"We must not fall into the error of supposing
that the early progenitor of man was identical
with, or even closely resembled, any existing
ape or monkey." [22]
Darwin.
Gaan wij nu, nadat wij hebben gezien, wat aan positieve feiten omtrent
het vraagstuk van de afstamming van den mensch bekend is, na, wat wij
voor gevolgtrekkingen uit deze feiten kunnen afleiden, dan blijkt
dat, als wij slechts van die bouwsteenen gebruik willen maken, die
nauwkeurig gecontroleerd zijn en hecht en sterk zijn bevonden, het
gebouw, dat wij er mede kunnen optrekken, verre van solide is. Wij
zijn er nog zeer ver van verwijderd, een aaneengeschakeld beeld
van de wordingsgeschiedenis van het menschelijk geslacht te kunnen
geven. De lacunes zijn op het oogenblik nog grooter dan de hechte,
aaneengesloten gedeelten, ja het schijnt wel, alsof met elken stap,
door het wetenschappelijk onderzoek in deze richting gedaan, het veld
van onderzoek grooter, de horizon vager wordt en meer aanrakingspunten
krijgt met het onbekende, alsof met elke nieuwe vondst het probleem
verdiept en verzwaard wordt, de oplossing verder verschoven schijnt te
worden. Is dit een bezwaar? Behoeft het de anthropologie in discrediet
te brengen? Zeer zeker niet. Het gaat met elken tak van wetenschap
zoo. Hoe meer wij onzen blik verruimen, des te meer zien wij achter
de hinderpalen die wij hebben overwonnen, weer nieuwe bezwaren zich
opdoen, staan wij voor nieuwe vragen, voor nieuwe raadselen. Doch
het is goed, het eens te zeggen, eens te doen uitkomen, dat wij van
dit vraagstuk ten slotte nog zoo weinig weten, omdat, juist waar het
de afstamming van den mensch geldt, in populaire werken doorgaans
zoo veel voor nauwkeurig bekend, voor wetenschappelijk vaststaand
wordt uitgegeven, wat slechts toevallig goed past in het kader van
het beeld, dat de schrijver zich nu eenmaal van den gang van het
ontwikkelingsproces heeft gevormd, en wat dan, overgoten met een
sausje van persoonlijke fantasie, den lezer als voedzaam gerecht
wordt voorgezet. En dat is 't, wat ten slotte het wetenschappelijk
onderzoek in discrediet zou brengen.
In het tweede hoofdstuk bespraken wij de gronden, die ons er toe
brengen, ons dwingen, den mensch in genetisch verband te brengen
met de overige dierenwereld, ons den mensch als ontstaan uit die
dierenwereld voor te stellen. Het spreekt vanzelf, dat wij bij het
zoeken naar verbindingsschakels allereerst het oog vestigen op de
zoogenaamd hoogst ontwikkelde dieren, de apen.
Reeds Linnaeus rangschikte de dieren in een opklimmende reeks,
d. w. z. hoe hooger hunne organisatie hem toescheen, des te hooger
werd de plaats, hun in zijn systeem toebedeeld. Bovenaan stonden de
gewervelde dieren; van de verschillende groepen dezer gewervelde
dieren kregen wederom de zoogdieren de hoogste plaats, en onder
de zoogdieren stonden de apen, boven de halfapen geplaatst, aan de
spits. Onder die apen waren het weder de 4 soorten, die het meest op
den mensch geleken, de gorilla, de chimpansee, de orang oetan en de
gibbon, welke als menschapen, als anthropoiden, het hoogst geplaatst
waren, ja zij werden zelfs te zamen met den mensch als "primaten," als
"eerste onder de levende wezens," in een zelfde orde vereenigd. In
den tijd van Linnaeus paste deze voorstelling geheel en al in den
kring der toen heerschende denkbeelden. Men was algemeen overtuigd
van de groote gelijkenis, die tusschen de menschapen en den mensch
viel op te merken. "Simia quam similis, turpissima bestia, nobis"
schreef Ennius [23]. Galenus bestudeerde de anatomische verhoudingen
van het menschelijke lichaam aan apen. Het was een reformatorische
daad, toen Vesalius beweren dorst, dat Galenus gefeild had in
dit volkomen gelijk stellen van mensch en aap. In de afbeeldingen
uit de 18e eeuw worden de apen (bijv. de chimpansee) als behaarde
menschen voorgesteld, met een intelligent, menschelijk gezicht,
staande op de achterste ledematen, een stok of een bloem in de hand;
"ik moet bekennen," schreef Buffon, "dat als men slechts op den vorm
van den orang oetan let, men hem voor een variëteit van den mensch
kan houden, omdat hem, behalve een ziel, niets ontbreekt van wat wij
aan het lichaam van den mensch kunnen onderscheiden." De la Mettrie
hoopte, dat het toch eenmaal zou mogen gelukken, ook aan de apen
het spreken en goede manieren te leeren, Lord Monboddo leerde reeds,
dat de mensch van de apen afstamt, Huxley stelde als resultaat van
een voor den tijd, waarin het ontstond, voortreffelijk onderzoek,
vast, dat de anatomische verschillen, waardoor zich de mensch van den
gorilla of den chimpansee onderscheidt, niet zoo groot zijn, als die,
welke tusschen den gorilla en de lagere apen bestaan, terwijl reeds
in 1824, onder den invloed van de theorieën van De Lamarck, Vizey
de opvatting verdedigde, dat Homerus psychologisch even ver van een
Hottentot verwijderd was, als deze laatste van den orang oetan.
Dergelijke stellingen blijven natuurlijk vaag en zijn niet vrij te
maken van persoonlijke, niet nader te controleeren, waardebepalingen,
maar het is ontegenzeggelijk waar, dat onder alle dieren de menschapen,
de anthropoiden (gorilla, chimpansee, orang oetan en gibbon) het
meest op den mensch in vorm en in anatomische kenmerken gelijken.
Staat nu de mensch in genetisch verband met een dezer 4 menschapen? Zoo
ja, met welke, of wellicht met meerdere?
Deze vraag is in verschillenden zin beantwoord. Men heeft (en dit
zelfs nog in den laatsten tijd) den mensch met den gorilla en vooral
met den orang oetan in verband gebracht, en naar kenmerken gezocht,
die op een nauwere verwantschap met dezen menschaap zouden wijzen,
ja, men heeft zelfs gemeend, dat verschillende menschenrassen van
verschillende aapsoorten zouden afstammen. Zoo is bijvoorbeeld volgens
Melchers (1910) het menschelijk geslacht in vier groepen van rassen
te verdeelen. Elk van deze groepen stamt van een der vier anthropoïde
apen af. Zoo zouden de negers van de Congo, de bewoners van Guinea,
de Soedan, de Bantoes en Zoeloes, de blond- en roodharige noordelijke
rassen van het gorilla-type zijn. Met den chimpansee zouden in verband
staan de Boschjesmannen, de Scythen, de Berbers, sommige rassen in
Spanje, Portugal en de Pyreneën, de Lappen. Van den orang oetan zouden
afstammen de Vuurlanders, Australiërs, de Papoea's, de rondhoofdige
alpine rassen, terwijl Mongolen, Siberiërs, Maleiers en Polynesiërs
met de gibbons verwantschap zouden bezitten.
