IV OUDERDOM DER MENSCHELIJKE OVERBLIJFSELEN.

"l'Homme tertiaire n'est encore que

sur le seuil de la science." [8]

Broca.

Indien wij nu als grondslag voor ons verder onderzoek aannemen, dat de

mensch uit de dierenwereld, uit dierlijke voorvaderen dus, is ontstaan,

dan kan men onmiddellijk drie hoofdvragen stellen: 1e. hoe oud is

dan het menschelijk geslacht? 2e. is aan de overblijfselen van den

voorhistorischen mensch het meer dierlijk karakter, dat men op grond

van zijne afstamming uit dierlijke voorvaderen zou verwachten, te zien,

en zijn er tusschenvormen tusschen mensch en dier gevonden? 3e. van

welke diersoorten stamt de mensch af?

Het spreekt van zelf, dat wij voor het beantwoorden der beide laatste

vragen de overblijfselen van den voorhistorischen mensch en zijne

voorloopers zelf moeten kunnen bestudeeren.

Voor het beantwoorden der eerste vraag is dit niet noodzakelijk.

Immers, wij moeten ons steeds voor oogen stellen, dat wij hier juist

de vroegste sporen van menschelijke wezens nagaan, d.w.z. van wezens,

die niet alleen een bepaalden lichaamsvorm bezaten, maar daarnaast

zich door geestelijke eigenschappen moeten hebben onderscheiden van

de tegelijkertijd met hen levende dieren.

Het bestaan van sommige voorwereldlijke dieren kennen wij alleen

uit de voetsporen, die hunne pooten bij het loopen in de weeke klei

hebben achtergelaten. Zijn dergelijke voetsporen scherp en duidelijk

herkenbaar, dan heeft men daaraan volkomen voldoende, om tot het

bestaan van die dieren daar ter plaatse op het oogenblik, dat die

kleibeddingen aan de oppervlakte lagen, te kunnen besluiten. En

men denkt hierbij terstond aan het aardige verhaal van Robinson

Crusoe, die volkomen terecht de aanwezigheid van menschen op zijn

oogenschijnlijk onbewoond eiland aannam, toen hij in het zand den

afdruk van een blooten menschenvoet vond.

