De straten waren leêg, maar Carolus voorop was op zijn hoede. Zij

vonden de poort met kettingen en balken versperd. En terwijl er plaats

werd gemaakt voor den ram en velen der soldaten uit de rijen traden,

kwamen er alzijds, om de hoeken der straatjes, uit de huizen achter

hen, stedelingen met schilden, bijlen en messen gewapend. De ruiters

sloten zich dicht in gelid, de boogschutters achter hen spanden de

pezen, en terwijl de poort met langzaam geweld gerammeid werd, wachtten

zij het naderend misbaar. Maar de voorsten der burgers weifelden,

zij zagen de paarden en de mannen met glinsterende wapens zoo kalm

en gevaarlijk, en kwamen niet nader.

Met krakend geraas braken de deuren der poort, de wagens rolden

naar buiten en Rogier, omringd door zijn mannen, reed uit het rumoer

en de hitte der stad en daalde den weg af, in het koele lommer der

kastanjeboomen.

Naast hem reden de boden; de een was uit Toscane, van den keizer,

de ander kwam van het noorden--beiden hadden gelijke bevelen gebracht

dat de bende onmiddellijk de stad moest verlaten.

5

Weinige dagen later werd het kamp in den schemer van een bewolkten

ochtend door de talrijke troepen van Bologna, die zegevierend door

het land trokken, steden en kasteelen winnend voor de Kerk, verrast

en verslagen. Met slechts een zeventig ruiters werd Rogier, die aan 't

hoofd was gewond, door den brigadier vluchtend naar de bergen gevoerd.

Daar, aan een kronkelend schielijk vlietje tusschen steile glooiingen,

waar schaars maar groen voor de paarden groeide, deed Carolus de tenten

opslaan om te rusten tot zijn bevelhebber weder hersteld zou zijn.

Hij bekommerde zich om de bevelen van den keizer niet, zijn gansche

aandacht en zorg waren den zieke gewijd. En die dagen, toen zijn

meester, wien hij reeds met genegenheid had gediend sinds hij hem

als jongen in het leger had zien komen, zwak en van koortsen verhit

in de tent lag, zat Carolus daarbuiten met de kin op de knie naar

het snelle ademen te luisteren en naar het stroomend water nabij,

en zijn hart was week van treurigheid. Er gingen slechts weinig

gedachten in dat zware hoofd, doch hij voelde zich zoo innig vol,

dat hij somwijlen wanneer een soldaat naderkwam zich uitspreken

en herhalen moest, of wel den grijzen Walid deed roepen om hem te

raadplegen en te spreken over het gevecht waar Rogier voor het eerst

van zijn leven gewond was. De oosterling herhaalde dan, dat die jonge

vrouw, waar de meester van maalde, het ongeluk had gebracht. Want

niet slechts hij zelf, maar ook Teodoro, de wijze des keizers, had

het gesternte van den meester waargenomen en gezien, dat er in het

beeld van den Stier twee planeten te zamen waren gekomen, maar dat ze

door Saturnus werden beheerscht. Hetgeen beduidde, dat hij roemrijk

en gelukkig zou mogen wezen tot in eeuwigheid, zoo niet een vrouw

hem in bloedige ellende bracht.

"Nu is die vrouw gekomen!" zeide Walid fluisterend, met groote oogen

en berustend gebaar van beide armen.

Maar Carolus, zwijgend en met gerimpeld voorhoofd naar de bergen

starend, geloofde hem niet, want zijn meester was veilig nu in zijne

bescherming.

Zoo, op een middag, zaten deze twee bij tusschenpoozen te praten

over wat zij doorgemaakt hadden met Rogier en de glorie, die zij

voor hem verwachtten, wanneer de keizer de steden en den Paus had,

gedwongen. En toen zij aan hem dachten hoe hij lijdend lag in de tent,

sprak Walid weder zijn voorspelling uit en vervloekte de vrouwen, doch

Carolus was stil en peinsde hoe er genezing gevonden kon worden. Zij

zwegen toen een wijle en het was rustig in het kamp, want de soldaten,

die hier en daar lagen, hielden zich zeer bedaard.

