In het eerste hoofdstuk werd reeds in groote trekken beschreven, hoe
wij aan het einde van de tertiaire aardperiode een meer algemeenen
zoogenaamden "ijstijd" zien optreden, d. w. z. een periode in de
ontwikkelingsgeschiedenis der aarde, waarin de gemiddelde temperatuur
zoo verlaagd wordt dat een groot gedeelte van Europa, ja van de
geheele wereld, met ijs en sneeuw bedekt wordt.
Daar wij later zullen zien, dat de eerste als zoodanig herkenbare
sporen van den mensch juist in de formaties uit dien ijstijd worden
gevonden, zoo is het niet ondienstig, verschillende eigenaardigheden,
die dien ijstijd hebben gekenmerkt, en vooral de dieren, die toen
ter tijde Europa bevolkten en die dus als tijdgenooten van de eerste
menschen optreden, wat nader te beschouwen.
Wij zagen reeds, dat de aan het einde der tertiaire periode optredende
ijstijd niet de eerste afkoelingsperiode is, doch slechts die eerste
periode van afkoeling, waarbij de gemiddelde temperatuur over groote
uitgestrektheid zoo laag wordt, dat het water gaat bevriezen en dus ijs
en sneeuw in kolossale massa's een groot deel van Europa gaan bedekken.
Geweldige ijsmassa's, dikwijls honderden meters dik, bedekten meer en
meer, bij de voortgaande daling van de temperatuur, van het noorden
van Scandinavië zich verder en verder naar het zuiden van Europa
uitstrekkende, het vasteland van Europa. Evenals wij nu nog aan de
gletschers in het alpengebied het zoogenaamde "stroomen" van het
ijs, het langzaam naar beneden voortschuiven der plooibare ijsmassa
zien kunnen, zoo moeten wij ons ook voorstellen dat gedurende den
ijstijd die geweldig dikke ijsmassa's zich eveneens voortschoven,
waarbij geheele bergtoppen werden afgeslepen (aan de gladde, ronde
bergtoppen in den Eifel is dit bijvoorbeeld nog zeer duidelijk te
zien), en het afgeslepen en afgebrokkelde materiaal dikwijls in
den loop der tijden duizenden kilometers ver werd medegenomen, om,
als in een interglaciale periode de temperatuur iets hooger werd
en de ijsmassa's smolten, op het daaronder gelegen land te worden
gedeponeerd, zoodat wij in aangeslibde rotslooze streken zooals
bijvoorbeeld Holland, rotsblokken, zoogenaamde zwerfblokken vinden
liggen, die volgens den aard van het gesteente, waaruit zij bestaan,
uit Skandinavië moeten afkomstig zijn. Bij het smelten dier geweldige
ijsmassa's ontstonden waterstroomen, die als reusachtige rivieren
zeewaarts stroomden, de diepe dalen als bijvoorbeeld het Neckardal
langzamerhand uitgroeven, en het afslijpsel van het stroomende
gletscherijs, tot kiezelsteenen rondgeslepen, of tot zand vermaald,
op verschillende plaatsen in dikke lagen afzetten.
Door het zich in vasten vorm afzetten van de reusachtige hoeveelheden
water, die als ijs en sneeuw een groot gedeelte van het vasteland
bedekten, daalde de zeespiegel vermoedelijk zeer sterk, tientallen van
meters. Eerst langzamerhand werd dit, als na het smelten van het ijs
het water weder naar de zee was teruggestroomd, hersteld, doch een
gevolg hiervan was, dat de vorm van het vasteland door den ijstijd
sterk werd veranderd, dat ondiepe zeeën droog lagen, landbruggen
zich vormden, waarlangs de dieren zich van het eene werelddeel naar
het andere konden begeven, zoodat zij op deze wijze het leven konden
redden, dat bedreigd werd door het alle leven vernietigende, alle
voedsel bedekkende ijs en de uitgestrekte doodsche sneeuwvelden.
