II DE PLAATS VAN DEN MENSCH IN DIT ONTWIKKELINGSPROCES

"Man still bears in his bodily frame the indelible

stamp of his lowly origin." [5]

Darwin.

Staat de mensch nu buiten dit evolutieproces? Of moeten wij ook hem een

plaats in het geheel aanwijzen, waarvoor dezelfde wetten gelden die de

ontwikkeling van het dieren- en plantenrijk hebben beheerscht? En zoo

dit laatste als juist wordt aangenomen, welke zal dan die plaats zijn?

Wij naderen hier een gebied, dat tot de meest doorwerkte doch ook tot

de felst omstreden gebieden behoort, welke de denkende menschelijke

geest heeft trachten te ontginnen. Immers hier kwam de moderne

bioloog ten slotte in open conflict met de oude anthropocentrische

wereldbeschouwingen, met de mozaïsche scheppingsverhalen, met zoo veel

van wat door alle eeuwen heen voor waar en heilig werd gehouden. Nu

is langzamerhand in den loop der jaren de strijd wel minder heftig

geworden en heeft men leeren inzien, dat een vast geloof in de

geestelijke waarde van den mensch gepaard kan gaan met de overtuiging,

dat de mensch zich, als een integreerend deel van de dierenwereld,

uit die dierenwereld heeft ontwikkeld, heeft losgemaakt, en dat een

diep godsdienstig gevoel samen kan gaan met een geloof in de idee der

evolutie, ook wat den mensch betreft, doch men houdt toch nog maar

al te dikwijls aan een afzonderlijk staande plaats van den mensch in

de schepping vast, ook daar waar de evolutie voor het dierenrijk als

een juist beginsel wordt erkend.

Voor den denkenden bioloog, die steeds er naar streeft, te trachten de

dingen om hem heen objectief te beschouwen, ze op hun juiste waarde te

schatten, en zich streng aan datgene te houden wat binnen de grenzen

van zijn waarnemingsvermogen, van zijn wetenschap valt, die steeds

zooveel mogelijk zich rekenschap tracht te geven van den samenhang

van de verschillende feiten, die hij leert kennen, is mijns inziens

slechts één antwoord op de bovengestelde vraag mogelijk, n. l. dat

ook de mensch één is met de levende wereld om hem heen, daarvan een

integreerend deel uitmaakt, en dat ook aan den mensch een plaats in dit

voor de dieren- en plantenwereld geschetste evolutie-proces toekomt.

Deze overtuiging wordt ons onafwijsbaar opgedrongen door hetgeen

drie takken van de morphologische wetenschap ons leeren, de

palaeontologie, de leer der fossielen, de vergelijkende ontleedkunde

en de ontwikkelingsgeschiedenis.

Wat ons de palaeontologie omtrent het probleem van de afstamming

van den mensch leert, zullen wij in de volgende hoofdstukken nader

uiteenzetten. Wat de beide andere wetenschappen ons leeren, zij hier

kort vermeld.

Als wij de groote verschillen in aanmerking nemen, die bijv. tusschen

de verschillende zoogdiersoorten bestaan, dan kan het ons niet

verwonderen, dat zelfs tusschen de hoogst ontwikkelde zoogdieren en

den mensch nog een aantal verschillen in bouw bestaan, al zijn ook de

hoofdlijnen van den bouw bij beide dezelfde. Als wij van dit standpunt

uit den bouw van het menschelijk lichaam beschouwen, dan treft ons in

de eerste plaats telkens weer de wondervol harmonische ontwikkeling

van het menschelijk organisme. Bij geen diersoort vindt men (en

dit is vermoedelijk juist het geheim van zijn snelle ontwikkeling)