Maar op eens was er beweging, zij hoorden paardengetrappel en

geschreeuw van een man. Eenige ruiters, op marode geweest keerden

terug met Tamalone den broeder, dien zij slapend in een boschje

hadden gevonden. Hij maakte een groot misbaar van vroolijkheid,

zoodat de brigadier plotseling in woede opsprong en in eenen zijn

keel stevig vastgreep.

De monnik, hijgend om van den smorenden greep te bekomen en naar de

vuist kijkend, die de brigadier nog geheven hield, hoorde achter het

doek der tent een zwak stemgeluid. Zijn oogen glinsterden, hij leî

den vinger op den mond om te toonen, dat hij begreep en fluisterde:

"Is hij ziek?"

"Waar komt gij vandaan?"

"Is hij ziek? Messer Rogier? Nu, dan moogt ge wel van geluk spreken,

dat ik gekomen ben, want er is in heel dit ellendig land geen bekwamer

arts--"

"Zijt gij een arts?" riepen velen zeer luid en kwamen nader.

"Natuurlijk, natuurlijk!"

Toen vreesde hij niet meer; hij nam den brigadier terzijde en

vertelde, dat hij eigenlijk geen monnik was, maar de pij slechts

droeg om de vijanden des keizers te bespieden--en toen werd Carolus

zeer vriendelijk jegens hem. Tamalone zeide dat hij blijde was

in het kamp te zijn, zijn mager gelaat bloosde van opwinding; met

een luchtig gebaar stelde hij de krijgslieden gerust, dat hij een

voortreffelijk medicijn wist om den kranke te genezen. En tot laat

was hij met Carolus bezig om het vuur.

Bij toortslicht en terwijl bijna alle soldaten wachtten buiten de tent,

werd den kapitein het drankje toegediend. Inderdaad was er spoedig

beterschap, zoozeer, dat Rogier, schoon mat en krachteloos ontwakend,

den volgenden middag zijn bewustzijn terughad. Hij zag Tamalone aan

en vroeg:

"Wat moet die monnik hier?"

"Ik ben geen monnik, messer. Kent gij mij niet? Ik ben Tamalone; aan

mij hebt ge uw leven te danken, nietwaar Carlo? En ge zult zeker nog

dankbaarder zijn voor het nieuws, dat ik breng--ik heb een boodschap."

Op den dag toen Rogier strijdend de stad verliet, verhaalde hij

bedaard, lag hij in de kathedraal te bidden, en daar was ook Mevena

Lugina, bij het graf van haar broeder; zij vroeg wat het geraas

beduidde en toen zij hoorde dat de troepen op hun uittocht waren

aangevallen, sprong zij op van haar knieling in hevige ontroering. En

haar naar huis geleidende had hij haar gerustgesteld, daar hij wel

begreep waarom zij zoo geschrokken was. Later was hij dikwijls in

het huis van Lugina geweest, dien hij al jaren kende. Op een dag

had Mevena haar vader en broeders hooren zweren, dat zij zich zouden

wreken; zij had toen schreiend den monnik nageloopen in de straat en

hem gesmeekt een boodschap te brengen.

Rogier stond nu rechtop in de tent, Tamalone, die beneden hem gehurkt

zat, met groote oogen aanziende.

Zij zond haar liefste wenschen voor een spoedig wederzien, maar haar

vader zou haar in enkele dagen naar Bologna voeren waar Rogier niet

komen kon. Zij was ongelukkig en weende veel terwijl zij met Tamalone

sprak, zij moest voortdurend denken aan de vreeselijke woorden van

haar vader en wist niet hoe zij helpen kon.

"Weet zij dan niet van haar broeder?..."

"Zij zegt, dat gij hem niet vermoord hebt, Messer, zij heeft u lief

zooals ik zou willen, dat mij een vrouw liefhad... Ik zal u de waarheid

zeggen: alleen ter wille van haar heb ik deze boodschap gebracht

op gevaar van mijn leven. Maar voor zoo'n meisje had ik wel meer

gedaan. En ik ben eerlijk geweest, hoewel ik maar een arm man ben."

