Produced by The Online Distributed Proofreading Team at
https://www.pgdp.net/
EEN ZWERVER VERLIEFD
door
ARTHUR VAN SCHENDEL
1917
1
Toen Tamalone een knaap was van dertien jaren, bleek en bescheiden,
was hij het meest geliefde kind van zijn vader, die hem altoos bij
zich verlangde, hem 's morgens medenam naar het hof van den baljuw
en hem zijn boek liet dragen. En thuis na het avondeten las hij
hem voor, dicht bij hem gezeten. De jongen luisterde dan met oogen
neêrgeslagen naar de geschiedenissen van de heiligen, van de koningen
en de oorlogen en zat nog langen tijd daarna zwijgend voor zich te
staren. Maar zelden sprak hij een woord.
Eens zag een priester hem en was getroffen door de zonderling teedere
bekoring dier donkere oogen; en nadat hij vele malen in de woning
van Anfroy, den vader, was komen spreken nam hij den knaap mede naar
zijn kapel, achter het gasthuis bij de rivier. Daar, in de sacristij,
waar hij door de hooge ruitjes de kalme zonnige wolken aan de lucht
zag gaan, zat voortaan Tamal des morgens naast andere jongens op
banken, luisterend naar den priester, die in 't midden met schoone
klanken stond te zingen; hun aller hooge stemmen herhaalden dan een
korte wijs,--bij het ijl geluid zijner eigen stem voelde hij zijn hart
verwonderlijk poperen, zijn wangen waren heet en hij wendde zijn oogen
van den priester niet af. Den langen weg naar huis, en des morgens
weder naar de kapel toegaande dacht hij gedurig hoe heerlijk het was in
de ruimte van een kerk te zingen; hij keek niet meer naar het koopvolk
en de huizen die hij voorbij liep, hij zag inwendig zooveel nieuwe
dingen en hoorde steeds den klank van de stem der priesters--het
waren zijn eerste droomen waar zijn gelaat van bloosde en dit was
zijn eerste liefde, het koraalgezang dat vader Mahy hem leerde.
In de kapel hielden de geestelijken veel van hem; zijn vader was
heimelijk verblijd wanneer hij des avonds den jongen met een boek op
de knieën stillekens bij het licht zag lezen, en dacht glimlachend
aan later tijd. De moeder echter vroeg als hij naar bed was wel eens
ontevreden en met een duister verdriet, waarom hij toch van de zusjes
verschilde, zoo zelden en zwakjes lachte en nimmer sprak van wat hij
gezien had of gelezen. Doch Anfroy sloeg op haar woorden geen acht.
En toen--het was in den donkeren wintertijd dat het begon--bemerkten
zijn ouders, dat hij lusteloos werd, iederen dag laat thuis kwam en
's morgens zich haastte om uit te gaan. En op een dag kwam vader
Mahy hen vragen waarom Tamal in zoo langen tijd niet gekomen was om
te zingen en te leeren. Anfroy sprak dien avond bedaard en ernstig
met zijn zoon, die enkel antwoordde, dat hij 't heerlijk vond den
ganschen dag door de straten te loopen, denkende aan wat in de boeken
stond,--maar hij zweeg van de zonderling ontspruitende genietingen
waarmede hij in zijn verbeelding vreemder en schooner ongekendheden
beleefde dan hij ooit had gelezen, gezichten van verre landen en oude
tijden, van ridders en heiligen en van eigen daden, saâmgeweven tot
een spel van kleurig verlichte tafereelen, die hem voort deden loopen
met moede voeten door straat na straat uren lang, tot hij eindelijk
stil stond en met heete oogen begeerde, dat er één lief beeld van
zijn gedachten wezenlijk waar.
Hij zweeg van zijn innerlijken lust en beloofde weêr braaf naar het
koor te gaan. Maar hij hield zijn belofte niet, hoewel zijn vader
hem sloeg en vaak bestrafte.
Later bleef hij ook 's avonds uit, een buurman zei dat hij in taveernen
kwam met andere jongelieden. Anfroy bedwong zijn drift en sprak weder
met hem; hij zou nu in de leer gaan bij een zilversmid. En Tamal,
beschaamd over zijn luiheid, ging trouw naar den winkel waar hij
aandachtig werkte. Weldra voelde hij het tintelen van de onrust weder,
die hem verlangend deed uitzien naar den Zondag om ver te kunnen
loopen en aan de vreemde oorden te denken; maar hij bleef bestendig
en zat ijverig gebogen op de werkplaats, waar slechts den ganschen
dag het fluiten van den ouden meester klonk. Aan het koor, waar hij in
sprakelooze verwachting placht heen te gaan, dacht hij niet meer. Hij
bleef nog even zwijgzaam, zijn stem klonk ontevreden. Menigmaal wanneer
hij vermoeid was kwam er een neêrslachtig voorgevoel in zijn ziel,
dat al zijn verlangen vergeefsch zou zijn, zich nimmer zou uiten,
maar verzwinden om niet, en hij peinsde ernstig somtijds wat het wel
was, dat hij 't liefst zou willen ter wereld, maar wist het niet. En
dan gaf hij zich met wellust over aan 't gemijmer, dat een vreemde,
onwezenlijke innigheid had, zooals zij wel kennen, die soms, laat
ontwaakt, zich om den ochtend en de wakkere wereld niet bekommeren,
maar liggen blijven en zich in stilte verwonderen hoe zooveel liefheid
daarstraks in hun hart kon dwalen--zij spreken niet als zij opstaan
en voelen in weemoedigen eenvoud, dat er schooner dingen zijn dan
hun oogen zien.
Hij was toen zestien. Een meisje, dat hij ontmoette, lachte hem zoo
liefjes toe, dat hij verwonderd in nieuwe vervoeringen raakte en haar
gaarne behaagde; doch weinige dagen slechts, want het meisje ging met
een ander spaceeren terwijl hij haar overal zocht, en haar later wel
beziende vond hij haar niet zoo mooi als hij eerst had gezien.
Hij vergat haar aldra, maar uit die eerste verrukking broeide een
rustelooze drang na, die hem gemelijk maakte en van de werkplaats
afkeerig. Vaak voelde hij zich nu vermoeid van de verbeeldingen, die de
een na de ander verkleurden en een stemming nalieten van armzaligheid.
