

gaven zij luidruchtig den monnik alle eer voor dit wonderlijk herstel,

Carolus zelfs kuste hem en drukte hem herhaaldelijk de hand. Er

gonsde nu een luchtige blijheid in 't kamp, de stemmen klonken vrijer

en luider.

Twee mannen waren er, die zwegen en ernstig keken. Tamalone stond

naar den heuveltop te staren waar het paar was verdwenen, toen Walid

op hem toetrad en zeide:

"Gij zijt wijzer dan ik. Het lot moet zijn loop hebben en het is een

dwaas, die het wil weren. Wij kunnen alleen toezien, tot het einde

van de gebeurtenissen."

De monnik was plots bleek geworden en staarde Walid strak in de donker

glimmende oogen; toen antwoordde hij met luchtig gebaar:

"Het lot heeft altijd zijn loop, man. Laat het maar gaan en denk aan

wat anders. Als zij niet toevallig van hem hield--, maar we moeten

het niet anders willen, al wenschen wij het nog zoo gaarne."

"Dat is waar."

Van dit oogenblik bestond er tusschen deze twee mannen onuitgesproken

genegenheid.

Door struiken en over bergsteenen, verre van het kamp en steeds

stijgend liepen dien klaren morgen Rogier en zijn geliefde, dicht aan

elkaêr; er was een weeke glans in zijn oogen, zijn lippen stonden in

gedurigen glimlach en hij praatte veel, nu vertellend of vragend,

dan zacht en innig een woord van verteedering zeggend. En Mevena,

naast hem in zijn omarming, hield zijn hand en staarde voortdurend

hem aan met groote oogen, donker van ernstig onnoozelen gloed. Zij

luisterde naar alles wat hij zeide met bewegelijke aandacht hem gansch

toegewijd, en een milde tinteling van zomerwarmte op haar gelaat deed

haar gewaar worden, dat de jonge dag waar zij in gingen vol was van

weelde en komend geluk.

Toen zij eenige uren waren gegaan zetten zij zich neder aan den voet

van een ruwen heuvel. Hij sprak nog een wijle van hun geluk, dat eeuwig

zou duren, en van hun leven op zijn kasteel waar hij haar heen zou

voeren. Dan zwegen zij beiden en terwijl zij elkander aanzagen van zeer

nabij kleurden zachtkens hunne wangen van ontbloeiend genot, dat hen

kussen deed, en streelen en kozen in verwarring, tot zij moede waren en

zich nederleiden in het stovende zonlicht hoog in den hemel schijnend.

Rogier voelde zich slaperig en dommelde in met zijn hoofd in Mevena's

schoot. En eerst toen hij rustig ademde kon zij hare oogen van

hem wenden en naar het verschiet der bergen staren, zich zachtkens

verbazend hoe zij daar in de zonnige eenzaamheid vol dwalende geuren

bij den geliefde zat die haar zoo vreemd was, dat zijn gelaat, nu

zij er naar zag, haar gansch nieuw was en anders dan zij gedacht

had--, terwijl haar vader en broeders, in haar verbeelding lief en

welbekend in hun dagelijkschen gang bewegend, zoo verre waren of zij

hen nimmer meer zou zien. Even voelde zij verdriet in zich rijzen,

doch even slechts, want het zware hoofd in haar schoot was zoo lieflijk

onschuldig, dat zij zeker geloofde aan een spoedige verzoening tusschen

haar verwanten en hem met wien haar leven nu verder zou gaan.

En zij bedacht dat hij gesproken had van rustige dagen op het slot,

ongestoord door oorlogsangsten, wanneer hij den heidenkeizer niet

meer dienen zoude. Vluchtige beelden van toekomst verschenen en

gleden weêr heen, zij zag zich zelve en Rogier in blijde houding en

kleurige kleedij in een ruim kasteel. In een zacht verlangen naar dit

liefelijk leven vouwde zij de handen boven zijn hoofd en fluisterde de

Moedermaagd aan, dat zij den geliefde zegenen mocht en behoeden. Dan

na innerlijke stilte, herinnerde zij zich wat zij verlaten had en

bad voor haar vader, broeders en zusters; zij voelde zich wonderlijk

blijde in het vertrouwen, dat de goede Maagd haar verhooren zoude. Zij

merkte de gestalte van den monnik niet, die uit zijn schuilplaats over

de heuvelglooiing omzichtig wegsloop, met blozend, neêrgebogen gelaat.

