1. Pithecanthropus erectus Dubois.

Zelden is wel over een vondst van fossiele overblijfselen zoo veel

gestreden, heeft een ontdekking zooveel twijfel, ergernis, wantrouwen,

vreugde en opgewondenheid--al naarmate het standpunt, dat men tegenover

de descendentieleer en het vraagstuk van de afstamming van den mensch

innam--veroorzaakt, als toen Eugene Dubois in 1893 van uit Batavia

het bericht de wereld inzond, dat hij de overblijfselen van een op den

mensch gelijkenden overgangsvorm had gevonden, dien hij pithecanthropus

erectus, den rechtopgaanden aapmensch noemde. Wel waren het luttele

overblijfselen--een schedeldak, een dijbeen, een kaakfragment en

twee kiezen (Fig. 12) maar zij vereenigden zoovele menschelijke en

dierlijke kenmerken in zich, herinnerden zoo sterk aan de eene zijde

aan de hoogst staande apen, aan de andere zijde aan het menschelijke

skelet, dat men hier den tusschenvorm, den "missing link" van Darwin,

meende voor zich te hebben. De verschillende beenstukken (schedeldak

en dijbeen) lagen wel bij het vinden 15 meter van elkaar verwijderd,

maar zoo volkomen in dezelfde steenlaag (men vergelijke de doorsnede

van de lagen in fig. 13), en zonder eenige verdere bijmengselen,

dat het van verschillende zijde geuite bezwaar, dat de stukken niet

tot hetzelfde dier zouden hebben behoord, doch het dijbeen van een

mensch, het schedeldak van een grooten aap afkomstig zou zijn, wel

ongegrond mag genoemd worden. Waar is, dat het dijbeen verrassend

veel op dat van een mensch gelijkt, de schedelkap meer op die van

een grooten aap, dan op die van een mensch, hoewel in vele opzichten

meer ontwikkeld dan de tegenwoordig levende menschapen. Dubois gaf

daarenboven aan, dat volgens de bij de overblijfselen in dezelfde

steenlaag gevonden fossielen de geheele laag van tertiairen oorsprong

zou zijn. Men had hier dus den langgezochten tertiairen voorvader

van het menschelijk geslacht voor zich. Nu is door de resultaten van

latere opgravingen op dezelfde plaats wel eenige twijfel hierover

ontstaan. De bewerking der door de expeditie van Mevrouw Selenka in

1906 op dezelfde plaats verzamelde fossielen en geologische gegevens

door Volz, Elbert en anderen in 1908 en 1909 schijnt niet alleen met

groote waarschijnlijkheid te hebben aangetoond, dat de laag gesteenten,

waarin de overblijfselen van den pithecanthropus waren gevonden, van

veel lateren datum is dan de jongste tertiaire periode, het plioceen,

waartoe Dubois ze meende te kunnen brengen, een resultaat waartoe,

onafhankelijk van Volz, ook K. Martin op grond van het systematisch

onderzoek der gevonden fossielen kwam, doch schijnt ook er op te

wijzen, dat daar ter plaatse de pithecanthropus met den mensch te

zamen moet hebben geleefd. Men vond tenminste sporen van vuur en een

menschenkies in dezelfde steenlaag.

De laag van Trinil, die de fossiele overblijfselen van den

pithecanthropus bevatte, schijnt niet tertiair, doch diluviaal

te zijn, en moet volgens Volz zelfs ongeveer in het midden van

de diluviale periode (men vergelijke de tabel in hoofdstuk I)

gesteld worden. [15] Zelfs als men dus van het eolithen-vraagstuk

geheel afziet, en zich uitsluitend houdt aan de werkelijk gevonden

menschelijke overblijfselen, zelfs dan is, zooals uit de hierna te

bespreken vondsten blijken zal, de pithecanthropus niet ouder, doch

eer jonger dan de oudste menschelijke overblijfselen, en heeft hij dus

waarschijnlijk gelijktijdig met den mensch geleefd, wellicht zelfs

naast hem, want in Indonesië, in Zuid-Sumatra, in Celebes en ook op

Java zijn sporen van menschen uit den palaeolithischen tijd gevonden.

Van den "missing link" is dus geen sprake, en zoo geeft dan ook

zelfs Schwalbe, die den pithecanthropus zoo uiterst nauwkeurig

en systematisch heeft onderzocht, toe, dat hoe dicht ook de

pithecanthropus bij den mensch moet hebben gestaan, het toch

volstrekt niet noodzakelijk is, hem als directen voorvader van het

menschengeslacht aan te nemen.

Toch blijft deze vondst m.i. van uiterst groote beteekenis, en aan

Dubois de onvergankelijke eer, bij een doelbewust onderzoek er naar,

deze overblijfselen te hebben gevonden, en er de groote waarde direct

van te hebben ingezien. Zelfs al schakelt men den pithecanthropus

volkomen uit de reeks van voorvaderen van den mensch uit, dan

toonen toch zijne overblijfselen, zoo opvallend menschelijk, tot

welk een hooge ontwikkeling de hoogste zoogdieren, de menschapen,

de primaten, in het begin der quartaire periode zijn gekomen, en

het blijft zeer goed mogelijk, dat de pithecanthropus een directe,

niet veel verder ontwikkelde, misschien zelfs iets gedegenereerde

afstammeling is van denzelfden vorm, die in nakomelingen, die

zich in reeksen van opvolgende generaties wel ontwikkelden, het

menschelijk geslacht heeft voortgebracht. Moge ook, zooals uit

fig. 11 blijkt, de schedelwelving van den pithecanthropus met die

van den chimpansee nagenoeg overeenstemmen, de schedelcapaciteit

(d. w. z. de schedelinhoud, door de hersenen ingenomen, het volumen

van de hersenen dus), volgens Dubois 870 c. M.3, tegen 550 c. M.3 bij

de grootste menschapen (gorilla en orang oetan), 1230 c. M.3 bij den

neanderdal-schedel, en 1450 tot 1550 c. M.3 bij de blanke rassen,

verheft den pithecanthropus ver boven de menschapen. Hetzelfde zou

volgens Dubois gelden voor hetgeen men aan de binnenzijde van den

schedelkap van het relief der hersenoppervlakte heeft kunnen zien,

nl. een ontwikkeling speciaal van dat gedeelte van de hersenen, dat

met het spraakvermogen samenhangt, sterker dan bij eenigen anderen

menschaap.

2. Eoanthropus Dawsoni. In het laatst van 't jaar 1912 werd in een

kiezelafzetting (een zoogenaamde "gravel pit") bij Piltdown in Sussex

een gedeelte van de onderkaak en van het schedeldak van een menschelijk

wezen uit de eerste tijden der pleistocene periode gevonden, volgens

de nog eenigszins onvolledige gegevens [16] het oudste menschelijke

overblijfsel, dat tot dusverre in Engeland gevonden werd. Ter eere van

den ontdekker werd het de eoanthropus Dawson gedoopt. Niettegenstaande

maanden lang met de grootste zorgvuldigheid werd gezocht, werden geen

verdere gedeelten van het skelet gevonden. Volgens de beschrijving,

van de overblijfselen door Mr. Smith Woodward gegeven, stammen de

overblijfselen uit de "Chelléen" periode. Steenen werktuigen van het

"Chelléen" type en overblijfselen van een hippopotamus werden in

dezelfde laag aangetroffen.

De menschelijke overblijfselen bestonden uit de rechterhelft van

de onderkaak met twee kiezen en ongeveer 2/3 van het schedeldak. Dit

laatste was in stukken gebroken, doch kon volkomen goed gereconstrueerd

worden. Het was buitengewoon dik en stevig gebouwd. Het merkwaardige

van deze overblijfselen is, dat de onderkaak verrassend veel gelijkt op

die van een aap, vooral van een chimpansee, terwijl de in de onderkaak

bewaard gebleven kiezen geheel en al menschelijke kenmerken vertoonen,

alleen iets grooter zijn. (Wij zullen ditzelfde verschijnsel later

wedervinden in de kaak van den homo heidelbergensis 4). De kinstreek

is afgebroken en de verdere tanden zijn verdwenen. Aan de nog aanwezige

tandkassen kan men echter duidelijk nagaan, dat ook de niet voorhanden

tanden en kiezen iets grooter moeten geweest zijn dan die van den

tegenwoordigen mensch.