Eens toen hij in donker door de stille buurten doolde, hield een
oude vrouw hem staande, jammerend en hem smeekend haar te beschermen
voor de schouts, die haar vervolgden. Tamalone, door haar armoedige
gestalte en haar klachten ontsteld, vroeg niet wat zij gedaan had,
maar nam haar op en liep hard met haar heen, in de verte zag hij de
lantarens van de wacht al schommelen. Met plots gevoelde kracht rende
hij door duisternis voort, de vrouw klemde zich vast aan zijn hals;
hij liep harder en harder want achter zich hoorde hij den klank van
wapenen en het hijgen van mannen in vlugge vaart. Eensklaps werd
een haak om zijn beenen geslagen, hij viel tegen een muur, de vrouw,
die hij in zijn armen hield, gilde hoog uit. Doch onstuimig sprong
hij op en pakte een der schouten aan--toen voelde hij sterkere handen
die hem losrukten, hij worstelde nog, maar verloor zijn kracht; de
kreten der dievegge drongen schel door de duisternis. Dan namen de
mannen hun lantarens op en droegen hem weg, langs de huizen stonden
de menschen met kaarsjes ontsteld aan hun deuren.
Des morgens, terwijl hij naar het gerecht werd gevoerd, was hij
verbaasd hoe eigenlijk alles gebeurd was; een arme vrouw had hem
gevraagd haar te helpen en hij had met de schouts gevochten, hij wist
niet waarom. En toen hij voor de rechters stond en antwoorden moest,
was hij bedeesd en sprakeloos; dan echter hoorde hij achter zich
het zuchten en kermen van de vrouw, die naar de galg werd gevoerd en
hij zeide dat hij haar had willen helpen. De rechters zagen elkander
aan; zij veroordeelden hem, hij werd gegeeseld en daarna in het blok
geslagen voor de gevangenis, waar vele menschen stonden, lachende
mannen en vrouwen, luidruchtig en met drukke gebaren. Daar lag hij
met pijnen onder de blauwe lucht, de toeschouwers met hun hatelijk
vroolijke blikken keken voortdurend. Hij beefde van woede, zijn
pijnen verergerden en werden ondragelijk, maar hij bleef met de tanden
vastgeklemd en de vuisten verhard de lieden lang en strak aanstaren,
die nieuwsgierig drentelden langs de rijen van boosdoeners. Eensklaps
rilde hij van koude, een onnoemelijke onverschilligheid kalmeerde
zijn hart en gelijk hoog aan den hemel, langzaam en onbereikbaar,
een vogel gestadig verder vliegt tot hij in 't licht verdwijnt, zoo
voelde hij duidelijk, dat hij een lief vertrouwen verloor, hij sloot
zijn oogen en zijn spieren ontspanden zich.
Des avonds werd hij vrij gelaten. Hij liep langzaam naar huis, maar
op weg voelde hij zich ziek van vermoeidheid; hij ging een herberg
binnen en zat ellendig op een bankje, met een beker voor zich,
terwijl in het half-duister vertrek mannen kwamen en gingen, die met
grove stemmen praatten en lachten en geen acht op hem sloegen. In
zijn hoofd klopte het koortsig, hij voelde iets in zich schrijnen,
maar hij bleef roerloos zitten, langen tijd, strak voor zich kijkend,
onverschillig en zonder gedachten. Eindelijk riep de waard hem toe,
dat hij heen moest gaan; zonder antwoord dronk hij zijn beker leeg en
liep naar buiten, er was iets onnatuurlijks in hem. Het was een loome
nacht, waarin de geluiden van late menschen--een eenzaam vriendenpaar
gearmd, dat vertrouwelijk liep te praten, of in de verte het schelle
lachen van een lustige deerne--klankvol luidden als in een donker
treurspel van ouden tijd. Tamal bemerkte dat de krankheid van zijn
lichaam verminderd was en terwijl hij langzaam schreed door de straten
van gesloten huizen, ontwaakte de een na de ander zijn gedachten, hem
mild verblijdend, de lauwe zomerlucht streelde zijne wangen. Eerst
dacht hij aan zijn vader, die vroeger zoo goed was geweest en van
wien hij zooveel had gehouden; hij begreep niet waarom zij nu niet
meer van elkander hielden en waarom zijn vader naar niets anders
ooit vroeg dan of hij geregeld naar den winkel ging, naar het werk
dat hij haatte en slechts deed omdat hij niet lui wilde zijn. Dan
herinnerde hij zich wat hem den vorigen avond en dien dag overkomen
was, hij glimlachte in lichte verbittering en voelde zich ouder;
maar in zijn innig gemoed, onaangedaan door de herinnering, waarde al
weder een ijl gedroom van wat hij doen zou als hij ridder was en in
verre landen reisde--de beelden ontloken in zijn gemijmer als lampjes
achter de ruiten wanneer de dag vervliedt, en bewogen, schimmen van
een liefelijke wereld; hij had zijn geeseling vergeten en zijn woede
toen hij naar den blauwen hemel boven hem zag. En bij den dageraad,
bij het zwatelend gerucht van menschen, die vroeg ontwaakt naar hun
arbeid gingen en blijde rondzagen naar de kalmte van den zomermorgen,
liep hij nog voort met gebogen hoofd.
Zijn moeder schrok toen zij hem binnen zag komen, zij nam hem schreiend
in haar armen. Haar vragen echter beantwoordde hij niet; uitgeput van
vermoeienis leide hij zich op zijn bed en sloot zijn oogen. Een diepe
ademhaling klonk weldra in de kamer, waar de zon scheen en de zusjes,
in hun spel gestoord, op een afstand naar hem keken; de moeder,
met betraande oogen, ging rustig met haar werk weêr voort. Toen
Anfroy thuis kwam van het hof, stond hij een pooze zwijgend bij zijn
slapenden zoon, zette zich dan aan de tafel, zeide zijn gebed en at,
maar hij sprak geen enkel woord, zoodat het zeer stil was en slechts
de zware ademhaling werd gehoord van den slaper in de bedstede.
Terwijl zij arm in arm naar de werkplaats gingen des anderen daags,
vroeg Anfroy zijn zoon waarom hij voor de gevangenis te schande had
gelegen. Tamal was aangedaan door de zachte stem en vertelde alles op
verdrietigen toon. Maar zijn vader keek hem wantrouwend aan en schudde
zijn hoofd; toen werd hij plotseling rood en rukte zijn arm los, in
benauwde boosheid schreed hij voort, hij sprak niet meer. Zij waren
bij de werkplaats gekomen; Anfroy stond stil en beval zijn zoon vroeg
thuis te komen toen deze op eens zich omkeerde en met een kreet hard
wegliep--een bedreiging werd hem nageschreeuwd, de grijze zilversmid
kwam naar buiten, vroeg wat er was en schudde zijn hoofd.
Sedert zagen zij hem thuis op ongeregelde uren; eerst klopte hij laat
elken avond aan de deur, klom zwijgend in zijn bed terwijl zijn vader
hem schold en hij nog lang daarna het zuchten van zijn moeder hoorde;
maar later bleef hij vaak gansche nachten weg en kwam dan onverwacht
wanneer zijn moeder alleen was om eten vragen. Het werd zeer droevig in
het huis van Anfroy; de kleine meisjes spraken met fluisterende stem
als hun ouders tegenover elkaêr aan de tafel zaten en aan den jongen
dachten, die in duister en ongetij dwaalde, zij wisten niet waar.