Men zou dit in dien zin moeten opvatten, dat zich in overoude tijden
eerst de vier groepen der anthropomorphe apen ontwikkeld hebben en
dat dan uit die vier groepen, behalve de nakomelingen, die zich verder
slechts weinig ontwikkeld hebben (de 4 menschapen), door voortgezette
ontwikkeling de verschillende menschenrassen gevormd zijn.
Iets dergelijks zegt de door Klaatsch in de laatste jaren (na
1908) verdedigde opvatting, dat het neanderdalras van Afrikaansche
herkomst is en afstamt van op den gorilla gelijkende voorvaderen,
het aurignac-ras daarentegen uit Azië Europa zou zijn binnengedrongen
en van een op den orang oetan gelijkenden voorvader afstamt.
Wetenschappelijk is hier nu wel wat op af te dingen.
Door Darwin is, zooals ik als citaat boven dit hoofdstuk plaatste, het
reeds zoo scherp en duidelijk gezegd, hoewel in populaire geschriften
doorgaans juist het tegendeel wordt beweerd, dat men toch niet in de
dwaling moet vervallen, te meenen, dat de voorvaderen van den mensch
identisch moeten geweest zijn of zelfs ook maar sterk moeten hebben
geleken op eenige nu nog bestaande aapsoort. Van de tegenwoordig
levende aapsoorten, ook zelfs de hoogst ontwikkelde anthropoïde apen,
zijn de menschen zeer zeker niet afgestamd, wij staan er zelfs slechts
in een verwijderd genetisch verband mede.
Als wij n.l. de anatomische kenmerken van de verschillende
aapsoorten,--en wij kunnen ons dus daarbij beperken tot de 4 het
meest op den mensch gelijkende menschapen--nauwkeurig bestudeeren en
ze vergelijken met de overeenstemmende kenmerken bij den mensch,
dan blijkt ons, dat in allerlei opzichten de menschapen meer
gespecialiseerd zijn of in andere richting verder gespecialiseerd
zijn dan de mensch zelf. De zooveel langere armen, die zich vooral
bij den gibbon zoo sterk gespecialiseerd hebben, dat het volwassen
dier, als het rechtop staat, bijna met de handen op den grond
steunt, het rudimentair worden van den duim, die bij de anthropoïde
apen niet alleen minder ontwikkeld is dan bij den mensch, maar in
ontwikkeling achteruit gegaan is, de sterke ontwikkeling van het
gebit met zijn groote zware hoektanden, zijn eigenaardig gevormde
voorste kiezen (zoogenaamde praemolaren), en vooral met zijn zoo
verschillend gebouwd melkgebit, dat van het menschelijk melkgebit,
speciaal wat den vorm der melkkiezen betreft, zoo zeer afwijkt, dat
men volgens sommige anthropologen, die daarvan een bepaalde studie
hebben gemaakt, alleen al uit den vorm der melkkiezen bij den mensch
en de tegenwoordig levende anthropomorphe apen een nader genetisch
verband zou moeten uitsluiten, de met het zware gebit in verband
staande sterke ontwikkeling van den snuit (men verg. bijvoorbeeld de 3
schedeldoorsneden in fig. 26) bij de menschapen, dat alles maakt, dat
men niet den mensch in direct genetisch verband met de tegenwoordig
levende menschapen brengen kan, in dien zin, dat de mensch zich uit
een of meerdere dier vormen ontwikkeld heeft.
Wij denken hierbij direct aan de in een vorig hoofdstuk behandelde
wet van Dollo, dat een in een bepaalde richting verder ontwikkelde
specialisatie niet weer terug gaat, zoodat de oorspronkelijke vorm
weer wordt bereikt. Waar wij zien dat alle anthropoïde apen op een
zelfde wijze van den mensch verschillen (door de veel langere armen)
als bijvoorbeeld de giraffe, de vledermuizen, vliegende hond, enz. van
de andere viervoetige dieren, daar kunnen wij evenmin ons voorstellen,
dat uit voorvaderen met dergelijke gespecialiseerde voorste ledematen
weer menschen met normaal lange ledematen voortgekomen zijn, als
wij ons uit giraffe- of vleermuisachtige voorvaderen weer normaal
gebouwde viervoeters ontstaan kunnen denken. Zoo is het dijbeen van
alle menschapen, behalve van den gibbon, korter en dikker en anders
gevormd dan bij den mensch. Was nu de mensch met zijn rechtopstaande
houding uit een dier menschapen voortgekomen, dan zou men eer meenen,
dat onder den invloed van de veel zwaardere belasting het dijbeen van
den mensch, dat nu den last van het geheele lichaam te dragen krijgt,
waar het eerst slechts alleen het achterste gedeelte van den romp
droeg, nog korter en dikker zou worden. Overal waar wij een dergelijke
verandering van belasting voor bepaalde beenstukken zien optreden,
zien wij wel dit verschijnsel. En toch heeft de mensch lange en
slanke dijbeenderen.
Dat deze zienswijze de juiste is, wordt door twee feiten geïllustreerd.
Zooals wij zagen, hebben de menschapen allen een sterk gespecialiseerd
gebit met sterk ontwikkelde uitstekende hoektanden en eigenaardig
gevormde kiezen. Ware nu de mensch oorspronkelijk uit een dergelijken
vorm ontstaan, dan zou men verwachten dat men bij de nog zoo talrijke
dierlijke kenmerken vertoonende fossiele overblijfselen van de oudste
menschen, tenminste veranderingen in het gebit zou vinden, die in de
richting van het gebit der menschapen zouden wijzen. Toch is dat in
geenen deele het geval, en inplaats daarvan vinden wij bijvoorbeeld
in de heidelberger onderkaak, die wij als een der oudste en meest
primitief gebouwde menschelijke overblijfselen hebben leeren kennen,
een gebit, waarvan de tanden wel, in verband met de grootte van de
kaak zelf, iets grooter zijn dan de normale menschelijke tanden,
doch dat overigens volkomen menschelijke kenmerken vertoont. Van een
grooteren, verder uitstekenden hoektand, van eene verandering van de
kiezen in de richting van het gespecialiseerde gebit der anthropoïde
apen geen spoor. En hetzelfde verschijnsel zien wij bij de pas
gevonden onderkaak van Piltdown, den eoanthropus Dawsoni. Ook hier
een beenstuk, dat verrassend veel op de onderkaak van een aap (vooral
van een chimpansee) gelijkt, doch daarin een volkomen menschelijk
gebit. Daarbij is het gebit van den homo heidelbergensis eigenlijk
te zwak voor de kolossale grootte en massiviteit van de onderkaak
zelf. Juist die wanverhouding in verband met het menschelijk karakter
van de tanden en kiezen, sluit elke gedachte aan een afstamming van
den mensch van op menschapen gelijkende voorouders uit.
