III DE POSTPLIOCAENE IJSTIJD IN EUROPA

In het eerste hoofdstuk werd reeds in groote trekken beschreven, hoe

wij aan het einde van de tertiaire aardperiode een meer algemeenen

zoogenaamden "ijstijd" zien optreden, d. w. z. een periode in de

ontwikkelingsgeschiedenis der aarde, waarin de gemiddelde temperatuur

zoo verlaagd wordt dat een groot gedeelte van Europa, ja van de

geheele wereld, met ijs en sneeuw bedekt wordt.

Daar wij later zullen zien, dat de eerste als zoodanig herkenbare

sporen van den mensch juist in de formaties uit dien ijstijd worden

gevonden, zoo is het niet ondienstig, verschillende eigenaardigheden,

die dien ijstijd hebben gekenmerkt, en vooral de dieren, die toen

ter tijde Europa bevolkten en die dus als tijdgenooten van de eerste

menschen optreden, wat nader te beschouwen.

Wij zagen reeds, dat de aan het einde der tertiaire periode optredende

ijstijd niet de eerste afkoelingsperiode is, doch slechts die eerste

periode van afkoeling, waarbij de gemiddelde temperatuur over groote

uitgestrektheid zoo laag wordt, dat het water gaat bevriezen en dus ijs

en sneeuw in kolossale massa's een groot deel van Europa gaan bedekken.

Geweldige ijsmassa's, dikwijls honderden meters dik, bedekten meer en

meer, bij de voortgaande daling van de temperatuur, van het noorden

van Scandinavië zich verder en verder naar het zuiden van Europa

uitstrekkende, het vasteland van Europa. Evenals wij nu nog aan de

gletschers in het alpengebied het zoogenaamde "stroomen" van het

ijs, het langzaam naar beneden voortschuiven der plooibare ijsmassa

zien kunnen, zoo moeten wij ons ook voorstellen dat gedurende den

ijstijd die geweldig dikke ijsmassa's zich eveneens voortschoven,

waarbij geheele bergtoppen werden afgeslepen (aan de gladde, ronde

bergtoppen in den Eifel is dit bijvoorbeeld nog zeer duidelijk te

zien), en het afgeslepen en afgebrokkelde materiaal dikwijls in

den loop der tijden duizenden kilometers ver werd medegenomen, om,

als in een interglaciale periode de temperatuur iets hooger werd

en de ijsmassa's smolten, op het daaronder gelegen land te worden

gedeponeerd, zoodat wij in aangeslibde rotslooze streken zooals

bijvoorbeeld Holland, rotsblokken, zoogenaamde zwerfblokken vinden

liggen, die volgens den aard van het gesteente, waaruit zij bestaan,

uit Skandinavië moeten afkomstig zijn. Bij het smelten dier geweldige

ijsmassa's ontstonden waterstroomen, die als reusachtige rivieren

zeewaarts stroomden, de diepe dalen als bijvoorbeeld het Neckardal

langzamerhand uitgroeven, en het afslijpsel van het stroomende

gletscherijs, tot kiezelsteenen rondgeslepen, of tot zand vermaald,

op verschillende plaatsen in dikke lagen afzetten.

Door het zich in vasten vorm afzetten van de reusachtige hoeveelheden

water, die als ijs en sneeuw een groot gedeelte van het vasteland

bedekten, daalde de zeespiegel vermoedelijk zeer sterk, tientallen van

meters. Eerst langzamerhand werd dit, als na het smelten van het ijs

het water weder naar de zee was teruggestroomd, hersteld, doch een

gevolg hiervan was, dat de vorm van het vasteland door den ijstijd

sterk werd veranderd, dat ondiepe zeeën droog lagen, landbruggen

zich vormden, waarlangs de dieren zich van het eene werelddeel naar

het andere konden begeven, zoodat zij op deze wijze het leven konden

redden, dat bedreigd werd door het alle leven vernietigende, alle

voedsel bedekkende ijs en de uitgestrekte doodsche sneeuwvelden.