Hij frommelde onder zijn pij en bracht een koordje te voorschijn waar

een ring aan bengelde.

"Zij gaf mij dezen ring voor u. De steen, die er in is heeft op 't

oog maar weinig waarde, maar ze kuste hem toen ze hem overgaf en zei,

dat hij u geluk zou brengen."

Rogier hield den ring in de palm zijner hand, dicht onder zijn oogen.

"Ziet gij die roode vlekjes? Het is een zeldzame bloedsteen, want er

zijn adertjes dooréén gevlochten, kijk. Menig geleerde zou er veel

voor geven, want ge weet, dit is de steen waarvan zij zeggen, dat hij

den drager onzichtbaar kan maken, en een eeuwigheid te doen leven in

een enkele minuut. Ik weet niet of 't waar is maar wel, dat een steen

als deze, door zoo'n lieve hand gegeven, mij zelf veel waard zou zijn."

"Gooi weg, heer, gooi in het water!" riep Walid, die binnenkwam en

het zag, "de bloedsteen is nog gevaarlijker dan de duivelsteen dien

wij in de nesten van adelaars vinden. Neem hem weg, Carolus, en gooi

hem in 't water."

"Zwijg, man. Al was het de duivel zelf, die er in is, ik zal hem nu

dragen tot mijn dood."

De Saraceen zag hem aan en zei bedaard:

"Tot uw dood."

"Ach, dwaasheid!" sprak de brigadier, "ringen brengen nooit geluk,

ten minste niet die van de paapschen komen. Ik heb mijn robijn al

drie jaar nu. Maar ongelukkig zijn ze dikwijls, en Walid zegt--"

"Hij vergist zich, Carolus. Hij meent den valschen steen van Palmyra,

die werkelijk kwaad is. Maar dit is de ware heliotroop van Afrika,

zooals ge zoudt kunnen zien als ge steenkundige waart."

En Tamalone glimlachte overtuigend.

Tot laat in den nacht zat Rogier, in mantels gehuld, dicht bij de klare

vlammen met den monnik te praten. Hij vroeg telkenmale bijzonderheden

omtrent Lugina en staarde dan een poos in het vuur, terwijl de ander

met zachten, dartelen klank aldoor sprak en aanmoedigenden raad gaf:

er was een wonderlijk vloeiende maat in zijn woorden van liefde

en vrouwen en de geheimenissen van het hart, een maat die telkens

wederkeerde en Rogiers gedachten van zoete levendigheid bewoog. En

onverwachts vroeg hij den broeder of hij Mevena wilde gaan halen,

zijn stem beefde van ernst....

Reeds lang waren de soldaten in hun tenten gekropen en klonk in den

rustigen nacht slechts het gedurig spoelen van 't water in den vliet

en de luchtige stem van den monnik. De wacht was al met slaperig

gezicht teruggekomen en door een ander vervangen, en nog zaten deze

twee bij elkander, de een met vage ontroering om een verre vrouw en

in zachten gloei van vermoeienis en verlangen, luisterend naar de

steeds glijdende stem waarmede de ander ervaringen uit zijn leven

verhaalde en vele dingen zeide met een diep gevoel.