Wel wijst de vorm van het gebit en van de onderkaak zelf der
oudste menschelijke overblijfselen op eene afstamming van een
gemeenschappelijken voorvader, d. w. z. zij brengen ons tot het
vermoeden, dat eenzelfde oorspronkelijke vermoedelijk tertiaire
aapvorm zoowel den mensch als de verschillende vormen der menschapen,
heeft doen ontstaan. Van de nakomelingen van dien oorspronkelijken
stamvorm heeft een gedeelte zich in den loop der eeuwen door langzame
harmonische ontwikkeling zonder bepaalde specialisatie van deze
of gene kenmerken tot de stamvaders van het menschelijk geslacht
verheven, terwijl een ander gedeelte door eene ontwikkeling in een
andere richting, door een specialisatie van bepaalde kenmerken en
een daardoor zich aanpassen aan een bepaalde levenswijs, het in den
loop dier zelfde duizenden van jaren tot de tegenwoordig levende
menschapen bracht.
Dit wordt nu geïllustreerd door het tweede feit, waarop ik zoo even
doelde. In een vorig hoofdstuk zagen wij reeds, dat er een zekere
evenwijdigheid bestaat tusschen de ontwikkeling van een bepaalde
soort door langzame verandering in den loop der duizenden jaren, en de
ontwikkeling van een individu dier soort uit de eicel. Zijn nu in den
loop van het ontwikkelingsproces van de soort bepaalde specialisaties
opgetreden, dan ziet men die ook ontstaan in de ontwikkeling van het
individu zelf, en wel eerst in de latere periode van het embryonale
leven, als de specialisatie zelf ook eerst laat is ontstaan, doch reeds
vroeg, als de specialisatie zelf van een ingrijpend karakter is en al
vroeg in de ontwikkelingsgeschiedenis van de soort is opgetreden. Zoo
is bijv. het uitgroeien van de vingers der voorste ledematen en
het vormen van de vliegvliezen daartusschen bij de vleermuizen
een specialisatie van zeer ingrijpenden aard, al vroeg in de
ontwikkelingsgeschiedenis van de groep opgetreden (d. w. z. men vindt
de eerste sporen van vleermuizen al in vroege geologische perioden) en
men vindt dan ook al bij heel jonge embryonen van vleermuizen de eerste
teekenen van het uitgroeien en breed worden der voorste ledematen. De
specialisatie-kenmerken, waardoor de anthropoïde apen zich van de
overige apen en van den mensch onderscheiden, zijn natuurlijk eerst
in latere geologische perioden opgetreden, en wij zien ze dan ook bij
de ontwikkeling van het individu eerst laat, ja gedeeltelijk zelfs
na het einde van het embryonale leven, als dus het jonge aapje reeds
geboren is, zich langzamerhand ontwikkelen. Zijn nu twee diervormen,
die in bepaalde kenmerken van elkaar verschillen, in een der latere
geologische perioden uit een gemeenschappelijken stamvorm ontstaan,
zoodat dus die afwijkende kenmerken eerst na de splitsing van den
oorspronkelijken stamvorm zijn opgetreden, dan zullen de embryonen van
die beide soorten of de jonge dieren veel minder van elkaar verschillen
dan de volwassen dieren, bij welken de specialisatiekenmerken eerst
recht tot uiting zijn gekomen. Dat ziet men nu bij de anthropoïde apen
en den mensch. Een pasgeboren anthropoïde aap, bijv. een chimpansee,
gelijkt in allerlei kenmerken veel meer op een pasgeboren mensch dan de
oudere of volwassen dieren. Vergelijkt men bijvoorbeeld in fig. 27 de
schedels van een menschelijken pasgeborene (links) met het schedeltje
van een pasgeboren chimpansee (rechts), dan ziet men, dat afgezien van
den verderen graad van ontwikkeling, waarop de jonge chimpansee zich
bevindt, de gelijkenis in vele opzichten verrassend groot is, grooter
dan men zou verwachten als men den schedel van een volwassen mensch
met dien van een volwassen chimpansee heeft vergeleken. Hetzelfde
blijkt ook uit fig. 26, waar onder elkaar geplaatst zijn een in de
middellijn gehalveerde menschelijke schedel, een dito schedel van
een zeer jonge orang oetan en een dito schedel van een volwassen
orang-oetan. Men lette bijv. op het veel hooger gewelfde voorhoofd
en den veel minder ontwikkelden snuit van den jongen orang-oetan in
vergelijking met zijn volwassen soortgenoot.
Met deze enkele beschouwingen moet ik hier volstaan. Wij kunnen er dus
als eerste stelling uit concludeeren, dat de mensch niet uit een der
tegenwoordig levende aapsoorten, zelfs niet uit de hoogst ontwikkelde,
is voortgekomen. Toch wijzen de eigenaardigheden van de voorhistorische
menschen uit de vroegste geologische perioden, waarin wij den mensch
door zijne fossiele overblijfselen hebben kunnen aantoonen, er op,
dat onze voorvaderen, meer dan wij, op de apen in het algemeen moeten
hebben geleken. Indien wij een genetisch verband van den mensch met de
dierenwereld aannemen,--en dat hebben wij juist als punt van uitgang
aangenomen--dan moet onze stamvader wel uit de groote groep der apen,
der fossiele apen-stamvaders wel te verstaan, zijn voortgekomen. Kennen
wij nu onder de fossiele apen vormen, waaruit de mensch zou kunnen
zijn voortgekomen? Of nog algemeener de vraag gesteld: kennen wij
onder de fossiele overblijfselen van de hoogste zoogdieren vormen,
die wij met zekerheid of met groote waarschijnlijkheid tot den rang van
voorvader van het menschelijk geslacht kunnen promoveeren? Het antwoord
op deze vraag kan slechts negatief zijn. Noch onder de fossiele apen,
noch onder de verdere fossiele overblijfselen van zoogdieren kennen
wij een vorm, die wij tot de directe voorvaderen van den mensch
kunnen rekenen. In groote lijnen kunnen wij de afstammingsrichting
van den mensch aangeven; wat de directe tusschenvormen zelf betreft,
moeten wij den mensch nog steeds beschouwen als een "homo novus," een
"parvenu" (Branco), d. w. z. niet iemand, die geen voorvaderen heeft,
doch iemand, wiens voorvaderen niet bekend zijn. Wel hebben ons de
vondsten van den homo heidelbergensis, van den eoanthropus Dawsoni
geleerd, hoe het menschelijk geslacht, tot in de vroegste perioden
van zijn ontwikkeling nagespoord, meer en meer gaat gelijken op
dierlijke, pithecoïde, aapachtige vormen; wel heeft ons de vondst
van den pithecanthropus doen zien, tot welk een verrassende hoogte
de apenstam het in de achter ons liggende perioden heeft gebracht,
wel heeft dus het geheele overgangsproces een zeer groote mate van
zekerheid voor ons verkregen, maar een reeks overgangsvormen, de
stations waarlangs de lijn van de ontwikkeling van het menschelijk
geslacht heeft geloopen, kennen wij niet. De mensch is en blijft nog
steeds een homo novus.