Waar het menschelijke wezens geldt, kunnen wij nu echter nog verder

gaan. Al vinden wij in steenlagen of formaties van een bepaalden

ouderdom geen spoor van menschelijke overblijfselen zelf, dan

is het aantoonen daar ter plaatse van werktuigen, die voor hunne

vervaardiging en hun gebruik menschelijke intelligentie, zij het

dan ook in hare meest primitieve ontwikkeling, vereischen, van

woonplaatsen, overblijfselen van vuur of door menschenhanden bewerkte

artefacten, ingekraste teekeningen, steenen wapenen, ja zelfs alleen

overblijfselen van dierlijke beenderen, die blijken op een bepaalde

"menschelijke" manier te zijn behandeld, gespleten (om het merg er

uit te halen) of iets dergelijks, al volkomen voldoende om tot het

bestaan van menschen te kunnen besluiten. Dit wordt niet door iedereen

toegegeven. Zoo zegt Gabriel de Mortillet, de vader van het moderne

praehistorisch onderzoek, in zijn beroemd boek Le Préhistorique,

dat er in het tertiaire tijdperk wezens zouden hebben bestaan, "Assez

intelligents pour faire le feu," [9] maar dat "ces êtres n'étaient pas

et ne pouvaient pas être encore des hommes," [10] doch dit schijnt mij

een volkomen onjuiste redeneering. Vindt men op een aantal plaatsen in

tertiaire lagen gesteenten, die door hun vorm en bewerking blijk geven

voor bepaalde doeleinden te zijn gebezigd en met vuur te zijn bewerkt,

dan moet men aannemen, dat gedurende die perioden menschelijke wezens

op aarde bestonden. De groote moeilijkheid bestaat nu evenwel daarin,

dat het juist waar het die allereerste, uiterst primitieve werktuigen

(de zoogenaamde eolithen) (Fig. 4) betreft, uit den aard der zaak

dikwijls lastig is, menschelijke artefacten te herkennen van door de

natuurkrachten zelve veroorzaakte blussen en afgesplinterde kanten van

de steenen. Ik kom hierop later bij de beschrijving der verschillende

steenen werktuigen (bl. 47) nader terug, en kan hier volstaan met

te doen uitkomen, dat van dezelfde eolithen, die door archaeologen

van grooten naam voor primitieve steenwerktuigen, door menschelijke

wezens gebruikt, worden gehouden, door andere, niet minder ervaren

deskundigen, met dezelfde overtuiging wordt beweerd, dat het niet

anders zijn dan uit een hoop door de natuur (door bergstroomen,

watervallen, steenstortingen enz.) afgeslepen en afgesplinterde

kiezelsteenen uitgezochte exemplaren, die toevallig wel wat op steenen

werktuigen geleken. Door de voorvechters der eolithen-theorie wordt

dit met diepe verachting aangehoord, en gezegd dat een in deze kwestie

wezenlijk ervaren archaeoloog dergelijke door de natuur geboetseerde

steenstukken nimmer zal verwarren met de echte eolithen, en hoe dit

ook zijn moge, men moet hun toch toegeven, dat het dan toch wel uiterst

merkwaardig zou zijn, als juist en alleen in het laatste gedeelte van

het tertiaire tijdperk, vóór het begin van de periode der direct als

zoodanig herkenbare steenen werktuigen, dergelijke "vervalschingen"

door de natuurkrachten zouden zijn gemaakt, en later niet meer.

Voor op stukken ivoor, beenstukken, hoorn, of op den wand van grotten

ingekraste teekeningen geldt dit natuurlijk niet. Vindt men eene

als zoodanig herkenbare teekening van een of ander dier, dan kan men

niet anders aannemen dan dat een dergelijke teekening het werk van

menschen is geweest. En als wij van dergelijke teekeningen vinden,

ingekrast op uit oude steenlagen opgedolven stukken fossiel ivoor,

of fossiele rendierhoornen, of op den wand van grotten, die, geheel

en al dichtgeslibd, eerst in den laatsten tijd weer "ontdekt" en

door voorzichtig uitgraven toegankelijk zijn gemaakt, dan is aan de

echtheid dier teekeningen niet te twijfelen.

Zoo heeft men bijvoorbeeld teekeningen van mammoets en andere

voorwereldlijke dieren aangetroffen op den wand van druipsteengrotten,

diep bedolven onder de kalkafzettingen. Als men nu bedenkt, hoe uiterst

langzaam zulk een kalklaag zich afzet, en hoe vele duizenden jaren

het dus moet geduurd hebben voor zulk een teekening, oorspronkelijk

op ongeveer manshoogte in den rotswand gekrast, zoo geheel onder

de steeds aangroeiende kalklaag van den bodem bedolven is geworden,

dan kan men zich eenigszins een denkbeeld maken van de vele eeuwen,

die verloopen moeten zijn, sinds de oude holbewoner daar met een scherp

stuk steen in diep ontzag voor het geweldige dier, dat hij wellicht met

zijne makkers had nagejaagd, diens omtrekken in den rotswand kraste.

Al hadden wij dus geen enkel menschelijk overblijfsel uit den voortijd

opgedolven, dan zouden wij ons toch door deze dingen een denkbeeld

kunnen vormen van den ouderdom van het menschelijk geslacht. Ja wij

kunnen ons zelfs eenigermate eene voorstelling er van maken, hoe die

menschen uit den voortijd moeten hebben geleefd, van hunne beschaving

(sit venia verbo), van hunne eigenschappen, van hunne omgeving.

Aan die steenen werktuigen bijvoorbeeld is een duidelijke vooruitgang

in de bewerking, naarmate men jongere steenlagen onderzoekt, niet

te miskennen.