De oogen weêr neêrslaande zag Mevena twee witte vlinders rondom

haar dwarrelen, waarvan er één zich lichtkens op haar mouw zette en

langzaam hare hand opkroop. Rogier opende toen de oogen en zag het

kleine gelaat over hem gebogen in aanvalligen glans van vreugde.

Hij richtte zich op en vroeg of zij gelukkig was; de vlindertjes

fladderden verder, en terwijl zij hen nazag in den prachtigen dag

vertelde zij waaraan zij gedacht had. Rogier hield zich in, luisterend

in bekoring. Maar plotseling klemde hij haar sterk aan zijn borst en

zwoer in diepgesproken woorden, met de zekerheid van een beraden man,

dat hij alles doen zou wat zij verlangde: hij zou het leger verlaten

en op het slot blijven wonen, naar niets anders strevend voortaan dan

dien schoonen glimlach op haar gelaat te bewaren. En hij kuste en kuste

haar betraande oogen en lachenden mond, kuste haar tot ze plotseling

zijn handen vouwde en de hare daarover, en hardop begon te bidden.

In haar knielende houding, met de oogen naar boven gericht, was zij

hem eensklaps zeer vreemd, en rustig maar met een onbekend gevoel

van berouw beschouwde hij haar en zweeg. Toen zij geëindigd had waren

haar oogen vol verwonderde vragen, zij durfde nochtans niet spreken

en wendde haar blikken naar de kim der bergen. Het was of iemand

hen was komen storen en zwijgen deed over de lentsche blijdschap van

daarstraks. Rogier sprak het eerst en zeide kalm, dat het geloof der

kerken hem reeds lang had verlaten, maar inniger dan het hoogste geloof

was de liefde welke hij haar toedroeg, en hij wilde zich gansch aan

haar wijden, die hem liever was dan alle de heiligen--, hij sprak nog

meer over de kerk en den keizer en het recht der edelen, dingen die

zij niet begreep, maar het geluid zijner stem was zoo ernstig, zoo

diep en roerend, dat zij zijn woorden niet hoorde, en die blijdschap

van daareven herkreeg, echter een vollere thans, die haar gemoed deed

zwellen van rustigheid, en met een glimlach genoot zij de geurigheid

der frissche lucht en den klank zijner woorden. Tegen zijn schouder

geleund, luisterend, liep zij met kleine pasjes naast hem of sprong den

afstand tusschen twee steenen, dien hij in eenen stap deed, en zijn

stem, het eenig geluid in dit wijde land van licht en bergen, klonk

haar onwezenlijk of zij een verhaal hoorde dat zij van buiten kende.

Zij keerden terug in het kamp, en tegenover elkander zittend voor de

tent aten zij samen, met zachte woorden, uit éénen disch.

Ook de soldaten, verspreid op den grond, aten onder vroolijk gepraat,

maar hun uitroepen waren getemperd; zij waren vriendelijk met elkander,

en schoon geen hunner over hen sprak, richtten aller gedachten en

soms de oogen steelsgewijze zich naar het minlustige lachende paar.

In den middag, terwijl Mevena in zijne tent lag om voor de zon te

schuilen, ging Rogier bij zijn soldaten staan en sprak over het

vooruitzicht het kamp op te breken en naar Padua te gaan. Dit nieuws

bracht beweging, want de langdurige werkeloosheid had reeds bij

menigeen de gedachte gewekt om den dienst te ontvluchten. De mannen

liepen nu druk door elkander, pratend en roepend. Slechts de groote

brigadier stond rustig te kijken naar zijn meester, die achterover

lag, het matte gelaat in de hand geleund, en hij voelde zich goedig

verteederd door de vermoeide oogen en de ijlheid der trekken van

den man, die pijn had geleden. Wat zijn verstand niet had kunnen

begrijpen werd Carolus nu eensklaps klaar door het inzicht van zijn

liefde voor Rogier, een liefde die hij steeds als blijdschap van

't oogenblik ondergaan had, doch welke nimmer eenig nadenken had

verwekt. Het zwakkere uiterlijk van den jongen man, nog kort geleden

bruin en hard gespierd, die geen andere lust had dan vechten, dan

de woede van oorlog en vernieling, deed hem nu zeker weten, dat het

niet slechts de krankheid dier enkele dagen kon wezen waar Rogier door

kwijnde. Nu vreesde Carolus, dat er iets anders in het hart van zijn

vriend was gekomen, een liefde waarvan hij wel als een vreemd ding had

hooren verhalen, dat zij de mannen redeloos maakt zoo zij onvoldaan

blijft. Hij had er nooit zoo over gedacht, maar wenschte, dat hij het

eerder had geweten, opdat hij aanstonds de vrouw had kunnen halen. Doch

tegelijkertijd ook zag hij, dat Rogier niet meer de zelfde krijgsman

was, nu zijn hart van smachten week was. En dit bedroefde hem.