een anatomischen bouw, die zulke primitieve eigenschappen vertoont,

en waarvan alle deelen zich zoo in volkomen harmonie met elkaar,

zoo gelijkmatig hebben ontwikkeld, als juist bij den mensch. Hier

geen gebit, in een bepaalde richting sterk gedifferentieerd,

hier geen bovenmatig sterk ontwikkelde spiergroepen voor bepaalde

bewegingscombinaties, geen bovenmatig verlengde extremiteiten in

aanpassing aan een bepaalde levenswijze, hier geen darmkanaal ingericht

en uitsluitend geschikt voor het opnemen en verteren van een bepaald

soort voedsel; neen, een volkomen harmonische ontwikkeling van alle

organen, en daardoor een volledig aanpassingsvermogen aan de meest

verschillende omstandigheden, en, anatomisch gesproken, een vereeniging

van primitieve, niet sterk gedifferentieerde vormen en kenmerken,

zooals geen tweede diersoort ons kan aanwijzen.--Wij zullen later zien,

hoe dit juist het waarschijnlijk maakt, dat de lijn van ontwikkeling

van het latere menschelijke geslacht zich al zeer spoedig losgemaakt

moet hebben van de lijn van ontwikkeling der overige zoogdieren.

Maar tevens leert ons de vergelijkende anatomie, dat in de

hoofdlijnen van den bouw er een volkomen overeenstemming bestaat, een

overeenstemming, die te grooter blijkt te zijn, naarmate men door het

nauwkeurig leeren kennen van een steeds grooter aantal verschillende

diervormen meer en meer onder de voor bepaalde diersoorten kenmerkende

eigenaardigheden de groote hoofdlijnen, men zou kunnen zeggen de

compositie van den geheelen bouw, leert onderscheiden.

Het zou nu evenwel nog niet voldoende geacht kunnen worden om op

grond van deze overeenstemming van een werkelijke verwantschap te

spreken. Maar wij kunnen feiten, die voor dit laatste pleiten, wel

degelijk direct zien.

Evenals bij de verschillende diersoorten, komen ook bij den mensch

zoogenaamde individueele variaties voor, waarbij zich bij enkele

individuen bepaalde organen vertoonen, die bij normale menschen niet

voorkomen, of organen die steeds aanwezig zijn, bepaalde, niet bij

den gewonen mensch voorkomende veranderingen in bouw, grootte of

samenstelling vertoonen. En nu is het uiterst merkwaardig, dat bij

dergelijke variaties bijna steeds veranderingen optreden, die een

toestand verwezenlijken, zooals die bij de hoogere diersoorten als

regel, als norma, bestaat. Zoo hebben wij bijvoorbeeld een aantal

spieren aan hand en arm om de verschillende zoo samengestelde

en talrijke bewegingen van ons grijp- en tastorgaan te kunnen

uitvoeren. Bij dat samenstel van grootere en kleinere spieren treden

nu nog al eens variaties op, en als zich dan bij een bepaald individu

een spier vertoont, die bij normale menschen niet voorkomt, of een

wel steeds voorkomende spier een anderen vorm dan in normale gevallen

vertoont, dan is bij eene dergelijke variatie bijna altijd een geval

verwezenlijkt, dat bij de hoogste zoogdieren (bijv. bij de apen of

bepaalde aapsoorten) als normaal geval steeds aanwezig is.

Zoo bezit de mensch twee borstklieren, die bij het vrouwelijk

geslacht sterk ontwikkeld zijn en de voor de voeding van den

zuigeling noodzakelijke melk afscheiden. Terwijl de hoogstaande

zoogdieren ook twee dergelijke borstklieren bezitten, zijn bij de

meeste overige zoogdieren een reeks van dergelijke klieren aanwezig,

in een lijn (de zoogenaamde melklijn) aan weerszijden langs den buik

gegroepeerd. Indien nu, wat nog al eens voorkomt, bij den mensch

zoogenaamde overtollige borstklieren gevonden worden, dan liggen deze

altijd op die lijn, m. a. w. dan zijn dat altijd organen, die bij de

lagere zoogdieren als regel, als norma, optreden, die bij den mensch

echter als slechts zoo nu en dan voorkomende variatie nog weer eens

zich vertoonen.