Het diepst onder den beganen grond, in de oudste steenlagen, te zamen

met overblijfselen van dieren die in het begin van den ijstijd moeten

hebben geleefd, vindt men slechts ruw behouwen vuursteenstukken, die

ternauwernood den naam van werktuigen kunnen dragen en slechts aan

het geoefend oog van den ervaren onderzoeker als zoodanig herkenbaar

zijn; maar langzamerhand zien wij, naarmate wij jongere steenlagen

of afzettingen onderzoeken, de techniek der bewerking beter en

fijner worden, de steenen werktuigen nemen een bepaalden vorm

aan, die in typische gestalten voor bepaalde doeleinden geschikt

gemaakt schijnt te worden; wij vinden steenen bijlen, priemen,

messen, pijlspitsen, wiggen, van scherp omschreven, steeds als

zoodanig herkenbaren vorm. In steenlagen van denzelfden ouderdom,

herkenbaar aan de daarin gevonden dierlijke overblijfselen, treedt

dan steeds dezelfde voor die periode karakteristieke vorm der steenen

werktuigen op. Onderzoeken wij jongere steenlagen, wederom herkenbaar

aan de daarin voorkomende overblijfselen van dieren uit het laatste

gedeelte van den ijstijd of uit een der warmere tusschenperioden,

dan zien wij den vorm der steenen werktuigen weer anders worden,

regelmatiger, beter bewerkt, in grooter verscheidenheid. Zoo wordt

ook in deze werktuigen een beeld ontrold van langzamen vooruitgang en

ontwikkeling. Maar er is meer. Als wij een bepaald type van steenen

werktuigen (men vergelijke de lijst aan het einde van dit hoofdstuk)

uitsluitend in holen vinden te zamen met overblijfselen van dieren als

de holenbeer, de holenleeuw, de mammoeth, dieren dus, die in de koude

perioden van den ijstijd hebben geleefd, dan moeten wij wel daaruit

de gevolgtrekking maken dat die werktuigen door typische holbewoners,

door troglodyten, werden vervaardigd. Vinden wij dan beter bewerkte

steenen werktuigen van een bepaald type nooit in die holen, maar

in kiezelbeddingen aan den oever der groote rivieren, te zamen met

overblijfselen van dieren, die in de warmere tusschenperioden hier

hebben geleefd, van het nijlpaard, van den rhinoceros van Merck,

van den aueros, dan moeten wij wel tot het besluit komen, dat de

menschen, toen zij den trap van ontwikkeling hadden bereikt, waarop

zij werktuigen van dat bepaalde type vervaardigden, niet in holen

leefden, doch in het vrije veld, aan den oever der grootere rivieren,

in een zachter klimaat derhalve. Vinden wij dan verder in dezelfde

holen, waarin wij diep (bijvoorbeeld 8 meter) onder den grond de

bovengenoemde eenvoudige, ruw bewerkte steenen werktuigen vonden,

op een veel hooger niveau, bijvoorbeeld 1 meter onder den beganen

grond, (men vergelijke bijv. het in fig. 24 geteekende profiel van een

dergelijk hol met een aantal verschillende grondlagen boven elkaar) een

steenlaag, waarin wij veel fijner bewerkte en anders gevormde steenen

werktuigen vinden, te zamen met overblijfselen van dieren, die eerst

in het laatste gedeelte van den ijstijd hier in Europa voorkwamen, dan

ligt de slotsom voor de hand, dat op de minder koude periode, waarin

de mensch de holen verliet en als oeverbewoner aan den rand der groote

rivieren leefde (wellicht daartoe gedwongen, doordat de geweldige

waterstroomen, die het gesmolten ijs der ijstijdgletschers naar zee

voerden, de holen hadden overstroomd, waarin zijne voorvaderen hadden

geleefd), weer een tijdperk van hernieuwde koude gevolgd was, waarin de

gletschers weer bevroren en weer naar het Zuiden verder voortdrongen,

de groote stroomen ophielden te vloeien en het barre klimaat den

mensch weer terugdreef naar de nu gedeeltelijk dichtgeslibde holen,

waarin wellicht, nu diep onder den aangeslibden grond, zich nog de

overblijfselen van zijn voorouders van voor duizenden jaren bevonden.