Tamalone kende de gansche stad en de landen buiten de wallen. Bij
voorkeur liep hij waar weinig menschen waren, daar voelde hij zich
tevreden en teeder van hart. Des avonds zat hij in een taveerne met
andere jongelieden, die zongen, stoeiden en van de meisjes spraken
welke zij kenden, en daar kreeg hij een vriend, een vroolijk jonkman,
die met liederen en vioolspel het brood verdiende en hem dikwijls
lachen deed. Zij waren allen arm en zorgeloos; om voor zijn vrienden
en zich zelf een maal te betalen nam Tamalone soms heimelijk uit het
koffertje waar zijn vader al jaren lang de zilverstukken spaarde.
Eens was hij thuis gekomen om voor de barre koude te schuilen. Zijn
moeder zat bij het lampje en Anfroy in de schouw met starre oogen waar
de hooge vlammen hun licht in spiegelden. De wind die zoo straks door
den schoorsteen gierde, was van lieverleê bedaard. Het hout knetterde
in het vuur, niemand sprak in de kamer; het was een zonderlinge
stilte en Tamal, van den een naar de ander kijkende, kreeg plots een
ingeving, dat zijn ouders, onverschillig en ongenegen, vreemdelingen
waren voor hem en eeuwig zouden blijven. Zijn oogen werden vochtig
en hij wenschte, dat toch zijn vader iets zeggen zou om de stilte
te breken; hij stond op, liep lusteloos heen en weder en keerde bij
't vuur terug, zijn borst was van verlangen vol, hij wilde spreken,
maar wist niet hoe. Buiten hoorde hij de stemmen van geburen, die
elkander iets toeriepen over het koude weder, een deur sloeg toe en
alle gerucht van de straat verstierf, terwijl in de kamer zwaar de tijd
verging en de stilte ontzaglijk werd, suizend en ruim, als vervuld van
een machtige aanwezigheid, onbegrijpelijk en niet te weêrstaan. Met
oogen wijd open van onnoozelen angst zag hij rondom zich naar de oude
meubelen, de bedsteê waar zijn zusjes sliepen, en de schouw--zijn
vader zat in de warmte te dutten, de vlammen verlichtten zijn gelaat,
dat terzijde was genegen. En Tamal ervoer die zelfde onverschilligheid
weder, die hij gevoeld had toen hij in 't blok had gelegen verleden
zomer, het was nu een aangenaam licht gevoel. Een oogenblik later
dacht hij aan zijn vrienden en den jool in de herberg; hij stond op,
nam zachtjes zijn kap van een stoel en liep naar de deur. Hij keerde
zich om--zijn moeder keek hem boos aan met het voorhoofd geplooid,
zijn vader zat roerloos in den vlammenschijn. En geheel onbedacht,
duidelijk en zeker, nam hij het besluit nimmer meer terug te keeren,
doch naar andere landen te gaan... het was een plotse klaarheid in zijn
gemoed als de glans van de zon in een rivier. Hij lichtte de klink,
de tocht voer ijzig door de reet der deur naar binnen, zoodat op de
tafel het lampje walmde.
Haastig liep hij door de straten waar in duister de sneeuw zacht
ritselend in dichte drift neêrdaalde, zijne schreden maakten een
krakend geruisch. Hij dacht hoe hij morgen eten zou vinden, maar
vergat dat weêr spoedig in zijn blijheid, dat zijn leven veranderen
zou. En hij liep zoo lang, denkend aan de verre landen, tot hij niet
wist waar hij was.
In den ochtend, die feestelijk scheen van rijkelijk warrelende sneeuw
over de lage huisjes, vertrouwelijk onder hun wit-bevrachte daken,
vonden de stadswachts hem in het portiek van een kerkje; hun stemmen
en een vroegmisklokje klonken broederlijk en welgestemd in de zachte,
zedige straat. Zij namen hem op en droegen hem weg naar het gasthuis.
Daarna zwierf Tamalone met zijn vriend in achterbuurten en
herbergen waar dieven en liedjeszangers en lichtekooien te zamen
kwamen. Menigmaal liepen zij beiden, arm in arm, te zoeken, waar zij
te eten konden krijgen en menigmaal ook vluchtten zij buiten de poort
om zich te verschuilen dagen lang voor de schouts. Maar Tamalone was
frank en tevreden in zijn bandeloos leven en groeide spoedig tot man.
Eens ontmoette vader Mahy hem, die zijn bleek gelaat aandachtig
beschouwde, dan vriendelijk tot hem sprak en hem medenam naar zijn
woning. Het was een welig behagen voor den jonkman aan den klaren
disch te zitten en naar de vrome woorden van den priester te hooren,
zijn leven van de laatste maanden scheen hem onwezenlijk toe. In
de sacristij, waar de zelfde gele bladen muziek van vroeger lagen,
zongen zij een lofzang samen, de een was door de stem van den ander
tot serene wijding geroerd. Hij bleef verscheidene dagen in de woning
van den vader, ernstig en in vroom gemijmer; op een ochtend ging hij
mede naar het nieuwe klooster van St. Franciscus, waar de overste
hem in beproeving ontving.
Alleen in zijn cel, eenvoudig en bedaard, schreef hij daar van den
stillen morgen tot den stillen nacht bij het licht van een kaars de
woorden van heiligen in sierlijke letters na; wanneer het klokje
der uren klepelde en het zijn beurt was, ging hij naar het altaar
om te bidden, de arbeid en de koele stemmigheid van het huis hadden
zijn verbeelding bedaard, hij bad in liefderijken ernst. Een grijze
broeder bleef somwijlen staan om hem na te zien wanneer hij door den
ommegang terugkeerde naar zijn cel, en dacht dat hij een vroom man
moest worden, die zoo bezadigd was in zijn jeugd.
Doch, vermoeid en geheel alleen met de boeken, zat Tamalone menigkeer
lange poozen te staren naar zijn hoog tralievenster en dacht aan de
verlatenheid waarin hij door een toeval was verdwaald, hij die weleer
in kleurige verzinsels leefde van veel avontuur; en dacht aan zijn
traagheid ook waardoor alleen hij nimmer getracht had te weten wat
zijn toekomst zou wezen en waarheen toch zijn verlangen stond.
En aldus, na veel laten, aandachtigen arbeid mijmerend in 't grauwe
vertrekje, kreeg hij eens in verbazing het inzicht, dat zijn leven
vruchteloos was voor God dien hij bad, wijl heel zijn lieve jeugd en de
warmte van zijn hart in droomerijen waren verspeeld en hem niet meer
konden drijven tot vrome daden; dat zijn leven machteloos zou zijn,
daar hij niet zooals de broeders begeerde, die met devotie of met
hartstochtelijke woorden spraken van wat zij doen wilden ter liefde
van den Heer en de zondige menschen. Hij zuchtte gelaten, doch hij
treurde niet en den anderen morgen zette hij zich weêr bedaard aan
den lessenaar.