Konden zij dat niet, dan stierven zij eenvoudig uit, en zoo zien wij
dan ook juist door dien ijstijd het karakter van de dierenwereld sterk
veranderen. Men kan aan de fossiele overblijfselen der dieren uit
den ijstijd duidelijk aantoonen, hoe zij door de in het verloop van
den ijstijd steeds meer en meer naar het zuiden voortdringende ijs-
en sneeuwmassa's naar het zuiden werden gedrongen, hoe zij, bij het
teruggaan van de sneeuwlijn in eene interglaciale periode weer mede
noordwaarts trokken, omdat op het vruchtbare vochtige gebied van de
door het smelten van het ijs vrijgekomen eindmorainen een weelderige
plantengroei, overvloedig voedsel derhalve, ontstond. Men kan nagaan,
hoe de dierenwereld zich trachtte te verdedigen tegen, aan te passen
aan de alles vernietigende ijzige koude, die hun bestaan bedreigde,
en zoo zien wij juist gedurende dien ijstijd die eigenaardige
dichtbehaarde vormen optreden als de langbehaarde mammoeth,
de langharige neushoorn, en die vormen die in holen beschutting
zochten tegen de koude, de holenbeer, de holenleeuw, de holenhyæna,
de holenwolf.
Kortom, er is geen periode denkbaar, die meer heeft ingegrepen in de
bestaansvoorwaarden der dieren- en plantenwereld, in de gesteldheid
van onze aarde, die grooter veranderingen heeft teweeggebracht in
alle mogelijke opzichten, als juist die reeks van tijdperken die wij
als den postpliocaenen ijstijd samenvatten.
Laten wij even vooruitloopen op wat wij later moeten behandelen en
ons afvragen: is het wonder, dat juist in dien tijd de voorloopers
van het menschelijk geslacht, bij dien steeds feller wordenden
strijd om het bestaan hunnen geest scherpten, hunne vindingrijkheid
ontwikkelden, wapenen (knotsen, werptuigen) gingen gebruiken, en
niet slechts defensief, doch ook offensief gingen optreden, en zoo
den heerschersrang in het dierenrijk veroverden, die hen sedert door
geen dier is betwist, zoo tot werkelijke menschen werden?
Juist de ijstijd heeft vermoedelijk den grooten aanstoot tot
de laatste, volledige ontwikkeling van het menschelijk geslacht
gegeven, toen de mensch de steeds toenemende koude, het steeds
schaarscher worden van het voedsel, door nieuwe middelen, door zich met
beschuttende omhulsels te bedekken, door betere wapens te gebruiken,
door zich als "sociale" wezens te vereenigen tot grootere groepen
met bepaalde arbeidsverdeeling en toch met individueele vrijheid van
handelen, moest bestrijden. Slechts in dien voortdurenden strijd is
het geheim van zijne snelle ontwikkeling gelegen.
Zoo vinden wij dan ook den mensch beurtelings als holenbewoner,
als troglodyte, wiens overblijfselen in holen, in "abris sous
roche," bewaard gebleven zijn, of in de warmere perioden tusschen de
verschillende ijsperioden in als vrij levenden oeverbewoner aan den
oever van de groote rivieren of van de meren. Werden de holen door de
groote watermassa's, die door het ontdooien van het ijs gevormd werden,
bij overstroomingen dichtgeslibd, dan werden zijne overblijfselen
onder die beschermende sliblaag goed bewaard. De holen liepen weer
droog, bij een volgende afkoelingsperiode werden, duizenden jaren
later, de nazaten der oeverbewoners wellicht weer tot holbewoners,
zij zochten de oude holen weer op, hunne overblijfselen bleven daar
weer liggen, werden bij een warmere periode weer door overstroomingen
met slib of kiezel bedekt, en zoo vinden wij in dergelijke holen
dikwijls zeer regelmatige lagen aangeslibden grond boven elkaar,
met daartusschenin bewaard gebleven overblijfselen van menschen en
dieren uit verschillende perioden [7] (Fig. 24). Hierover later meer.
Daar wij nu evenwel zullen zien, dat voor het onderzoek van dergelijke
overblijfselen juist de daarbij gevonden overblijfselen van dieren
uiterst belangrijk zijn, geef ik hier ten slotte nog een korte
opsomming van de voornaamste diervormen, die gedurende den ijstijd
en de interglaciale perioden Europa bevolkten.
Eerst evenwel nog een andere vraag. Kan men, waar men van ijstijden
en interglaciale perioden spreekt, eenigszins den duur dezer perioden
aangeven?
Nauwkeurige opgaven, met allerlei factoren rekening houdend, worden wel
door verschillende onderzoekers gegeven, maar de cijfers, die ons door
de berekenaars als de eenig ware worden voorgedragen, loopen zoozeer
uiteen, dat men verstandig doet, zich van elke vaste tijdsopgave
hierbij te onthouden. Er zijn te veel factoren van onberekenbaren
invloed hierbij in het spel, dan dat een vaststaand geloofwaardig
resultaat te verwachten is. Ik wil dan ook slechts enkele cijfers
noemen, die een denkbeeld kunnen geven van den geweldig langen duur
dezer perioden.