Dat behoeft ons niet te verwonderen. In de eerste plaats weten wij van
fossiele apen nog bedroevend weinig, vooral wat de hoogste aapsoorten
betreft. Het aantal fossiele hoogere apen, hetwelk wij kennen, is
uiterst gering. Van deze vormen zijn een aantal slechts door enkele
tanden, die alles voorstellen wat er van is overgebleven, bekend. Van
andere vormen kennen wij slechts een stuk van een onderkaak met eenige
tanden, of een stuk van de bovenkaak, of slechts een dijbeen, kortom,
de overblijfselen, waaruit men het bestaan van de verschillende
soorten heeft afgeleid, zijn wel voldoende om te kunnen uitmaken,
dat men met een of andere apensoort te doen heeft, waaraan dan een of
andere naam is gegeven ter onderscheiding van de andere vormen, maar
zijn absoluut onvoldoende om ons ook maar eenigszins een denkbeeld
te verschaffen van de eigenaardige kenmerken van het verdere lichaam
dier fossiele apen. En dat hebben wij toch noodig, om uit te maken,
in hoeverre die dieren als voorvaderen van het menschelijk geslacht
in aanmerking kunnen komen.
In de tweede plaats is het volstrekt niet onwaarschijnlijk, dat,
zelfs als al deze fossiele aapsoorten door volledige skeletten bekend
waren, die men dus direct met de verschillende overblijfselen van den
voorhistorischen mensch zou kunnen vergelijken, men onder die skeletten
geen enkel zou vinden, dat met het menschelijk skelet voldoende punten
van overeenkomst bezat, om voor een der tusschenstations in de lijn
der ontwikkeling van het menschelijk geslacht in aanmerking te komen.
Men moet bedenken, dat eigenlijk slechts een gedeelte van Europa
grondig op de fossiele overblijfselen is onderzocht. En verder,
dat de periode, waarin de menschvorm zich van de dierenwereld heeft
losgemaakt, zeer vroeg in de wordingsgeschiedenis van de aarde moet
worden geplaatst. Het is dus niet alleen mogelijk, dat de eigenlijke
overgangsvormen in nog niet doorvorschte gedeelten van den aardbol
begraven liggen, in de binnenlanden van Afrika, in Achter-Indië, in
Australië, waar zij dus wellicht nog eenmaal gevonden kunnen worden,
maar het is ook mogelijk dat zij reeds voor altijd verloren gegaan
zijn en nooit gevonden zullen worden. In die vroege perioden van de
aardontwikkeling zag de aarde er geheel anders uit dan nu. Van het
groote vroegere vasteland, dat Patagonië, Australië, Indië omvatte,
is in den tegenwoordigen tijd nog slechts een klein gedeelte over. Het
grootste gedeelte is onder den zeespiegel weggezonken. Zoo is van
de groote landverbinding, die in vroegere tijden tusschen Amerika en
Europa moet hebben bestaan, niets overgebleven. Verder heerschte toen
ter tijde ook aan de poolstreken een tropisch, later een subtropisch
klimaat. Welk een ontzaglijk veld van onderzoek is hier, door het
eeuwige ijs der poolstreken bedekt, voor ons verloren gegaan. Kan
niet de stamvader van het menschelijk geslacht, kunnen niet juist
die overgangsvormen, die ons den sleutel tot de geschiedenis van het
wordingsproces van het menschelijk geslacht zouden geven, daar onder
ijs en sneeuw verborgen liggen, voor elk onderzoek ten eeuwigen dage
ontoegankelijk? Waarschijnlijk is dit niet, waar de pithecanthropus
in Java is gevonden, waar de hoogste apen juist op Java, Borneo en in
Afrika gevonden worden, en waar de inboorlingen van het tegenwoordig
Australië nog zoovele primitieve kenmerken vertoonen die aan het
Neanderdalras herinneren, dat sommige anthropologen reeds Australië de
bakermat van het menschelijk geslacht hebben genoemd, doch zekerheid
heeft men hieromtrent nog in geen enkel opzicht. Ook de Eskimo's,
ook de Laplanders, vertoonen inferieure, primitieve kenmerken. Dat
de mensch oorspronkelijk uit de polaire streken is voortgekomen,
is dan ook eveneens reeds van verschillende zijden beweerd.
Zekerheid heeft men dus in elk geval hier allerminst.
Laten wij de vraag naar de dierlijke voorvaderen van den mensch
rusten en wenden wij ons tot het vraagstuk van de verdere ontwikkeling
van het menschelijk geslacht uit de primitieve menschvormen van den
ijstijd en het laatste gedeelte der tertiaire periode, dan vinden
wij ook hier onzekerheid. Wij zagen in het vorige hoofdstuk, dat uit
de laatste gedeelten der tertiaire periode en uit de vroegste tijden
der quartaire periode, van den ijstijd, in Centraal en West-Europa
menschvormen gevonden zijn, wier overblijfselen in zeer sterke mate
dierlijke, aan de apen herinnerende kenmerken vertoonen. En die
kenmerken vermeerderden zich, naarmate de fossiele overblijfselen uit
vroegere perioden afkomstig waren. In Engeland de schedelfragmenten
van Piltdown (1912), die zoo sterk aan dierlijke vormen herinneren,
dat men zelfs den geslachtsnaam homo er niet aan heeft wagen te geven,
en er den naam "eoanthropus," "het wezen, staande aan den dageraad
der menschwording," voor verzon. En al moge men nu de opgaven omtrent
den schedel van Piltdown op het oogenblik nog slechts onder een zeker
voorbehoud aanvaarden, dit geldt zeer zeker niet voor den zoo uiterst
merkwaardigen onderkaak van den homo heidelbergensis, reeds menschelijk
in de hoofdkenmerken van het gebit, maar in zijn vorm nog typische
pithecoïde (aapachtige) kenmerken vertoonende. Dan in Frankrijk,
Duitschland, België, Spanje, Kroatië de talrijke representanten van het
neanderdal-ras, waarvan de fossiele mensch van la Chapelle-aux-Saints
het best bewaarde exemplaar vormt, reeds geheel en al menschelijk
van vorm en gestalte, maar toch nog zoo zeer afwijkende van den
tegenwoordigen mensch, den homo sapiens, dat, op het voetspoor van
Wilser, Schwalbe en zijn volgers hem als een andere menschensoort,
den homo primigenius, den "eerstgeboren" mensch, opvatten. Daarna
de vondsten van den Aurignac-mensch, en van het cro-magnon-ras,
vormen die reeds geheel en al het karakter van den homo sapiens,
zij het dan ook de eerste in nog eenigszins onvolmaakten vorm,
bezitten. Ziedaar dus een opklimmende reeks, die, naar men zou meenen,
niets aan duidelijkheid en volledigheid overlaat, en die ons langs den
weg van verschillende soorten, ja zelfs van verschillende geslachten,
voert van bijna nog geheel dierlijke overblijfselen naar den mensch,
zooals hij in historische tijden hier in Europa leefde. En die geheele
ontwikkeling zich afspelend in Europa, in het, vooral in onze oogen,
van oudsher meest beschaafde en ontwikkelde werelddeel!