Konden zij dat niet, dan stierven zij eenvoudig uit, en zoo zien wij

dan ook juist door dien ijstijd het karakter van de dierenwereld sterk

veranderen. Men kan aan de fossiele overblijfselen der dieren uit

den ijstijd duidelijk aantoonen, hoe zij door de in het verloop van

den ijstijd steeds meer en meer naar het zuiden voortdringende ijs-

en sneeuwmassa's naar het zuiden werden gedrongen, hoe zij, bij het

teruggaan van de sneeuwlijn in eene interglaciale periode weer mede

noordwaarts trokken, omdat op het vruchtbare vochtige gebied van de

door het smelten van het ijs vrijgekomen eindmorainen een weelderige

plantengroei, overvloedig voedsel derhalve, ontstond. Men kan nagaan,

hoe de dierenwereld zich trachtte te verdedigen tegen, aan te passen

aan de alles vernietigende ijzige koude, die hun bestaan bedreigde,

en zoo zien wij juist gedurende dien ijstijd die eigenaardige

dichtbehaarde vormen optreden als de langbehaarde mammoeth,

de langharige neushoorn, en die vormen die in holen beschutting

zochten tegen de koude, de holenbeer, de holenleeuw, de holenhyæna,

de holenwolf.

Kortom, er is geen periode denkbaar, die meer heeft ingegrepen in de

bestaansvoorwaarden der dieren- en plantenwereld, in de gesteldheid

van onze aarde, die grooter veranderingen heeft teweeggebracht in

alle mogelijke opzichten, als juist die reeks van tijdperken die wij

als den postpliocaenen ijstijd samenvatten.

Laten wij even vooruitloopen op wat wij later moeten behandelen en

ons afvragen: is het wonder, dat juist in dien tijd de voorloopers

van het menschelijk geslacht, bij dien steeds feller wordenden

strijd om het bestaan hunnen geest scherpten, hunne vindingrijkheid

ontwikkelden, wapenen (knotsen, werptuigen) gingen gebruiken, en

niet slechts defensief, doch ook offensief gingen optreden, en zoo

den heerschersrang in het dierenrijk veroverden, die hen sedert door

geen dier is betwist, zoo tot werkelijke menschen werden?

Juist de ijstijd heeft vermoedelijk den grooten aanstoot tot

de laatste, volledige ontwikkeling van het menschelijk geslacht

gegeven, toen de mensch de steeds toenemende koude, het steeds

schaarscher worden van het voedsel, door nieuwe middelen, door zich met

beschuttende omhulsels te bedekken, door betere wapens te gebruiken,

door zich als "sociale" wezens te vereenigen tot grootere groepen

met bepaalde arbeidsverdeeling en toch met individueele vrijheid van

handelen, moest bestrijden. Slechts in dien voortdurenden strijd is

het geheim van zijne snelle ontwikkeling gelegen.

Zoo vinden wij dan ook den mensch beurtelings als holenbewoner,

als troglodyte, wiens overblijfselen in holen, in "abris sous

roche," bewaard gebleven zijn, of in de warmere perioden tusschen de

verschillende ijsperioden in als vrij levenden oeverbewoner aan den

oever van de groote rivieren of van de meren. Werden de holen door de

groote watermassa's, die door het ontdooien van het ijs gevormd werden,

bij overstroomingen dichtgeslibd, dan werden zijne overblijfselen

onder die beschermende sliblaag goed bewaard. De holen liepen weer

droog, bij een volgende afkoelingsperiode werden, duizenden jaren

later, de nazaten der oeverbewoners wellicht weer tot holbewoners,

zij zochten de oude holen weer op, hunne overblijfselen bleven daar

weer liggen, werden bij een warmere periode weer door overstroomingen

met slib of kiezel bedekt, en zoo vinden wij in dergelijke holen

dikwijls zeer regelmatige lagen aangeslibden grond boven elkaar,

met daartusschenin bewaard gebleven overblijfselen van menschen en

dieren uit verschillende perioden [7] (Fig. 24). Hierover later meer.

Daar wij nu evenwel zullen zien, dat voor het onderzoek van dergelijke

overblijfselen juist de daarbij gevonden overblijfselen van dieren

uiterst belangrijk zijn, geef ik hier ten slotte nog een korte

opsomming van de voornaamste diervormen, die gedurende den ijstijd

en de interglaciale perioden Europa bevolkten.

Eerst evenwel nog een andere vraag. Kan men, waar men van ijstijden

en interglaciale perioden spreekt, eenigszins den duur dezer perioden

aangeven?

Nauwkeurige opgaven, met allerlei factoren rekening houdend, worden wel

door verschillende onderzoekers gegeven, maar de cijfers, die ons door

de berekenaars als de eenig ware worden voorgedragen, loopen zoozeer

uiteen, dat men verstandig doet, zich van elke vaste tijdsopgave

hierbij te onthouden. Er zijn te veel factoren van onberekenbaren

invloed hierbij in het spel, dan dat een vaststaand geloofwaardig

resultaat te verwachten is. Ik wil dan ook slechts enkele cijfers

noemen, die een denkbeeld kunnen geven van den geweldig langen duur

dezer perioden.