Maanden lang zat hij alleen, schrijvende in zijn cel, hij voelde zich
een oud man worden en had geen andere zorg dan voor het pergament en
de sierlijkheid der letters. In de diepte van den nacht, als de taak
was volbracht, had hij soms een onbestemd berouw, dat de tijd voorbij
ging en geen verandering bracht. Daarbuiten in de wereld leefden de
menschen in vroolijke drukte.
Ten leste echter kwijnde zijn ijver en op zonnige morgens talmde
hij langer in den hof, op een bank in het bloesemend lommer, met
andere broeders, die praatten en hun werk vergaten in glimlachende
genoegelijkheid; of drentelde geheel alleen door den boomgaard,
zooals hij 't liefste deed, terwijl met vreemde onverwachtheid hem de
lieve verbeeldingen uit zijn jongensjaren weêr verschenen. Wanneer de
overste of de poortier hem vond, hem berispte of bestrafte, ondervond
hij die zelfde schaamte en vrees als in de dagen toen zijn vader hem
gestreng behandelde. En onder het werk, wanneer de wrok tegen het
onrechtvaardig gezag was geweken, werd het hem al klaarder bewust,
dat hij in heel zijn leven niet gelukkig was geweest, behalve vroeger
als hij alleen door de straten liep en in zijn denken verwonderlijke
dingen zag gebeuren. Hij zuchtte bij de gedachte wat er gekomen was
van zijn innig voornemen om vroom te leven, zijn schoonste gevoelen was
maar een vergankelijk iets geweest, en hij glimlachte over zich zelven.
Omtrent den tijd, dat de aartsbisschop een bezoek zou brengen, gingen
er heimelijke geruchten in het klooster: de broeders, die des morgens
altijd luierden en praatten, werden achterdochtig en keken gedurig
rondom zich. Eén van hen, Simon was zijn naam, vertelde Tamalone
eindelijk wat er op handen was: zij werden van ketterijen verdacht,
er was een geschrift gevonden met leerstellingen van de catharisten
en zij hadden besloten liever te vluchten dan het oordeel van den
aartsbisschop te wachten en de penitentiën, die volgen zouden om het
huis te zuiveren--bijna in alle kloosters waren oproerige denkbeelden
ontdekt, men strafte gestreng. Tamalone zelf had gevaarlijke woorden
gesproken, zeide Simon, en zij rieden hem met hen mede te gaan. Hij
herinnerde zich niet wat hij gezegd kon hebben en waarin hij gezondigd
had, maar het enkele geheimzinnige woord van een vlucht in donker
bekoorde hem zoodanig, dat zijn wangen gloeiden en hij in ontroering
telkens dacht aan de uitgestrektheid der velden ginder buiten den muur,
aan de tallooze menschen die hij weêrzien zou in de stad.
Den zelfden avond nog klauterden zij stillekens één voor één een
venstertje uit en liepen achter elkaar zwijgend door een weiland in
de richting der stad, waar de lucht rossig was gelijk de weerschijn
van een brand. Tamalone kwam achteraan in de donkere rij van pijen en
floot een deuntje dat schriel welluidend klonk in den teederen avond,
hij was zoo zorgeloos wat een toeval hem weêr brengen zou. Toen zij
binnen de stadspoort waren gekomen, gaven zij elkander de hand, een
iegelijk ging zijns weegs en Tamalone voerde Simon naar een herberg
meê, die hij wist in een achterstraat.
Sedert dien tijd had hij nooit meer een woning. Hij verliet de stad
waar hij geboren was en zijn vaderland, vroolijk en onbezorgd waar 't
henen ging. Het toeval voerde hem naar het zuiden. Slechts de bochtige
nauwe straatjes waar hij als knaap had gedoold, keerden somtijds in
zijn herinnering weêr, en ook een enkel maal het gelaat van zijn vader
met starre oogen. Wel vermeed hij de eerste maanden de menschen nog,
want in de droomen uit zachtzinnig verlangen gerezen zweefde een vage
hoop, dat hij wonderen zou beleven van hartstocht en geluk. Doch de
tevredenheid, welke hij genoot op zijn reizen over verlaten wegen,
wanneer hij enkele dagen in een dorp of konvent had vertoefd, deed
hem begrijpen dat zijn vrijheid zijn eenig geluk zou wezen. En de
oude verbeeldingen van schoone vrouwen en 't geluk dat zij schenken,
van prinselijke grootheid en daden die de wereld zouden verbazen,
werden allengs een simpel welbehagen gelijk in een schouwspel dat
men gadeslaat, het wekt geen verwachtingen en 't genot is maar
tijdelijk. En hij werd spraakzaam en gemoedelijk.
Hij zwierf in vele streken, het liefst op het land; onder den ruimen
hemel voort te gaan was zijn grootste vreugd. De burgers in de steden
kenden hem als een vriendelijken eerzamen broeder, die tallooze
verhalen wist en hen aan 't lachen kon maken, zoodat zij hem gaarne
zagen; maar sommigen ook zeiden kwade dingen van hem, dat hij een
bedriegelijke sluwerd was en een dief. Zelden echter bleef hij lang
in de steden, hij trok zich van de menschen en hun zorgen luttel aan,
en het leek hem of ook de lieden hem eerst met bevreemding aanzagen,
wanneer hij weêr eenige dagen in hun buurt was teruggekeerd, er was er
geen die ooit aan hem dacht.--Tamalone wist, dat zelfs broeder Simon,
zijn vriend die in Pisa woonde, waar hij soms kwam, hem vergat wanneer
hij vertrok. Maar hij bleef argeloos en blijgezind en voelde in zijn
avontuurlijke vrijheid zich immer een gelukkig man. Het duister
verlangen van weleer naar hartstochtelijke daden en ontroeringen
kwam maar zeldzaam in zijn gemoed, de vreugde van het zonlicht en
de wolken aan den hemel en van de beelden, die enkel beelden bleven,
was zijn eenig bezit, hij wist dat er geen toekomst was.
2
Nu was er wanorde van haastige toebereidselen in het kamp, tenten,
gereedschappen en oorlogstuig werden op wagens geladen met armen waar
de aderen dik op stonden. Het onverwacht vooruitzicht van losbandigheid
ginds in de stad maakte de mannen lustig rumoerig. En weldra stonden
zij in velerlei sierige kleedij en bewapening in rangen aangetreden,
een troepje ruiters naast hun paarden in voor- en achterhoede; en toen
eerst, in het onbewegelijk wachten, kwelde hen weder de stralende
zomerlucht en verlangden zij om voort te kunnen. Rogier gaf een
wenk--met schel gejoel, als van jachthonden, ging de tocht vooruit.