Van den schedel was voldoende bewaard gebleven om den schedelinhoud

te kunnen berekenen. De schedelcapaciteit bleek ongeveer 1070 c. M.3

te zijn. Vergelijkt men dit cijfer met de hierboven in verband met

den pithecanthropus genoemden, dan ziet men, dat de eoanthropus

grooter hersenen moet hebben bezeten dan deze, doch minder dan de

werkelijke mensch. Het nauwgezette onderzoek van de beide fragmenten

bracht dan ook Dr. Smith Woodward tot de slotsom, dat wij hier met

een werkelijken tusschenvorm te doen hebben, die, hoewel reeds dicht

bij den mensch staande, toch nog niet den naam homo verdient, en

daarom door hem de eoanthropus, "het wezen staande aan den dageraad

der menschwording" gedoopt is. Voor het probleem der afstamming en

vooral van de verbreiding van den mensch over de aarde, is het nu

zeker uiterst merkwaardig, dat twee dergelijke intermediaire vormen

als de pithecanthropus en de eoanthropus, de een in Java, de andere

in Europa zijn gevonden. [17]

3. De vondst van Taubach. In 1895 werden door Nehring twee menschelijke

kiezen beschreven, die bij Taubach in Saxen-Weimar gevonden waren,

meer dan 5 meter onder den beganen grond in steenlagen uit het

allereerste gedeelte der quartaire periode, te zamen met primitieve

steenen werktuigen uit de "Chelléen" of "Acheuléen" periode en

met overblijfselen van den elephas antiquus en den rhinoceros van

Merck. Meer dan die twee kiezen werd niet gevonden, maar toch was

de vondst, vooral toen ter tijde, belangrijk, omdat toen dergelijke

oude sporen van menschelijk bestaan nog niet bekend waren. De beide

kiezen zijn een eerste linker melkkies en een eerste linker blijvende

kies, beiden uit de onderkaak. Het eigenaardige van deze kiezen ligt

vooral in de grootte, welke die van menschelijke kiezen overtreft,

in het sterk afgesleten zijn en in den vorm, die verschillende

eigenaardigheden vertoont, welke meer aan apentanden dan aan een

menschelijk gebit doen denken. Om het belang van deze vondst juist te

kunnen waardeeren, moet men bedenken, dat van alle beenstukken juist

de tanden en kiezen tot de meest kenmerkende en voor de verschillende

diersoorten het scherpst van elkaar te onderscheiden deelen van het

menschelijk en dierlijk organisme behooren, zoodat men dikwijls de

soort, waartoe gevonden fossiele overblijfselen behoorden, heeft

kunnen vaststellen aan één tand, die van een dergelijk dier gevonden

was. En in de tweede plaats blijkt juist de buitengewone grootte van

de kiezen een kenmerk te zijn, dat ook bij de later gevonden oudste

menschvormen, zooals bij den zooeven genoemden eoanthropus en vooral

bij den straks nader te beschrijven homo heidelbergensis tot de op den

voorgrond tredende eigenaardigheden behoort. Daarom werden dan ook de

"tanden van Taubach" hier vermeld.

4. Homo heidelbergensis. De onderzoekingen van Dubois op Java werden

in 1891 en 1892 verricht. Veertien jaar later werd de tweede uiterst

belangrijke vondst gedaan. Waarlijk, 21 October 1907 is de datum,

die met gulden letteren in het boek der anthropologische wetenschap

verdient te worden opgeteekend, als van den dag waarop de fossiele

onderkaak van den "heidelberger mensch" werd gevonden. En het is

merkwaardig, dat, evenals Dubois doelbewust de Kendeng-lagen bij Trinil

was gaan onderzoeken, omdat hij overtuigd was, daar den langgezochten

overgangsvorm te vinden, ook hier het vinden van de heidelberger kaak

door Schoetensack jaren lang was verwacht. In een zandgroeve bij het

dorp Mauer, dicht bij Heidelberg, die sinds 1872 wordt afgegraven,

waren reeds telkens belangrijke fossielen gevonden, o. a. uit

het laatste gedeelte der tertiaire periode. Dr. O. Schoetensack,

de anthropoloog uit Heidelberg, reeds gedurende meer dan 20 jaren

een getrouw onderzoeker der zandgroeve, had, onder den indruk van de

groote overeenkomst, die bestond tusschen de lagen van de zandgroeve

en de aan fossielen zoo rijke beddingen van Taubach in Weimar, en

in de verwachting, dat ook hier wel eens belangrijke overblijfselen

konden worden aan het licht gebracht, bij zijne bezoeken aan de

groeve telkens weer de arbeiders en opzichters gewaarschuwd en hun

op 't hart gedrukt, als zij iets vonden niet eigenhandig verder te

graven, doch hem direct te roepen. En zoo werd, na jaren wachten,

zijn geduld beloond, en werd hij den 21sten Oct. 1907 er dadelijk

van verwittigd, dat in de diepste lagen van de zandgroeve, meer dan

24 meter onder den beganen grond, een menschelijke onderkaak was

gevonden. Zoodoende kon Dr. Schoetensack direct na het vinden van de

kaak de vindplaats inspecteeren, en photographeeren, hij liet een

notarieele akte van de omstandigheden, waaronder de vondst plaats

had gegrepen, opmaken en door den opzichter en den arbeider, die er

bij aanwezig geweest waren, onderteekenen, hij liet op de vindplaats

een gedenksteen aanbrengen, kortom, alles werd zoo uiterst nauwkeurig

vastgesteld, dat geen twijfel meer mogelijk was. De vondst van deze

kaak dan ook vrijwel de eenige anthropologische vondst, waarvan door

geen enkelen geleerde ooit eenigen twijfel omtrent de echtheid en

den hoogen ouderdom is geopperd. Daarna is door Schoetensack de kaak

beschreven in een voortreffelijke, uitvoerige, rijk geïllustreerde

monographie, zoodat naast de meesterlijke beschrijving door M. Boule

van den een jaar later in Frankrijk gevonden voorhistorischen mensch

van la Chapelle-aux-Saints het werk van Schoetensack als een voorbeeld

van exact anthropologisch onderzoek mag gelden.

Belangrijk is nu in de eerste plaats de ouderdom van het fossiel. In de

photographie van fig. 14 ziet men duidelijk in de afgegraven zandgroeve

de verschillende zand- en steenlagen boven elkaar en rechts onder

bij den bodem het witte kruisje, dat de plaats aangeeft, waar de kaak

werd gevonden, 24 meter onder de oppervlakte. In dezelfde laag werden

gevonden overblijfselen van den elephas antiquus, den etruscischen

neushoorn, voorloopers van den holenbeer, een soort van paard, dat

in het laatste gedeelte van de tertiaire periode voorkomt, een fauna,

derhalve, die in zijn geheel wijst op een zeer hoogen ouderdom van de

steenlaag, in het einde van de tertiaire periode. De bij de kaak in

dezelfde laag gevonden vuursteenen zijn volgens Rutot eolithen uit de

"Mafflien"-periode, einde tertiaire of begin quartaire periode. Kortom,

de kaak van Mauer is verreweg het oudste der stratigraphisch volkomen

nauwkeurig bekende menschelijke fossielen, en zijn drager moet nog vóór

het begin van de ijsperiode, in het allerlaatste gedeelte der tertiaire

periode geleefd hebben. Alleen hierom zou de homo heidelbergensis al

het volste recht op onze groote belangstelling kunnen doen gelden,

doch daarbij is de vorm van deze onderkaak allermerkwaardigst. Men

vergelijke de beide afbeeldingen in fig. 15 en 16 met den omtrek van

een modernen onderkaak van den homo sapiens, of beter nog, men neme het

voortreffelijke gipsafgietsel van de kaak ter hand, dat tegenwoordig in

de meeste musea te vinden is. Met verbazing beschouwt men het kolossaal

massieve karakter van de kaak, met zijn breed massaal achterstuk voor

de kauwspieren, met zijn volkomen ontbrekende kin, met zijn geheelen

vorm, die volkomen op een orang- of gorilla-kaak gelijkt, en daarbij

het absoluut menschelijke gebit. Ware deze onderkaak gevonden zonder

gebit, men zou niet aarzelen hem aan een voorwereldlijken aap toe

te schrijven. Het gebit evenwel vertoont zoo volkomen menschelijke

kenmerken, is zoo harmonisch en regelmatig gebouwd, zonder sterk

vergroote hoektanden, met regelmatig gebouwde kiezen van volkomen

menschelijken vorm, dat men geen oogenblik twijfelen kan, deze kaak

als een onderdeel van een menschelijk skelet te beschouwen. Ditzelfde

bleek ook bij het röntgenologisch onderzoek van het fossiel. Ook de

vorm van de tandwortels, door de röntgenstralen in het inwendige van

de kaak zichtbaar gemaakt, bleek overeen te komen met die van het

menschelijk gebit, niet met die van een of anderen apensoort.