Carolus had zich over veel te verwonderen dien dag nu zijn gepeinzen

hem steeds nieuws openbaarden, en hij zonderde zich van de anderen

af. Tegen den avond naderde hij bescheiden Rogier en Mevena, die

ver van de soldaten in de schemering fluisterden. Eerst kon hij

geen woorden vinden toen hem gevraagd werd wat hij te zeggen had,

maar dan sprak hij:

"Wat gaan wij doen wanneer wij in Padua zijn? gij blijft toch voor

den keizer?"

Rogier maakte een gebaar van ongeduld, maar antwoordde niet. Dan

sprak de brigadier weder met iets smeekends in zijn stem:

"Ach man, er wacht u zooveel geluk. De keizer kan geen beter aanvoerder

vinden wanneer gij ouder zijt en zal u zeker hertog maken. En dan,

gij zoudt immers nooit vrede hebben in dit land van verraders...."

"Wij zullen morgen wel praten, laat ons nu alleen."

"Maar gij moogt morgen nog niet weg, gij zijt nog niet sterk

genoeg. Hij moet nog minstens een week rusten," zeide hij tot Mevena.

Hij wilde nog spreken, doch het gebaar dat hij altoos gehoorzaamde

deed hem omkeeren en zich verwijderen. Rogier had hem niet geantwoord,

maar hij had het wel gezien, dat hij onder die bekoring was, die

dwaasheden doet begaan. Het was een treurige dag voor den brigadier,

zijn liefste verwachtingen vloden heen.

Weemoedig liep hij ver in den stillen schemeravond en beklom met

moeizamen gang een hoogen berg. Wolkdampen stegen uit de diepte beneden

en dreven boven het dal, er was een zwijgende droefheid over de bergen

rondom, die in den schemer rezen waardig van berusting.

Voor den roem en het geluk van Rogier had hij jaren gevochten, hij

had gehoopt door zijn trouw en zijn dienst de hoogste glorie voor

hem te behalen. Dit was zijn eenige eerzucht, zijn eenige begeerte,

het eenige waar hij ooit aan dacht. Jaren lang reeds had Carolus den

buit, dien hij met wapenen nam, goud en kostbaarheden, naar Venetië

ter bewaring gezonden, om later Rogier in staat te stellen tot hertog

verheven te worden en in een prachtig hof te leven zooals de grooten

van Lombardije. Die glorie, door zijn hulp verkregen, zou gansch de

zijne zijn. En terwijl hij gestadig de rijkdommen zamelde bleef hij

steeds in de nabijheid van zijn vriend, om hem te bewaken voor de

gehate paapschen en met hem te strijden voor het doel.

Nu was er een vrouw gekomen, een nietige vrouw, die alles

verwoestte... Carolus stond stil, zag naar de diepte beneden waar

een vuurtje brandde, en loosde een zucht, een vaarwel aan de hoop

zooveel jaren geliefkoosd, er waren tranen in zijn oogen. En door

de warmte der tranen zag hij heel goed, hoewel 't hem een raadsel

was waarom 't zóó wezen moest: dat het eenige dat de eenvoudigheid

van zijn hart ooit vervuld had hem thans verlaten ging. Hij voelde,

dat hij niet jong meer was en dat voor een man van zijn leeftijd de

komende jaren korter zijn dan die van 't verleden...

Dichtbij zich hoorde hij gedempt stemmengerucht en toen hij zocht zag

hij Walid en den broeder, die op een steen zaten met de oogen naar

den hemel gericht. Hij ging naar hen toe, zette zich bij hen neder,

doch zij zwegen nu beiden. Eindelijk klonk in de stilte de diepe,

langzame stem van Walid:

"Is de meester in zijn tent nu met de vrouw?"

"Ja," antwoordde de brigadier, en zij zwegen weder.