Aan het hoofd, statig in staal gehuld waar slechts zijn roode baard
uitstak, reed Carolus de brigadier op een hoog, gepantserd paard,
geflankeerd door twee oosterlingen met spitse mutsen van wit bont over
hun helmen, en trommen voor zich op 't zadel: dan kwamen de Duitschers
met bandelieren van verschillende kleuren, sommigen met goud en zilver
gesierd. Een kleine afdeeling voetvolk volgde, temidden waarvan Rogier
reed met blinkenden helm en borstplaat van voortreffelijk maaksel;
ten laatste de oostersche ruiters, allen in roode en groene buizen
en met korte zwaarden omhoog.
En achteraan, heel alleen, liep Tamalone de minderbroeder met zijn
handen op zijn rug en een deuntje zingend.
Zij bestegen den rotsigen weg naar den muur der stad en toen zij de
opene poort zagen zwegen zij. Een zwierige menigte wachtte in den
zonneschijn aan de binnenzijde der opening, reikhalzend en stil.
De brigadier in de schaduw der poort gekomen deed zijn hengst
steigeren en tegelijk roerden de tamboers hevig hun trommen, zoodat
de verschrikte mannen, vrouwen en kinderen schreeuwend en dringend
ruimte maakten; zij hadden ontzag voor den geweldigen krijgsman
voorop en voor de trommen, zij hadden nooit andere troepen dan
gewapende poorters gezien. Er rees een geruisch van bewondering voor
den regelmatigen tred der voetsoldaten en toen Rogier voorbij reed,
werden in de menigte, schitterend in een glans van stof, de gebaren
bezield, de uitroepen zwollen tot juichend gedruisch in de nauwe klare
straatjes. De rustingen die glinsterden, de orde en het stilzwijgen
vooral van de vreemden, werden druk besproken en er was blijdschap,
dat het vechten nu gedaan was, temeer daar de verstandigen onder
de toeschouwers, die luid spraken en met gezag, verklaarden dat de
schade alleen de rijkere ambachts trof, immers daar de kleinere
slechts weinig in de schatting bij konden dragen; maar ook vrij
van eigenbelang werd er welgezindheid jegens den keizer geuit, die
belasterd werd door priesters van geringe geboorte.
Op het marktplein, waar de aanzienlijken wachtten, hielden de
troepen stil; eensklaps rees het stemmengerucht aangroeiend tot
verrassend gejubel, de tallooze gezichten bewogen opgewonden in den
zonneschijn. Een bandelooze woeling van jonge mannen en vrouwen,
door Tamalone geleid, trok zingend en met doeken wuivend rondom de
lichtende figuur van Carolus saâm, de monnik reide die het dichtst
bij waren in den franschen danskring rond; buigend en de beenen hoog
heffend warrelden zij om den brigadier heen, wijl half spottend
half gemoedelijk hem de grilligste namen werden toegeroepen, die
het plein, blakerend tusschen de witte huizen, daveren deden van
gelach. Onverschillig voor het geraas keek Carolus van zijn paard op
het gepeupel neêr.
Doch de gemoederen der soldaten namen de warmte dier plotseling
bruisende feeststemming aan. Zwijgend waren zij de stad binnengekomen,
maar door de schaterende drukte klaarden hun gezichten thans op,
zij werden vroolijk in de uitbundigheid ten koste van den brigadier
en bewegelijk van lust om meê te dringen in het gedrang. Nadat zij
hun bevelen hadden gekregen, verspreidden zij zich onder het volk,
dat hun wijn te drinken gaf; in de steile straatjes sprongen de
Duitschers in rijen arm in arm met de ambachtslui en de joelende
vrouwen. Tamalone,--hij was toen omtrent dertig jaren, een luimig man
bij feesten en volle kannen--, de monnik, die de eerste vroolijkheid
had doen opgaan, liep lachend en knikkend door de drukte, er werd
gejuicht waar hij ging, en bekers werden geheven. En dien ganschen
dag was de klare zomerlucht van zangerige stemmen vervuld.
Toen het later werd en in het gewemel tusschen de lage schemerige
huisjes slechts de witte en gele kleederen en de mutsen der vrouwen
nog het lichtste waren, trad Rogier met zijn brigadier en een burger,
door de twee tamboers gevolgd, uit het stadspaleis om naar de soldaten
te zien. Waar hij kwam, hield het dansen en springen op, de juichkreten
klonken zonderling fel in de duisternis.
Doch rustiger was het in de straten waar de breede rijkere huizen
stonden met hun deuren, donker en klein, hecht gesloten: hier
gingen geen menschen en druischte het rumoer verzacht slechts uit de
verte. Er stond daar een kathedraal, onvoltooid en zonder torens;
de vijf mannen door een open deurtje kijkende zagen in den schijn
der kaarsen enkele bidsters geknield. Twee zeer jonge vrouwen traden
naar buiten en toen Rogier een van haar aanzag wijl zij passeerde,
zweefde een luwe aandoening hem voorbij, of 't herinnering was die
al te gauw vervluchtte. En de geluidloos wijkende figuren nakijkende,
vroeg hij den burger wie zij waren.
"Dat zijn de dochters van heer Lugina," antwoordde die met een
lachje. "Door uw onverwachte komst kon hij niet meer naar Bologna
gaan en daarom vluchtte hij hierheen."
Zij keerden in duister zwijgend en voorzichtig terug. Nog zag Rogier
dat jonge nieuwe gezicht en hield hij zijn oogen toe of hij zich iets
herinneren kon.
Voor het paleis bleef hij staan en zag over het plein, waar in den
zwoelen nacht gestalten gingen en hier en daar een toorts bewoog. Nu
klaarde het voor zijn bewustzijn, dat hij reeds in den ochtend, in het
rijke zonlicht, bijwijlen vaag en vervlietend een nieuwe teederheid
had gevoeld, en zijn vragende verwondering over het meisje van daareven
was hem welkom en behagelijk.
Aan den overkant, bij den glans van twee stil brandende toortsen,
zag hij Tamalone met een edelman langzaam gaan en een huis
binnentreden. Toen was het plein verlaten. Het gedruisch werd al
schaarscher in de duistere straatjes, slechts nu en dan klonk in de
verte een vermoeid referein of luid het kloppen op deuren.
3
In de koelte van de kathedraal, waar hij haar den eersten avond van
zijn binnenkomst ontmoet had, zag hij de dochters van Lugina weder,
en weder roerde de onvolwassen gestalte van het jongste meisje hem
tot innerlijke aandacht en onderging hij de vreemd kille ontroering
van eindelooze zoetheid, van louter genot dat komende was.