Hoe de drager van deze kaak er moet hebben uitgezien, is natuurlijk

niet te zeggen, maar wel kan men met zekerheid uit het gevonden fossiel

afleiden, dat de drager een mengeling van dierlijke en menschelijke

kenmerken moet hebben vertoond. Wil men van een "missing link,"

van een overgangsvorm spreken, dan heeft men hier den typischen

overgangsvorm voor zich. Wellicht brengt de zandgroeve van Mauer ons

nog eens andere deelen van het geraamte, waaruit wij den verderen

lichaamsbouw van den homo heidelbergensis kunnen afleiden. Dat hij

in het laatste gedeelte der tertiaire periode bestaan heeft, dat hij

de kenmerken van een tusschenvorm moet hebben vertoond, daarvan is de

door Schoetensack beschreven fossiele onderkaak ons een zeker bewijs.

5. De Neanderdal-schedel. In een vorig hoofdstuk beschreef ik reeds

in korte trekken de geschiedenis van den vondst van dezen beroemden

schedel, waarvan alleen 't bovenste gedeelte, het schedeldak, is

bewaard gebleven, die, jaren lang een unicum, tegenwoordig slechts één

van een groote groep van gelijkwaardige fossiele vormen is. In 1856

door eenige arbeiders bij het uitgraven van een leemgroeve gevonden

in een kleine grot in het Neanderdal bij Elberfeld, doch weggeworpen,

door Fuhlrott met nog eenige andere deelen van het skelet (de grootste

helft der lange beenderen, een stuk van het bekken en eenige andere

fragmenten) van den ondergang gered, en door hem en Schaaffhausen

het eerst beschreven, heeft deze schedel (of liever dit schedeldak)

jaren lang het voorwerp van levendige discussies uitgemaakt. Terwijl

men in Frankrijk, het klassieke land van de praehistorische vondsten

en van de anthropologie, al spoedig tot het resultaat was gekomen,

dat dit schedeldak met zijn eigenaardigen vorm, met zijn laag,

wijkend voorhoofd, zijn overhangende, sterk verdikte wenkbrauwen,

zijn langgerekt achterhoofd, een overblijfsel van een bijzonder,

zeer laagstaand menschenras was (hoewel dit ook in Frankrijk niet

zonder tegenspraak was gebleven), was in Duitschland door niemand

minder dan Virchow en Ranke de ban er over uitgesproken. De diluviale

ouderdom van den schedel werd in twijfel getrokken, de eigenaardige

eigenschappen er van werden voor pathologisch verklaard, en de

schedel werd nu eens voor een schedel uit den tijd der Merovingers,

dan weder voor dien van een Russischen kozak of van een soldaat uit

den 30-jarigen oorlog gehouden, of wel in verband gebracht met de in

zeker opzicht een dergelijken eigenaardigen ("neanderthaloiden") vorm

vertoonende Marker- en Friezenschedels, met den Batavus genuinus van

Blumenbach. Zoo werd aan den Neanderdal-schedel elke waarde ontzegd

voor het probleem van de afstamming van den mensch. Volgens Virchow,

die juist op de oogenschijnlijk groote overeenkomst tusschen den

Neanderdal-schedel en de Marker-schedels den nadruk had gelegd,

kon men nog heden ten dage menschen met dergelijke schedelvormen

(de Marker visschers) in den Haag zien rondloopen.

Dat de eigenaardige vorm van het Neanderdal-schedelfragment niet direct

als normaal en als kenmerkend voor een bepaald menschenras met nog

zeer inferieure kenmerken en van zeer hoogen ouderdom werd aangezien,

was begrijpelijk, zoolang de Neanderdal-schedel nog een unicum was,

vooral daar de eigenaardige omstandigheden van de vondst van de

overblijfselen alle stratigraphische gegevens hadden doen verloren

gaan, en de studie van dierlijke fossielen of steenen werktuigen uit

dezelfde steenlaag als waarin de menschelijke overblijfselen hadden

gelegen, waaruit de ouderdom had kunnen worden bepaald, onmogelijk

hadden gemaakt. Toen echter in 1886 door Fraipont en Lohest in

België in de grot van Spy twee schedels met een onderkaak en een

aantal andere beenstukken werden opgedolven en beschreven, waarvan

de beide schedels een verrassende overeenkomst met het schedeldak van

Fuhlrott en Schaaffhausen vertoonden, werd dit anders, en toen in 1893

Dubois den hier boven vermelden pithecanthropus, die zoo vele punten

van vergelijking met het Neanderdaler fossiel aanbood, beschreef,

toen in de laatste jaren der 19e eeuw Schwalbe zijne klassieke

onderzoekingen over deze groep van fossiele schedels deed verschijnen,

was de ban gebroken, en in 1901 op het Duitsche anthropologen-congres

te Metz moest Virchow het helaas nog beleven, dat hij ook door de

Duitsche anthropologen verlaten werd, en dat, zooals Klaatsch, zijn

heftigste bestrijder, het uitdrukte, "der so lange verkannte Homo

neanderthalensis seine wissenschaftliche Auferstehung feierte." [18]

6. De bovenvermelde vondst van de skeletten bij de Grot van Spy in

België door de Puydt en Lohest in 1885 [19] was in twee opzichten

belangrijk. De beide skeletten, doorgaans onderscheiden als Spy I en

Spy II, werden door deskundigen uitgegraven, die de bijzonderheden

van de steenlagen, waarin de overblijfselen waren ingesloten, van de

daarbij aanwezige dierlijke overblijfselen en steenen werktuigen konden

beoordeelen en die dus voor den hoogen ouderdom van de menschelijke

overblijfselen konden instaan. Daarbij waren de verschillende

beenstukken wel gebroken, maar konden toch een groot aantal er van

gered worden en bleek vooral van de schedels veel bewaard gebleven

te zijn.

De dierlijke overblijfselen, o.a. mammoeth en rhinoceros tichorinus,

en de bij de skeletten gevonden steenen werktuigen wezen op een

hoogen ouderdom, ongeveer in de "moustérien"-periode. De beenstukken

zelf waren in drieërlei opzicht merkwaardig. In de eerste plaats

vertoonde vooral de eene der beide schedels, die het meest volledig

bewaard gebleven was, volkomen dezelfde eigenaardige kenmerken,

het lage wijkende voorhoofd, het lange, uitpuilende achterhoofd, de

geweldige wenkbrauwbogen, als de schedel uit het Neanderdal. In de

tweede plaats was bij deze skeletten een nagenoeg volledig bewaarde

onderkaak voorhanden, en ook deze onderkaak vertoonde verrassend

dierlijke kenmerken, die zich geheel en al aan het inferieure karakter

van den schedel zelve aansloten. Men moet bedenken dat men toen de

zooveel later gevonden fossielen als den homo heidelbergensis en

den later nader te bespreken schedel van la Chapelle-aux-Saints, die

ons zooveel omtrent den vorm van de onderkaak bij de overgangsrassen

geleerd hebben, niet kende. De vorm daarvan kon men eigenlijk alleen

eenigermate afleiden uit een fragment van een fossiele menschelijke

onderkaak, in 1866 in de grotte de la Naulette bij Dinant in België

gevonden, en die merkwaardig was om het nagenoeg geheel ontbreken

van de vooruitstekende kin, het breede massieve karakter van het

achterste opstijgende gedeelte en de groote tanden. De kaak van het

skelet uit de grot van Spy bleek nu nog massiever te zijn, breed en

zwaar gebouwd, met groote aanhechtingsplaatsen voor de kauwspieren,

groote tanden, en een beenige vooruitstekende kin ontbrak hier geheel

en al. Wij kunnen er echter nu bijvoegen dat al deze eigenschappen

hier nog lang niet zoo sterk ontwikkeld zijn als bij de geologisch

zooveel oudere kaak van den homo heidelbergensis. In de derde plaats

kon men bij de skeletten van Spy ook de lange beenstukken, het dijbeen

en het scheenbeen onderzoeken. In overeenstemming met den primitieven

bouw van het verdere skelet bleek nu het kniegewricht zoo gevormd te

zijn, dat, evenals bij de menschapen (gorilla, orang, chimpansee)

het geval is, het evenwicht bij het staan slechts bij half gebogen

knieën en voorovergebogen lichaam kon worden bewaard. Ook dat wijst

dus op een aan de apen herinnerenden lichaamsbouw.