Maar hoe komt het dan, dat er nog steeds een onoverbrugde kloof
tusschen de verschillende overblijfselen van den neanderdalmensch en
de menschelijke skeletten uit de latere perioden, den aurignac-mensch,
het cro-magnon-ras bestaat; hoe komt het, dat wij bij de overblijfselen
van neanderdalmenschen, bij Krapina gevonden, reeds twee verschillende
rassen, langhoofden en rondhoofden, met lange, slanke, en korte,
gedrongen ledematen vinden? Hoe komt het, dat wij in de Grotte des
Enfants bij Grimaldi overblijfselen van menschen uit denzelfden tijd
als den neanderdalmensch vinden, maar nu van een geheel ander type,
met het hooge gewelfde voorhoofd van den homo sapiens? En stel,
dat de pithecanthropus niet zoo oud is als Dubois meende, doch
in het begin van de quartaire periode tegelijk met menschelijke
vormen op Java heeft geleefd, hoe komen dan die vormen daar op Java,
terwijl het menschelijk geslacht, om zoo te zeggen, nog bezig is
zich hier in Europa te ontwikkelen? Hoe komt het, dat wij onder de
inboorlingen van Australië, dat merkwaardige werelddeel, dat reeds in
het begin der quartaire periode van de overige vastelanden geïsoleerd
is geraakt, menschvormen vinden die zeer sterk op de typen van het
neanderdalras gelijken? Hoe komt het, dat wij ook elders buiten Europa,
palaeolithische werktuigen vinden van hetzelfde karakter, als die
welke in afzettingen uit dezelfde tijden hier in Europa zijn gevonden?
Op al deze vragen kan de anthropologische wetenschap bij den huidigen
stand harer ontwikkeling, nog geen antwoord geven. Dat wij die vragen,
in de scherpe formuleering, die ik er aan gaf, kunnen stellen, is reeds
een groote stap in de richting van de oplossing er van. En de feiten,
die aanleiding gaven deze vragen zoo geformuleerd te stellen, geven ons
zeer zeker al het recht, te zeggen, dat de oplossing van het vraagstuk
van de afstamming van den mensch niet zoo eenvoudig is als zoo juist
werd aangegeven. Dat wij de reeks pithecanthropus--eoanthropus--homo
heidelbergensis--mensch van La Chapelle-aux-Saints (neanderdalmensch)
kunnen opstellen, bewijst dat de bioloog terecht den mensch in
genetisch verband met de dierenwereld brengt, en geeft ons de lijn aan,
waarlangs die ontwikkeling van dier tot mensch kan hebben geloopen. Dat
zij zoo geloopen heeft, wordt er niet door bewezen.
Het schijnt mij toe, dat wij ons, met al deze feiten rekening houdende,
den ontwikkelingsgang van het menschelijk geslacht op de volgende
wijze kunnen voorstellen: als wij ons denken den uiterst langzamen
ontwikkelingsgang van de dierenwereld en wij rekening houden met
het feit, dat een vorm als de homo heidelbergensis reeds in het
laatste gedeelte van de tertiaire periode hier in Europa voorkwam,
dat tusschenvormen als de pithecanthropus en de homo heidelbergensis
(en wellicht daar nog tusschen gevoegd de eoanthropus Dawsoni) in zoo
ver uit elkaar liggende streken als Java en West-Europa zijn gevonden,
dan moeten wij wel aannemen, dat de menschvorm, die aan het einde
der tertiaire periode dus al de betrekkelijk hooge ontwikkeling van
den heidelberger mensch hier in Europa had verkregen, en waarvan de
minder ontwikkelde vormen reeds een zoo groote verbreiding bezaten,
zich niet in het einde, doch reeds in het begin der tertiaire periode
uit primitief gebouwde, niet gespecialiseerde, tot de groote groep der
aapachtige dieren behoorende, voorvaderen in een nog zeer primitieven
aapachtigen overgangsvorm heeft ontwikkeld.
Dit kan plaats hebben gevonden in Azië, in Australië, in warme landen
in elk geval. Het niet behaard zijn van den mensch, ook daar waar een
ras, zooals de van oudsher in de poolstreken aan de strengste koude
blootgestelde Eskimo's, Lappen, enz., zich duizenden en duizenden
jaren tegen die koude heeft moeten beveiligen, en het waarschijnlijk
ook tijdens de ijsperiode niet behaard zijn (waar op de ingekraste
teekeningen uit dien tijd menschelijke figuren voorkomen, worden zij
steeds als niet behaard voorgesteld, terwijl de haarbekleeding der
hun vergezellende dieren zeer duidelijk wordt weergegeven) wijst er
wel op, dat zijne eerste ontwikkeling uit dierlijke voorvaderen in
een warm klimaat heeft plaats gevonden.
Deze overgangsvorm, de oorspronkelijke menschelijke stamvorm,
die dus in ontwikkeling stellig nog ver onder den pithecanthropus
moet hebben gestaan, kan zich nu vrij snel in een aantal iets van
elkaar verschillende rasvormen gesplitst hebben, zooals wij dat ook
zien gebeuren bij in een zoogenaamde "mutatie-periode" gerakende
plantensoorten. Met "vrij snel" bedoel ik dan hier in den loop van
weinige duizenden jaren, met "rassen" (of ondersoorten of hoe men
dergelijke iets van elkaar verschillende vormen noemen wil) bedoel
ik nog niet de tegenwoordig levende menschenrassen, maar eenvoudig
iets van elkaar verschillende vormen. Zoo ontstaat een groep van
"hominiden," (menschachtige wezens) van sterk op elkaar gelijkende,
doch in een of ander kenmerk van elkaar iets verschillende vormen. In
den loop der zoo ontzaglijk langen tijd durende tertiaire periode
ontwikkelt deze groep van vrijwel gelijkstaande vormen zich en
verspreidt zich tevens over de geheele bewoonbare aarde. Als
wij bedenken, dat men de verspreiding van een zoo langzaam dier
als het nijlpaard gedurende een der interglaciale perioden van
uit het zuiden over bijna geheel Europa heeft kunnen vervolgen,
dan behoeft ons een dergelijke verspreiding van de stamvaders van
het menschelijk geslacht niet te verwonderen. Het is mogelijk,
dat juist de harmonische ontwikkeling, die den mensch kenmerkt
(vergel. Hoofdstuk II) deze snelle verspreiding, die natuurlijk het
weerstand bieden aan tal van zeer verschillende uitwendige invloeden
en omstandigheden met zich bracht, mogelijk heeft gemaakt. Zeker is
het, dat wij juist alleen bij het menschelijk geslacht die snelle