En Carolus, den getrouwe, trof het weldra, dat er sedert de inneming
der stad over zijn meester een frissche bloei was gekomen, een vreugde
die zich uitte in sierlijke wijde gebaren en die hem hoofsch deed
bewegen als een prins. Hij had hem in de kathedraal met vrouwen gezien,
hij had hem het huis zien binnengaan waar Lugina vertoefde, de oude
vijand van Rogiers geslacht--en hij besloot hem heimelijk te bewaken.
Buiten de noorderpoort stonden aan den wijden weg den heuvel af
kastanjeboomen uit zeer ouden tijd, wier takken zwaar van loof
nederbogen tot den grond. In den avond liep Rogier daar geruchtloos en
langzaam met een ruiker van rozen, en toen hij aanstonds dicht langs
de duistere stammen een kleine vrouw haastig zag naderen, liep hij haar
met gestrekte armen tegemoet, boog en gaf haar zwijgend de bloemen.
Met haar kleine koele hand in de zijne daalden zij den weg af,
zij in vluggen gang om zijn schreden bij te houden en nu en dan
omkijkende in de donkerte van het gebladert. Aan den voet van den
heuvel kwamen zij aan opene velden, waar 't bleeke koren stond,
en steeds zwijgend keerden zij rechts een voetpad in met jonge
populiertjes ter weerszijden.
De grond was hier vlak en zij liepen langzaam. Haar hand vaster
drukkend, in een neiging om dichter die donzige nabijheid aan te
raken, fluisterde hij in korte woordjes, dat het zoo lief van haar
was dat zij gekomen was, en dat hij voortdurend aan haar gedacht
had. Onbewegelijk en koel voelde hij haar hand in de zijne, maar over
zijn lichaam poperde gestadige ontroering. Het voetpad werd bochtig
en rees weder en daalde over heuveltjes van dicht wingerdloof, naar
een boschje waar zij schimmig de stammen der boomen bespeurden in de
tinteling van duisternis.
Mevena wendde haar hoofd weêr om, zij stonden stil en zagen aan de
schemerwolkige lucht den top des heuvels waar de stad was. Plotseling,
tot een zoete verbazing der wandelaars, vloot een glad geluidje door
het loover, het streelend kwinkeleeren van een vogel vulde den nacht.
Dan werd het plots weêr stil en het meisje, angstig in het duister,
kwam dichter bij den jonkman staan. Hij zag haar groote oogen, boog
zich en kuste haar; diep ademend omvatte hij heel haar slank lijfje
en kuste haar die nog niet kussen kon tot haar lippen bewogen, en
drukte haar aan zich, en fluisterde kleine lieve woordjes. En zij,
met een borst van gloeiende stilte, haar gelaat naar zijn mond,
wachtte de kussen, luisterend naar den zwellenden nacht die zwoel
van teederheid was.
Toen zij langs het paadje het donkerder bosch in gingen ritselden er
wat bladeren, maar Mevena hoorde, dat er sinds zij stonden ook ander
gerucht nog dwaalde en haar oogen zochten naar alle zijden of zij de
witte danseressen zagen. Hij bemerkte haar onrust, vroeg wat er was,
en beiden luisterden, hand aan hand. Heel in de verte hoorden zij een
gedempt rollen van onweêr, een fijne koelte voer door de boomen. Hij
kuste haar lippen weder en in weelderig zuchten vergaten zij den
komenden nachtstorm, die bij tusschenpoozen rommelde met zwaarder
geluid. De bladeren boven hen ruischten steeds koeler en wuivender,
somwijlen zagen zij elkanders gelaat in snellen schijn, over de
bergen kwam de donder geweldig nader bolderen--en steeds kusten zij
elkander inniger en ongeduldiger, zij kusten slechts want zij konden
niet spreken. Onverwachts brak een helle klaterslag door den nacht, de
takken waaierden in den lauwen wind en groote waterdroppels ruischten
door de bladeren.
Nauw had hij haar hand gevat om haastig voort te loopen, toen zij een
gerucht hoorden en dan duidelijk een val--Rogier zeide, dat het een
getroffen boomtak moest wezen en voerde haar dicht aan zich mede,
tastend in het natte loof tot zij buiten het geboomte waren. Hij
wist, dat niet ver af een landmanshut stond, verlaten gedurende de
belegering der stad, en daar het water nu dichter en sneller viel en
de schichten des bliksemlichts met vreeselijk geraas de duisternis in
oproer brachten, nam hij haar op en snelde er heen. Een nachtvogel
fladderde langs hen naar buiten toen hij het deurtje openduwde. Zij
deed haar doornatten kap en sluier af, drong zich zachtkens tegen hem,
en hij in een rijke genieting van den rozengeur, die in het warme
duister waarde, streelde haar, streelde de schouders en de haren en
het vochtig kleed.
En terwijl zij gansch sprakeloos en zonder gedachten de weelde
genoten hunner jonge vervoering, ruischte in den nacht gestadig de
koele regen en schoten de lichtschijnsels, fel onverwacht, gevolgd
door het verwijderend schoon geluid van den hemel.
Enkele dikke droppels tipten op de bladeren nog, maar de regen was
gedaan en de lucht verbleekte, toen Mevena aan de deuropening vermoeid
in de armen van haar minnaar steunende, weder ergens iets hoorde. Hij
stelde haar gerust, zeggend dat er geen mensch op dit uur zou gaan,
dat zij de feeën niet vreezen hoefde, en om haar angst te verdrijven
riep hij met ver klinkende stem wie daar was. De eerste morgenwind
verspreidde vaag het geluid, een vogeltje tjuikte in de takken.
Zij bedachten, dat het laat was en dat zij naar de stad moesten
keeren. Op de terugwandeling door het natte gras sprak Rogier luchtig
en zwierig over toekomstige vreugde en zij, in dartelen tred naast
hem gaande, antwoordde en beäamde met een hooge stem.
"Hier begon het onweêr zoo straks," zeide ze toen zij in het boschje
kwamen, waar de boomstammen nu duidelijk uit de heesters stegen.
"Zullen wij den tak zoeken, die vlak bij ons neêrviel?"
Zij keek met groote oogen rond, maar antwoordde niet. En hij kuste
haar en zeide:
"Lief... Maar het is laat, de lucht wordt zoo licht."
"Als ik maar binnen kan komen..."
Vlug gingen zij verder. Toen zij den lommerrijken weg naar de stad
bestegen, zagen zij verbaasd bij hun nadering de poort opengaan. Walid,
de hoofdman der Oostersche soldaten, die buiten stond, groette
eerbiedig.