Niet slechts de bewerking van den vuursteen ontwikkelt zich. In het

laatste gedeelte van den ijstijd zien wij de overblijfselen van den

mammoeth schaarscher worden. Het rendier treedt op, en in steeds

grooter en grooter aantal vinden wij de overblijfselen van dit dier

naast de steenen werktuigen bij de menschelijke overblijfselen. Naast

den vuursteen leert de mensch het rendierhoorn gebruiken, tot

wapens versnijden, voor huiselijk gebruik dienstbaar maken. Naast

spitse dolken van rendierhoorn vinden wij nu fijne pijlpunten met

weerhaken voorzien, hoornen haken en naalden om de kleederen vast

te maken, doorboorde en met figuren bekraste hoornstukken om als

versiering, wellicht als amulet, aan den hals te dragen, in steeds

beter afgewerkten vorm, terwijl ook de techniek van de bewerking van

den vuursteen de hoogte bereikt, waarop voorwerpen als in fig. 5 naar

Deensche vondsten zijn afgebeeld, stonden. Daarmede is dan evenwel

het zoogenaamde oud-steenen tijdperk, het palaeolithicum, afgeloopen

en zijn wij in het nieuw-steenen tijdperk, het neolithicum, gekomen,

op een tijdstip derhalve, waarop de mensch al een zekere hoogte

van ontwikkeling bereikt had, in een aantal rassen de geheele aarde

bevolkte, en de kinderschoenen dus al ontwassen was. Daarop ga ik

hier dus niet verder in.

Er is evenwel nog een ander feit, waarop ik hier bij deze algemeene

bespreking de aandacht wil vestigen, omdat het ons over den aard van

den praehistorischen mensch zooveel leert.

Beschouwen wij voor een oogenblik niet alleen de steenen werktuigen,

maar ook de menschelijke overblijfselen uit dien voorhistorischen tijd,

dan zien wij, afgezien van de eigenaardigheden dier overblijfselen

zelf, die ons het vraagstuk van de afstamming helpen oplossen, ook

daarin een bepaalde ontwikkeling. Terwijl van de oudste skeletten

slechts enkele fragmenten (waarover in het volgende hoofdstuk nader)

los in den grond gevonden zijn, zien wij al spoedig dat een bepaalde

begrafenis moet hebben plaats gevonden. Het lijk ligt, zooals uit

fig. 6 en 9, die trouwens uit lateren tijd stammen, duidelijk blijkt,

in een bepaalde houding, door steenen omgeven, dus in den grond

ingegraven. Dit wijst op een doodencultus. Eveneens zeer spoedig

blijken steenen wapenen aan de dooden te worden medegegeven, en men

vindt zelfs, zooals wij later uitvoeriger zullen bespreken, uit de

vroegste perioden van het palaeolithicum skeletten met fraai bewerkte

steenen wapenen in de hand of om het hoofd gerangschikt. Dit wijst op

een geloof aan een voortbestaan na den dood. In iets later perioden

vinden wij de lijken versierd, kransen van kleine doorboorde (blijkbaar

derhalve oorspronkelijk aaneengeregen) schelpjes of beenstukjes aan

hoofd, hals en polsen. Ook dat wijst op een doodencultus, en het is

eigenaardig dat wij dan vooral kinderskeletten zeer rijk versierd

vinden. Dat geeft den indruk van liefde en zorg voor kinderen. Kortom,

uit dergelijke gegevens, hoe schaarsch ook en hoe weinig beteekenend

op zichzelf, kan men zich toch eenigszins een denkbeeld vormen

omtrent de geestelijke eigenschappen en het peil van beschaving

dezer vroegste menschen uit den grijzen voortijd. Zoo heeft men uit

dezelfde periode ook eenige skeletten gevonden, waarvan de schedel

een groot gat vertoonde, hetwelk echter, zooals uit de structuur van

het been duidelijk bleek, voor driekwart genezen was. Dat wijst op

een goede zorg voor zieken en gewonden, daar anders een dergelijke

wond onfeilbaar tot een onmiddellijken dood zou hebben geleid.--Maar

laat mij hierop niet verder ingaan, wij zouden te ver in het gebied

der speculatie verzeild raken.