Afgezien van een aantal fossiele fragmenten (van Cannstadt, van

Eguisheim, van Brünn, van Sipka, Brüx, Predmost enz.) die ik hier

verder onbesproken wil laten, zijn nu vooral in de laatste 6 jaren een

aantal uiterst belangrijke vondsten gedaan, die zich volkomen aan de

boven beschreven fossielen aansluiten, en de sterke verbreiding van

het laagstaande menschenras, waarvan de Neanderdal-schedel het type

vormt, aantoonen. In de eerste plaats:

7. De vondst van Krapina. Reeds in 1899 en 1901 waren door een

Hongaarsch anthropoloog, Gorjanovic-Kramberger korte mededeelingen

gedaan omtrent een belangrijke vondst van fossiele menschelijke

overblijfselen in een rotshol bij het dorp Krapina aan den oever van

de Krapicina-beek. In 1906 volgde de uitvoerige beschrijving, nadat

gedurende meer dan 6 jaren de onderzoekingen waren voortgezet. Het

rotshol, waarin de overblijfselen werden gevonden, was geheel en al

met aarde en steenen opgevuld, en was merkwaardig om de regelmatigheid

waarmede de afzettingen in lagen boven elkaar voorkwamen, telkens

afgewisseld door donkere dunne lagen, waarin houtskool en verkoolde

beenderen de vroegere aanwezigheid van haardvuren aantoonden. Blijkbaar

was het hol in overoude tijden, toen de bedding van het riviertje

nog zooveel hooger lag dan nu, telkens overstroomd, en keerden,

nadat het weer droog geworden was, telkens weer bewoners in het hol

terug. In de onderste (dus oudste) steenlagen werden nu naast tal

van steenen werktuigen uit de oudste palaeolithische periode (meer

dan 600 stuks) en dierlijke overblijfselen, waarvan vooral de resten

van den rhinoceros Merckii op een zeer hoogen ouderdom van de lagen

wijzen, een zeer groot aantal menschelijke beenstukken gevonden, van

9 verschillende skeletten. Terwijl de steenlagen onaangetast waren,

bleken de skeletstukken alle gebroken, verbrijzeld te zijn. In fig. 17

zijn de grootste stukken afgebeeld. Zelfs deze stukken moesten nog

met groote voorzichtigheid in elkaar gezet worden om voor verdere

studie bruikbaar te zijn. Daarbij vertoonden de meeste beenstukken,

vooral de lange pijpbeenderen, het eigenaardig voorkomen, dat beenderen

krijgen als zij met vuur in aanraking zijn geweest, en vooral deze

beenderen waren in de lengte gespleten, zooals dierlijke botten,

waar men het beenmerg uitgehaald heeft. Het vermoeden ligt dus voor

de hand, dat men hier met kannibalisme te doen heeft, dat dus die

oudste bewoners van Kroatië menscheneters waren. Verder vertoonden de

schedelbeenderen de eigenaardige kenmerken van de Neanderdalschedels in

sterke mate. In fig. 17 zijn aan het van terzijde geziene schedeldak

(boven in de figuur) het lage wijkende voorhoofd en de sterk

ontwikkelde wenkbrauwbogen, aan de onderste figuur links de groote

holle oogkassen (vergelijk fig. 18 en 21) duidelijk zichtbaar. Dat

wijst dus op een sterke verbreiding van 't Neanderdalras over een

groot deel van Europa. Maar daarnaast is 't voor het probleem, hetwelk

ons hier bezighoudt, van groot belang, dat onder de 9 verschillende

cadavers, waarvan hier de beenstukken bij elkaar gevonden zijn,

twee typen voorkomen, die van elkaar op dezelfde wijze verschillen

als de langhoofden (dolichocephalen) en rondhoofden (brachycephalen)

onder de latere menschenrassen. Ook bij het Neanderdalras (om op

het oogenblik dezen naam te blijven gebruiken) bestonden dus reeds

langhoofdige en rondhoofdige "neandertalers." Later zullen wij

hierop nog terug moeten komen. Hier wil ik er slechts nog op wijzen,

dat deze zelfde eigenaardigheid ook bij de overblijfselen van de

beenderen der ledematen der Krapina-skeletten werd gevonden. Naast zeer

korte, stevige arm- en dijbeenderen werden lange, slanke beenstukken

gevonden. Ook hierin dus hetzelfde verschil als bij de schedels. Naar

aanleiding van de tanden en kiezen, bij de Krapina-skeletten gevonden,

heeft zich een zeer levendige discussie ontsponnen, waarop ik hier niet

wil ingaan. Slechts zij hier vermeld, dat vooral de kiezen uitmunten

door hunne grootte, die in enkele gevallen de afmetingen van de kiezen

uit de onderkaak van den homo heidelbergensis nog overtreft.

8. Werden dus tot in Kroatië vertegenwoordigers van het Neanderdaltype

gedurende den ijstijd aangetroffen, aan de andere zijde van Europa

werd in een steengroeve Forbes Quarry bij Gibraltar een fossiele

schedel van hetzelfde laagstaande type gevonden, bekend als de

Gibraltar-schedel. Hoewel in 1843 reeds gevonden, geraakte deze

schedel in vergetelheid, en is eerst in 1907 door Sollas uitvoerig

en nauwkeurig beschreven. De schedel behoort zeer duidelijk tot het

Neanderdaltype, en is merkwaardig, omdat 1°. het gelaatgedeelte van

den schedel, dat door de groote holle oogkassen, de zware massieve

wenkbrauwbogen en de wijde neusopening een eigenaardigen "bestialen"

indruk maakt (fig. 18), beter bewaard is gebleven dan in de overige

tot nu toe beschreven schedels, omdat 2°. de schedelcapaciteit,

m. a. w. het volume van de door den schedel omsloten hersenmassa,

1100 c.M3., kleiner is dan die van de overige neandertaloide schedels,

doch iets grooter dan het cijfer van den boven vermelden eoanthropus

(1070), en omdat 3°. de eigenaardige vorm van de ook juist bij dezen

schedel goed bewaard gebleven schedelbasis zeer sterk aan dierlijke

formaties herinnert.