Ook in veranderingen, variaties, die bij andere organen van het

menschelijk lichaam zoo nu en dan gevonden worden, vindt men steeds

weer hetzelfde verschijnsel terug, ziet men telkens en telkens

weer eigenaardigheden in bouw en vorm optreden, die herinneren aan

vormingen, die bij de hoogste zoogdieren als constante, altijd

voorhanden zijnde kenmerken gevonden worden. In den vorm der

oorschelpen zien wij zich somtijds de toegespitste oorschelp van

de hoogste zoogdieren afspiegelen, sterke beharing van het geheele

lichaam of het gelaat (men denke bijv. aan de eertijds zoo beroemde

danseres Juliana Pastrana) brengt ons in rangschikking en richting

van de haren dierlijke vormen in de herinnering, afwijkingen in de

rangschikking van verschillende deelen, van het bloedvaatstelsel,

in rangschikking, vorm en aantal van de neusschelpen, in de grootte

van het zoogenaamde orgaan van Jacobson in den neus, in den bouw van

het strottenhoofd, van de geslachtsklieren, van verschillende deelen

van het skelet, geven ons even zoovele aanknoopingspunten te zien

aan vormingen die in het dierenrijk als normale kenmerken optreden,

kortom, men kan, zooals o. a. Wiedersheim in zijn beroemd geworden boek

"der Bau des Menschen als Zeugnis für seine Vergangenheit" [6] deed,

alle organen van het menschelijk lichaam nagaan, en overal vindt men

verschijnselen, die ons onweerstaanbaar dwingen, een nauwe verwantschap

met, een afstamming uit het dierenrijk voor den mensch aan te nemen.

En nog sterker dringt deze overtuiging zich aan ons op, als wij de

ontwikkelingsgeschiedenis van den mensch nagaan en haar vergelijken

met die van de zoogdieren.