Een flauwe zwoelte waarde in den donker, slechts de ademhaling dier

drie was hoorbaar. Tamalone zag plotseling hoe vreemd het was, dat

drie mannen uit verschillende streken der wereld hier op den hoogen

berg te zamen zaten, peinzend waar hun het lot zou leiden en wat één

zelfde teedere vrouw in hun leven beduiden mocht. Hij keek naar zijn

gezellen en zeide met een kort lachje, dat op een snik geleek:

"Waarom zouden wij zoo stil zijn nu wij aan Rogier denken?"

"Hij is gelukkig," antwoordde Carolus in zwaar geluid.

De monnik haalde de schouders op en Walid bleef naar de koele

starren zien.

En terwijl deze mannen in den nacht zwijgend op den kouden steen zaten

en ieder in zijn eigen gedachten twijfelde aan het geluk, dat een jong

meisje in het kamp had gebracht, waren Rogier en Mevena in elkanders

armen gelukkig en de duisternis der tent, omringd door vele andere

vol slapende mannen, was hun heerlijkheid van nieuwgewonnen weelde.

Zij waren gelukkig en op hun wandelingen door de luchtige bergen,

bij hun kozen in den vertrouwelijken avond vergaten zij de dagen,

die kwamen en gingen, en vergaten het slot waar zij heen zouden gaan.

Toen zij op een middag vermoeid terug keerden vonden zij het kamp in

wanorde. Eenige soldaten hadden een bode van den keizer ontmoet, die

brieven had voor de edelen in 't noorden... Het leger was overwinnend,

de Florentijnen hadden zich met den vorst verbonden, de steden vielen

de een na de ander. Doch de vijand vergaderde een talrijk heir, er

dwaalden sluipmoordenaars door 't gansche land. De keizer, verbitterd

door de verraderlijkheid zijns tegenstanders, had besloten een grooten

veldtocht te gaan en ontbood al zijn aanvoerders; Romano, Dovera en

Pelavicino vochten zich met geweld reeds een doortocht in 't noorden.

Rogier, met een blos van verrassing, bleef lang verdiept in den

uitvoerigen brief, terwijl de anderen, en op eenigen afstand de jonge

vrouw, aandachtig hem gadesloegen. Eindelijk zag hij op met een klaren

gloed in de oogen en zeide:

"Carlo, pak de tenten. Wij gaan heen."

De brigadier, eerst verrast, stapte haastig naar de soldaten, die

weldra druk in de weer waren.

Intusschen leidde Rogier het meisje aan de eene en den monnik aan

zijn andere zijde met zich buiten de drukte. Toen hij stil stond

sprak hij zeer lang, met zijn gelaat naar Tamalone gewend terwijl

hij op 't meisje geen acht sloeg, om te verklaren hoe hij zich eerst

had voorgenomen om nimmer meer in den oorlog te gaan en haar naar

Siremonte te brengen, zijn slot: doch dat hij thans den keizer niet

verlaten mocht nu er een groote tocht op handen was--hij voelde, dat

hij niet kón, het genot van den oorlog danste al in zijn oogen. Dan

nam hij Mevena in zijn armen, troostte en kuste haar, en beloofde

reeds over twee maanden terug te zijn op 't kasteel. Zij liet zich

zwijgend kussen met gebogen hoofd en de groote oogleden gesloten. En

terwijl hij haar liefkoosde vroeg hij Tamalone, die toezag, of hij

haar wilde beschermen en naar Siremonte voeren.

"Ik?..." riep de monnik luid, met een plotseling gebaar en wijde oogen.

Rogier had op hem vertrouwd als zijn besten vriend en smeekte hem

zijn schat te bewaren. Een wijle later glimlachte Tamalone weder en

staarde hem na, die in verliefden afscheidsweemoed het meisje naar

de tent geleidde. Toen zij daar binnen verdwenen waren kruiste hij

de armen en liep bedaard naar waar de soldaten zingend en jolend hun

toebereidselen maakten. De brigadier zeide opgewonden:

"Nu zullen wij onzen keizer weêr zien."

"Neen, ik niet; ik blijf achter bij Mevena. De kapitein neemt haar

niet meê."

"Wat, blijft zij hier?... Maar dan zijn we gered, man!"

Carolus vloekte en liep snel door het gewoel om Walid de goede tijding

te brengen.