verspreiding vinden, dat juist het menschelijk geslacht in staat is
geweest hinderpalen te overwinnen, koude te trotseeren, en daardoor
voor andere vormen ontoegankelijke gebieden te bezetten en zich daar
verder te ontwikkelen, terwijl de meer gespecialiseerde anthropoïde
apen slechts een gering verspreidingsvermogen toonden en in tal van
gebieden weer zijn uitgestorven. Bij die verspreiding werd de kiem der
eerste ontwikkeling mede over de geheele aarde verspreid. Wij vinden
steenen werktuigen, gelijkende op de eerste voortbrengselen van het
Europeesche palaeolithicum, in allerlei streken, in Egypte, in den
Oost-Indischen archipel, op Ceylon, in Amerika. Een tak van deze groote
hominidengroep kwam naar Europa, ontwikkelde zich daar tot den homo
heidelbergensis en den neanderdalmensch. Het is zeer goed mogelijk,
ja met het oog op hetgeen wij uit de dieren- en plantenwereld weten,
zelfs zeer waarschijnlijk dat verschillende takken dier hominidengroep
in den loop der ontwikkeling weer degenereerden en uitstierven, of
in langzamer ontwikkeling bij andere takken achterbleven. Zoo is het
zeer goed mogelijk, dat de pithecanthropus een vertegenwoordiger van
een dergelijken achterblijvenden tak was, die in den O. I. Archipel
nog tegelijk met zijne oorspronkelijke soortgenooten, welke zich
sneller hadden ontwikkeld en al tot typische menschvormen waren
geworden, heeft geleefd, doch in het begin der quartaire periode
reeds is uitgestorven. Zoo is het ook waarschijnlijk, dat op de
eerste invasie van een nog zeer weinig ontwikkelden tak dezer
homonidengroep in Europa, die langs den weg van den eoanthropus en
den homo heidelbergensis door langzame ontwikkeling voerde tot den
neanderdalmensch, later, bijvoorbeeld in het laatste gedeelte van
den grooten ijstijd en in de postglaciale perioden, andere invasies
van reeds verder ontwikkelde takken der hominidengroep van uit het
Zuiden en Zuid-Oosten zijn gevolgd. Deze latere invasies behoeven
niet alle even sterk en duurzaam geweest te zijn, maar kunnen
tot locale nederzettingen geleid hebben, die wellicht later weer
werden teruggedreven of vernietigd door de inboorlingen zelf. Een
op zichzelf staande vondst als die van de overblijfselen van het
"negroide" type van Verneau in de Grotte des Enfants bij Grimaldi,
uit de laatste perioden van den ijstijd, kan zeer goed het bewijs
zijn van een dergelijke invasie van een kleine groep, uit Afrika
langs den toen ter tijde nog bestaande landverbindingen tusschen
Tunis--Sicilië--Italië tot in Zuid-Europa doorgedrongen, maar na
eenigen tijd weder spoorloos verdwenen.
Wel moet echter in het laatste gedeelte van den ijstijd een grootere
invasie van een beter ontwikkelden tak der homonidengroep van uit
Azië in Europa hebben plaats gevonden, die een ander menschelijk
type hier in Europa bracht, waar tot dien tijd het neanderdalras
heerschte. Zoo zien wij dan hier het Aurignac-ras optreden, dat het
neanderdalras òf reeds gedeeltelijk uitgestorven vindt en verder
vernietigt, òf zich er ten deele mede vermengt, en zoo het iets
later in zoo groote verbreiding optredende cro-magnon-ras vormt;
het neanderdalras verdwijnt, de cultuur van de moustérien-periode
maakt plaats voor de op een hoogere trap staande, aan het aurignac-
en cro-magnon-type gebonden cultuur der latere perioden van het
palaeolithicum, de "solutréen" periode en het magdalenium met zijn
prachtig bewerkte steenen werktuigen, zijn kunstvol geboetseerde
voorwerpen uit rendierhoorn en ivoor, zijn teekenen van hooger
beschaving en sterker ontwikkeld kunstgevoel.
Het einde van het palaeolithicum geeft tevens het einde van het
cro-magnon-ras aan. Wij zien een nieuwe cultuur, die van het
neolithicum, optreden met gepolijste wapenen, met doorboorde en
van een houten steel voorziene bijlen, met steenen werktuigen van
een langzamerhand volmaakt wordende techniek. Ook deze neolithische
cultuur zien wij eerst weer in onvolkomen, technisch laagstaanden, nog
met overblijfselen uit het palaeolithicum vermengden vorm optreden en
zich langzaam hooger opheffen. Ook de dragers van deze cultuur moeten
een ander ras, van Aziatischen oorsprong, geweest zijn, wellicht weer
vermengd met de overblijvenden van het cro-magnon-ras als overwonnen
volk. Ook voor dezen overgang nemen wij dus een invasie van buiten,
van uit het Zuid-Oosten aan.
Door deze wijze van beschouwing wordt dus het probleem van de
afstamming van den mensch eer verdiept en verbreed, dan eenvoudiger
gemaakt. De eenheid van het geheele menschelijke geslacht over de
geheele aarde, ook daar waar het gebieden, werelddeelen betreft, ver
uit elkaar gelegen en reeds in zeer ver achter ons liggende geologische
perioden geïsoleerd, wordt hierdoor bewaard. Het zwaartepunt der
ontwikkeling, der menschwording, wordt achteruit gedrongen en wordt
buiten Europa verlegd; de ontwikkelingsgang die wij in Europa konden
gadeslaan, is slechts gedeeltelijk, slechts een tijdperk uit de
ontwikkelingsgeschiedenis van een bepaalden tak der groote menschgroep,
door invasies van buiten gestoord en onderbroken. De eigenlijke
tusschenvormen, die de laagstaande vormen als de pithecanthropus,
de eoanthropus, de homo heidelbergensis met de dierenwereld uit het
begin der tertiaire periode moeten verbinden, zijn nog niet bekend.
Hiermede zou ik onze beschouwingen over het vraagstuk van de afstamming
van den mensch kunnen eindigen. Doch ik zou onvolledig zijn, zoo ik
niet van eene andere opvatting gewag maakte, die mijns inziens wel niet
de oplossing van het probleem ons geeft, doch die door de eigenaardige
wijze, waarop het geheele vraagstuk eigenlijk wordt omgekeerd, doet
inzien, hoezeer alles bij dit vraagstuk nog op losse schroeven staat.
Dat is de opvatting, die aan de zoogenaamde "pygmeeën" een groote
waarde voor de studie van de wordingsgeschiedenis van den mensch
toeschrijft.