Dank zij de groote verbeteringen van de microscopische techniek

is in de laatste 50 jaren een helder inzicht verkregen in de

ontwikkelingsgeschiedenis van tal van diervormen, zoodat wij

dikwijls tot in de fijnste bijzonderheden den verwonderlijk mooien

ontwikkelingsgang van de verschillende organen, die het dierlijk

lichaam opbouwen, hebben kunnen nagaan. Voor bepaalde diervormen

heeft men dien ontwikkelingsgang stap voor stap, bijna van uur tot

uur, kunnen bestudeeren. Het bleek nu hierbij hoe langer hoe meer,

dat voor de verschillende diervormen de ontwikkeling, uitgaande van

hetzelfde uitgangspunt, de ongedifferentieerde eicel, in groote trekken

geteekend, hetzelfde verloop had, en dat, hoe dichter de dieren,

wat hunne kenmerken betreft, bij elkander stonden, des te meer de

ontwikkelingsgang voor die vormen evenwijdig liep. En hierbij bleek

tevens, hoe juist in de ontwikkelingsgeschiedenis de duidelijkste

bewijzen opgesloten lagen voor den samenhang en de verwantschap

der dieren onderling, voor de idee der evolutie, voor het ontstaan

der soorten uit elkaar, door langzame verandering, aanpassing,

volmaking. Wij zien organen, lichaamsdeelen, die bij lagere dieren

gedurende het geheele leven in een primitieven vorm blijven bestaan,

zich bij de embryonen der hoogere dieren eerst in denzelfden vorm

aanleggen, waarin zij bij die lagere dieren zijn aangelegd. Doch dan

zien wij bij den voortgang van het ontwikkelingsproces in die organen

verdere veranderingen optreden, die langzamerhand den toestand

inleiden, waarin dat orgaan gedurende het leven van die hoogere

diersoort zal blijven verkeeren. Wij zien bij het embryo van alle

zoogdieren zich kieuwspleten aanleggen, al hebben de kieuwen hun reden

van bestaan eigenlijk verloren, sinds de voorvaderen der zoogdieren

uit het water op het land overgingen en tot landdieren werden. Wij

zien het bloedvaatstelsel in aanleg ook bij de zoogdieren bloedvaten

vormen, die bij hunne nog in het water levende voorvaderen langs de

kieuwspleten liepen om voor de opname van de zuurstof uit het water,

de ademhaling dus, te zorgen, al hebben om dezelfde reden ook deze

bloedvaten bij de zoogdieren hun reden van bestaan verloren. Wij

zien uit deze kieuwspleten en uit de stevige beschutsels daarvan, de

kieuwbogen, zich allerlei organen ontwikkelen, zooals de schildklier,

het strottenhoofd, de gehoorbeentjes etc., die eerst bij de zoogdieren

tot volle ontwikkeling komen en een belangrijke rol in het leven

van het dier krijgen te vervullen. Wij kunnen vaststellen, hoe

in het algemeen die kenmerken, die alleen eigen zijn aan de hoogst

ontwikkelde diervormen, en die dus bij de evolutie van de soort eerst

laat moeten zijn opgetreden, ook in de individueele ontwikkeling dier

hoogst ontwikkelde diersoorten, eerst laat, eerst in het laatste

tijdperk van het embryonale leven, zich kenbaar maken. Kortom,

wij zien bij het bestudeeren van de ontwikkelingsgeschiedenis van

een of ander zoogdier zich een beeld ontrollen van de duizenden en

duizenden jaren, gedurende welke die bepaalde soort zich bij den

ontwikkelingsgang van de aarde door langzame evolutie uit laagstaande

vormen in duizenden op elkaar volgende, uit elkaar voortgekomen,

individuen trapsgewijze heeft opgewerkt, ontplooid, ontwikkeld,

volmaakt, totdat de vorm bereikt was, waarvan wij nu aan het levende

dier de fijne, harmonische organisatie, de volkomen aanpassing aan de

omstandigheden, waaronder het verkeert, het samengestelde van de zoo

nauwkeurig aan elkaar aansluitende levensverrichtingen bewonderen. En

naarmate wij van meerdere diervormen een nauwkeurig beeld van de

ontwikkelingsgeschiedenis verkrijgen, naarmate wij dus beter en beter

de waarde van de verschillende détails, de plaatselijke aanpassingen

der verschillende vormen kunnen beoordeelen en de hoofdlijnen daarvan

kunnen losmaken, in die zelfde mate wint het beeld van het geheele

proces der evolutie van het dierenrijk, dat wij zich zien ontrollen uit

die individueele ontwikkelingsprocessen der verschillende diervormen,

aan duidelijkheid en volledigheid.