Volgens astronomische berekeningen is de vermoedelijke oorzaak van
de regelmatig op elkaar volgende afkoelingsperioden gelegen in een
regelmatig weerkeerend verschil van den afstand van de zon tot de
aarde. De zon zou buiten het middelpunt der bijna kringvormige
aardbaan liggen, en in een regelmatige schommeling van ongeveer
100.000-jarigen duur zou dit telkens veranderen en tot zijn vorige
waarde terugkeeren. Voor een ijstijd en een interglaciale periode
rekent men dus voor elk 50.000 jaar. Dat dit zeker niet te weinig
gerekend is, blijkt uit het volgende: wij zagen reeds, dat de groote
gletschers van de hoogvlakten van Skandinavië in den ijstijd naar het
Zuiden doordrongen en een groot gedeelte van Duitschland, Nederland,
Engeland en Ierland bedekten. Door die gletschers werden van de
rotsen, waarlangs en waarover het ijs gedreven werd, "stroomde,"
grootere en kleinere stukken afgebroken, en deze rotsstukken werden
langzamerhand tot ronde en afgeronde rolsteenen afgeslepen, door
den gletscher verder gevoerd, en als dan eindelijk het ijs smolt,
bleven zulke steenen op den bodem liggen. Zoo vindt men dergelijke
uit Skandinavië stammende rolsteenen in het vlakke gebied van
Nederland en Duitschland. Uit de steensoort kan men in vele gevallen
de herkomst dezer rolsteenen afleiden, en daar men de snelheid kent,
waarmede het ijs in dergelijke gletschers stroomt, heeft men kunnen
berekenen, dat sommige dier rolsteenen of zwerfblokken, die door de
groote gletschers der ijsperiode naar de lage landen werden gevoerd,
tienduizend of meer jaren noodig moeten gehad hebben om dien weg af
te leggen. De ijsperiode zelf moet dus nog langer geduurd hebben. Zoo
kan men uitrekenen, dat de Niagara-waterval in Amerika meer dan 30.000
jaar moet hebben noodig gehad, om de lange rotsgeul, die den waterval
met het Ontario-meer verbindt, door afslijping uit te graven. In de
bovenste lagen dier rotsgeul vindt men nu echter overblijfselen van de
morainen der laatste ijsperiode. Er moeten dus meer dan 30.000 jaren
verloopen zijn, sinds de laatste ijsperiode door de warmere periode
(dezelfde, waarin wij ons nog bevinden) werd onderbroken.
De voor den ijstijd in zijn geheel en voor de warmere interglaciale
perioden in Europa meest kenmerkende dieren, waarvan de overblijfselen
tegelijk met menschelijke resten, en, zooals wij later zullen zien,
voor een deel zelfs afbeeldingen, door hun menschelijke tijdgenooten
vervaardigd, gevonden zijn, zijn nu de volgende:
1°. de mammoet, elephas primigenius, de groote, dichtbehaarde, met
geweldige tot 4 meter lange gekromde stoottanden voorziene olifant der
ijsperiode, waarvan zoo voortreffelijk bewaard gebleven resten (zelfs
met nog herkenbaar voedsel in maag en bek!) en geraamten in het ijs van
Siberië gevonden zijn. De beste afbeeldingen zijn nog steeds de hier
in fig. 2 weergegeven omtrekteekeningen op ivoor van mammoettanden,
door een menschelijken tijdgenoot uit den ijstijd ingekrast. Ik heb
juist deze beide afbeeldingen gekozen, omdat zij een alleraardigst
bewijs opleveren van de echtheid dier afbeeldingen. Deze ivoorstukken
werden nl. gevonden en door de Mortillet beschreven, toen men van den
mammoet nog slechts enkele skeletresten kende. Op de beide ingekraste
teekeningen nu was een eigenaardige plaatvormige verbreeding van
den staart geteekend, die bij geen enkele bekende olifant voorkwam,
en waarvan aan de geraamten absoluut niets te zien was. En ziet,
toen men meer dan 30 jaren later uit het eeuwige ijs in Siberië
bevroren lijken van mammoeten uithakte, waaraan de weeke deelen nog
voorhanden waren, bleek dat de staart wel degelijk een plaatvormige,
uit vetweefsel bestaande verbreeding vertoonde van precies denzelfden
vorm, als die op de ingekraste teekeningen aangegeven was. Hierdoor
was dus met absolute zekerheid de "echtheid" van de teekeningen
bewezen, want alleen een ooggetuige, een mensch uit den ijstijd zelf,
die tegelijk met den mammoet had geleefd, had een dergelijke juiste
afbeelding kunnen maken.