Boven hen trilde teeder de bleeke dageraad; in de kilgrauwe straatjes
liepen al gretige kippen en ganzen. De minnaars haastten zich voort,
zij vreesden door vroeg ontwaakte lieden gezien te worden. Op het
plein tegenover het paleis klopte Mevena aan het zijdeurtje van een
aanzienlijk huis met twee torentjes; er werd onmiddellijk geopend
door haar zuster, die haar angstig aanzag, en even knikkend ging zij
voorzichtig binnen.
Alleen voor het gesloten deurtje staande maakte Rogier een groot
omvangend gebaar, zette zijn vuisten in de heupen en stapte langzaam
dwars het wazige plein over. Carolus stond in zijn stalen harnas al
in de galerij aan den ingang.
"Goeden morgen, Carlo. Ziet gij dat groote huis met die torens en
vier ramen?"
"Dat dáár?" vroeg Carolus, en terwijl hij wees ving de groote robijn
in den bisschopsring aan zijn voorvinger een gloeiende flonkering.
"Ja, daar woont messer Lugina; zorg dat daar vooral de mannen geen
kwaad doen."
En hij ging naar binnen.
Twee uren nadat de minnaars in de stad waren teruggekeerd, in den
klaren morgen, droegen eenige landlieden ter noorderpoort het lijk
van een jonkman in, dat zij met doorgesneden hals hadden gevonden in
een boschje tusschen het natte struikgewas.
"Ach!" zeide Tamalone, die bij het groepje bukte om te zien wat er was;
"het is de jongste zoon van heer Gian Lugina, die uit Bologna komt."
Omringd door vele meewarig pratende lieden werd de doode naar het
marktplein gedragen, naar het huis met vier ramen.
Vroeg reeds vertelden zij elkander het gebeurde en velerlei onverwachte
geruchten deden wonderlijk door de stad een gevoel gaan, dat de dag
vreemd was en gespannen van naderend nieuws.
4
Rogier, nauw ontwaakt, zat door de ruitjes in den zonnigen bloemenhof
te staren toen de brigadier kwam zeggen dat Lugina wachtte en verlangde
toegelaten te worden.
"Maar," zeide hij, "wij kennen den man al zoo lang. Ik zal de wacht
binnenhalen."
Drie soldaten plaatste hij aan de deur en geleidde later Lugina de
zaal in, een groot man in het paarsch gekleed, met spitsen baard en
gefronste wenkbrauwen.
Rogier groette vriendelijk. En de ander kwam voor hem staan, knikte
even ten wedergroet; met booze, rappe woorden vertelde hij, dat zijn
zoon met doorgesneden hals was thuisgedragen, en zwoer dat ook dit
gewroken zou worden met al het vroeger onrecht hem aangedaan. Hij
kon zijn toornige stem niet bedwingen en zeide wat hij gehoord had,
dat ook Rogier dien nacht buiten was geweest.
Rogier haalde de schouders op en zweeg. Eindelijk antwoordde hij,
dat hij weldra zou bewijzen, hoe hij er onschuldig aan was, en immers
had hij den jongeling slechts één keer gezien. Hij beloofde oprecht,
dat hij den moordenaar zou doen vinden en vreeselijk straffen. Toen
vroeg hij Lugina zich te bezinnen of hij zich de laatste dagen niet
een vriend had betoond, en zeide dat hij in den lijkstoet zou gaan. De
oude man zag hem verbaasd aan, boog en antwoordde, dat hij die eer
niet verlangde. En hij keerde zich om heen te gaan, maar de ander
hield hem staande en sprak:
"Dan zal ik morgen vroeg bij u komen, want ik wil in vertrouwen met
u spreken."
"Morgenochtend zal ik u wachten, messer; ik hoop dat de moordenaar
dan gestraft is."
Hij verliet de zaal met de oostersche soldaten.
"Wees voorzichtig," zeide Carolus, "wees voorzichtig. Die vervloekte
kerels! Ze zouden u vermoorden. Gij kent ze niet, het verdoemde
volk. Gij wilt toch dat meisje niet trouwen?"
"Ja, morgen ga ik hem zijn dochter vragen. Ga nu heen."
De brigadier, zeer verbaasd, keerde zich met zwaar schouderophalen om.
En Rogier zat weêr alleen in de vensterbank met gebogen hoofd. In de
gaarde stonden rustig de rozelaars en vergaderden de zomerzon om hun
rood gebloemte; verder op glansden in blanke menigte de jasmijnen, hun
stillere weligheid was als van smachtende minnaars, die hun liefde niet
uitspreken kunnen; en achteraan stond eenzaam in de blauwe lucht een
beukeboom met zijn uitgestrekte takken vol glimmend loof in roerloozen
praal, de monnik Tamalone lag er onder op het gras te slapen. Rogier
staarde in de verre schaduw, terwijl hij in herinnering het frissche
ruischen van den regen hoorde en bij vleugjes de genietingen van den
nacht weêr over zich glijden voelde. Onbegrijpelijk waarde rondom hem
de weeke innigheid van het meisjeshart, dat zich had open gedaan, de
wonderlijke geur harer kussen. Hij dacht aan Lugina met een glimlach
en tevreden hoofdknik... hij zou zeker weêr vriendschap sluiten met
den ouden man en haar weldra trouwen.
De doodsklokken begonnen te slaan, het misklokje klepelde met zedig
eentonigen klank, Rogier liep naar buiten in de schaduw der galerij,
waar de soldaten stonden te kijken.
Aan den overkant wachtten slechts weinige vrienden en geburen voor
het huis van Lugina, maar in wijderen kring veel nieuwsgierig volk
met de ruggen naar het paleis gekeerd. Er ontstond een dringen en
reikhalzen, toen traden eerst knapen met een banier en wierookvaten,
een priester en acht monniken met flambouwen het huis uit; dan droegen
Lugina en zijn zoons het lijk naar de baar.
De optocht werd gevormd en aan beide zijden bewoog de menigte mede
langs de huizen, naar het paleis en voorbij. Rogier staarde met
halfgeloken oogen in het licht; hij hoorde de klokken wel klinken
hoog in de lucht, en de zangerige stemmen der klerken; en hij zag
Lugina in zijn paarschen mantel te midden der flambouwen, waarvan
de walm met den wierookgeur in de warmte boven de menschen dreef;
en hij zag de zonderling donkere blikken op hem gericht; maar turend
over de beweging naar het witte huis met de torens aan den overkant,
dacht hij aldoor aan den diepen ernstigen glans van vrouwenoogen.
Doffer werden in de verte de eentonige gebeden, één klok slechts
luidde met dreunend gebeier, en nog stond hij tusschen de pratende
krijgslieden in mijmering, toen uit de schaduw eener straat het gonzen
van veel volk te zwellen begon.
En weldra deinde het marktplein in een kleurige warreling van menschen,
de tallooze gelaten, ernstig en nieuwsgierig, waren naar het paleis
geheven.