Toen de hemel zwak begon te worden waren alle tenten gepakt en stonden

de krijgslieden gereed, wachtend op hun aanvoerder, die met den monnik

liep te praten, terwijl Mevena, zwijgend en naar den grond ziende,

in zijn arm leunde. Carolus sloeg het afscheid aandachtig gade;

hij zag zijn meester, die schreide, telkens en telkens weêr de vrouw

kussen en aan zijn borst drukken, dan eensklaps den monnik omarmen,

die naar achter week, toen omkeeren en fluks naderen. Het was of

plotseling alle soldaten tegelijk spraken, de klaroen schetterde

haastig in 't late uur, de paarden trappelden.

De hoofdlieden reden achteraan en beiden keken voortdurend naar

de twee figuren om, die dicht bij elkander stonden in 't bleeke

namiddaglicht. Mevena, rechtop, hield haar eene hand op den schouder

van Tamalone, die met de armen gekruist stond. Hun verwonderlijk

lange schaduwen, kronkelend over den heuvelgrond, liepen aan het

einde inéén in het duister van een struikgewas.

8

De ruiters waren reeds verdwenen en het laatste trompetgeluid verging

in de verte toen Mevena rondom zich naar de verlatenheid der bergen

zag en nederig, zachtjes zeide:

"Ik heb gezondigd tegen mijn vader, messer; gelooft gij dat de heilige

Moeder mij vergeven zal?"

Tamalone, uit zijn mijmering opziende, knikte goedhartig zijn hoofd.

"Zou ik verhoord worden als ik bid voor Rogier? en wilt gij ook voor

hem bidden?"

Hij spreidde zijn armen wijd in de hoogte--Mevena kon zijn oogen niet

onderscheiden, maar zij voelde de aanwezigheid van een zwaarkloppend

hart.

"Ja, laten wij samen bidden."

En beiden knielden op de heuvelhelling, vouwden de handen en smeekten

om bescherming voor Rogier in den oorlog; de monnik, terwijl hij de

woorden uitsprak, verbaasd over wat hij deed: terwille eener lieve

vrouw den hemel aanroepen voor een tegen wien hij zijn woede slechts

een korte wijl te voren bedwongen had. Het bedrog ergerde hem,

een oogenblik slechts, want toen hij opstond, had hij die verheven

onverschilligheid weder, die slechts weinigen kennen en die beminnelijk

glimlachen doet om eigen zonde.

"We moeten morgen vroeg op weg," zeide hij: "ik zal u de pij weêr

geven en ga dan slapen. Dáár is het zacht, onder dien boom."

Bedaard en zorgvuldig spreidde hij de twee wollen zadels op den grond,

die glad was van dennenaalden, en wachtte tot zij nederlag en zich

in de pij had gewikkeld. Dan drentelde hij heen, zachtjes een deuntje

sissend, en leide zich eveneens te ruste.

In den nacht ontwaakte hij met schrik uit loomen slaap en zag den hemel

rijk met klare starren versierd--er waren er zóóvele als hij nog nooit

had gezien, de duisternis over de bergen had er een mistige schittering

van, gelijk van bedroefde oogen. Tamalone begreep niet wat hem had

wakker gemaakt in een stemming van genot en ontzag en wat hem op dit

oogenblik denken deed aan zijn jongelingsjaren--hij zag zeer helder

een winteravond met sneeuw geruchtloos warrelend tusschen de gesloten

huizen, toen hij zijn ouders verlaten had, die bij de schouw zaten waar

het vuur hoog in vlamde. En hij hoorde koraalgezang in zijn gemoed.

Herinnering vloot door zijn ziel nu, gelijk een oud wijsje van stil

teêrhartig snarenspel, bescheiden, doch met een doordringende bekoring

waar hij zich geheel aan overgaf. Over alle herdenken echter steeg

telkenmale een verheugde verwondering waarom de nacht zóó schoon was,

nu hij als eenzaam vreemdeling zat bij de vrouw, die hem zeer lief

was. De wereld rondom deed zich op als een uitgestrekt duister land vol

drukke mannen en vrouwen, in de stille bergen waar de starren schenen,

waakte een zwerver bescheiden aandachtig bij een lieve slaapster. De

luisterrijke nacht was wonderlijk bezield, hij rilde van koude en wist,

dat het oogenblik vergankelijk was.

