MOOWEEN'S HOL.

Eens, na een langen tocht door het zware bosch langs den oever van de

kleine Zuidwestrivier, kwam ik op iets dat op een ouden weg leek, die

den vorigen winter uitgepaald was, en daar ik niets beters te doen had,

volgde ik dien om eens te kijken, waar hij me heen zou leiden. Andere

voeten dan de mijne waren kortgeleden ook dien kant uit gegaan, want

elke zachte plek in de aarde, elke vermolmde boomstronk die daar lag,

elk polster moerasmos en modderige plaats naast de beek had diepe

prenten van voetzolen en indrukken van nagels, om me te verklappen

dat Mooween, de beer, vele malen datzelfde pad heen en terug was

gegaan. Nu wist ik wat ik er aan het andere eind vinden zou, en was

in 't geheel niet verbaasd toen het me naar het open terrein van een

groot houthakkerskamp naast de rivier leidde.

Er is altijd een onweerstaanbare aantrekkingskracht in zulke plaatsen,

waar menschen in het hart der bosschen hun eenvoudige leven geleefd

hebben, afgesloten van de rest der wereld gedurende den langen

winter, en ik begon dus voorzichtig om de hutten heen te sluipen,

om eens te zien wat 'k vinden kon. De deur van den lagen stal hing

uitnoodigend open, maar het was nu een donker, schimmelig oord, waar

't vies rook, hoe behaaglijk het er 's winters ook mocht zijn, en

slechts de stekelvarkens waren er in doorgedrongen. Ik verliet het

na een blik en stapte regelrecht op het eigenlijke verblijf aan.

De deur hiervan was stevig gesloten; maar er was een groot gat

in het dak getrokken door beren, en ik kroop door dien ingang naar

binnen. Mooween was hier verscheiden keer vóór mij geweest. Elk hoekje

van het groote vertrek, de slaapbanken en de kasten, de kachel zelfs

was onderstboven gehaald; de sterke hondenlucht van een beer hing

overal, en bewees hoe kort geleden hij het daar doorzocht had. Hier in

een hoek was een groote blikken trommel opengewrongen en er lag meel

over den vloer en over de leuningbank voor den haard gemorst, alsof

er een dwarrelwind over heengevaren was. Mooween was klaarblijkelijk

speelsch geweest; of misschien was hij razend, dat dat goed waar hij

zich zoo veel moeite voor getroost had te droog was om te eten. De

witte prent van een klauw stond overal op vloer en muren afgedrukt. Dat

was de klauw van een kleinen beer, die zeker laat gekomen was en zich

tevreden had moeten stellen met wat de andere hadden achtergelaten.

Over den heelen balkenvloer was er een vat of een kruik rondgerold,

eer het meel vermorst was, en ik wist onmiddellijk dat ik den beer op

't spoor was, die het eerst was binnengekomen, den kolos, die het gat

in het dak getrokken en toen 't heele kamp doorgeneusd had zonder

iets van zijn plaats te halen, eer hij vond wat hij zocht. Terwijl

het voorwerp onder zijn voorpoot rondgerold werd, was er rijkelijk

van den inhoud gemorst en Mooween was er overal achteraan gegaan,

had opgelikt wat hij op den vloer vond en geen druppel overgelaten om

't geval uit te brengen; maar uit de vliegen, die elk zonnig plekje

omzwermden, wist ik dat het iets zoets geweest moest zijn--suikerstroop

waarschijnlijk--en dat Mooween, nadat hij alles opgegeten had, den

emmer of de kruik meegenomen had om hem schoon uit te likken, zooals

beren zonder uitzondering doen, als ze een houthakkerskamp plunderen.