2°. De oerolifant, de elephas antiquus, verreweg de grootste der
fossiele olifanten, meer dan 5 meter hoog, met nog weinig gebogen
reusachtige stoottanden (tot 5 meter lang), iets vroeger optredend
dan de mammoet, en meer een dier uit het laatste gedeelte van het
tertiaire tijdperk en van de warmere interglaciale perioden. Tot
in Engeland gevonden. Vermoedelijk zeer weinig behaard, evenals de
tegenwoordige olifantensoorten.
3°. Andere olifantensoorten (el. meridionalis en el. trogontherii),
vermoedelijk evenzeer begeleiders van de menschen der ijsperiode,
doch ook alleen in de warmere interglaciale perioden meer naar het
noorden (tot in Engeland) doordringend.
4°. De Siberische neushoorn (rhinoceros tichorhinus), met twee
achter elkaar staande horens op den kop, eveneens een der reusachtige
dikhuidige dieren, die in het laatste gedeelte van den ijstijd geheel
Europa tot in Siberië toe bevolkten, dichtbehaard evenals de mammoet.
5°. De rhinoceros merckii, evenals de elephas antiquus meer een dier
der interglaciale perioden, die, toen het weder kouder begon te worden,
zich meer naar het Zuiden van Rusland en Hongarije terugtrok.
6°. Het groote nijlpaard, hippopotamus major, in reusachtige exemplaren
in lagen uit de interglaciale periode tot in Engeland gevonden.
7°. Het elasmotherion, aan de neushoorns verwant, voorzien van één
langen hoorn midden tusschen de oogen op het voorhoofd, ongeveer van
de gestalte van een paard en de grootte van een olifant. Uit Zuid-Azië
tot in Rusland en in het Rijndal doorgedrongen.
8°. Zeer belangrijke begeleiders van den oermensen gedurende den
ijstijd zijn de herten, die in een aantal soorten van dikwijls
reusachtige afmetingen geheel Europa bevolkten. De reuzenherten (cervus
euryceros) uit Ierland, de reuzenelk uit Duitschland en Zwitserland, de
edelherten, de rendieren, die voor den praehistorischen mensch van zoo
groot belang werden, dat men een geheele periode uit de menschelijke
praehistorie naar hen als de rendierperiode heeft onderscheiden (men
vergelijke de uit een oogpunt van kunst voortreffelijke afbeelding
in fig. 3).
9°. De verschillende beersoorten, waarvan vooral de holenbeer (ursus
spelaeus) voor de laatste koude periode van den ijstijd kenmerkend is,
en waarvan de overblijfselen in reusachtige exemplaren te zamen met
menschelijke overblijfselen in de holen der ijsperiode zijn gevonden.
10°. De tijdgenooten van den holenbeer, de holenkat (felis spelaea),
de holenhyaena, de holenwolf, dieren, die de tegenwoordige tijgers in
grootte overtroffen of evenaarden en wier overblijfselen, hoewel veel
zeldzamer dan die van den holenbeer, in afzettingen uit de laatste
koude periode van den ijstijd over geheel Europa verspreid, te zamen
met menschelijke overblijfselen gevonden zijn.
11°. Onder de overige metgezellen van den mensch uit den ijstijd moeten
in de eerste plaats nog genoemd worden de wisent (bison priscus),
waarvan de overblijfselen in Noord- en Zuid-Europa, in 't eeuwige
ijs van Noord-Siberië en ook in Noord-Amerika in ijstijd-afzettingen
gevonden zijn, verder de aueros (bos primigenius), die vooral in de
warmere interglaciale perioden en na afloop van den ijstijd tot in
het noordelijk gedeelte van Europa doordrong, en die als de voorvader
van het rund der Zwitsersche paalwoningen en van ons huisrund wordt
beschouwd. Als typische gestalten uit de warmere interglaciale periode
kunnen wij nog noemen het wilde zwijn, een soort van schaap, het over
geheel Europa toen ter tijde verspreide stekelvarken, en verwant
daarmede, het trogontherium, doch daarmede kunnen wij onze lijst
sluiten, omdat het niet het doel was, een ijstijd-fauna te beschrijven,
doch alleen, om die dieren te noemen, waarvan de overblijfselen later
in verband met het probleem van de afstamming van den mensch zullen
moeten worden ter sprake gebracht.