"Revenons à nos moutons." [11]--Keeren wij terug tot onze bespreking

van de gegevens, welke ons in staat stellen, den ouderdom van het

menschelijk geslacht in 't algemeen en van bepaalde vondsten in het

bijzonder te bepalen. Voor dit laatste komt drieërlei in aanmerking:

1°. de aard van de steenlaag of afzetting, waarin de overblijfselen

worden gevonden, zoogenaamde stratigraphische bijzonderheden;

2°. de dierlijke overblijfselen, die te zamen met de menschelijke

skeletdeelen in dezelfde laag zijn aangetroffen; 3°. de aard

der steenen werktuigen, die bij het menschelijk skeletdeel uit

dezelfde steenlaag zijn opgedolven. Deze laatsten kunnen, als door

menschenhanden vervaardigde artefacten, ook op zichzelf, zonder daarbij

gevonden menschelijke skeletdeelen, getuigenis van den ouderdom van

het menschelijk geslacht in het algemeen afleggen.

Daar nu juist deze werktuigen in hun scherp getypeerden vorm en licht

herkenbare gedaanten, zich gemakkelijk in verschillende groepen laten

samenbrengen van telkens fijner bewerking en geringeren ouderdom,

wordt de groepeering der steenen werktuigen meestal als onderverdeeling

van den geheelen tijd der ontwikkeling van het menschelijk geslacht

vóór den aanvang der geschiedenis, in den voorhistorischen tijd dus,

aangenomen, ook waar de ouderdom van de gevonden overblijfselen door

middel van daarbij opgedolven dierlijke beenstukken wordt bepaald. Daar

wij dus de namen dier onderafdeelingen in de volgende hoofdstukken

telkens zullen moeten gebruiken, geef ik hier in een tabel een opgave

dier onderverdeeling van het palaeolithicum, evenwel slechts zeer in

't kort, daar dit eigenlijk meer tot het gebied der archaeologie

behoort, en daar een uitvoerige beschrijving der verschillende

groepen van steenen werktuigen alleen met behulp van een aantal

afbeeldingen belangwekkend en vruchtbaar is te maken, waarvoor mij

hier de gelegenheid ontbreekt.