De ontwikkelingsgeschiedenis van den mensch vertoont ons nu een

beeld, dat volkomen in dit kader past. In de groote lijnen is het de

zoogdierontwikkeling, die ons het wordingsproces van het menschelijk

embryo te zien geeft. Juist als bij het zoogdierembryo zien wij

zich bij de zich uit de eicel vormende menschenkiem kieuwspleten

vormen. Dezelfde organen, die bij de zoogdieren uit die kieuwspleten

en uit de zich tusschen de spleten bevindende kieuwbogen ontstaan,

zien wij ook bij het menschelijk embryo zich op dezelfde wijze, langs

denzelfden weg, volgens dezelfde methode, daaruit vormen. Dezelfde

samengestelde ontwikkelingsgang, die door het zoogdierembryo moet

worden gevolgd, zien wij ook het menschelijk embryo doormaken. Dat

er in bijzonderheden verschillen bestaan, spreekt natuurlijk

vanzelf. Evenals wij bijvoorbeeld reeds op een zeer jong stadium van

ontwikkeling een varkensembryo met zekerheid kunnen onderscheiden

van een embryo van een kat of een konijn, zoo kan de geschoolde

embryoloog op elk stadium van ontwikkeling met volkomen zekerheid

zeggen, of hij met een menschelijk embryo dan wel met het embryo van

een of ander zoogdier te doen heeft, maar de gang, het verloop van het

ontwikkelingsproces, het op elkaar volgen van de verschillende stadiën,

de wijze van aanleg van de verschillende organen en orgaanstelsels is

bij beiden zoo volkomen gelijk, dat de overtuiging, dat slechts een

gemeenzame afstamming, een door den mensch en door de zoogdieren

doorgemaakte evolutie, een dergelijke overeenstemming kan doen

ontstaan, zich met onweerstaanbare kracht aan ons opdringt. Het is

verwonderlijk om te zien, hoe bijvoorbeeld een bepaald gedeelte van

het nierapparaat, dat wij slechts bij de visschen en de tweeslachtige

dieren op een bepaalde wijze tijdens het leven zien functioneeren,

toch bij het menschelijk embryo evenals bij de zoogdieren duidelijk

wordt aangelegd, om echter bij de verdere ontwikkeling weer spoorloos

te verdwijnen, als een reminiscentie aan den grijzen voortijd, alleen

omdat de uitvoergang van dat apparaat nog in de verdere ontwikkeling

een bepaalde rol speelt, de aanleg van het apparaat zelf dus noodig

was. Het geslachtsapparaat zien wij in een uiterst samengestelden

ontwikkelingsgang de verschillende phasen doormaken, waarop wij het

bij de lagere dieren gedurende het geheele leven zien blijven staan;

de beharing van het lichaam, bij den volgroeiden mensch grootendeels

verloren gegaan, zien wij bij het menschelijk embryo op volkomen

dezelfde wijze tot ontwikkeling komen als bij de zoogdieren, ja men

heeft zelfs aan de rangschikking van de haren in het begin hunner

ontwikkeling bij het menschelijk embryo nog de duidelijke sporen

kunnen terugvinden van de huidbekleeding met schubben, die onze

voorouders in den grijzen oertijd eenmaal moeten hebben bezeten. De

mensch is staartloos; dat hij zich echter moet hebben ontwikkeld uit

voorouders, die wel een dergelijk aanhangsel bezaten, blijkt behalve

uit het feit, dat zoo nu en dan als variatie, als terugslag, nog een

staart bij een voldragen kind wordt gevonden, daaruit, dat in een

vroeg stadium van ontwikkeling bij het menschelijk embryo een zeer

duidelijke staart wordt aangelegd, die evenwel na eenigen tijd weer

verdwijnt. Bij de ontwikkeling van de menschelijke borstklier zien

wij de reeds op een vorige bladzijde genoemde "melklijn" zich als

een normaal verschijnsel vertoonen, de oorschelp zien wij zich ook

bij den mensch uit de huidplooien in de omgeving der kieuwspleten,

de gehoorbeentjes zich ook bij den mensch uit bepaalde gedeelten

der oorspronkelijke kieuwbogen vormen, kortom, er is geen detail van

den ontwikkelingsgang van het menschelijk embryo, of wij kunnen het

alleen dan begrijpen, als wij ons den mensch voorstellen in volkomen

samenhang met de dierenwereld voortgesproten uit dierlijke voorvaderen.

Staat de mensch, de "kroon der schepping," aan de spits van het

dierenrijk? Zeer zeker niet. In vele opzichten is in materieelen zin

de menschenvorm minder bevoorrecht dan vele zijner natuurgenooten. In

kracht van spieren zijn wij achteruitgegaan, in gezichtsvermogen,

gehoor en reuk doen wij ver onder bij de hoogere zoogdieren, het

aannemen der rechtopstaande houding heeft ons menig nadeel bezorgd,

van specialisatie in deze of gene richting is weinig te merken, en,

zooals boven reeds werd opgemerkt, juist daarin ligt de kracht van den

menschenvorm, juist daarin ligt het geheim zijner snelle ontwikkeling

en vooral van zijn vermogen zich harmonisch in alle richtingen tegelijk

te kunnen ontwikkelen.

De afstamming van den mensch Naar voordrachten in populair-wetenschappelijken vorm bewerkt · 第 10 / 24 题