Hij was uit zijn klooster gevlucht en wijl hij geen heer had willen

dienen en de lust hem dreef om vreemde dingen te zien, had hij in

vele landen gezworven, levend naar wat de dag hem gaf. Luchtigjes

vertelde hij van dwaasheden en van daden waarvoor hij aan den

paal had gestaan--zijn vader had al gezegd, dat hij nooit een goed

christen zou worden, maar die wist niet van de onrust, welke hem als

knaap nachten en nachten al uit den slaap hield. Nadat hij uit het

klooster was gegaan was hij altoos gelukkig geweest, zeide hij; hij

had zich nooit om de menschen bekommerd en nooit verdriet gehad. In

onbedachte openhartigheid sprak hij door van avonturen en van menschen

die hij gezien had, zijn stem was teeder soms van zuiver vertrouwen en

zorgeloosheid en van plots geziene wijsheid; er vloot een bekoring in,

die in Rogiers hart een donkeren gloed van innigheid wekte en hem

tot tranen bewoog toen de broeder over Mevena sprak, zeggende dat

alleen een matelooze liefde en een ernstige vrouw in deze wereld te

bewonderen waren en de menschen gelukkig maakten--Mevena dáár mocht

zekerlijk niet alleen blijven treuren, want twee die elkander zóó

beminden moesten te zamen zijn...

En, zittende bij de roode vlammen, hun groote bewegelijke schaduwen

achter hen zich verliezend in den nacht, hadden beiden, onuitgesproken,

een eender gevoelen van toekomst, donker en onafwendbaar--en diep

begeerd.

Plotseling, met een gebroken snik, sloeg Rogier zijn armen om den

monnik, drukte hem aan zijn borst en kuste hartstochtelijk zijn

gelaat. Tamalone maakte zich uit de omarming los, hield zijn handen

en keek hem recht in de oogen.

Beiden richtten te zamen hun hoofden op en zagen Walid met een

glinsterenden dolk in de hand. De broeder glimlachte en zeide:

"Ik moet morgen een paard hebben om naar Bologna te gaan."

6

In een klooster buiten den stadsmuur vond hij een gastvrij onthaal,

dat hij vergoedde met oolijke verhalen. Ook in het huis van Lugina

werd hij als een bijzonder vriend ontvangen, want ondanks de booze

geruchten was hij vooral door edelen geëerd, en menig hunner vond in

de bekoorlijkheid zijner manieren een welkome reden voor de vriendschap

ontstaan door diensten, die hij in 't geheim had bewezen. In de steden

ontbrak het Tamalone zelden aan goede maaltijden.

Den dag na zijne aankomst trad hij de groote koele domkerk binnen en

knielde neder naast een pilaar, zoo laag, dat in het wijde gebouw

geen der weinige vromen hem zou hebben gezien. Aan de andere zijde

van een pilaar lag gansch in het paarsch gekleed Mevena gebogen. De

broeder keerde behoedzaam zijn gelaat naar haar toe en voelde zich

lichtkens bewogen door de schoonheid van haar figuur in devotie;

haar hoofd lag in de handen. Tamalone aarzelde even.

"Heer Rogier laat u groeten," fluisterde hij en keek haar een poosje

zwijgend aan, van den steen waar het kleed in plooien uitlag tot

het donker haar onder het kapje. De sluier over haar borst bewoog op

en neêr.

"Ik heb uw boodschap gebracht en hij heeft mij hier gezonden om u

te vragen bij hem te komen. Hij kon zelf niet komen, want uw vader

en de heele stad zijn hem vijandig, ofschoon gij weet dat hij niet

anders misdaan heeft dan gestreden tegen den Paus. Maar uw hart

is wijzer dan dit heele land vol dwazen. Ga naar hem toe en wees

gelukkig. Hij is gewond, hij is ziek en kan niet buiten u. Bedaar,

bedaar en blijf gebogen."

Mevena ademde snel en diep en hield zich aan haar bankje vast.

"Bedaar, bedaar... Van avond leg ik een pij achter het rozenbosch in

den tuin, trek dien aan, doe den kap goed neêr en wacht op mij. Ik

zal u naar hem toebrengen."

Hij sloeg een kruis, stond op en trad zijn snoer biddend langzaam

door de zonnige portiek naar buiten. Toen richtte hij zijn hoofd

op en schreed lichtkens dwars het wijde klare plein over naar het

stadspaleis waar hij zich in de schaduw der galerij voegde bij een

groepje jongelieden, fransche studenten, die hem met luidruchtigheid

ontvingen. Een poosje stond hij temidden van hen te praten en

zijn woorden, met glimmende, opmerkzame gelaten aangehoord, werden

herhaaldelijk door luid proesten onderbroken. Toen hij na een zotheid

verteld te hebben snel verder wilde gaan, trokken zij aan zijn mouwen

en hielden hem vast om nog één geschiedenis te hooren. En een goedig

student ging met de muts zijn kameraden rond, die er allen een kleine

munt in wierpen.