Gedurende nagenoeg het geheele oude steenen tijdperk is de steensoort,

waarvan de steenen werktuigen in steeds toenemende fijnheid van

bewerking werden vervaardigd, de "vuursteen" geweest. Wel zijn zoo nu

en dan ook andere harde steensoorten daarvoor gebruikt, en vindt men

vooral in het nieuw-steenen tijdperk een grootere keuze van gesteenten,

maar de vuursteen blijft toch het meest geliefde materiaal. Zooals men

weet, is de vuursteen een kiezelzuurverbinding, die in den vorm van

grootere of kleinere afgeronde stukken, zoogenaamde "knollen," bij

voorkeur in die steenlagen gevonden worden, die als afzettingen uit

het zeewater van vroegere geologische perioden ontstaan zijn. Vooral

de krijtlagen uit het laatste gedeelte der secundaire periode zijn

bijzonder rijk aan dergelijke vuursteenknollen. Het eigenaardige van

den vuursteen is nu, dat men, door er met een zekere kracht een hard

voorwerp tegen te slaan, er lange splinters en blussen af kan slaan,

(zie fig. 8) klein of groot, naarmate van de kracht en handigheid

waarmede geslagen werd. Door het afspringen dier splinters ontstaan dan

scherpe kanten, lijsten en punten aan den harden steen. Hoe beter en

voorzichtiger men den steen leerde bewerken, des te fijner van vorm,

des te meer gedetailleerd van gedaante werden de werktuigen. Men

vergelijke bijvoorbeeld de ruw toegeslagen steenen van Fig. 7 met

de beter bewerkte van Fig. 8 en de buitengewoon fijne en elegante

werktuigen van Fig. 5. Bij de oudste steenen werktuigen werd eenvoudig

ruw tegen een of andere zijde van de vuursteenen geslagen, en eerst

langzamerhand leerde men met bewustheid een bepaalden vorm aan den

vuursteen te geven. De voorstanders der eolithen-theorie beweren nu

juist, dat reeds in het tertiaire tijdperk door menschelijke wezens

vuursteenen werktuigen werden gemaakt, maar dan nog eenvoudig door

ruw tegen elkaar slaan van twee steenen zonder bepaalde richting of

krachtaanwending. Dat zijn dan de zoogenaamde eolithen. Het spreekt

vanzelf, dat daarbij slechts ruw afgesplinterde steenstukken worden

verkregen, waaruit dan de beste stukken voor verder gebruik zouden

zijn uitgezocht. Het behoeft ons dan ook evenwel niet te bevreemden

dat een aantal archaeologen deze eolithen uiterst wantrouwend bekeken

en ze eenvoudig voor brokstukken hielden, die door natuurkrachten

(watergeweld, verweering) uit de vuursteenknollen waren ontstaan. Daar

ook nu nog deze strijd niet is uitgestreden en juist deze eolithen,

die het bestaan van den tertiairen mensch moesten bewijzen, vooral nu

van groot belang voor het praehistorisch onderzoek zijn, nu ook van

andere gezichtspunten het bestaan van den mensch reeds gedurende een

gedeelte van de tertiaire periode meer en meer waarschijnlijk wordt

geacht, [12] ja dikwijls als vaststaand wordt aangenomen, heb ik juist

van deze eolithen eenige typische voorbeelden in fig. 7 afgebeeld. Het

is natuurlijk moeilijk zich in deze kwestie een oordeel te vormen, en

oppervlakkig beschouwd maken die ruw afgebrokkelde vuursteenen volkomen

den indruk van uit een massa vuursteensplinters uitgezochte, ietwat

regelmatige stukken, die met door menschenhanden bewerkte artefacten

niets te maken hebben, maar als men de talrijke afbeeldingen, door

Rutot, den uitnemenden kenner der palaeolithische werktuigen, van

tertiaire eolithen gegeven, beschouwt en ze vergelijkt met de nagenoeg

identische afbeeldingen van tertiaire vuursteenstukken uit Portugal,

door Ribeiros beschreven, of van de exemplaren uit Puy-Courny van

de Mortillet, dan wordt men wel gedwongen te erkennen, dat in hunne

argumenten veel waars ligt opgesloten en dat de theorie der tertiaire

vuursteenwerktuigen lang niet zoo op losse schroeven staat als men

bij oppervlakkige kennismaking er mede geneigd zou zijn aan te nemen.

Rutot en zijn volgelingen gaan nu echter nog verder, en meenen

dat de tertiaire mensch ook geheele vuursteenknollen, die door hun

toevalligen vorm gemakkelijk te hanteeren waren, en door natuurkrachten

afgebrokkelde splinters zou hebben gebruikt, die dan hoogstens een

beetje gefatsoeneerd, bijgewerkt, werden. Dat zouden dan de echte

typische "eolithen" zijn. Nu, dat zal waarschijnlijk ook wel zoo

geweest zijn, maar hoe dergelijke stukken met zekerheid van andere,

hier en daar verspreide vuursteenstukken te onderscheiden? Hierop is

ook in de talrijke geschriften van Rutot zelf een afdoend antwoord

niet te vinden. En dit zal wel eerst uitgemaakt kunnen worden,

als werkelijk zeker te herkennen menschelijke overblijfselen uit

de tertiaire periode te zamen met een groot aantal van dergelijke

vuursteenstukken worden gevonden.

Hoe veel ons ook de studie der voorhistorische steenen werktuigen

heeft geleerd, nog steeds blijft, wat dit betreft, het woord van Broca

gelden, dat de tertiaire mensch den drempel der wetenschap nog niet

heeft overschreden.

Over het hier volgende tabellarisch overzicht der verschillende

onderdeelen van het oude steenen tijdperk nog een enkel woord.