Er waren boden gekomen, hun paarden stonden aan de deur. De menschen
wachtten met wijde oogen het nieuws, zij vertelden elkander reeds,
dat een groot leger in aantocht was. De brigadier verscheen weêr in
de galerij met den man dien zij de poort hadden zien binnenrijden,
er werd gedrongen en gevraagd wat er was. Vooraan pakten twee mannen
woedend elkaâr om den nek, er werd geschreeuwd, lansen en helmen
schoten licht boven de roode, groene, blauwe kaproenen, die rezen en
daalden in het gedrang.
Aan de overzijde van het plein reed eensklaps een monnik te paard
onder de menigte, in de eene hand hield hij een kruis, de andere wees
naar het paleis met boos gebaar. Er voer door het gewoel een beweging
van onzekerheid waar men luisteren zou en kijken.
De doodsklok luidde in den klaren hemel, rustig en ongeroerd, terwijl
het nieuws van den monnik in de stoffige drukte zich spreidde: een
vreeselijke slag gewonnen en die van Bologna met een machtig leger
onder hun overheer en den kardinaal geen twintig mijlen van de stad...
Uit de straten kwamen de krijgslieden, de trommen roffelden en
voor het paleis groeiden de rustige rijen van mannen te paard,
terwijl uit de drommen der stedelingen het stemmengeraas aanzwol
tot hartstochtelijk geluid. Reeds riepen zij van ketters, heidenen,
moordenaars, en klonk er gejuich voor Lugina en den Paus. De hoofden
wendden zich van den monnik naar het paleis weder, waar vlak voor de
lachende ruiters twee mannen worstelden op den grond.
Dan, uit de straat ter linker, blonk een gouden baander boven de
wemeling; er stegen kreten, gezwollen fel rumoer, dat de paarden
opschrikken deed. Een ruiter tuimelde op den grond. Nu was het
onstuimigheid van armen dreigend boven de hoofden geheven, van
klievende zwaarden en heet geschreeuw.
En toen Rogier inderijl naar buiten kwam zag hij in den stoffigen dag
tusschen de huizen een ontzettende menigte in bruisende beroering,
te midden waarvan de ruiters op steigerende paarden snel de wapenen
hieven en nedersloegen. Hij beefde van genot bij het gedaver van
woede en strijd; hij gelastte een soldaat af te stijgen, sprong
in het zadel en rende vooruit, over de lijven die vielen, met
prachtige hartstochtelijke zwaaien van arm en zwaard. Nu schreeuwden
de Duitschers en joelden de oosterlingen, een golving voer over het
volk, dat wendde en vluchtte.
Maar uit de straten kwamen ruiters, Lugina en velen meer, met kreten
van "slaat dood! slaat de heidenen dood!" En het volk keerde weêr en
hield weifelend stand.
Voort drongen de soldaten en sloegen de weerloozen bloedend
neêr. Midden in de drommen, in het dikke stof, reed Carolus, zijn
geweldige arm in kalme beweging; doch eensklaps rukte hij zijn hengst
overeind en deed hem wild haar voren springen, naar de edelen der
stad. Een machtige houw kwam op Lugina's paard neêr, dat viel; een
andere velde een monnik--naast hem beukte Rogier een jong ruiter uit
het zadel, een tweeden zoon van Lugina, en de gillende Saraceenen
hakten en sloegen in het gewemel onder hun paarden.
Toen zwenkten de edelen en stortten de straat in, het volk in wilden
angst hen achterna. Zwaar gloeide de lucht van geschreeuw.
Het plein was leeg aanstonds, slechts aan de schaduwige openingen
der straten rustten krijgslieden. Op den grond lagen vele burgers in
de stovende zon, en wanneer te wijlen er één trachtte op te staan,
hieuw een Saraceen hem neder.
De soldaten brachten hun wagens en laadden er pakken op, anderen
droegen aldoor groote bossen stroo aan waarmede zij de open gebroken
deuren der huizen binnen gingen. Voor de woning van Lugina stond de
gepantserde brigadier geleund, zich met zijn blauwe doekje bewuivend,
en wen daar kerels met stroo aankwamen, wees hij hun verder te gaan.
In het midden des pleins werd om een paal een stapel gebouwd en de
monnik die het eerst het volk had aangezet, werd er in gebonden,
slechts zijn afschuwelijk hoofd waar de oogen uitgestoken waren,
en zijn kruis staken uit boven hout en stroo.
Rogier had met eenige mannen het lijk gevonden van Lugina's zoon,
die gesneuveld was, en volgde het naar het huis in rouwig bewustzijn,
dat er haat van menschen zijn liefste in duister verbergen zoude en
voor hem wijken deed. Bij de geopende deur rees er verlangen in hem op
om binnen te gaan, maar hij zag het doode lichaam en zwaarder woog het
verdriet, dat zij, de nieuw beminde, voor hem verloren zou zijn.... Hij
begreep, dat alles tegen zou wezen, dat zelfs Mevena's jonge gedachten
zich van hem keeren zouden nu hij den haat had gezien van haar vader.
Aan alle zijden uit de huizen kronkelde rook naar buiten, de vlammen
sloegen uit het paleis. Rondom hun wagens stonden de ruiters en
voetsoldaten in gelederen gereed. De dag werd groezelig door den rook
die snel naar boven warrelde. De brigadier knielde bij den brandstapel
neêr en ook daarom vlogen eensklaps de vlammen op en omringden het
hoofd van den monnik, die luid zijn gebeden uitgalmde.
Nog stond Rogier aarzelend voor de deur; hij had in het onvermijdelijke
heengaan berust, meenende dat hij te eeniger tijd nog de vriendschap
van Lugina zou winnen en keerde zich reeds, om zich naar zijn soldaten
te begeven.
Doch eensklaps schoot hem het bloed door het lijf en hij snelde
naar binnen om Mevena te zoeken en meê te voeren; Carolus en enkele
Saraceenen liepen hem na. Zij gingen in hijgende haast van kamer tot
kamer, zij stegen tot boven in 't huis en vonden slechts meubelen
en koele verlatenheid. Rogier riep Mevena's naam, Carolus riep op
zijn luidst, de oosterlingen wachtten met opmerkzame blikken en
luisterden. Maar het huis was eenzaam en stom. Heengaande zagen zij
op den vloer eener kamer het lijk van den jongen Lugina, het bloed
lag er omheen.
En Rogier, in het daglicht gekomen, in den reuk van brandend hout,
beval den brigadier met een afdeeling vooruit te rukken en de
stedelingen neêr te houwen zooveel hij er zag. Hij vloekte tegen
de hooge vlammen waar de stem van den monnik uit klaagde, steeg te
paard, en de kreten der soldaten krioelden door het rookende plein,
ontzaglijk als een zwarte roofvogelzwerm.