Kollmann, een bekend Duitsch embryoloog, die deze beschouwing
het eerst heeft uitgewerkt, nu eenige jaren geleden, brengt twee
feiten met elkaar in samenhang. In de eerste plaats is het een in
de palaeontologie dikwijls goed geconstateerd feit, dat groote
diersoorten zich dikwijls uit kleinere soorten ontwikkelen. Als
voorouders van het paard zien wij des te kleiner diersoorten
optreden, naarmate wij in de reeks van vormen, die den stamboom van
het paard vormen, meer en meer naar de vroegere geologische perioden
opklimmen. Ook elders zien wij dikwijls grootere diersoorten zich
uit kleinere ontwikkelen. Datzelfde zou volgens Kollmann nu ook
voor den mensch gelden. Ook hier zouden wij naar kleine voorvaderen
moeten zoeken. In de tweede plaats zien wij onder de tegenwoordig
levende menschenrassen op tal van plaatsen eigenaardige groepen,
stammen optreden, die zich door kleinheid kenmerken, niet veel
grooter dan een meter tot anderhalf meter zijn, en onder den naam
"pygmeeën," dwergen, worden samengevat. Ieder kent (al was het
alleen maar uit het titelvignet van Stanley's in Darkest Africa) de
dwergstammen van de binnenlanden van Afrika. De akka's, de wedda's,
de pas ontdekte dwergstammen op Nieuw-Guinea, op de Philippijnen
enz., vormen volgens Kollmann's opvatting een sterk verspreid,
op zichzelf staand ras, dat vroeger een grootere uitgebreidheid
moet hebben gehad, doch nu zich slechts op bepaalde, eenigszins
geïsoleerd liggende gebieden staande heeft kunnen houden. Reeds in
oude tijden, zelfs in den voorhistorischen tijd, zijn pygmeeën bekend
geweest. In voorhistorische graven, bijvoorbeeld bij Schweizersbild,
komen dergelijke dwergskeletten voor, naast grootere vormen; door de
gebroeders Sarasin zijn op Ceylon overblijfselen van voorhistorische
pygmeeën te zamen met palaeolithische steenen werktuigen gevonden, in
verschillende neolithische en latere graven zijn dwergskeletten naast
skeletten van gewone menschelijke lengte gevonden, kortom, volgens
Kollmann, die al deze dwergvormen tot de groep der pygmeeën brengt,
vormen deze pygmeeën een scherp omschreven ras, dat vroeger globair,
over den geheelen aardbol verspreid, voorkwam.
Dit brengt Kollmann nu in samenhang met het eerstgenoemde verschijnsel,
dat groote diersoorten zich zoo dikwijls uit kleine voorouders hebben
ontwikkeld. Ook bij den mensch zou dat zoo geweest zijn. Ook de
mensch zou zich uit voorvaderen hebben ontwikkeld, die niet veel meer
dan ruim een meter hoog zouden zijn en die een sterke overeenkomst
zouden hebben vertoond met de zooeven genoemde pygmeeën. Het ras
der pygmeeën zou reeds in zeer oude tijden uit een onbekende kleine
anthropoïdenstam zich hebben ontwikkeld en moet als de eerst optredende
menschvorm worden beschouwd. Uit deze pygmeeën ontwikkelden zich dan
langzamerhand de groote rassen, doch zoo, dat een gedeelte van den
oervorm bewaard bleef; dat zijn juist de pygmeeën die overal verspreid
in de neolithische en latere graven zoo nu en dan naast de grootere
rassen werden gevonden, en ook nu nog onder verschillende namen in
Afrika, in Indië, op de Philippijnen enz. worden aangetroffen. Ook
de dwergen, die door de geheele geschiedenis heen telkens worden
gevonden en die ook in onze tegenwoordige samenleving genoegzaam
bekend zijn, zouden niet tengevolge van eenig pathologisch proces
zoo klein gebleven zijn, doch zouden aan een soort van atavisme,
van terugslag naar den oervorm, hun ontstaan te danken hebben.
Nu bezitten al die pygmeeën schedels met goed gewelfd voorhoofd
en relatief groote schedelcapaciteit, d. w. z. een groote
hersenmassa. Waar juist zij, volgens Kollmann, den oervorm voorstellen,
zou men veeleer het tegendeel verwachten, n.l. menschvormen, met nog
tal van inferieure kenmerken, laag voorhoofd, geringe schedelwelving en
kleinen schedelinhoud. En hierin ligt nu juist het zwakke punt van de
voorstelling van Kollmann, dat hij dit verschijnsel aan zijne theorie
tracht dienstbaar te maken, en juist de hoog-gewelfde ruime schedel als
den meest primitieven vorm gaat beschouwen. Hij wijst er op, dat jonge
en nog embryonale apenschedels veel menschelijker vorm bezitten dan die
van oudere exemplaren, en concludeert daaruit dat de anthropoïde apen
oorspronkelijk afstammen van meer menschelijke voorouders, en slechts
een gedegenereerden, niet voor verdere ontwikkeling vatbaren zijtak
van den grooten oorspronkelijken stam vormen. Niet de menschen zouden
dus van de apen, doch de apen van de menschen afstammen. Zoo zouden
volgens Kollmann ook de verschillende vormen van het Neanderdalras
met hun platten langen schedel en laag wijkend voorhoofd slechts een
divergeerenden, gedegenereerden tak van de groote rassen voorstellen,
en eveneens uit pygmeeën met hoog gewelfd voorhoofd zijn voortgekomen.
In deze geheele redeneering ligt, en dit is natuurlijk, anders ware
zij niet als basis voor een bepaalde theorie gekozen, een kern van
waarheid, doch zij wordt door Kollmann tot het absurde doorgevoerd. Het
is zeer waarschijnlijk dat de menschvorm oorspronkelijk uit kleinere
vormen is ontstaan. De eerste menschen waren ook nog vrij klein,
de verschillende vertegenwoordigers van het neanderdalras, waarvan
de overblijfselen voldoende waren, om de lengte van het lichaam ten
naastenbij te bepalen, hadden een lengte van ongeveer 1 meter 60. Ook
gelijken de jonge apen, wat hun schedelvorm betreft, ongetwijfeld
meer op jonge menschenschedels dan de volwassen vormen. Ik kan in dit
verband nog eens wijzen op fig. 26 en fig. 27, waarin die gelijkenis
duidelijk zichtbaar is. Eenige bladzijden vroeger hebben wij van
deze afbeeldingen juist als illustratie gebruik gemaakt van het feit,
dat de specialisatie-kenmerken van de anthropoïde apen zich zoo laat
ontwikkelen, en de jonge apen veel meer op de jonge menschen gelijken
dan later, om te bewijzen, dat de menschen en de anthropoïde apen
oorspronkelijk uit denzelfden stamvorm zijn ontstaan. Meer kan men uit
een dergelijke gelijkenis dan ook niet afleiden. Want als men er uit
zou willen besluiten, dat de anthropoïde apen oorspronkelijk een even
hoog gewelfd voorhoofd en een even grooten en ruimen schedel bezaten
als de homo sapiens, dan zou men er even goed uit kunnen afleiden,
dat onze vroegere voorvaderen geweldig groote waterhoofden moeten
hebben bezeten, want als men jonge embryonen zoowel van menschen
als van apen onderzoekt, blijkt de aanleg van het hoofd bij beide
vormen op een bepaald stadium ongeveer even groot te zijn als de
geheele romp. Wil men bij dergelijke dingen te veel bewijzen, dan
wordt het absurd. En hetzelfde geldt voor de bewering van Kollmann,
dat de neanderdalmenschen een gedegenereerden tak voorstellen,
uit pygmeeën-voorouders met hoog gewelfd voorhoofd ontstaan. De
kern van waarheid is, dat het neanderdalras waarschijnlijk wel een
degenereerenden zijtak van de groote hominiden-groep voorstelt; maar
dat dat ras niet uit voorouders, die in vorm van den schedel met den
tegenwoordig levenden mensch overeenkomt, is voortgekomen, wordt ten
eerste bewezen door de geheele reeks van dierlijke, "aapachtige"
kenmerken, die met het lage voorhoofd van den neanderdalmensch
samengaan en die eerst duidelijk aan het licht gekomen zijn door de
vondst van den fossielen mensch van La Chapelle-aux-Saints, en ten
tweede door de ook in den laatsten tijd gevonden nog lager staande
vormen van den homo heidelbergensis en wellicht ook de vondst van
Piltdown, den eoanthropus.