Het gebouw der moderne praehistorische anthropologie is opgetrokken

op de basis van het werk, door Fransche onderzoekers in deze

richting gedaan. In Parijs bestaat de eenige academische school

voor voorhistorische wetenschap. In Frankrijk zijn de meeste en

meest typische voorhistorische werktuigen en verdere overblijfselen

opgedolven en bestudeerd. Door Fransche onderzoekers is dan ook

het systeem van onderdeelen der voorhistorische periode opgebouwd,

en daarbij zijn de verschillende onderafdeelingen genoemd naar de

plaatsen waar de meest typische voorbeelden van dat bepaalde type zijn

opgedolven. Zoo spreekt men ook buiten Frankrijk van de "acheulien"

periode, omdat de voor die periode typische vorm der steenen werktuigen

het eerst en het meest gevonden werden in de kiezelafzettingen bij

St. Acheul. Evenzoo van de "moustérien" periode, naar de beroemde

vindplaats van voorhistorische overblijfselen van den voor deze periode

typischen vorm bij Le Moustier, al zijn ook bepaalde voorwerpen uit

die periode bij Krapina in Hongarije of in Noord-Amerika gevonden. Zoo

spreekt men van de Azilien-periode naar de grot le Mas d'Azil in 't

Zuiden van Frankrijk, van de Chellien-periode naar de vindplaats bij

Chelles (Seine-et-Marne) enzoovoort. Wil men een internationalen vorm

aan deze namen geven, dan kan men er een latijnschen uitgang achter

zetten en spreken van het Mousterium, het Acheulium, het Chelleum,

het Azilium enz. Door deze onderverdeeling wordt een gemakkelijke en

overzichtelijke klassificatie van het palaeolithicum verkregen.

Maar men hoede zich, een al te groote absolute waarde aan een

dergelijke onderverdeeling toe te kennen.

Evenals nog in onzen tijd op bepaalde plaatsen, in bepaalde streken,

oude kleederdrachten en oude gewoonten, de vorm en inrichting der

boerenbehuizing, van voorwerpen voor huiselijk gebruik, enz. met

groote hardnekkigheid gedurende eeuwen wordt vastgehouden, zoo zal

ook in voorhistorischen tijd het vervaardigen van steenen werktuigen

van een bepaalden vorm in de eene plaats veel langer zijn volgehouden

dan in een andere plaats, zullen verbeteringen in de bewerking, van

een bepaald centrum uitgaande, zich dikwijls slechts met de uiterste

langzaamheid verder hebben uitgebreid, zullen verschillende vormen

naast elkaar hebben bestaan, en zoo vinden wij dan bijvoorbeeld hier

in Holland nog steenen werktuigen uit het oude steenen tijdperk,

stammende uit een tijd, waarop in Frankrijk reeds bronzen werktuigen

werden vervaardigd. [13] De verdeeling naar den aard der werktuigen

heeft dus slechts een zeer betrekkelijke waarde als tijdsbepaling. Komt

zij in conflict met stratigraphische gegevens, en met wat de dierlijke

overblijfselen ons leeren, dan zal men mijns inziens aan deze laatste,

mits met zekerheid vastgesteld, de voorkeur moeten geven. Waar

bijvoorbeeld door Gorganovic-Kramberger op grond van het feit, dat

met bepaalde menschelijke overblijfselen, bij Krapina gevonden (zie

't volgende hoofdstuk) resten van den rhinoceros van Merck werden

opgedolven, aan die overblijfselen een zeer hooge ouderdom toegekend

wordt, Rutot daarentegen op grond van de daarbij gevonden steenen

werktuigen meent, dat de ouderdom niet zoo hoog kan zijn, daar zou

ik mij met volle overtuiging aan de zijde van Kramberger plaatsen.

In de volgende tabel zijn de verschillende perioden, onderafdeelingen

van het oude steenen tijdperk, volgens de namen der voornaamste

vindplaatsen der voor die periode typische steenen werktuigen

gerangschikt. De verdeeling der geologische tijdperken vergelijke

men met de tabel in hoofdstuk I.

De oudste groep is in de tabel bovenaan geplaatst, de jongste

onderaan. Ook de eolithen zijn, volgens het schema van Rutot, in de

tabel opgenomen.

De afstamming van den mensch Naar voordrachten in populair-wetenschappelijken vorm bewerkt · 第 12 / 24 题