Volgens astronomische berekeningen is de vermoedelijke oorzaak van

de regelmatig op elkaar volgende afkoelingsperioden gelegen in een

regelmatig weerkeerend verschil van den afstand van de zon tot de

aarde. De zon zou buiten het middelpunt der bijna kringvormige

aardbaan liggen, en in een regelmatige schommeling van ongeveer

100.000-jarigen duur zou dit telkens veranderen en tot zijn vorige

waarde terugkeeren. Voor een ijstijd en een interglaciale periode

rekent men dus voor elk 50.000 jaar. Dat dit zeker niet te weinig

gerekend is, blijkt uit het volgende: wij zagen reeds, dat de groote

gletschers van de hoogvlakten van Skandinavië in den ijstijd naar het

Zuiden doordrongen en een groot gedeelte van Duitschland, Nederland,

Engeland en Ierland bedekten. Door die gletschers werden van de

rotsen, waarlangs en waarover het ijs gedreven werd, "stroomde,"

grootere en kleinere stukken afgebroken, en deze rotsstukken werden

langzamerhand tot ronde en afgeronde rolsteenen afgeslepen, door

den gletscher verder gevoerd, en als dan eindelijk het ijs smolt,

bleven zulke steenen op den bodem liggen. Zoo vindt men dergelijke

uit Skandinavië stammende rolsteenen in het vlakke gebied van

Nederland en Duitschland. Uit de steensoort kan men in vele gevallen

de herkomst dezer rolsteenen afleiden, en daar men de snelheid kent,

waarmede het ijs in dergelijke gletschers stroomt, heeft men kunnen

berekenen, dat sommige dier rolsteenen of zwerfblokken, die door de

groote gletschers der ijsperiode naar de lage landen werden gevoerd,

tienduizend of meer jaren noodig moeten gehad hebben om dien weg af

te leggen. De ijsperiode zelf moet dus nog langer geduurd hebben. Zoo

kan men uitrekenen, dat de Niagara-waterval in Amerika meer dan 30.000

jaar moet hebben noodig gehad, om de lange rotsgeul, die den waterval

met het Ontario-meer verbindt, door afslijping uit te graven. In de

bovenste lagen dier rotsgeul vindt men nu echter overblijfselen van de

morainen der laatste ijsperiode. Er moeten dus meer dan 30.000 jaren

verloopen zijn, sinds de laatste ijsperiode door de warmere periode

(dezelfde, waarin wij ons nog bevinden) werd onderbroken.

De voor den ijstijd in zijn geheel en voor de warmere interglaciale

perioden in Europa meest kenmerkende dieren, waarvan de overblijfselen

tegelijk met menschelijke resten, en, zooals wij later zullen zien,

voor een deel zelfs afbeeldingen, door hun menschelijke tijdgenooten

vervaardigd, gevonden zijn, zijn nu de volgende:

1°. de mammoet, elephas primigenius, de groote, dichtbehaarde, met

geweldige tot 4 meter lange gekromde stoottanden voorziene olifant der

ijsperiode, waarvan zoo voortreffelijk bewaard gebleven resten (zelfs

met nog herkenbaar voedsel in maag en bek!) en geraamten in het ijs van

Siberië gevonden zijn. De beste afbeeldingen zijn nog steeds de hier

in fig. 2 weergegeven omtrekteekeningen op ivoor van mammoettanden,

door een menschelijken tijdgenoot uit den ijstijd ingekrast. Ik heb

juist deze beide afbeeldingen gekozen, omdat zij een alleraardigst

bewijs opleveren van de echtheid dier afbeeldingen. Deze ivoorstukken

werden nl. gevonden en door de Mortillet beschreven, toen men van den

mammoet nog slechts enkele skeletresten kende. Op de beide ingekraste

teekeningen nu was een eigenaardige plaatvormige verbreeding van

den staart geteekend, die bij geen enkele bekende olifant voorkwam,

en waarvan aan de geraamten absoluut niets te zien was. En ziet,

toen men meer dan 30 jaren later uit het eeuwige ijs in Siberië

bevroren lijken van mammoeten uithakte, waaraan de weeke deelen nog

voorhanden waren, bleek dat de staart wel degelijk een plaatvormige,

uit vetweefsel bestaande verbreeding vertoonde van precies denzelfden

vorm, als die op de ingekraste teekeningen aangegeven was. Hierdoor

was dus met absolute zekerheid de "echtheid" van de teekeningen

bewezen, want alleen een ooggetuige, een mensch uit den ijstijd zelf,

die tegelijk met den mammoet had geleefd, had een dergelijke juiste

afbeelding kunnen maken.