Andere beren waren hem nagekomen in het kamp en hadden maar weinig

van hun gading gevonden. Een had er een halfvol vat met varkensvleesch

opengebeukt, en van den zouten inhoud geproefd en toen een stapel oude

moccasins nieuwsgierig doorsnuffeld. Wel twaalf bijlen en slaghaken

waren uit een ton getrokken en op den vloer gesmeten, om te zien

of ze soms ook wat lekkers verborgen hielden. Elke pot en pan in de

groote kast was er uitgehaald en belikt, om er achter te komen wat er

't laatst in gekookt was; en één beer was op zijn achterpooten gaan

staan en had alles wat er op een hooge plank stond met een veeg van

zijn poot er afgeschoven. Kortom, het kamp was grondig overhoopgehaald,

en het baatte andere beren weinig of ze 't doorsnuffelden. Het was,

alsof het kamp zwijgend op den terugkeer in 't voorjaar van de

houthakkers wachtte om weer orde te scheppen.

Ik kroop weer door het gat in het dak en begon zorgvuldig het groote

terrein te onderzoeken. Als Mooween iets naar buiten gedragen had,

zou het niet ver te zoeken zijn; en het is heel merkwaardig, voor mij

tenminste, iets te vinden dat het boschvolkje heeft aangeraakt of in

handen gehad. De elzetak, dien de bever gisteren afgeknaagd heeft,

of het moddertaartje, dat zijn voorpooten glad geklopt hebben; de

knoest, dien de waschbeertjes als speelgoed gebruikt hebben in hun

hol, om zich den tijd te korten als hun moeder weg was; de boom,

waar twee of drie beren hun hoogte aan uitgemeten en met krabbels

aangegeven hebben; de liggende boomstam, waar het hazelhoen "trommelt";

het afgestooten gewei van een eland; de prent van een onbekend dier;

het oude hol van een lynx--al deze dingen en nog oneindig veel meer

hebben een onweerstaanbare aantrekkingskracht (ik zou niet kunnen

zeggen wat het is), die me wel een mijl van mijn weg aflokt, alleen

om eens even te staan waar wilde pootjes stellig voorbij zijn gekomen,

en om het zwijgende verhaal te lezen, dat ze achtergelaten hebben.

Voor de deur van het kamp was een reusachtige hoop spaanders, waar de

mannen hun hout gehakt hadden gedurende den langen winter. Ik klom er

op, in verbazing over den reusachtigen omvang, en veroorzaakte groot

lawaai, toen de spaanders onder me uitglipten. Plotseling ontstond

er een vreeselijk gerommel voor mijn voeten. Een beer stortte zich

uit den spaanderhoop, alsof hij door een ontploffing de lucht was

ingeblazen, en stoof halsoverkop het stille bosch in.

Dat was wel om van te schrikken op zoo'n kalmen dag. Ik liep te

zoeken naar iets dat Mooween had achtergelaten, maar niet naar Mooween

zelf. Ik bleef stokstijf waar ik was, op den hoop spaanders den beer

staan nakijken, en me verbaasd afvragen, eerst waar hij vandaan kwam en

daarna wat er gebeurd zou zijn, als hij in de hut geweest was, toen ik

door het dak naar binnen kwam. Daarna ging ik naar beneden en ontdekte

het wonderlijkste hol, dat ik ooit in de bosschen heb aangetroffen.

Aan den noordkant van den hoop was door den beer een gang gegraven

van een paar voet lang, en het middelste van den stapel spaanders

was naar buiten gegooid om een klein hol te maken, juist groot genoeg

voor Mooween om in te liggen. Ik stak mijn hoofd naar binnen en merkte

tot mijn verbazing dat het een echte ijshut was, waar sneeuw en ijs

stevig tusschen de spaanders waren gevoegd. Ik onderzocht den stapel

op andere plaatsen en ontdekte overal denzelfden stand van zaken. Een

paar voet onder de oppervlakte was het ijs zoo prachtig gebleven,

alsof het Januari was in plaats van midden in den zomer. Hier waren

schaduw en koelte, die geen zon kon verdrijven, en opeens begreep ik

hoe dat zoo wonderlijk gebeurd was.

Den heelen winter hadden de mannen het hout voor hun vuur op dezelfde

plek gehakt; ze hadden slechts bijlen gebruikt en een reusachtigen

hoop spaanders en afval gemaakt. Als het zwaar sneeuwde, hadden ze,

in plaats van den boel op te ruimen, eenvoudig nog meer hout er

boven op gehakt, terwijl ze de sneeuw er onder tot een vaste massa

plattraden en ze weer met nieuwe spaanders bedekten. Zoo groeide

de stapel--eerst een laag spaanders, dan een dikke sneeuwdeken,

dan weer spaanders en weer sneeuw--en werd hoe langer hoe grooter,

tot de houthakkers in April hun hut sloten om er op uit te trekken

voor hun voorjaarswerk, het vlotten van balken.