Tamalone bedankte, stak de duiten weg en deed onder gedurig giegelen

zijn verhaal. Aan het eind klonk er onbedaarlijk schateren, dat in

het groepje ruimte deed ontstaan, waar de monnik gebruik van maakte

om, lachend en knikkend, schielijk heen te gaan in het felle licht

buiten de galerij.

Hij liep naar het huis van Lugina, die in zijn gestreepten mantel

voor de deur stond te wachten en hem omarmde toen hij hem zag. Zij

bleven geruimen tijd binnen alleen waar geen dienaar hen hoorde; bij

't afscheid nemen spraken zij weinig woorden, doch drukten elkander

langdurig de hand.

De zon was in wolken ondergegaan en in den avond, dof als floers,

waarde er gestadig mistige regen. De straten waren stil, er gingen maar

weinig flambouwen, toen Tamalone gearmd met een kleinen monnik en met

de andere hand zijn pij ophoudende wegens het slik, haastig langs de

huizen schreed. Aan de poort hield de wachter die naar buiten kwam een

lantaarn bij zijn gelaat; hij klopte den man op den schouder, maakte

luide en met vele woorden een grap, zoodat de wachter lachen moest

om dien schelm van het klooster daarbuiten, en met een gemoedelijken

wensch het deurtje achter hen dichtsloeg en grendelde.

Zij liepen zwijgend in den vochtigen nacht.

"Hier is het klooster al," zeide Tamalone toen zij een paar rossige

ramen voorbij kwamen. De weg werd moeilijk, zij stegen een steile

helling op en ademden zwaar van inspanning. Het was drukkend warm,

de regen werd dichter en ritselde in de bladeren van boomen nabij. De

monnik bleef staan en riep iets in het fransch, waarop in de duisternis

aanstonds antwoord klonk.

"Dank u wel, vriend, ik wist wel dat ik op u rekenen kon."

"Ik ben doornat en weet niet hoe ik weer binnen kom. Hier hebt ge ze

bij dien boom. Goeden avond."

"Goeden avond!"

Mevena kon den ander niet zien, maar hoorde dat zijne schreden zich

verwijderden. Haar gezel trok haar voort aan den arm.

"Nu moet ge op dit paard, ik zal u helpen. Het zal wel moeilijk rijden

zijn in donker, maar ik zal den teugel houden, ik ken den weg."

Het meisje besteeg tastend het paard, dat uit zijn rust gestoord

trappelde en aan de teugels trok. Zij hoorde den monnik het dier

op den hals kloppen en toespreken, en dan met moeite een tweede

bestijgen. Toen ging zij vooruit en op hetzelfde oogenblik,

onverwachts, klonk zeer nabij het kraaien van een haan. Het paard

sprong zijdelings op en snel vooruit, natte bladeren sloegen Mevena

in het gelaat.

Nu reden zij vlug een heuvel af in duister en regen, terwijl achter

hen, in de verte verkleind en vervaagd, nogmaals het kukeluren van

een haan klonk, en op grooteren afstand het dieper antwoord van

een anderen.

Bij den dageraad hield de broeder stil om de beesten te verzorgen en

Mevena eten te geven. Zwijgend ging hij zijn gang, haar voortdurend

van terzijde aanziende; zij was bleek in het licht van den jongen,

doorschijnenden hemel, een geringe gestalte in haar wijde pij. Voor

zij weder in het zadel stegen deed zij hem allerlei vragen, maar hij

antwoordde kort en stug, met blikken afgewend.

In gestadigen draf reden zij dien ganschen helderen dag, bergen op

en glooiingen af door valleien waar geen sterveling ging, zij met

geopenden mond en hooge kleur, schokkend op het zadel, hij met gebogen

hoofd en peinzende oogen bij wijlen ter sluiks naar haar gericht. Nu en

dan keek hij in eenen op en verbaasde zich over zijn onbespraaktheid;

dan klopte hij even het goedige, lijdzame paard op den hals en van

lieverlede boog zich zijn hoofd weêr.

