DE INDIAANSCHE NAMEN.

_Cheokhes_, kie-ok-ez', de Amerikaansche "mink", een ottersoort.

_Cheplahgan_, tsjep-la'-guan, de Canadeesche arend.

_Ch'geegee-lokh-sis,_ tsj-dsjie-dsjie'-lok-siz, de zwartkopmees:

parus atricapillus.

_Chigwooltz_, tsjigg-woelts', de stierkikvorsch.

_Clote Scarpe_, Kloot Skaarp, een fabelachtige held van de Noordelijke

Indianen, zooals Hiawatha.

_Commoossie_, kom-moe-sie', een kleine schuilplaats of hut, van bast

en takken gemaakt.

_Deedeeaskh_, die-die'-ask, de blauwe gaai.

_Eleemos_, el-ie'mos, de vos.

_Hawahak_, ha-wa-hek', de havik.

_Hukweem_, huk-wiem', de groote Noordelijke duiker of ijsduiker.

_Ismaques_, is-ma-kwez', de vischarend.

_Kagax_, ke'-guaks, de wezel.

_Kakagos_, ka-ka-guoz, de raaf.

_K'dunk_, k'dunk', de pad.

_Keeokuskh_, kie-o-kusk', de muskusrat.

_Keeonekh_, kie'-o-nek, de otter.

_Killoleet_, kil'-loe-liet, de witkeel-musch.

_Kookooskoos_, koe-koes-koes', de groote oehoe.

_Koskomenos_, kos'-kom-ie-nos', de ijsvogel.

_Kupkawis_, kup-kee'-wiz: syrnium varium, een gestreepte uil.

_Kwaseekho_, kwa-ziek'o, de zaagbek.

_Lhoks_, loks, de panter.

_Malsun_, mel'-sun, de wolf.

_Meeko_, mie'-ko, de roode eekhoorn.

_Megaleep_, meg'-a-liep, de caribou of 't N.-Amerikaansche rendier.

_Milicete_, mil'-i-siet, de naam van een Indiaanschen stam, ook

Malicete geschreven.

_Mitches_, mit'-sjes, het gekraagde hazelhoen, een soort "grouse":

bonasia umbellis of Amerikaansche "patrijs".

_Moktaques_, mok-ta'-kwes, de haas.

_Mooween_, moe-wien', de zwarte beer.

_Musquash_, mus'kwosj, de muskusrat.

_Nemox_, nem'-moks,

_Pekquam_, pek-wem, de vischmarter uit N.-Amer.

_Quoskh_, kwosk, de blauwe reiger.

_Seksagadagee_, sek'-sa-guee-da'-guie, het Canadeesche hazelhoen,

ook een soort "grouse".

_Skooktum_, skoek'-tum, de forel.

_Tookhees_, tok'-ies, de boschmuis.

_Umquenawis_, um-kwie-na'-wiz, de eland.

_Unkwunk_, unk'-wunk, het stekelvarken.

_Upweekis_, up-wiek'-is, de Canadeesche lynx.

Een Broertje van den Beer · 第 11 / 13 题