9. Homo Mousteriensis Hauseri. Dit skelet, in 1908 in Frankrijk

opgedolven, had een groote aanwinst voor de anthropologische wetenschap

kunnen zijn, zoo niet de omstandigheden waaronder, en de wijze waarop

het werd uitgegraven, een donkere schaduw over de geheele vondst hadden

geworpen en de beteekenis er van verkleind. Een Zwitsersch handelaar

in oudheden, O. Hauser, die reeds meermalen op Franschen bodem naar

voorhistorische relicten had gezocht, vond in Maart 1908 bij het

graven in een hol bij le Moustier in Dordogne, den klassieken bodem

der belangrijkste voorhistorische vondsten, sporen van een menschelijk

skelet. Inplaats van nu de Fransche archaeologen daarmede in kennis

te stellen, werd alles weer zorgvuldig met takkebossen en planken

toegedekt; eenige Duitsche anthropologen werden er bij genoodigd, en

in Augustus van hetzelfde jaar werd door Hauser en Klaatsch in alle

stilte het skelet verder uitgegraven, de overblijfselen in een kist

gepakt en weggevoerd, en eerst toen de vondst veilig over de grenzen

was, werd er ruchtbaarheid aan gegeven. Hauser verkocht toen het skelet

voor de som van 125000 mark aan het Museum te Berlijn. Het skelet was

zeer broos en viel reeds bij het uitgraven voor een gedeelte uiteen. De

schedel echter kon geheel gaaf worden te voorschijn gebracht. Of toen

echter het transport wat te snel en niet met de noodige omzichtigheid

geschiedde, de schedel viel gedurende het overbrengen in een aantal

stukken uiteen, en de stukken zijn toen later door Klaatsch met behulp

van plasticine op zoo klaarblijkelijk onjuiste wijze weer in elkaar

gezet, dat een monstrueuze schedel het resultaat van deze bewerking

was, waarvan het gipsafgietsel, later in den handel gebracht, voor

verder anthropologisch onderzoek vrijwel waardeloos is. [20] Daarbij

zijn door deze wijze van uitgraven de stratigraphische bijzonderheden

van de vondst in het geheel niet tot hun recht gekomen. Wel zijn fraai

bewerkte steenen werktuigen uit de "moustiérien"-periode en eenige

overblijfselen van den aueros (bos primigenius) in de omgeving van het

skelet gevonden, doch het ontbreken van nauwkeurige en betrouwbare

gegevens omtrent het op elkaar volgen der verschillende steenlagen

onder den beganen grond, enz., heeft ook in dit opzicht aan de vondst

veel van hare waarde ontnomen. En dit is des te meer te betreuren,

omdat de verschillende kenmerken van het skelet zelf op een hoogen

ouderdom en op een laagstaanden primitieven bouw van het geheele

lichaam wijzen. Het skelet is dat van een jeugdig persoon (ongeveer

16 jaren oud), met een grooten schedel, laag wijkend voorhoofd,

groote holle oogkassen, vooruitstekende kaken en kinlooze onderkaak

(type Neanderdal), terwijl ook hier weer dezelfde eigenaardige bouw

van het kniegewricht blijkt te bestaan, die bij het skelet uit de grot

van Spy te vermelden viel, en die er op wijst, dat de rechtopstaande

houding nog niet geheel en al bereikt was, en ook de mensch van le

Moustier het evenwicht bij het loopen slechts bij half gebogen knieën

en voorovergebogen lichaam kon bewaren.

10. l'Homme de la Chapelle-aux-Saints. Daar deze vondst, naast die

van den homo heidelbergensis de meest volledige en best bewerkte

anthropologische vondst uit den laatsten tijd is geweest, wil ik

de bijzonderheden er van iets meer uitvoerig behandelen dan de

voorgaande. Door ervaren deskundigen met de meeste zorgvuldigheid

en zaakkennis uitgegraven, nagenoeg volledig, vooral wat de schedel

betreft, bewaard gebleven, met volkomen betrouwbare stratigraphische

gegevens, en daarna op voortreffelijke wijze door M. Boule,

den directeur van het Palaeontologisch Museum te Parijs, bewerkt,

[21] kan deze vondst als voorbeeld van anthropologisch werk van den

eersten rang gelden en zal steeds de basis blijven vormen voor later

praehistorisch-anthropologisch onderzoek.

In Augustus 1908, toevallig juist een paar dagen vroeger

dan de zooeven besproken vondst van Hauser, werd door drie

Roomsch-Katholieke geestelijken--in Frankrijk telt de praehistorische

anthropologische wetenschap vele en zeer bekwame beoefenaars onder de

R. K. geestelijkheid--de abten J. en A. Bouyssonie en L. Bardon, in

een kleine ondiepe grot bij de Chapelle-aux-Saints, in het Corrèzedal,

die bijna geheel met aarde en steenlagen was opgevuld, diep onder

deze steenlagen, op den rotsigen bodem een nagenoeg gaaf skelet

uitgegraven (fig. 19). Het skelet lag in een regelmatig gevormde,

rechthoekige uitholling van den bodem van de grot op den rug, met den

eenen arm op de borst gevouwen en de knieën sterk opgetrokken, een

houding dus die aan de latere hurkgraven (Höckergräber) herinnert. Een

aantal steenen werktuigen, in de steenlagen gevonden, waren van het

Moustérien-type. Dierlijke overblijfselen van rendieren, een soort

van paard, een bovine vorm, rhinoceros tichorinus en eenige andere

dieren, wezen op een zeer hoogen ouderdom. Het had den schijn, alsof

deze bepaalde grot alleen als begraafplaats had gediend. Voor andere

doeleinden was zij, ook als alle steenlagen werden opgeruimd, veel

te laag. De steenlagen bleken volkomen onaangetast te zijn nadat

het skelet was begraven; vlak boven het hoofd van het geraamte

lagen in de steenlaag de voetbeenderen van een bison nog in hunne

natuurlijke ligging tegen elkaar aan. Behalve de regelmatig gevormde

uitholling in de onderste laag, waarin het menschelijk skelet lag,

waren de steenbeddingen en aardlagen van de grot regelmatig de eene

boven de andere gerangschikt. In die bovenste lagen werden de steenen

werktuigen en dierlijke overblijfselen gevonden. De groote ouderdom

van het skelet kan dus niet in twijfel getrokken worden.

Het skelet zelf is dat van een man, op rijperen leeftijd, ongeveer

1.60 meter lang. De verschillende beenstukken van den romp en de

ledematen vertoonen een aantal primitieve kenmerken, die wij niet

of slechts in geringen graad bij het skelet van den modernen mensch,

daarentegen in verhoogde mate bij de hoogste apen terugvinden. Vooral

de bijzonder stevig gebouwde beenderen der ledematen, en de kleine

beenderen van hand en voet vertoonen een reeks zoogenaamde "pithecoïde"

(bij de apen terug te vinden) kenmerken.

Het merkwaardigste gedeelte van dit skelet is evenwel de schedel,

waarvan door Boule een voortreffelijk gipsafgietsel is vervaardigd. Van

het gebit zijn slechts twee tanden, een in de boven- en een in

de onderkaak bewaard gebleven, doch daar deze juist tegenover

elkander staan, is het mogelijk, de onderkaak volkomen in haar

natuurlijken stand te brengen (fig. 20 en 21). Men kan zich dan

moeilijk een schedel denken waarin meer dierlijke en menschelijke

trekken tot een grotesk geheel vereenigd zijn. Het platronde, zeer

lage, wijkende voorhoofd, boven de groote ronde holle oogkassen

verdikt tot geweldige vooruitstekende wenkbrauwbogen, de groote,

wijde neusopening en de breede kaken, sterk naar voren uitstekend,

de afwezigheid der eigenaardige beiderzijdsche inzinkingen onder de

oogholten ter zijde van neus en mond, de zoogenaamde fossae caninae,

die juist aan het menschelijk gelaat zijn typisch humaan karakter

verleenen, de zware massieve onderkaak met zijne kinlooze afronding,

het naar beneden als het ware afzakkende achterhoofd, dat alles geeft

een dierlijk, onmenschelijk karakter aan dezen schedel, zooals het bij

geen enkelen menschelijken schedel tot dusver is gevonden. Hetgeen den

menschelijken schedel zoozeer verheft boven de dierlijke schedels, ook

van de hoogst ontwikkelde apen, het predomineeren van het gedeelte dat

de hersenen omsluit, het intellectueele element, boven de kaakstreek,

het onderste gedeelte van het gelaat, als 't ware het materieele

element, ontbreekt hier geheel en al. Men beschouwe slechts de

verschillende aspecten van den schedel in fig. 21. De verhoudingen

zijn hier bij dezen schedel juist omgekeerd.

Het best komen deze eigenaardigheden tot hun recht, als men

den schedel van la Chapelle-aux-Saints photographeert naast een

schedel van een chimpansee (als voorbeeld van een hoog ontwikkelden

menschaap) en een moderne menschenschedel. In de figuren 22 en 23

zijn de 3 objecten naast elkaar gephotographeerd, van voren en van

terzijde gezien. De afbeeldingen spreken duidelijker dan een lange

beschrijving. Men lette slechts op de groote oogkassen, op neus- en

kaakstreek, op den vorm van het achterhoofd en van de eigenaardige

beenige vooruitstekende wenkbrauwbogen bij den chimpansee en den

fossielen mensch van la Chapelle-aux-Saints in fig. 23, om een

duidelijken indruk te verkrijgen van het merkwaardig aspect van

dezen schedel. En van welke zijde men de objecten beschouwt, aan

welke bijzonderheden men zijne aandacht schenkt, steeds krijgt men

denzelfden indruk van het overgangskarakter, van de mengeling van

dierlijke en menschelijke eigenschappen, die dezen schedel kenmerkt,

waarbij de dierlijke eigenschappen de overheerschende zijn.