Toen het licht schaars werd steeg Tamalone af en tuurde in alle

richtingen om een rustplaats te vinden voor den nacht. Zij waren aan

den voet van een ruigen berg, met kleine sparreboompjes begroeid en

hier en daar, in open plekken, geel van gebloemte. Hij vroeg Mevena af

te stappen en leidde de paarden over steil gesteente in de heesters;

na hen verzorgd te hebben hielp hij het meisje den berg bestijgen

naar een plek onder wat boomen. Zij was zeer moede toen zij het

bereikten en leunde hijgend in zijn arm. Beneden, wijd uitgestrekt,

lag het land in eenzame wanorde van glooiingen en heuvels met enkele

fijne boompjes; de grootere monnik, met zijn arm om het middel van

den kleinere, keek over het landschap heen, de innige avondzon schuin

in de verte scheen op de grauwe pijen en het rustig gewas.

Zonder woorden wees hij haar neder te zitten en gaf haar te eten en

te drinken. Daarna liet hij haar alleen. Zij legde zich neêr, loom

van vermoeienis, en sliep aanstonds.

Tamalone was niet heel ver gegaan, maar zat dichtbij achter een

spar door welks takken hij haar gadesloeg. Toen hij haar eindelijk

te slapen meende strekte hij zich lang uit op den rug, met de armen

onder het hoofd en sloot de oogen. Doch telkens opende hij ze weder,

wanneer een zuchtje door de boomen voer, of wanneer hij gansch in de

verte een vogel hoorde; en hij staarde dan met strakke oogen naar

de lucht waar reeds enkele starren trilden. Dan, in den allengs

beeldrijker wakenden droom die hem vervulde, sloten langzaam zijn

oogen tot zij plots door een onrustige gedachte weder wijd zich

openden. De hooge hemelruimte boven hem gaf hem een innig behagen,

een bescheiden verlangen sproot in zijn hart, waar de vreugde nu

waarde der schoonheid van 't bergland, dat grooter was in de groote

avondstilte. En eensklaps voelde hij, in zwellenden gloed, dat hij

in deze hooge schemerende eenzaamheid gansch alleen was met een lief

wezen, een kleine vrouw wier oogen, goedhartig en stil, hem heel dien

zonnigen dag sprakeloos en vol onbevredigde gedachten hadden doen

gaan. Hij leunde op den linkerarm, duwde de takjes open, en zag naar

de plaats waar zij in duister gewaad te midden der struiken lag; en

hij keek zoo oplettend, dat hij de ademhaling zag in haar borst. Zij

sliep in aandoenlijke verlatenheid. Een nieuw gevoel ontroerde hem,

hij zat rechtop en keek voor zich waar het laatste licht draalde aan

de golvende kim. Zijn bloed klopte en hij ademde snel; een zachte

wind woei van boom tot boom, glijdend langs hem heen. Langen tijd

staarde hij in de verte; gedachten, oude herinneringen en jonge

gevoelens, in zonderlinge wildheid, kwamen en verschoten, hij was

vol wakker leven. Om haar te behagen had hij zich in dit gevaarlijk

avontuur gewaagd, voor haar die zoo liefelijk was, dat hij daareven

een verlangen had om haar te beminnen--hij had haar voor een ander

ontvoerd. Doch hij wist, dat het dwaasheid zou wezen, zijn waarachtige

aard was van een schooier om rond te loopen en om niets te geven,

niets dan de verzinsels en schimmen van zijn verbeelding.