2°. De oerolifant, de elephas antiquus, verreweg de grootste der

fossiele olifanten, meer dan 5 meter hoog, met nog weinig gebogen

reusachtige stoottanden (tot 5 meter lang), iets vroeger optredend

dan de mammoet, en meer een dier uit het laatste gedeelte van het

tertiaire tijdperk en van de warmere interglaciale perioden. Tot

in Engeland gevonden. Vermoedelijk zeer weinig behaard, evenals de

tegenwoordige olifantensoorten.

3°. Andere olifantensoorten (el. meridionalis en el. trogontherii),

vermoedelijk evenzeer begeleiders van de menschen der ijsperiode,

doch ook alleen in de warmere interglaciale perioden meer naar het

noorden (tot in Engeland) doordringend.

4°. De Siberische neushoorn (rhinoceros tichorhinus), met twee

achter elkaar staande horens op den kop, eveneens een der reusachtige

dikhuidige dieren, die in het laatste gedeelte van den ijstijd geheel

Europa tot in Siberië toe bevolkten, dichtbehaard evenals de mammoet.

5°. De rhinoceros merckii, evenals de elephas antiquus meer een dier

der interglaciale perioden, die, toen het weder kouder begon te worden,

zich meer naar het Zuiden van Rusland en Hongarije terugtrok.

6°. Het groote nijlpaard, hippopotamus major, in reusachtige exemplaren

in lagen uit de interglaciale periode tot in Engeland gevonden.

7°. Het elasmotherion, aan de neushoorns verwant, voorzien van één

langen hoorn midden tusschen de oogen op het voorhoofd, ongeveer van

de gestalte van een paard en de grootte van een olifant. Uit Zuid-Azië

tot in Rusland en in het Rijndal doorgedrongen.

8°. Zeer belangrijke begeleiders van den oermensen gedurende den

ijstijd zijn de herten, die in een aantal soorten van dikwijls

reusachtige afmetingen geheel Europa bevolkten. De reuzenherten (cervus

euryceros) uit Ierland, de reuzenelk uit Duitschland en Zwitserland, de

edelherten, de rendieren, die voor den praehistorischen mensch van zoo

groot belang werden, dat men een geheele periode uit de menschelijke

praehistorie naar hen als de rendierperiode heeft onderscheiden (men

vergelijke de uit een oogpunt van kunst voortreffelijke afbeelding

in fig. 3).

9°. De verschillende beersoorten, waarvan vooral de holenbeer (ursus

spelaeus) voor de laatste koude periode van den ijstijd kenmerkend is,

en waarvan de overblijfselen in reusachtige exemplaren te zamen met

menschelijke overblijfselen in de holen der ijsperiode zijn gevonden.

10°. De tijdgenooten van den holenbeer, de holenkat (felis spelaea),

de holenhyaena, de holenwolf, dieren, die de tegenwoordige tijgers in

grootte overtroffen of evenaarden en wier overblijfselen, hoewel veel

zeldzamer dan die van den holenbeer, in afzettingen uit de laatste

koude periode van den ijstijd over geheel Europa verspreid, te zamen

met menschelijke overblijfselen gevonden zijn.

11°. Onder de overige metgezellen van den mensch uit den ijstijd moeten

in de eerste plaats nog genoemd worden de wisent (bison priscus),

waarvan de overblijfselen in Noord- en Zuid-Europa, in 't eeuwige

ijs van Noord-Siberië en ook in Noord-Amerika in ijstijd-afzettingen

gevonden zijn, verder de aueros (bos primigenius), die vooral in de

warmere interglaciale perioden en na afloop van den ijstijd tot in

het noordelijk gedeelte van Europa doordrong, en die als de voorvader

van het rund der Zwitsersche paalwoningen en van ons huisrund wordt

beschouwd. Als typische gestalten uit de warmere interglaciale periode

kunnen wij nog noemen het wilde zwijn, een soort van schaap, het over

geheel Europa toen ter tijde verspreide stekelvarken, en verwant

daarmede, het trogontherium, doch daarmede kunnen wij onze lijst

sluiten, omdat het niet het doel was, een ijstijd-fauna te beschrijven,

doch alleen, om die dieren te noemen, waarvan de overblijfselen later

in verband met het probleem van de afstamming van den mensch zullen

moeten worden ter sprake gebracht.

De afstamming van den mensch Naar voordrachten in populair-wetenschappelijken vorm bewerkt · 第 11 / 24 题