Dit geldt zelfs niet alleen voor den beenigen schedel. Het is aan

de bekwame preparateurs van het Parijsche Museum zelfs gelukt,

een volkomen nauwkeurig afgietsel van de holte van den schedel te

vervaardigen, waaraan nog zoovele bijzonderheden van den oppervlakkigen

vorm der eertijds door dien schedel omsloten hersenen te zien was,

dat Boule door vergelijking van dit afgietsel met een reeks van

dergelijke afgietsels van menschen- en van apenschedels met zekerheid

kon aantoonen, dat ook in den vorm der hersenen eene mengeling van

dierlijke en menschelijke kenmerken aanwezig was. Het merkwaardige is

nu hierbij, dat de hersenmassa als geheel genomen groot en zwaar is,

slechts iets geringer van volume dan de hersenen van den modernen

mensch. Ook bij den neanderdal-schedel en den schedel van Gibraltar

was dit reeds opgevallen, voor zoover men bij die schedels den inhoud

met eenige mate van waarschijnlijkheid had kunnen berekenen.

Wij hebben dus hier een menschenvorm voor ons, een representant

van een in de oudste praehistorische tijden over een groot deel van

Europa verspreid ras, dat in zijn bouw in zoo hooge mate dierlijke en

menschelijke kenmerken vereenigt, dat zoozeer zich nauw aansluit aan

de hoogst ontwikkelde bekende diersoorten, en zoozeer afwijkt van

den gewonen mensch, den homo sapiens, dat men zich zou afvragen,

of men hier wel met menschen te doen heeft. Zeker is het, dat

als het niet menschen, doch dieren gold, geen palaeontoloog zou

aarzelen, den fossielen mensch van la Chapelle-aux-Saints tot een

andere soort te rekenen dan den tegenwoordig levenden mensch of

zelfs den praehistorischen mensch uit latere perioden. Ook voor de

representanten van het neanderdal-ras is dat dan ook reeds geschied,

en door Schwalbe, Kramberger en een aantal andere anthropologen

wordt de neanderdal-mensch als homo primigenius tot een andere

soort gerekend dan de homo sapiens. Wij komen hierop later bij onze

algemeene beschouwingen nog nader terug, maar één zaak moet ik als

behoorende bij het geschetste beeld van den fossielen mensch van la

Chapelle-aux-Saints nog hier memoreeren. De fossiele overblijfselen

vertoonen ons een menschvorm, uit de vroegste praehistorische periode,

waarin men den mensch als zoodanig heeft aangetroffen, in wiens bouw

de dierlijke, aapachtige kenmerken in vele opzichten meer op den

voorgrond treden dan de typisch menschelijke eigenaardigheden, zoodat

men zelfs gemeend heeft, het ras, waartoe hij behoorde, tot een andere

soort te moeten brengen. En toch ziet men, dat wat de geestelijke

eigenschappen betreft, de mensch van la Chapelle-aux-Saints midden in

den geestelijken ontwikkelingsgang van het menschdom staat. Wij zagen

dat het skelet lag in een gedolven grafholte. Zooals uit de plattegrond

van de grot in fig. 19 (links) blijkt, had deze uitholling van de

bodemlaag van de grot een bepaalden zeer regelmatigen rechthoekigen

vorm. En als wij nagaan, hoe die grafuitholling ligt, dan zien wij

dat de lange as van den rechthoek juist west-oost is georienteerd,

zoodat ook het lichaam in de richting van den zonsloop ligt. Daarbij

lag het skelet in de voor de latere "Höckergräber" zoo typische houding

met sterk opgetrokken knieën, waardoor, zooals men meende, de ziel

verhinderd werd het lichaam te verlaten. Een aantal steenen wapenen

liggen om de grafuitholling verspreid, blijkbaar als wapenen aan den

doode medegegeven. Trekken wij uit al deze feiten de gevolgtrekking,

dan had het volk of de stam, die dezen doode hier voor zoovele

duizenden jaren begroef, eerbied voor de dooden. Immers, zij werden

begraven. Voorts een zekere mate van cultuur, getuige de regelmatige

vorm van de grafholte, een godsdienstig gevoel, vermoedelijk een

soort van zonaanbidding, getuige de nauwkeurige orientatie van het

graf in de richting oost-west, en een geloof in een voortbestaan

na den dood, getuige de houding van het skelet en de aan den doode

medegegeven wapenen.--Een ervaren archaeoloog zou wellicht uit

de hierboven genoemde feiten nog verdere conclusies trekken, maar

het hier gezegde schijnt mij voldoende, om te doen uitkomen, dat

men dezen gedachtengang niet mag verwaarloozen, waar men op zuiver

morphologische gronden aan een bepaalden vorm een zekere waarde wil

toekennen. Zooals ik zeide, komen wij op dit alles bij de algemeene

slotbeschouwingen nog nader terug.

11. Andere, nog niet voldoende beschreven skeletvondsten uit den

laatsten tijd, zooals bij la Ferrassie (1909-1910), la Pech de

l'Azé (1909), la Quina (1911), Saint-Brelade (1911), ga ik hier met

stilzwijgen voorbij. Voor zoover men uit de korte nota's die er van

gepubliceerd zijn, kan nagaan, werden ook hier skeletten van het

neanderdal-ras opgedolven.

12. Naast deze vondsten zijn echter nog enkele van grooter

belang te vermelden; in de eerste plaats de zoogenaamde vondst van

Grimaldi. Reeds gedurende een aantal jaren werden op aansporing van

Albert I van Monaco de zoogenaamde Grottes de Grimaldi, bij Mentone,

systematisch op den inhoud hunner steenbeddingen onderzocht door

eenige Fransche archaeologen, met name Verneau, Boule, Villeneuve

en vroeger door Rivière. Een aantal skeletten werden opgedolven die

allen tot de jongere pleistocene periode (vooral de "aurignac"-periode

en later) behoorden en allen het die periode kenmerkende zoogenaamde

"Cro-magnon" type (zie pag. 99) vertoonden met al de kenteekenen van

den homo sapiens. Maar nu werd in Juni 1901 door den abt Villeneuve

in de zoogenaamde Grotte des Enfants, waarin reeds vroeger in de

bovenste steenlagen (zie fig. 24) een skelet van het "Cro-magnon"

type was opgedolven, in de diepste lagen een nieuwe vondst gedaan

van twee skeletten, die op een diepte van meer dan 8 meter onder

de oppervlakte gevonden werden. Deze beide skeletten, in de hierbij

gevoegde doorsnedeteekening van de grot met zijn verschillende boven

elkaar liggende steenlagen (fig. 24) duidelijk zichtbaar, vertoonden

nu een ander type dan het neanderdal-ras, nl. een schedeltype,

zooals het in fig. 25 afgebeeld is, met hoog, gewelfd voorhoofd,

zonder de vooruitspringende wenkbrauwbogen van den fossielen mensch

der vorige vondsten, met gewelfden, fraai afgeronden schedel, doch

met vooruitstekende kaken, platten neus, bijna geen kin en een aan

het negerras herinnerende vorming van het gezichtskelet. Vandaar dat

dit type door Verneau, die deze vondst uitvoerig heeft beschreven,

het "negroïde" type genoemd werd. Boven de laag, waarin deze beide

skeletten begraven waren (er was een duidelijke steenbedekking om de

beide skeletten aangebracht, een graf derhalve), werd op ongeveer 7

meter diepte nog een skelet gevonden, dat evenals het reeds vroeger

in de bovenste steenlagen van dezelfde grot gevonden, geheel en al het

karakter van den homo sapiens vertoonde. Dit laatste skelet zou volgens

de in dezelfde laag aangetroffen steenen werktuigen en dierlijke

overblijfselen tot het laatste gedeelte van de "aurignac"-periode

behooren, de beide skeletten van het negroïde type zouden tot de

"moustier"-periode behooren, dus ongeveer van denzelfden ouderdom zijn

als de zooeven beschreven skeletten van het neanderdalras. Nu is wel

door latere opgaven van M. Boule gebleken, dat de ouderdom van deze

"negroïde"-skeletten niet zoo groot is als men eerst meende, maar er

blijkt toch wel uit, dat niet zoo heel veel later dan de periode,

waarin wij hier in Europa een ras met zeer inferieure kenmerken

aantreffen, er in hetzelfde werelddeel menschen werden gevonden die

een ander, hooger type vertegenwoordigden. Het toont tevens aan, hoe

voorzichtig men zijn moet met conclusies, getrokken uit fragmenten van

schedels. Had men van deze negroïde schedels van Verneau slechts het

schedeldak met het hooge gewelfde voorhoofd zonder vooruitspringende

wenkbrauwbogen gevonden, men zou niet geaarzeld hebben, de dragers dier

schedels tot den normalen homo sapiens te rekenen. Had men slechts de

kaken en het gezichtskelet gevonden, men zou ongetwijfeld de dragers

bij het neanderdalras hebben ingedeeld, tenminste ook voor den verderen

schedel inferieure kenmerken hebben verondersteld. De schedel, in

zijn geheel beschouwd, toont aan, dat dit niet het geval behoeft te

zijn. Zoo maant ons dus een dergelijke vondst tot voorzichtigheid.