Toen de lentezon de sneeuw in de bosschen ontdooide, bleef de groote

stapel daar liggen, maar daalde langzamerhand bij 't warmer worden

der dagen, 's Middags smolt de bovenste sneeuwlaag en sijpelde door

de spaanders; 's nachts vroor het hard, zoodat de sneeuw van binnen

geleidelijk tot zacht ijs werd. Toen alle sneeuw in de bosschen

verdwenen was, bleef die in den spaanderhoop voor smelten beveiligd

door de dikke houtdekens die haar bedekten; en de langste zomer zou

nog niet voldoende zijn om ze te versmelten tot op de onderste laag,

die de eerste sneeuw van den vorigen herfst vertegenwoordigde.

Toen ik de plek ontdekte, was het voor in Juli. De zon scheen zengend

heet van omhoog, en de vliegen en muggen zwermden bij myriaden rond;

maar in Mooween's hol bleven nog twee of drie ijslagen ongesmolten

over. Het hol was zoo koel als een ijskelder, en geen enkele vlieg

zou daar ook maar een seconde blijven.

Achter in het hol glom iets, toen mijn oogen gewend raakten aan

de duisternis, en ik stak er mijn hand in en haalde 't voorwerp er

uit. Het was een steenen kruik, en ik wist dadelijk waar de stroop

in geweest was, die in 't kamp over den vloer was gemorst. Mooween

had er waarschijnlijk de kurk afgetrokken en de kruik rondgerold,

en de stroop opgelikt terwijl die er uitliep. Toen hij niet meer kon

krijgen, had hij de kruik onder zijn arm genomen, terwijl hij door

het gat in het dak klom, en ze nu in zijn hol gehouden ten einde

ze nog eens van onder tot boven te belikken om een paar verdwaalde

droppels, die hij misschien over 't hoofd had gezien. Mogelijk vond

hij er troost in zijn tong of zijn neus in den hals te steken, om de

zoetigheid te ruiken, waar hij niet meer bij kon.

Ik heb een of twee wonderlijke winterholen van Mooween gevonden,

en ben zijn spoor eindeloos, mijlen ver door de sneeuw gevolgd,

als hij uit een _hibernacalum_ verdreven was en een ander zocht in

afgelegen wijkplaatsen, terwijl hij een spoor zonder einde maakte, met

de duidelijke bedoeling elken jager uit te putten die zou trachten

hem te volgen. Ik heb herhaaldelijk de waterbekkens gevonden,

waar hij zich baadde, en hem midden in den zomer gadegeslagen, als

hij zich een koel plaatsje zoekt--een troebelen tegenstroom in een

forellenbeek onder de elzen, of een mossige holte aan den noordkant

onder een groote, steile rotsrichel--om aan de vliegen en de hitte te

ontkomen. Maar niet éen kon de vergelijking doorstaan met deze ijshut

van de houthakkers, die zijn listigheid zich had uitgezocht, en die

hij, volgens vele bewijzen in het rond, gewoon was dagelijks voor zijn

slaapje te gebruiken, als de zon op haar heetst was; en geen van zijn

vele eigenaardige trekjes trof me zoo sterk als het grappige overleg,

dat hem noopte de kruik mee naar zijn hol te nemen. Daar was ze veilig,

of Mooween thuis was of niet, want geen beer zal ooit het hol van een

anderen binnengaan, tenzij de eigenaar er hem eerst ingebracht heeft;

en als andere beren in 't heete kamp een hap zout varkensvleesch en

droog meel smakelijk trachtten te vinden, lag Mooween behaaglijk in

zijn ijshut de stroopkruik te likken, die zijn bijzondere deel in

den buit vertegenwoordigde.

Een Broertje van den Beer · 第 10 / 13 题