De hemel van flonkrend gesprankel was zeer laag gedaald, in de

brooze stilte hoorde hij het bonzen van zijn hart. Menigmaal reeds

had hij op oogenblikken wanneer de wereld voor hem vol was van groote

gebeurlijkheden met diepe vroomheid berust in wat de tijd hem geven

zoude en ook thans weêr genoot hij in die berusting. Wel slopen

bedriegelijk gedachten, uit sluwe ondervinding gesproten, dat hij,

die zich tot wanhoop veroordeeld weet en die niets te verliezen heeft

dan het licht der zon, de macht heeft vele menschen te dwingen ten

eigen baat, immers wie sterven wil kan beschikken over het leven

van den koning; dat hij zich zelven niet begrijpende ook zijn lot

niet kennen kon,--en dat er velen gelukkig werden die sterk genoeg

waren om waarlijk te lijden en met daden te streven naar wat zij

begeerden. Doch zijn hart bleef koel in de onwrikbare zekerheid,

dat slechts het onverwachte schoon is en het ontvangen waard. De

slapende vrouw daarginder beminde hem niet; hij had genoeg beleefd van

vrouwen, die hij met opzet tot liefde behaagd had. Hij verkoos zijn

hart onuitgesproken te laten met de dwalende hoop, dat het toeval,

het heerlijk toeval, dat hij aanbad, Mevena's gelaat met lieven glans

tot hem mocht keeren.

Bij den dageraad nog lag hij, het hoofd in de hand geleund, in grillig

gemijmer over zijn verleden. In zachtzinnig berouw en zedigheid dacht

hij aan vervlogen mogelijkheden, aan vrouwen, die hem bemind hadden,

of zij zich hem nog herinnerden.

Het hoofd naar den denneboom keerend zag hij in den schemer daar

beneden iets licht bewegen. Toen bezon hij zich, dat zij vroeg op reis

zouden en stond op. De verschoten hemel was wijkend alom met zijn

bloei van kwijnende starren; hier en daar dreven trage dampen over

de bergtoppen, waarvan er sommige reeds in dauwig morgenlicht schenen.

Tamalone zette zich aan het werk om vuur te maken en terwijl hij

op zijn knieën over een stapeltje hout boog ontwaarde hij Mevena,

die geruischloos bij hem stond. Zij glimlachte toen hij haar aankeek,

en knikte. Achter haar zag hij door de wiegelende kruinen der boomen

en over de glooiingen der bergen den gloed van den ochtend, en hij

kreeg plotseling een gevoel, dat zijn leven een keer ging nemen.

Mevena kwam dichter bij, haar zachte stem was het eerste geluid van

den dag.

"Ik ga niet naar Siremonte. Ik zou nooit kunnen slapen door de

gedachte, dat hij in 't gevecht is--ik moet dichtbij hem zijn. Waar

is hij heengegaan? Wilt ge mij naar hem toe brengen of als dat niet

kan naar een stad niet ver van het leger? De reis zal mij niet

vermoeien. Ik zal u niets meer vragen, maar breng mij dicht bij

Rogier... o ge weet niet hoe blij ik zal zijn."

Even zweeg ze, maar hernam met smeekende liefheid:

"Wilt ge dat doen, messer Tamalone?"

De klank waarmede zij zijn naam sprak gaf hem onverwachte vreugde,

hij wenschte dat zij dien nog eens noemde.

"De keizer is in Toscane," antwoordde hij; "bijna alle steden daar

zijn gevaarlijk voor u. Maar ge hebt gelijk, het zou dwaas zijn een

lange reis naar Siremonte te doen, het kasteel ligt misschien al

in puin, want uw vader is daar natuurlijk het eerst gegaan om u te

zoeken. Wij moeten naar een veilige stad, een goede stad waar men u

niet kent. Pisa, wilt gij naar Pisa gaan?"

"Is dat dicht bij Rogier?"

"De troepen van den keizer en hun bondgenooten zijn daar in het

land. Het is wel drie dagen van hier, maar wij zullen rusten onderweg."

"Neen, neen, drie dagen is niet lang, als we alleen 's nachts

rusten zullen we er eerder zijn. En ik zal daar ten minste tijdingen

hooren. O, wat zijt ge goed, heer broeder," zeide ze terwijl ze plots

zijn hand vatte en die lichtkens kuste.

Hij trok zijn hand terug, boog met een tintelenden gloed op het gelaat

over het hout en begon hard het smeulende vuur aan te blazen. In den

rook, die toen opsteeg zag zij, dat hij tranen in de oogen kreeg

en naast hem neder hurkend, met haar hand op zijn schouder, zeide

zij lachend:

"Laat mij het aanmaken, gij doet zoo veel...."

"Dan zal ik water gaan halen en de paarden zadelen. We moeten vroeg

gaan."

Een Zwerver Verliefd · 第 3 / 8 段