13. Zoodra wij in de jongere perioden van het oude steenen

tijdperk, in de aurignac-periode en in het Magdalenium komen,

houden merkwaardigerwijze alle sporen van het voor de oudere

tijdperken, het Moustierium, de "acheuléen" en "chelléen" periode,

zoo typische neanderdal-ras op. Het lage, wijkende voorhoofd met de

groote zware wenkbrauwbogen en den naar achteren uitgezakten zwaren

schedel verdwijnt en een nieuw ras treedt op, met smalle slapen,

hoog, gewelfd voorhoofd, langen schedel, kleinere fijn gevormde

oogkassen zonder de zware wenkbrauwbogen, kortom een ras treedt op,

dat zich volkomen aansluit aan de tegenwoordig levende menschenrassen,

aan den homo sapiens. Overgangsvormen tusschen de beide rassen kennen

wij niet. Wel zijn bij de verschillende skeletvondsten uit deze laatste

perioden (Aurignac, Magdalénien) minder ontwikkelde skeletvormen naast

meer ontwikkelde gevonden, doch er blijft een diepe klove tusschen

de beide typen bestaan.

Vondst van Cro-magnon in Dordogne, Frankrijk. Aan deze vondst ontleent

het menschenras uit de latere perioden van het palaeolithicum zijn

naam. In 1868 werden nl., bij het aanleggen van een spoorweg, in

een "abris sous roche" daar ter plaatse vijf skeletten gevonden, in

een steenlaag uit de aurignac-periode. Door Lartet, die de vondst

nauwkeurig onderzocht heeft, werd van begraven der skeletten geen

spoor gevonden. Uit de in dezelfde laag gevonden steenen werktuigen,

versierselen (een groot aantal doorboorde schelpjes, blijkbaar

oorspronkelijk tot kettingen aaneengeregen) en dierlijke overblijfselen

bleek, dat de skeletten uit de aurignac-periode, het rendiertijdperk,

stamden. De vorm van den schedel en van het verdere beenstelsel is

typisch gelijkend op dien van den tegenwoordig levenden homo sapiens.

Andere vondsten van blijkbaar wel begraven skeletten van hetzelfde

type van cro-magnon, liggende in de van nu af aan gedurende langen

tijd voor begraven lijken vrijwel typische houding met gebogen armen en

sterk opgetrokken knieën (men vergelijke bijv. fig. 9, Egyptisch graf

uit het neolithicum), zooals die van Laugerie-Basse in Dordogne, in

1872 door Massénat uitgegraven, van Chancelade, eveneens in Dordogne,

in 1888 gevonden, uit de grot van Hoteaux, bij Rossillon, allen uit

de bovengenoemde latere perioden van het palaeolithicum, ga ik hier

met stilzwijgen voorbij, omdat zij ons, hoe belangrijk zij ook mogen

zijn voor de rassen-anthropologie van Europa, voor het probleem van de

afstamming van den mensch weinig leeren. Men ziet uit deze vondsten,

dat gedurende de latere perioden van het oude steenen tijdperk, dus

nog in het diluvium, in Europa zich een menschenras ophield, dat een

schedelvorm bezat, die zich in de hoofdpunten volkomen aansloot aan

die van den tegenwoordig levenden mensch, van den homo sapiens. Dit ras

moet toen ter tijde een groote verbreiding gehad hebben. In Frankrijk,

in Italië, in Spanje, in België, in Noorwegen en Zweden is het bestaan

er van door verschillende vondsten aangetoond. Directe overgangsvormen,

die dit ras verbinden met het boven beschreven neanderdal-ras, kennen

wij niet.

14. Door sommige, vooral Duitsche, anthropologen wordt in dit

opzicht, m. i. ten onrechte, een groote beteekenis toegekend aan het

in 1910 door Hauser en Klaatsch gevonden skelet van Combe Capelle,

den zoogenaamden aurignac-jager, bij het dorp van dien naam (dicht

bij Montferrand-Périgord in Frankrijk) uitgegraven. De schedelvorm

is reeds volkomen als die van een hedendaagschen Europaeer, met

hoog gewelfd voorhoofd, kleine neusopening, sterk dolichocephalen

(langen) schedel, geen vooruitstekende kaken. Een laag kenmerk zou

evenwel zijn, dat de vooruitstekende kin ontbreekt. Beschouwt men

nu evenwel nauwkeurig de verschillende afbeeldingen van dezen "homo

aurignaciensis Hauseri," zooals het skelet genoemd wordt, dan blijkt

de kin volstrekt niet afwezig te zijn, doch slechts iets minder sterk

ontwikkeld dan bij de tegenwoordig levende Europaeers. Een dergelijke

gering ontwikkelde kinvorming kan men tegenwoordig nog bij een aantal

volksstammen vinden, bij de eskimo's, om in Europa te blijven, en

wat den praehistorischen mensch betreft, bij het reeds jaren geleden

bij Raymondes gevonden, uit de magdalénien-periode stammend skelet,

in het museum van Périgueux bewaard, is precies hetzelfde te zien.

Met dit ras van Cro-magnon kunnen wij onze beschrijving van de

verschillende vondsten afsluiten. Slechts die vondsten hebben

wij opgesomd, die voor de vraag, die wij ons gesteld hadden,

belangrijk waren. Een archaeologische beschrijving, een historie

van het voorhistorische tijdperk der menschelijke ontwikkeling te

schrijven, ligt buiten de grenzen van dit boekje en volkomen buiten

mijn bereik. Slechts zij nog het volgende opgemerkt:

Met de rendier- en bisonjagers van het Cro-magnon-ras sluit het

oude steenen tijdperk af. Uit het zoo uiterst bescheiden begin der

eolithen heeft zich in de duizenden jaren van zijn duur een beschaving

ontwikkeld, een techniek van fijn bewerkte steenen instrumenten en

wapenen, van kunstvol gesneden voorwerpen uit rendierhoorn en been,

zooals wij die vinden in de laatste periode van het palaeolithicum,

het magdalenium.

Met het eindigen van den ijstijd sluit nu evenwel ook deze

cultuurperiode af, wordt het einde van het rendiertijdperk bereikt. Bij

het langzamerhand weder warmer worden van het klimaat schijnt het

rendier naar het noorden getrokken te zijn. Of een deel van de menschen

het voor hun bestaan zoo belangrijk geworden dier volgde, of de zich

langzaam veranderende klimatologische verhoudingen een nomadenleven

met zich brachten, de mensch schijnt de oude nederzettingen gedurende

vele eeuwen verlaten te hebben. In dat gedeelte van West-Europa, waar

overal de overblijfselen uit den ijstijd zoo talrijk en in zoo groote

verscheidenheid te vinden zijn, in Zuid-Frankrijk, is de steenlaag,

die de overblijfselen van de laatste periode van het palaeolithicum,

de magdalénienperiode, inhield, overal bedekt door een dikke steen-

en aardlaag, die volkomen steriel, volkomen vrij van voorhistorische

overblijfselen, zij het steenen of hoornen of beenen werktuigen,

zij het menschelijke of dierlijke skeletdeelen, is.