En het waren eindelijk herinneringen alleen, die het langste talmden

en weemoedige gezichten wekten van verleden dingen, van vroeger leven

en eentonig lot. Met een zucht liet hij zich plots achterover vallen

en zag uit natte oogen naar den hemel, waar het licht van een wassend

maantje vloeide, het licht dat hem hinderde nu hij zichzelven begrijpen

wilde. Hij wendde zijn hoofd naar den boomstam, sloot zijn oogen en

lag uren op de helling van dien berg in droefheid luisterend naar de

zwevende stilte, luisterend in onnoozele verwondering hoe de hemel en

de aarde zielloos waren. Van lieverlede vergat hij waar hij verdriet

om had en in zijn gemoed gleed een lieflijke kalmte. Eindelijk richtte

hij zijn hoofd weder op en zat met de armen gekruist; in de lucht

dreven langzaam lichte wolkjes, in de duisternis der aarde beneden

en in de gedaanten der boomen was een heimelijk levende gloed.

Hij stond op, trad met voorzichtige schreden door de struiken, het

boschje voorbij, telkens stilstaande, en naderde de plek waar Mevena

lag. Toen hij vaag haar lichaam aan zijn voeten onderscheidde bukte

hij behoedzaam neder en kuste haar zeer zachtjes.

Hij stond weêr op--zijn hart klopte snel en hard, en hij keerde

zich om heen te gaan. Maar na twee schreden wendde hij zich weder

om en een zacht geluidje ontsnapte zijn lippen. Even wachtte hij

of zij ontwaken zou--in die pooze genoot hij de schoonheid van

't oogenblik: een lieftallig vrouwtje, onbewust en ongevoelig,

dat sliep in nachtelijke eenzaamheid, bij haar een man die een

wensch bedwong, daarboven in 't licht van 't maantje de hemel die

de toekomst wist... en hij herinnerde zich hoe zij gisterenavond te

paard waren gestegen, en hoe hij geschrokken was door het voorteeken,

het kraaien van een haan in den nacht... Toen keerde hij terug naar

zijn rustplaats achter den boom, en dommelde weldra lichtkens in.

Bij 't licht van den ochtend zuchtte hij, dat de nacht weêr voorbij

moest wezen, hij stond op en wekte zijn gezellin. Zij was opgeruimd

door het vooruitzicht dien dag het kamp te bereiken, haar lachen

klonk helder terwijl zij voortdraafden door het groene land.

Waar de grond moeilijker werd te bestijgen werden zij onverhoeds

door eenige ruiters aangehouden, Saraceenen, die den eenen monnik

herkenden, maar den andere barsch bejegenden. Na de eerste verbazing

over hun vijandige woorden wist Tamalone hen echter te bedaren,

en ze vervolgden hun weg.

Een paar mijlen verder bereikten zij eindelijk het kamp. Uit de

tenten verschenen soldaten, meest oosterlingen, die hen omringden met

dreigende taal en gezichten; zij grepen de teugels, spraken en vloekten

met veel gebaren en riepen om Walid. Maar Carolus naderde, die hen

beval heen te gaan, Tamalone hartelijk de hand drukte en hem haastig

meêvoerde naar de tent. Mevena, op wie hij geen acht had geslagen,

volgde, door de verwonderde soldaten nagestaard. Vóór de tent stond

Walid in een scharlaken mantel gehuld, met de armen gekruist. Hij

verroerde zich niet, tot de beide monniken vlak voor hem stonden;

toen gleed zijn mantel van zijn schouders, hij breidde de armen uit

en zeide kalm:

"Die vrouw mag niet naar binnen."

De roode Duitscher keerde zich naar Mevena om en keek zwijgend op

haar neder. Er was een oogenblik van gevaarvolle afwachting: voor het

grijze doek der tent de hooge gestalten der twee krijgslieden, kleurig

gekleed, tegenover hen de twee monniken, hand in hand--slechts de oogen

dier vier bewogen in donkere glansen. Er klonk gekreun daarbinnen,

Mevena uitte een zachten kreet en toen, met rood gezwollen gelaat,

sprong Tamalone plotseling naar den oosterling, greep hem bij de

keel en wierp hem op den grond. Fluks trok hij Mevena naar binnen,

onder de verbaasde blikken van den brigadier.

7

Een Zwerver Verliefd · 第 2 / 8 段