Ook is de geheele voorstelling van Kollmann, volgens welke de pygmeeën
de oervorm zouden zijn, van waaruit het menschengeslacht is ontstaan,
niet gelukkig gekozen. Juist de wijze, waarop zij voorkomen, op
geïsoleerde eilanden, in gebieden door andere factoren (bergketenen,
ondoordringbare wouden enz.) door de natuur met een scheidsmuur
omgeven, brengt hun veeleer in verband met de "Kümmerrassen," die
wij bij zoovele dieren, die in dezelfde omstandigheden verkeeren,
zich zien vormen. Overal daar, waar een groote diersoort op een klein,
scherp begrensd gebied is besloten geraakt, zien wij uit die diersoort
zich een klein dwergras ontwikkelen. Zoo kennen wij de Shetland-ponies,
dwergvormen van den mammoeth en van den Europeeschen neushoorn op de
eilanden in de Middellandsche Zee, enz., locale dwergrassen, ontstaan
in aanpassing aan zeer ongunstige levensvoorwaarden als een laatste
poging om het te gronde gaan van het ras te verhoeden. Het ligt veel
meer voor de hand de pygmeeën op dezelfde wijze te beschouwen. De
dwergvormen daarentegen, die zoo nu en dan onder de volken van
normale grootte optreden, bijvoorbeeld in gezinnen met overigens
normaal groote kinderen, zijn van zoovele pathologische processen
afhankelijk, dat zij zeer zeker niet maar eenvoudig allen over één
kam geschoren en als atavismen gestempeld kunnen worden.
Zoo heeft dus de voorstelling van Kollmann weinig waarschijnlijkheid
op hare creditzijde. Toch wilde ik haar hier vermelden, omdat daardoor
op het geheele probleem weer van een andere zijde licht wordt geworpen.
Hiermede zijn wij dus aan het einde van onze beschouwingen gekomen. De
taak, die ik mij bij het bewerken van dit boekje had gesteld, is
afgewerkt. Men ziet het, een afdoend antwoord kan de bioloog op de
vraag naar de afstamming van den mensch nog in geen enkel opzicht
geven. Wij bevinden ons nog overal op onzeker terrein; maar waar de
laatste jaren ons zooveel hebben gebracht, wat ons in staat gesteld
heeft de verschillende vragen juister en scherper te formuleeren,
daar mogen wij verwachten, dat ook de komende jaren ons in nieuwe
vondsten en ontdekkingen meer en meer licht over dit probleem, zonder
twijfel het belangrijkste van de problemen, die de levende wereld om
ons heen ons stelt, zullen verschaffen.
Er is echter nog een ander vraagstuk, voortkomende uit het hier
behandelde probleem, vooral niet minder aantrekkelijk voor den
onderzoeker, dan hetgeen ik u in deze bladzijden schetste. Waar
dit laatste ons leerde, dat de mensch oorspronkelijk uit dierlijke
voorvaderen langs een uiterst geleidelijk en langzaam omhoog
voerenden weg van ontwikkeling is ontstaan, daar kunnen wij ons
afvragen: welke zijn de veranderingen, die daarbij het menschelijk
organisme heeft moeten ondergaan? Die vraag bestaat eigenlijk uit
een reeks van problemen, elk voor zich aantrekkelijk, elk voor
zich wel eene bespreking waard. Zoo bijvoorbeeld de veranderingen,
die de menschelijke hand, het skelet er van, de spieren, hebben
moeten ondergaan, toen de hand van een steunwerktuig, een "voorpoot,"
langzamerhand tot een grijporgaan werd; veranderingen, die alle haren
eigenaardigen stempel hebben gedrukt op de samenstelling van onze hand,
zooals wij die nu bezitten.
Zoo rust bijvoorbeeld het hart bij de viervoetige dieren op den
voorsten borstwand. Toen de mensch van viervoetig, tweevoetig
werd, zich ophief, verloor het hart in dezen nieuwen stand zijn
steunvlak en hing als het ware aan de groote bloedvaten, moest dus
een nieuw steunvlak zoeken op het middenrif. Daarmede hangen nu
weer verschillende eigenaardigheden van den bouw van het menschelijk
lichaam samen; zelfs is de rechtshandigheid, die typisch menschelijke
eigenschap, met deze verandering in verband gebracht.
Zoo is de veranderde stand van het onderlijf, de buikholte en het
bekken bij den rechtopstaanden mensch voor een aantal pathologische
afwijkingen aansprakelijk, en heeft men, om slechts enkele zaken te
noemen, het bij den mensch zoo veelvuldig voorkomen van breuken en
haemorhoiden hiermede in verband meenen te kunnen brengen.
Zoo gaf ik vroeger reeds aan, dat eigenaardigheden van het menschelijk
lichaam ons reeds doen vermoeden, dat de mensch in de tertiaire periode
met haar zacht en warm klimaat is ontstaan. Men gaat nu zelfs nog
verder, en meent, dat het proces van eerste menschwording moet hebben
plaats gevonden in een weinig boomrijke streek, zoodat de "voormensch"
zijn boomleven moest opgeven en meer en meer zich aan een leven op
den beganen grond moest aanpassen. Verschillende eigenaardigheden van
den bouw van den menschelijken voet in vergelijking met dien van de
apen wijzen ongetwijfeld in deze richting. Ja, men hoort zelfs spreken
van een "paradijsachtigen oertoestand," waarin de voormenschen moeten
hebben verkeerd, en het is zeker merkwaardig, dat dit ons telkens weer
het wonderschoon verhaal van de schepping van den mensch in Genesis
in de gedachten roept. In verband met het leven op den beganen grond
moet den voormensch zich tot een vleescheter hebben gevormd, die van
de jacht leefde, steeds moeite moest doen om zich zijn voedsel te
verschaffen en in dien voortdurenden strijd om het bestaan zijn geest
scherpte, zijn vindingrijkheid ontwikkelde, wapens ging gebruiken,
enz. Met dat tot vleescheter worden, gingen weer verschillende
veranderingen, aanpassingen, van gebit en verder spijsverteringskanaal
gepaard, kortom, het geheele organisme van den mensch zouden wij in
verband met zijne afstamming, zijne wordingsgeschiedenis, kunnen
beschouwen. Dat geheele vraagstuk moet ik hier echter onbesproken
laten, en volstaan met er op te wijzen, dat slechts het onderzoek
naar de afstamming van den mensch ons er toe brengt, ook deze vragen
te formuleeren, ook van dit nieuwe gezichtspunt uit, het menschelijk
lichaam te onderzoeken.