Zien wij den mensch weer optreden, dan is hij een andere geworden in

een andere omgeving. De uitgestrekte steppen, die na den afloop van

den ijstijd waren ontstaan, zijn verdwenen, dichte wouden bedekken het

grootste gedeelte van Europa, met een rijke dierenwereld, uit andere

vormen bestaande dan de ijstijd-fauna van het palaeolithicum. Ook

den mensch vinden wij in anderen vorm, hoewel vermoedelijk gemengd

met de overblijvende menschen van het cro-magnon-ras ras. Zijne

raskenmerken zijn anders geworden, zijne beschaving eveneens. Wij

komen in het nieuw-steenen tijdperk, het neolithicum, met werktuigen

uit hertshoorn inplaats van uit rendierhoorn en steenen wapenen van

een nieuwe techniek, eerst ruw en onbeholpen, langzamerhand meer en

meer verfijnd, tot het steenen tijdperk, ook in den technisch zoo

volmaakten vorm van het latere neolithicum, plaats moest maken voor

het tijdperk der metalen werktuigen, het bronzen, het ijzeren tijdperk.

Overgangsvormen tusschen het neanderdalras en het cro-magnon-ras

vonden wij niet, zooals wij vroeger reeds zagen. Hier vinden wij dus

nu een tweede onderbreking. Bij deze onderbreking, die reeds meer in

het bereik der archaeologische studie ligt, nemen wij een indringen

van nieuwe elementen uit het Zuid-oosten, uit Azië, aan. Ligt het

niet voor de hand, ook bij de eerste onderbreking aan een invasie

van buiten Europa te denken?

Is nu met betrekking tot het vraagstuk van de afstamming van den

mensch buiten Europa, in Azië, in Australië, in Amerika iets van

belang gevonden?

Daarover kunnen wij kort zijn. Op de groote beteekenis van den

pithecanthropus uit Java legden wij reeds den nadruk. Wij kunnen

er evenwel aan toevoegen, dat wel in onze Oost, in Ceylon, in

Engelsch-Indië, sporen van palaeolithische werktuigen gevonden zijn,

maar bij de tot nu toe nog vrij groote onzekerheid, die wat die

gebieden betreft, over hunnen geologischen ouderdom heerscht, kan men

daaromtrent nog weinig zeggen en wordt in elk geval een vergelijking

van die sporen met de in Europa zelf gevonden voorwerpen en de

bepaling van hunnen ouderdom uiterst moeilijk. Ook is het onderzoek

hier, naar het schijnt, niet steeds met de noodige nauwkeurigheid

verricht. Zoo werd van de tertiaire menschelijke overblijfselen,

die door Noethling in Opper-Birma gevonden waren, reeds spoedig

(1902) door Swinhoe Redway, een Engelsch onderzoeker, aangetoond,

dat zij niet in het uit tertiaire gesteenten bestaande plateau lagen,

zooals door Noethling was gemeend, doch er bovenop, en dat zij dus

zeer zeker niet van tertiairen oorsprong kunnen zijn.

Zoo werden door Alsberg in 1892 in tertiairen zandsteen, bij Warnambool

in Australië, in den nog weeken steen afgedrukte en daarna verharde

voetsporen van menschelijke wezens gevonden. Klaatsch, die deze

voetsporen ook bestudeeren kon, hield ze voor ontwijfelbaar van

menschelijke wezens afkomstig en meende zelfs bij deze voetsporen

den indruk van een menschelijk zitvlak(!) te vinden. Door Branco

werd reeds in 1905 tot voorzichtigheid in dezen gemaand, en door

Noethling werden dan ook later in afgelegen streken van Australië

in de sneeuw(!) dergelijke voetsporen gevonden, die evenwel door

kangoeroe's waren achtergelaten. Ging zulk een kangoeroe zitten,

dan werd een dergelijke indruk in de sneeuw achtergelaten als door

Klaatsch in geniale fantasie voor den afdruk van een menschelijk

zitvlak werd gehouden. Wie te veel bewijst....

Dezelfde moeilijkheden, die ik boven aangaf voor de vergelijking

van den ouderdom van bepaalde steenlagen en afzettingen in Oost-Azië

en in Europa, gelden voor Amerika. De lagen, die door Amerikaansche

onderzoekers (met name Ameghino) voor tertiair worden gehouden, worden

door Europeesche geologen die ze hebben kunnen bestudeeren, voor

quartair gehouden. Het spreekt van zelf, dat een dergelijk gemis aan

zekerheid, juist voor het probleem, hetwelk ons hier bezighoudt, zeer

gevaarlijk is. Zoo men in Amerika menschelijke schedels met inferieure

kenmerken had gevonden, die uit de tertiaire periode stamden, zouden

dergelijke schedels oneindig veel belangrijker zijn dan wanneer zij

uit de quartaire periode afkomstig zijn. En ook verder schijnen de

geologische verhoudingen van dat groote continent nog niet in die

mate nauwkeurig bestudeerd te zijn, dat zij tot vaststaande gegevens

omtrent den ouderdom der verschillende steenlagen en afzettingen

hebben kunnen voeren. Zoolang dat niet het geval is, doet men beter,

de opgaven in die richting met een zeker scepticisme te beschouwen. Zoo

is bijv. van den beroemden Calaveras-schedel uit Mexico, die van zeer

hoogen tertiairen ouderdom heette te zijn en een aantal inferieure

kenmerken vertoonde, later gebleken, dat het een indianen-schedel

uit den tegenwoordigen tijd is. Van eenige andere schedels, die

door Ameghino beschreven zijn, en waarvan hij de afwijkingen van

den normalen menschelijken schedel zoo groot vond, dat hij meende,

ze tot een andere soort (den homo pampaeus en homo pliocaenicus)

te moeten rekenen, is later bij nader onderzoek gebleken, dat het

schedels waren, die van gewone menschen, normale exemplaren van den

homo sapiens afkomstig waren, doch die kunstmatig waren vervormd,

zooals dat bij een aantal Indianen-stammen nog heden ten dage

stelselmatig bij jonge kinderen wordt gedaan. Andere schedels met

laag, wijkend voorhoofd, door Hrdlicka beschreven, zijn ongetwijfeld

van jong-diluvialen ouderdom en vertoonen ook de inferieure kenmerken

in geenen deele zoo sterk en zoo algemeen als de neanderdal-groep.

Zoo hebben ook de vermeende voorloopers van het menschelijk geslacht,

waarvan Ameghino in de oude geologische formaties van Argentinië de

fossiele overblijfselen meende te hebben ontdekt, de tetraprothomo

en de diprothomo, bij nader nauwkeurig onderzoek geen stand kunnen

houden en zijn naar het rijk der fabelen terugverbannen. En hetzelfde

geldt, ten minste wat den naam betreft, voor de fossiele apensoorten,

die door Ameghino in geologisch oude steenlagen zijn gevonden,

en door hem met de tendentieuze namen homunculus, homocentrus,

anthropops bestempeld zijn. Fossiele apensoorten zijn het wel;

van eenige verwantschap met den mensch, die in de namen, hen door

Ameghino gegeven, ligt opgesloten, is geen sprake.

Alles te zamen genomen zijn dus op het oogenblik geen feiten

bekend, die er op zouden wijzen, dat wij in Amerika de bakermat

van het menschelijk geslacht moeten zoeken. Het spreekt vanzelf,

dat daaruit niet direct mag worden afgeleid, dat de mensch in de

praehistorische tijden van het quartaire tijdperk niet ook in Amerika

bestaan heeft. Maar dan is hij van elders geïmmigreerd.

Met Australië staat het anders gesteld. In dat groote eilandenrijk,

in vroegere geologische perioden door groote landbruggen met de overige

werelddeelen verbonden, doch reeds in lang achter ons liggende perioden

geïsoleerd, hebben een aantal diersoorten zich in den strijd om het

bestaan kunnen handhaven, die in de andere werelddeelen reeds vroeg

zijn uitgestorven. Ook de oorspronkelijke inboorlingen vertoonen

inferieure kenmerken, die eenigszins aan het Neanderdal-ras doen

denken en die verschillende anthropologen er toe gebracht hebben

daar de plaats te zoeken, waar het menschelijk ras zich uit dierlijke

voorvaderen heeft ontwikkeld, en van waar het door langzame emigratie

en verspreiding de geheele wereld heeft bevolkt. Eenige zekerheid

hieromtrent heeft men evenwel geenszins.

De afstamming van den mensch Naar voordrachten in populair-wetenschappelijken vorm bewerkt · 第 17 / 24 题